Joseph Brodsky, Michael Chabon, Rainald Goetz, Kamiel Vanhole, Henri Michaux, Bob Dylan, Arnold Wesker, William Trevor, George Tabori, Louis Fürnberg, Michail Sjolochov, Jean de La Varende, Arthur Wing Pinero


De Russisch-Amerikaanse dichter Joseph Brodsky werd op 24 mei 1940 in Leningrad (het huidige St.  Petersburg) geboren als Iosif Brodski. Zie ook mijn blog van 24 mei 2008 en ook mijn blog van 24 mei 2007 en mijn blog van 24 mei 2006.

 

 

Belfast Tune

  

Here’s a girl from a dangerous town

She crops her dark hair short

so that less of her has to frown

when someone gets hurt.

 

She folds her memories like a parachute.

Dropped, she collects the peat

and cooks her veggies at home: they shoot

here where they eat.

 

Ah, there’s more sky in these parts than, say,

ground. Hence her voice’s pitch,

and her stare stains your retina like a gray

bulb when you switch

 

hemispheres, and her knee-length quilt

skirt’s cut to catch the squall,

I dream of her either loved or killed

because the town’s too small.

 

 

 

 

Seaward

  

Darling, you think it’s love, it’s just a midnight journey.

Best are the dales and rivers removed by force,

as from the next compartment throttles “Oh, stop it, Bernie,”

yet the rhythm of those paroxysms is exactly yours.

Hook to the meat! Brush to the red-brick dentures,

alias cigars, smokeless like a driven nail!

Here the works are fewer than monkey wrenches,

and the phones are whining, dwarfed by to-no-avail.

Bark, then, with joy at Clancy, Fitzgibbon, Miller.

Dogs and block letters care how misfortune spells.

Still, you can tell yourself in the john by the spat-at mirror,

slamming the flush and emerging with clean lapels.

Only the liquid furniture cradles the dwindling figure.

Man shouldn’t grow in size once he’s been portrayed.

Look: what’s been left behind is about as meager

as what remains ahead. Hence the horizon’s blade.

 

 

 

 

 

Liefde

 

‘k Werd wakker en ontdeed me van de deken.

Liep naar het raam. De lichten in de ruit

beëindigden een zin, in slaap geuit,

maar brachten, net als een beletselteken,

mij geen vertroosting, gingen langzaam uit.

 

Ik droomde dat je zwanger was en, gek,

na zoveel jaar van jou te zijn gescheiden,

bekroop me toch een schuldgevoel. Mijn beide

handen die net nog blij jouw ronde buik

betastten, graaiden naar mijn broek en reikten

 

omhoog naar ’t knopje van het licht. Ik stond

bij ’t raam en wist dat jij je daar bevond,

in ’t donker, in de droom alleen gebleven.

Je wachtte tot ik terugkwam, uit je mond

klonk geen verwijt, je wilde me vergeven.

 

Want zolang jij daar in dat donker wacht

duurt voort wat door het licht wordt afgesneden.

Daar blijven we verbonden in de echt,

en kinderen zijn het excuus, de reden

dat wij er naakt, tweeruggig zijn verhecht.

 

Eens op een nacht zal jij opnieuw voor mij

verschijnen, dodelijk vermoeid en mager.

Ik heb er dan een zoon of dochter bij,

een baby nog. Ik zal het dan niet wagen

de lamp we
er aan te doen: ik ben niet vrij,

 

heb niet het recht jullie alleen te laten,

als opgeslotenen in dat domein

van stomme schimmen, sprakeloos en klein

voor de hoog opgetrokken haag der dagen

die mij zo onbenaderbaar doet zijn.

 

 

 

 

Vertaald door Peter Zeeman

 

 

 

 

 

Brodsky
Joseph Brodsky (24 mei 1940 – 28 januari 1996)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Michael Chabon werd geboren op 24 mei 1963 in Washington. Chabon had zijn eerste stripwinkeltje op zijn tiende. Tijdens zijn studie speelt hij in het punkbandje ‘The Brats’ en op zijn vierentwintigste debuteerde hij met de roman ‘The Mysteries of Pittsburgh’, dat door de kritiek de hemel in geprezen werd.  Voor zijn roman ‘The Amazing Adventures of Kavalier & Clay’ (2000), ontving hij in 2001 de Pulitzer Prize voor fictie. Naast romans, schrijft Chabon hier en daar scripts voor tekenfilms.

 

Uit: The Amazing Adventures of Kavalier & Clay

 

„It was a caterpillar scheme–a dream of fabulous escape–that had ultimately carried Josef Kavalier across Asia and the Pacific to his cousin’s narrow bed on Ocean Avenue.

As soon as the German army occupied Prague, talk began, in certain quarters, of sending the city’s famous Golem, Rabbi Loew’s miraculous automaton, into the safety of exile. The coming of the Nazis was attended by rumors of confiscation, expropriation, and plunder, in particular of Jewish artifacts and sacred objects. The great fear of its secret keepers was that the Golem would be packed up and shipped off to ornament some institut or private collection in Berlin or Munich. Already a pair of soft-spoken, keen-eyed young Germans carrying notebooks had spent the better part of two days nosing around the Old-New Synagogue, in whose eaves legend had secreted the long-slumbering champion of the ghetto. The two young Germans had claimed to be merely interested scholars without official ties to the Reichsprotektorat, but this was disbelieved. Rumor had it that certain high-ranking party members in Berlin were avid students of theosophy and the so-called occult. It seemed only a matter of time before the Golem was discovered, in its giant pine casket, in its dreamless sleep, and seized.“

 

 

 

Chabon
Michael Chabon (Washington, 24 mei 1963)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Rainald Maria Goetz werd geboren op 24 mei 1954 in München. Zie ook mijn blog van 24 mei 2007 ook mijn blog van 24 mei 2008

 

Uit: Über Thomas Bernhard: “Die Kälte”

 

“Thomas Bernhard lesen und in seine abgründige Ekel-Welt gerissen sein: das ist eins, nahezu unausweichlich. Auch der vierte Teil seiner Jugenderinnerungen entwickelt diesen längst bekannten Sog. Von den ersten Sätzen an wird das Arsenal der Schreckensworte in der üblichen Bernhardschen Virtuosität zu den üblichen Bedrückungsbildern arrangiert.

Hat der Leser nicht nach wenigen Seiten, gelangweilt vom immer-gleichen Elend, das Buch weggelegt, hat er weitergelesen, ist er schon verloren. Das Unbedingte und Monomane dieser Prosa verschlingt ihn. Seit Bernhard schreibt, ist das so.

Gibt es also nichts Neues zu berichten von Thomas Bernhard? Zunächst: Die biographische Katastrophe, wir notieren es ohne Erstaunen, nimmt wie unweigerlich ihren Fortgang. “Die Kälte. Eine Isolation” schildert die Patientenkarriere des 18jährigen Bernhard in der Lungenheilstätte Grafenhof. Was diese Krankengeschichte an Ungeheuerlichkeiten bereithält, wirkt wie erfunden.

Bei seiner Einweisung in das von der Außenwelt streng isolierte Sanatorium ist der junge Mann zwar lungenkrank, leidet jedoch nicht, wie alle anderen, an Tuberkulose. Die Ansteckung ist freilich nur eine Frage der Zeit. Als der immer routinierter produzierte Auswurf vom Labor endlich als positiv klassifiziert wird, breitet sich unter den Mitpatienten und Ärzten Zufriedenheit aus: Der bislang vergleichsweise Gesunde, als Außenseiter argwöhnisch beobachtet, kann jetzt vereinnahmt werden von der Kranken- und Todesgemeinschaft.”

 

 

 

 

reinald_goetz
Rainald Goetz (München, 24 mei 1954)

 

 

 

 

De Vlaamse schrijver Kamiel Vanhole werd geboren in Etterbeek op 24 mei 1954. Hij bracht zijn jeugd door in de Vlaams-Brabantse gemeente Sterrebeek. Hij studeerde Germaanse filologie aan de Katholieke Universiteit Leuven. Hij woonde in Kessel-Lo bij Leuven. Na zijn burgerdienst ging hij als scenarist bij de Brusselse tekenfilmstudio Graphoui werken. Vanhole debuteerde in 1990 met de reisverhalen “Een demon in Brussel”. Hij schreef verscheidene romans en toneelstukken, en vertaalde verhalen en essays van onder andere Vladimir Nabokov, John Berger, Marguerite Duras, John Updike en Charles Simic. Vanhole heeft veel gereisd. Hij was politiek geëngageerd. Zo was hij een van de initiatiefnemers van het “Bomspotting”-project, dat België kernwapenvrij wilde maken. Samen met Charles Ducal schreef hij in 1993 Over de voorrang van rechts, waarin hij de opkomst van het uiterst rechtse Vlaams Blok (het huidige Vlaams Belang) hekelde.

Pantoffelparade

Kent u de Verminkte Vovniks, lezer?

In Argentinië gaat de fabel dat de mensheid altijd zesendertig rechtvaardigen telt, die de Verminkte Vovniks worden genoemd. Ze kennen elkaar niet, ze zijn zelfs van elkaars bestaan niet op de hoogte, maar met z’n allen tillen ze de last van het heelal. In het geheim. En niemand die weet wie ze zijn of waar ze wonen.

Wie de literaire Vovniks van de volgende eeuw zullen zijn, is al evenzeer een raadsel. Toch zijn ze reeds onder ons. Ze grijpen ons aan. Ze krijgen ons aan ’t lachen en besmetten ons met hun waarheden.

En ach, ze zien er niet uit. Als honden draaien ze om een bot heen. Ze knagen het stuk en zuigen er het merg uit. Het merg van de wereld, zeggen ze. En daarover zingen ze, daarvan willen ze leven.

Wij likken er de vingers bij af.

We knikken en huiveren en lachen.

Lezer, u die wilt vernemen wie de Vovniks van de toekomst zijn, ik zal u moeten teleurstellen: mijn koffiedik is voor de mesthoop. En ‘men moet soms voorzichtig wezen, (…) ik mocht eens wegens voortijdige overmaat van klassicismus verraderlyk ontmand worden tot letterprofessor.’

Daarom zeg ik u: weg met de pantoffelparade!

Iedereen zijn eigen Vovniks!

Leve de doden.

 

 

 

 

Vanhole
Kamiel Vanhole (24 mei 1954 – 12 juni 2008)

 

 

 

 

 

De Franse schrijver, dichter  en schilder Henri Michaux werd geboren op 24 mei 1899 in Namur in België. Zie ook mijn blog van 24 mei 2007 ook mijn blog van 24 mei 2008

 

 

La jeune fille de Budapest

 

Dans la brume tiède d’une haleine de jeune fille, j’ai pris place

Je me suis retiré, je n’ai pas quitté ma place.

Ses bras ne pèsent rien. On les rencontre comme l’eau.

Ce qui est fané disparaît devant elle. Il ne reste que ses yeux.

Longues belles herbes, longues belles fleurs croissaient dans notre champ.

Obstacle si léger sur ma poitrine, comme tu t’appuies maintenant.

Tu t’appuies tellement, maintenant que tu n’es plus.

 

 

 

 

Je vis un arbre dans un oiseau

 

Celui-ci le réfléchissait tout entier et une brise infiniment légère en assouplissait seulement l’extrême bord des feuilles.

L’oiseau était immobile et grave.

C’était un matin clair, sans soleil, un matin qui ne dévoile rien encore de la journée à venir, ou très peu.

 Moi aussi, j’étais calme.

 L’oiseau et moi, nous nous entendions, mais à distance, comme il convient à des êtres d’espèce animale, ayant eu, sans retour possible, une évolution parfaitement divergente.

 

 

 

 

michaux
Henri Michaux (24 mei 1899 – 19 oktober 1984)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse zanger, songwriter en dichter Bob Dylan werd geboren als Robert Allen Zimmerman op 24 mei 1941 in Duluth, Minnesota. In september 2008 werden twee gedichten van hem gepubliceerd in The New Yorker. Ze werden geschreven voor het boek Hollywood Foto-Rhetoric:The Lost Manuscript, met teksten van Bob Dylan en foto’s van Barry Feinstein. Zie ook mijn blog van 24 mei 2006.

 

 

17

 

after crashin the sportscar

into the chandelier

i ran out the phone booth

made a call t my wife. she wasnt home.

i panicked. i called up my best friend

but the line was busy

then i went t a party but couldnt find a chair

somebody wiped their feet on me

so i decided t leave

i felt awful. my mouth was puckered.

arms were stickin thru my neck

my stomach was stuffed an bloated

dogs licked my face

people stared at me an said

“what’s wrong with you?”

passin two successful friends of mine

i stopped t talk.

they knew i was feelin bad

an gave me some pills

i went home an began writin

a suicide note

it was then that i saw

that crowd comin down

the street

i really have nothing

against

marlon brando

 

 

 

 

 

Dylon
Bob Dylan (24 mei 1941)
 

 

 

De Britse schrijver Arnold Wesker werd geboren op 24 mei 1932 in Londen. Voordat hij met schrijven begon werkte hij in de jaren vijftig als timmerman, kok en oogstarbeider. Jonge toneelschrijvers als John Osborne moedigden hem aan om voor het toneel te gaan schrijven. De doorbraak kwam al snel met werken als The Kitchen, 1957, Chicken Soup with Barley, 1958, Roots, 1958, en I’m talking about Jerusalem, 1958. Later volgden ook proza, gedichten, hoorspelen en draaiboeken voor films.

 

Uit: Roots

 

„”Do you think we really count? You don’ wanna take any notice of what them ole papers say about the workers bein’ all-important these days – that’s all squit! ‘Cos we aren’t. Do you think when the really talented people in the country get to work they get to work for us? Hell if they do? Do you think they don’t know we ‘ont make the effort? The writers don’t write thinkin’ we can understand, nor the painters don’t paint expectin’ us to be interested – that they don’t, nor don’t the composer
s give out music thinkin’ we can appreciate it. ‘Blust,’ they say, ’the masses is too stupid for us to come down to them. Blust,’ they say, ‘if they don’t make no effort why should we bother?” So you know who come along? The slop singers and the pop writers and the film makers and the women’s magazines and the tabloid papers and the picture-strip love stories – thaas who come along, and you don’t hev to make no effort for them, it come easy… The whole stinkin’ commercial world insults us and we don’t care a damn. Well Ronnie’s right – it’s our own bloody fault. We want the third-rate – we got it!”

 

 

 

 

wesker
Arnold Wesker (Londen, 24 mei 1932)

 

 

 

 

 

De Ierse schrijver William Trevor werd geboren op 24 mei 1928 in Mitchelstown, County Cork. Hij studeerde geschiedenis aan het Trinity College in Dublin en werkte daarna als leraar. Al vroeg maakte hij naam als beeldhouwer. In 1952 trok hij naar Engeland om als kunstdocent te werken. In 1958 verscheen zijn eerste roman Trinity College in Dublin. Trevor won vele literaire prijzen en ontving enkele jaren geleden de twee hoogste Britse onderscheidingen: de eretitel Commander of the British Empire en de David Cohen British Literature Prize. In 2003 verscheen bij Meulenhoff zijn roman Het verhaal van Lucy Gault, die was genomineerd voor de ManBooker Prize en de Whitbread Award. Van al zijn boeken is Felicia’s reis zijn bekendste roman. Het boek werd verfilmd door Atom Egoyan.

 

Uit: The Story of Lucy Gault

 

“Captain Everard Gault wounded the boy in the right shoulder on the night of June the twenty-first, nineteen twenty-one. Aiming above the trespassers’ heads in the darkness, he fired the single shot from an upstairs window and then watched the three figures scuttling off, the wounded one assisted by his companions.

They had come to fire the house, their visit expected because they had been before. On that occasion they had come later, in the early morning, just after one. The sheepdogs had seen them off, but within a week the dogs lay poisoned in the yard and Captain Gault knew that the intruders would be back. ‘We’re stretched at the barracks, sir,’ Sergeant Talty had said when he came out from Enniseala. ‘Oh, stretched shocking, Captain.’ Lahardane wasn’t the only house under threat; every week somewhere went up, no matter how the constabulary were spread. ‘Please God, there’ll be an end to it,’ Sergeant Talty said, and went away. Martial law prevailed, since the country was in a state of unrest, one that amounted to war. No action was taken about the poisoning of the dogs.

When daylight came on the morning after the shooting, blood could be seen on the sea pebbles of the turn-around in front of the house. Two petrol tins were found behind a tree. The pebbles were raked, a couple of bucketfuls that had been discoloured in the accident taken away.”

 

 

 

 

Trevor
William Trevor (Mitchelstown, 24 mei 1928)

 

 

 

 

 

De van oorsprong Duits-Hongaarse, maar Engelstalig schrijver en dramaturg George (György) Tabori  werd geboren in Boedapest op 24 mei 1914. Hij was de tweede zoon van een joodse journalist. Na de machtsovername van de nazi’s week hij uit en emigreerde in 1936 naar Londen waar hij journalist werd en oorlogscorrespondent voor de BBC. In 1941 wer
d hij Brits staatsburger. Het merendeel van zijn familie werd uitgemoord in Auschwitz. In 1947 vertrok hij naar de VS, waar hij scenario’s ging schrijven en samenwerkte met Joseph Losey en Alfred Hitchcock, en waar hij onder meer Bertolt Brecht ontmoette. Met Brecht werkte hij aan een Engelse versie van Leben des Galileï. Onder diens invloed begon hij te schrijven voor het theater en werd tevens regisseur.
In 1969 keerde hij terug naar Europa, eerst Londen, daarna Bremen, waar hij een eigen gezelschap stichtte. Vanaf 1978 werkte hij in München, na 1986 in Wenen, waar hij ging samenwerken met de beroemde regisseur Claus Peymann. Pas hier kwam zijn carrière werkelijk tot ontplooiing, en ontstonden zijn beroemdste stukken. In 1992 ontving hij de Georg-Büchner-Preis. In 1999 vertrok hij wederom naar Berlijn. Het eerste eigen stuk waarmee hij doorbrak was Die Kannibalen (1968). In Nederland is Tabori bekend sinds de opvoering van Mein Kampf door Toneelgroep Amsterdam (1988).

 

Uit: Der Zauberberg und das Hollywoodschnitzel

 

Das dritte Mal, im wunderschönen Monat Mai, begegneten wir uns vor meinem Geburtstag bei mir zu Hause. Thomas und Katja Mann kamen zum Abendessen. Meine damalige deutsche Ehefrau war so aufgeregt, dass das Essen ungefähr zwei Stunden verspätet fertig wurde (Hollywoodschnitzel und Bratkartoffeln). Thomas Mann, an dessen Lippen mir die weiße Spur eines Magenpulvers aufgefallen war, beklagte sich nicht über die Verspätung. Er nutzte die Zeit, um einen Witz zu erzählen, worauf die Gäste mit freundlich gebleckten Zähnen reagierten und die Schauspielerin Greta Garbo gleich und leichtsinnig mit einem prachtvollen Witz antwortete. Wir brüllten alle. Thomas Mann war so beleidigt, dass er in seinem Tagebuch alle Gäste, auch die Garbo, ignorierte und stattdessen eintrug: „Zum Abendessen bei Taboris hoch über Hollywood. Kleine ungarisch schwedisch englische Gesellschaft … Lange Sitzerei vorm Dinner.“

Ich hatte damals ein paar Monate am Drehbuch für eine Verfilmung des „Zauberberg“ geschrieben. Thomas Mann hoffte auf Hollywood und hatte sich schon damit abgefunden, dass nicht alle seiner vielen „Zauberberg“-Figuren in einer anderthalbstündigen Kinoversion vorkommen könnten. In den Anmerkungen zu den von Inge Jens herausgegebenen Tagebüchern Thomas Manns (1946–48) steht dazu: „Dramatisierung des ,Zauberberg ’(…): Ein Treatment lag vor, und auch die Hauptdarsteller, auf die sich Tabori mit seinem Freund Zoltán Korda, dem Bruder des Rechtsinhabers Sir Alexander Korda, einigen konnte, standen bereits fest: Greta Garbo als Claudia Chauchat und Montgomery Clift als Hans Castorp. Der Plan wurde niemals realisiert.“

Um das etwas genauer zu berichten: Mein Agent Harry Tatterbaum weigerte sich, den „Zauberberg“ an die Studios zu geben. „Bist du wahnsinnig“, sagte er mir ganz freundlich, „ein Script über eine Lungenheilanstalt? Du willst in Amerika einen Film über lauter Kranke und Moribunde machen?“ Das war das Ende von Thomas Manns und meinem „Zauberberg“ in der neuen heilen Welt.”

 

 

 

tabori
George Tabori (24 mei 1914 – 23 juli 2007)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en componist Louis Fürnberg werd geboren op 24 mei 1909 in Iglau.Hij studeerde vanaf 1927 aan de Praagse handelsacademie en stichtte daar de Agitprop-Gruppe ‘Echo von links’. Een uitgesproken communistisch geïnspireerd literair blad. Toen de nazi’s in maart 1939 Praag binnenmarcheerden werd Fürnberg gearresteerd, gefolterd en later, door zijn vrouw, terug vrijgekocht. Na zijn vrijlating vluchtte de dichter-componist naar Palestina. In 1946 keerde Fürnberg terug naar Tsjechoslowakije om zich in 1954 met wat van zijn familie over was in Weimar te vestigen. In 1957 overleed hij aan een hartstilstand. Fürnberg  was de schrijver van het gedicht ‘Lied der Partei’ dat door de staatspartij SED als dé DDR-hymne werd geadopteerd.

 

 

Spätsommerabend

 

Die Äpfel an den Bäumen,

die wiegt ein leiser Wind,

die letzten Rosen träumen,

der Sommerfaden spinnt.

 

Es färbt mit abenzarten

Pastellen Zaun und Haus

die Sonne hinterm Garten.

Die Wiese atmet aus.

 

Leis raschelt’s in den Bäumen.

Die Taube gurrt im Schlag.

Wir sitzen und wir träumen.

Es war ein guter Tag.

 

 

 

 

 

Alt möcht ich werden

 

Alt möcht ich werden wie ein alter Baum, 

mit Jahresringen, längst nicht mehr zu zählen, 

mit Rinden, die sich immer wieder schälen, 

mit Wurzeln tief, daß sie kein Spaten sticht. 

 

In dieser Zeit, wo alles neu beginnt, 

und wo die Saaten alter Träume reifen, 

mag wer da will den Tod begreifen – – 

ich nicht! 

 

Alt möcht ich werden wie ein alter Baum, 

zu dem die sommerfrohen Wandrer fänden, 

mit meiner Krone Schutz und Schatten spenden 

in dieser Zeit, wo alles neu beginnt.

 

Aus sagenhaften Zeiten möcht ich ragen, 

durch die der Schmerz hinging, ein böser Traum, 

in eine Zeit, von der die Menschen sagen: 

Wie ist sie schön! O wie wir glücklich sind! 

 

 

 

 

 

 

Fuernberg_Weimar
Louis Fürnberg (24 mei 1909 – 23 juni 1957)

Buste in het Ilmpark in Weimar

 

 

 

 

 

De Russische schrijver Michail Aleksandrovitsj Sjolochov werd geboren in Kroesjilin op 24 mei 1905.  Zijn vader behoorde tot de lagere middenklasse, werkzaam als boer, veehandelaar en molenaar. Sjolochovs moeder was van Oekraïense afkomst en was weduwe van een kozak. Sjolochow was een leerling op scholen in Kargin, Moskou, Bogoetsjar en Vesjenskaja tot 1918. Toen hij 13 jaar was werd hij lid van de revolutionairen in de Russische Burgeroorlog. Hij begon met schrijven op de leeftijd van 17 jaar. Zijn eerste boek, Het Geboortemerk, verscheen toen hij 19 jaar was. In 1922 verhuisde Sjolochov naar Moskou om journalist te worden, maar hij moest allerlei baantjes aannemen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij was dokwerker, beeldhouwer en accountant van 1922 tot 1924, maar hij nam ook deel aan – met tussenpozen – seminaries. Zijn eerste (op grote schaal) gedrukte werk was het satirische artikel Een test (19
22). Sjolochov won in 1965 de Nobelprijs voor de Literatuur.

 

Uit: Der stille Don (Vertaald door Erich Müller)

 

“Die Jelansker und Wjoschensker haben sich erhoben. Fomin und die ganze Obrigkeit sind aus Wjoschki und Tokingeflohen. Vielleicht sind auch Kasanskaja, Schumilinskaja und Migulinskaja im Aufstand. Begreifst du, wonach dasriecht?” Die Adern an Grigoris Stirn und Hals schwollen an, grünliche Fünkchen blitzten in seinen Augen. Er konnte seine Freude nicht verbergen, seine Stimme bebte, ziellos glitten seine schwarzen Finger über die Knopflöcher des Mantels. “Und bei euch … im Chutor? Was? Wie?” “Nichts zu hören. Ich hab den Vorsitzenden gesehen, der lacht. ‚Mir ist’s gleich’, sagt er, ‚zu welchem Gott ich bete, Hauptsache, ein Gott ist da.’ So kriech schon raus aus deinem Loch!” Sie gingen ins Haus. Grigori machte Riesenschritte, neben ihm tippelte der Hausherr und erzählte: “Im JelanskerBezirk hat sich als erster der Chutor Krasnojarski erhoben. Vorgestern waren zwanzig Kommunisten aus Jelanskajanach Kriwskoi und Pleschakow ausgezogen, um dort Kosaken zu verhaften. Aber die Krasnojarsker hatten Wind von der Sache bekommen. Sie versammelten sich und beschlossen: ,Wie lange wollen wir das noch dulden? Jetzt greifen sie nach unsern Vätern, dann kommen wir dran. Sattelt die Pferde, befreien wir die Verhafteten!’ An die fünfzehn Mann hatten sich zusammengefunden, lauter junge Draufgänger … So begann der Tanz. Aus ist’s mit der Sowjetmacht, zum Teufel mit ihr!” …Das Gespräch war eben in Fluß gekommen – einer der Kosaken hatte zu erzählen begonnen, wie die Reschetowsker, Dubrowsker und Tschernowsker Fomin aus Wjoschenskaja vertrieben hatten –, als am Ende der Straße, die auf einen weißen, breitstirnigen Hang zuführte, zwei Reiter erschienen. Sie jagten die Straße herauf, hielten bei jeder Gruppe an, rissen ihre Pferde herum, fuchtelten mit den Armen und schrien etwas. Grigori erwartete ungeduldig ihr Kommen.“

 

 

 

Sjolochov
Michail Sjolochov (24 mei 1905 – 21 februari 1984)

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Jean de La Varende werd geboren op 24 mei 1887 op het kasteel van Bonneville à Chamblac (Eure). Zijn eerste boek Nez-de-Cuir verscheen in 1936. Een jaar later werd de roman opnieuw uitgegeven door Les éditions Plon. Het werd een succes. In 1942 werd hij gekozen als lid van de Académie Goncourt. Normandië en de zee speelden altijd een grote rol in zijn oeuvre.

 

Uit: Mademoiselle de La Vallière

 

„Elle est particulièrement touchante et connue. C’est qu’elle fut bonne et d’une vraie tendresse, et qu’elle diminua son péché de toute sa faiblesse ardente et de tout son remords, elle qui aurait tant voulu ne jamais faire de mal. Au centre des impérieuses, des vaniteuses, elle apparaît dégagée de tout orgueil, uniquement soucieuse de l’Amour. Elle est comme égarée dans une situation fausse. On se souvient qu’elle sut expier ses pâles bonheurs par une longue retraite de pénitence, et, si l’on prend conscience des époques et des dates, ce sentiment d’affectueuse pitié s’accroît et l’absout plus encore.

Vie amoureuse de treize ans ; vie repentante qui dura trente-six années. Mieux informé d’elle, quel malaise d’imaginer que ce fin visage subit les stigmates de l’orde vieillesse, dans son serre-tête et sa guimpe ; que ces traits allongés et souples, si mobiles, se durcirent sous l’émaciement de l’âge et des sacrifices, et que la duchesse de La Vallière, soeur Louise-de-la-Miséricorde, mourut au Carmel, à soixante-six ans !“

 

 

 

 

LaVarende04a
Jean de La Varende (24 mei 1887 – 8 juni 1959)

 

 

 

 

 

De Britse schrijver Arthur Wing Pinero werd geboren in Londen op 24 mei 1855. Hij werd oorspronkelijk voor een kantoorbaan opgeleid, maar die hield hij al vroeg voor gezien. Hij voelde zich sterk aangetrokken tot het toneel, waarop hij in 1874 in het Theatre Royal in Edinburgh debuteerde. Zijn eerste optreden op het Londense toneel, in het Globe Theatre, dateert van 15 april 1876. Hij vervulde al spoedig grote rollen in het klassieke en moderne repertoire, en vooral zijn Shakes
peare-vertolkingen trokken de aandacht. Kort na zijn eerste toneelstappen begon hij ook te schrijven, en werd zijn eerste werk opgevoerd. Het was de éénacter £200 a Year. Na het succes dat dit werkje verkreeg, ontwikkelde hij zich tot een der bekendste dramaturgen van zijn tijd, waarbij hij een grote productiviteit aan de dag legde. Jaarlijks werden wel een of twee nieuwe werken van zijn hand vertoond.

 

Uit: The ‘Mind the Paint’ Girl

 

FARNCOMBE.

[Nodding to ROPER and then coming forward and addressing MRS. UPJOHN.] I– er– I think I’ll go for a little walk and come back later on, if I may.

MRS. UPJOHN.

[Contentedly.] Oh, jest as you like.

FARNCOMBE.

[Moving towards the door.] In about a quarter-of-an-hour.

MRS. UPJOHN.

If we don’t see you again, I’ll tell Lil you’ve been ‘ere.

FARNCOMBE.

[At the door.] Oh, but you will; you will see me again.

MRS. UPJOHN.

Well, please yourself and you please your dearest friend, as Lil’s dad used to say.

FARNCOMBE.

Thank you– thank you very much.

[He disappears, closing the door after him.

MRS. UPJOHN.

[To ROPER, looking up.] I b’lieve you gave that young man the ‘int to go, Uncle.

ROPER.

I did; told him I wanted to talk business with you.“

 

 

 

 

Pinero
Arthur Wing Pinero (24 mei 1855 – 23 november 1934)