Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook alle tags voor Joost Zwagerman op dit blog.


Uit: Het wilde westen

“Jennen, treiteren, uitdagen
In de Volkskrant omschreef een politicoloog de favoriete activiteiten van de hooligan als ‘elkaar jennen, treiteren en uitdagen’. De bewoordingen leggen onbedoeld de jarenlange onverschilligheid over de voetbalterreur bloot.
Officier van justitie:’U stak het slachtoffer Carlo Picornie neer op het grasland bij Beverwijk? Hoe zou u dat zelf omschrijven?’
Verdachte:’Dat wil ik geen geweldpleging of doodslag noemen, edelachtbare. Ik was hem gewoon aan het jennen met mijn mes. Daarna treiterde ik hem bij zijn halsslagader. Je mag iemand toch wel uitdagen?’
Officier:’Natuurlijk mag dat. Maar wilt u nooit meer naar bioscopen bellen en lelijke dingen zeggen?’
Het moeten merkwaardige tijden zijn voor de Nederlandse hooligan. Je vermaakt je sinds jaar en dag met het molesteren van je tegenstanders, de sloop van NS-treinen; met messentrekken en intimidatie, bedreiging van voetbaljournalisten, vernielen van auto’s, cafés, en niet te vergeten met het oproepen tot haat en geweld. Niemand die je ooit écht een strobreed in de weg heeft gelegd. Hooguit loop je per abuis eens tegen een taakstrafje op, zodat je van een doorgetherapeutiseerde rechter een week lang auto’s moet wassen of de krant moet rondbrengen. Maar dan bel je als trotse bezitter van een crimineel curriculum vitae eens een keer een Utrechtse bioscoopexploitant op met de mededeling dat je de boel komt verbouwen zodra de ‘jodenfilm’ over Ajax wordt vertoond, en wat gebeurt er? Dán is ineens heel weldenkend Nederland in rep en roer. Alsof de Hakkelaar na een loopbaan van drugshandel, wapenbezit, liquidaties en ontvoering pas een kritieke grens passeert wanneer hij de uitbater van de Godfather IV met een oorveeg dreigt.
Zolang hooligans elkáár naar het leven staan is er kennelijk niets aan de hand. Dan leggen politie en justitie rondom voetbalvelden hagen van containers aan, sleuven van kooien waardoorheen de bloeddorstige supportlegers moeten worden geleid onder toezicht van stewards en ME’ers die een kruidenvrouwtjescursus ‘Conflictbeheersing’ hebben gevolgd. Krakers, EU-demonstranten en ander rapaille zijn er om weg te knuppelen, de hooligan moet je ‘begeleiden’. [..]
Ad Melkert waarschuwt nog één keer. Je voelt de siddering langs het ruggenmerg van de hooligan gaan.”


Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)


Lees verder “Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel”

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook alle tags voor Joost Zwagerman op dit blog.

 

Uit: De houdgreep

Het gezin Rafferty was niet echt vermogend maar had toch genoeg geld om een au pair in huis te nemen. Zij kwam uit Nederland en heette Adriënne. Meneer en mevrouw Rafferty vonden haar soms wat onhandig en verward. Twee welwillende maar onnozele Oostenrijkse meisjes waren haar voorgegaan, zodat de Rafferty’s Adriënne’s kleine tekortkomingen voor lief namen.
Haar ijver en vooral haar oprechte genegenheid voor de dochtertjes Rafferty wogen ruimschoots op tegen dat kleine beetje verwarring en onhandigheid. Bovendien deelde Adriënne tot mevrouw Rafferty’s vreugde twee van haar meest dierbare liefhebberijen:lezen en spelletjes doen.

(…)

Voor Adriënne was niets vanzelfsprekend, dus ook de werkelijkheid niet. Zou ze een goede fotografe kunnen worden? Ze had geen zin meer om te luisteren. ‘De foto als metafoor.’ Ha! Zijn het niet juist metaforen – die grillige, onbeheersbare diabolo’s waarmee schrijvers, schilders en smachtende pubers lopen te goochelen- die almaar verhullen en redeloze vragen oproepen? Nee, aan Adriënne’s lijf geen kunstenmakerspolonaise. Wat ze wilde was eenvoudig: als Londen dan niet te veroveren viel kon ze nog altijd infiltreren, en de pocketcamera was haar handzaam excuus.
De cursusleider wees naar buiten.
‘Die muur daar,’ zei hij, ‘die heeft iets te zeggen. De topfotograaf ís de muur, zoals hij alles is wat hem omringt. Maar jij, meisje, jij moet om te beginnen een hele goeie vertolker, een monnik worden, a monk with a camera.’

 

Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

Lees verder “Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel”

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2007 en ook mijn blog van 18 november 2008 en ook mijn blog van 18 november 2009.

 

Uit: Chaos en Rumoer 

 

„Nadat Otto Vallei zich zes maanden lang iedere dag in zijn werkkamer had opgesloten om aan een roman te werken, biechtte hij zijn vrouw Karin op dat hij nauwelijks vorderingen had gemaakt. En zelfs dat was een zonnige voorstelling van zaken. In zekere zin was hij niet eens aan die roman begonnen.
Karin reageerde tamelijk laconiek op Otto’s bekentenis, wat hem eerst verbaasde, daarna opluchtte en uiteindelijk zachtjes kwetste. Hij kon natuurlijk niet van haar verlangen dat ze net als hij diep ontgoocheld was, maar een minimum van solidaire somberheid had hij toch wel van haar verwacht. In plaats daarvan was ze alleen maar nieuwsgierig. Waarschijnlijk kon ze het zich niet goed voorstellen dat iemand in zes maanden tijd zó weinig kon uitvoeren. Zelf kon Otto
het zich achteraf ook niet goed voorstellen.
‘Heb je echt niets op papier gekregen?’ vroeg ze. ‘Niet eens één zin, zoals Jack Nicholson in
The Shining
?’
Hij gaf haar tien a-viertjes waarop hij die ochtend iets schamels had uitgeprint. Hij had de computer het aantal woorden, regels en zelfs lettertekens laten berekenen.
‘Zesduizendwoordenennogiets.Vijfhonderdeenentwintigregels. Een gruwelijke oogst na een halfjaar. Vind je niet?’
De dagen na zijn bekentenis klaagde Otto dat hij niet aan het werk kwam, omdat hij allerlei verplichtingen had: lezingen, recensies schrijven, dat soort dingen. Bovendien ging iedere dag wel een paar keer de telefoon. Hij had geen leven zo.
De telefoon was sinds jaar en dag een van zijn ergste vijanden. Niets was funester voor het heilig vuur dan het ijzingwekkende gerinkel. Iedere keer dat de telefoon ging, trof het geluid hem als een
goed doordachte poging hem in een hoek te drijvenwaaruit niet viel te ontsnappen. Niet opnemen was onmogelijk; hoe langer het gerinkel aanhield, hoe meer dwang erin doorklonk. Je moest opnemen. Je móest. Anders was je slap en laf. Slap en laf en bang. Dus nam je op.“

 

 

Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

Lees verder “Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel”

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel, Eugenio Montejo, Christoph Wilhelm Aigner, Mireille Cottenjé, Jaap Meijer, Margaret Atwood, William Gilbert

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2007 en ook mijn blog van 18 november 2008.

Uit: De Buitenvrouw

“Het gezin Rafferty was niet echt vermogend maar had toch genoeg geld om een au pair in huis te nemen. Zij kwam uit Nederland en heette Adriënne. Meneer en mevrouw Rafferty vonden haar soms wat onhandig en verward. Twee welwillende maar onnozele Oostenrijkse meisjes waren haar voorgegaan, zodat de Rafferty’s Adriënne’s kleine tekortkomingen voor lief namen.
Haar ijver en vooral haar oprechte genegenheid voor de dochtertjes Rafferty wogen ruimschoots op tegen dat kleine beetje verwarring en onhandigheid. Bovendien deelde Adriënne tot mevrouw Rafferty’s vreugde twee van haar meest dierbare liefhebberijen:lezen en spelletjes doen.

(…)

 

Voor Adriënne was niets vanzelfsprekend, dus ook de werkelijkheid niet. Zou ze een goede fotografe kunnen worden? Ze had geen zin meer om te luisteren. ‘De foto als metafoor.’ Ha! Zijn het niet juist metaforen – die grillige, onbeheersbare diabolo’s waarmee schrijvers, schilders en smachtende pubers lopen te goochelen- die almaar verhullen en redeloze vragen oproepen? Nee, aan Adriënne’s lijf geen kunstenmakerspolonaise. Wat ze wilde was eenvoudig: als Londen dan niet te veroveren viel kon ze nog altijd infiltreren, en de pocketcamera was haar handzaam excuus.
De cursusleider wees naar buiten.
‘Die muur daar,’ zei hij, ‘die heeft iets te zeggen. De topfotograaf ís de muur, zoals hij alles is wat hem omringt. Maar jij, meisje, jij moet om te beginnen een hele goeie vertolker, een monnik worden, a monk with a camera.’

(…)

 

Onwaarachtig? Ingmar Booys vertrek onwaarachtig? –
Welnu, zo verliefde mensen al werkelijk leven en zich niet bezighouden met het verlangen het bestaan van de andere voor eigen rekening te nemen, dan toch níét vlak voor en tijdens het vertrek van een van hen. Immers, beiden zijn dan enkel en alleen geconcentreerd op de ophanden zijnde scheiding; niet wordt er zoiets obligaats en terzelfder tijd onmogelijks volbracht als ‘het genieten van de laatst gedeelde momenten’, nee, iedere blik op de ander wordt geworpen om te onderzoeken. En: onderzocht wordt dan niet de pijn die rondtrekt in de ogen van andere, maar veeleer het eigen toekomstige verdriet. Ja, ook Ingmar Booy en Adriënne moesten eraan geloven; ze hadden niet langer oog voor elkaar, maar waren in plaats daarvan gespitst op de eigen, de afzonderlijke, de moedwillig afgezonderde tragiek.
Slachtoffers waren ze, en als slachtoffers gedroegen ze zich:in zichzelf gekeerd, onwaarachtig en soms bijna autistisch.“

 

ZWAGERMAN

Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

 

De Nederlandse dichter Toon Tellegen werd geboren op 18 november 1941 te Brielle. Zie ook  Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2007 en ook mijn blog van 18 november 2008.

 

Het leven

 

Ik kijk naar mijn leven:
het wordt kleiner

ik houd mijn ogen er vlakbij:
ik kan al niet meer onderscheiden
tussen goed en onwaarschijnlijk, tussen zien en ontwijken
tussen mij en iedereen…

wat zeg ik nu weer…

mijn leven groeit, woekert, grijpt om zich heen
en ik kan alles onderscheiden:
onraad, wansmaak en zelfs de kleinste wangedachten

ik doe mijn ogen dicht.

 

 

Mijn vader sloeg planken mis

 

Mijn vader
sloeg planken mis

mijn broers glimlachten,
schreven elke misslag in een schrift,
mijn moeder deed de was
of lakte haar nagels

mijn vader
die zich in leven hield met schaamte, spijt en ongemak,
die zich dagelijks gewonnen gaf,
die hijgde
en onwerkzaam en achterstallig was,
die niemand iets te vertellen had,
die een spin was zonder web en zonder lente,
die piepte en kraakte, als een ijzeren haan

op een dag sloeg hij raak
en gooiden mijn broers hem weg.

 

tellegen

Toon Tellegen (Brielle, 18 november 1941)

 

De Duitse schrijver Klaus Mann werd op 18 november 1906 geboren als oudste zoon van Thomas en Katia Mann. In München. Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2007. Zie ook mijn blog van 9 november 2009 en ook mijn blog van 18 november 2008.

Uit: In the Shadow of the Magic Mountain. The Erika and Klaus Mann Story (biografie door Andrea Weiss)

„Thomas and Katia got their wish for a son one year later. The boy’s christening as “Klaus Heinrich Thomas Mann” sealed his literary fate. The names Klaus and Heinrich represented Katia’s and Thomas’s closest brothers, but together the name Klaus Heinrich is also that of the prince in Royal Highness, the novel Thomas was deep in the middle of writing at the time of his son’s birth. Young Erika kindly chose for her baby brother the less burdensome sobriquet of “Eissi” (the toddler’s mispronunciation of “Klausi”), and henceforth, within the family, Eissi he would remain.

Whether or not his literary forebears had anything to do with it, Klaus seems to have been born a writer. He started writing before he could even hold a pen properly; his earliest pieces he dictated to Erika. No one, not even Klaus, was glad to learn that he had a literary bent. His family tried in vain to discourage him from writing, and he himself referred to it as the family curse. Decades after his death, Erika reflected sadly, Klaus was a dreamer. Klaus was a poet from the very beginning. And this of course was not at all what my father would have wished for his son. First of all, he knew that any child of his, if he wanted to write, would have a very hard time of it. But for Klaus, writing was as essential as breathing. Without writing Klaus simply couldn’t live.

 

Thomas Mann’s disappointment at the arrival of Erika and his joy at the arrival of Klaus were false starts—emotions totally at odds with the relationship he would soon forge with each. Klaus would be the source of continual disappointment to him, while Erika was the source of his greatest joy. Despite his initial preference for a son, and his declaration that “a girl is not to be taken seriously,” Thomas’s eldest and youngest daughters, Erika and Elisabeth, became his two obvious favorites, to the chagrin of the others. “When a man has six children, he can’t love them all equally,” would be his defense.

But this was a flimsy excuse for his erratic, often cruel behavior toward the remaining four. Monika, the middle daughter, claimed never to have had an intimate conversation with her father, or even to have had the feeling that she existed for him in his mind. Michael, the youngest son, recalled being beaten with a walking stick and other harsh punishments that prevented him from being able to forgive his father throughout his adult life. He was allowed to listen in on the stories his father read to his sister Elisabeth, but it was made clear that they were not meant for him. And Golo, the middle son, who grew up to become one of Germany’s most prominent essayists and historians, had not one compassionate or affectionate word for his father in his entire autobiography. In the midst of his large family Golo often felt awkward and lonely. Klaus’s callous treatment by his father was by no means unique to him.“

 

klaus_mann

Klaus Mann (18 november 1906 – 21 mei 1949)

 

De Iers-Amerikaanse dichter Seán Mac Falls werd geboren op 18 november 1957 in Boston. Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2008.

 

I Hear All The Outlawed World

 

I

 

I hear all the outlawed world in harmony,

The marshling stalks the green and gaunt

Destroyers who heed not sparkling deserts

Charged to the gill, nor candles pitching down

Like doom. I note the scale of fossils

In cloud covered peaks, record

The seemly count of bodies by square root

And irrational number, I am witness

Bound to bounty to all who blaze in gray

And shallow grooves seeding their ends

In strikes on the ripe and smoldering fields.

 

II

 

I see all the outlawed world in harmony,

Barking wood bracing by the bud,

Where runs of blue, bury in vain

Down slash of mountain forest, cascading

Into august, rising after the fall,

As do kind-killers blasting from shells

To die as snails creeping under flower,

Who saw the past wasting away

In filed futures, slipping by blades in neck

Of wood, sightless as gallows of trees

Try murder each time they make their leaves.

 

 

III

 

I know all the outlawed world in harmony,

By seamless song of stuttering gulls,

As in conches, waves of providence,

Cell from the center, beating musseled shoals,

Where wailing ghosts and wing-tips point

Printed nails to the silent capes,

And bumble hairs comb round the broken yokes

Stirring streams of babble baited

By flowering psalms, engaging arms to prey

On tales told by the rood and drown

In eyes turning like sands on the sea.

 

MaccFalls

Seán Mac Falls (Boston, 18 november 1957)

 

De Duitse dichter Richard Dehmel werd geboren op 18 november 1863 in Wendisch-Hermsdorf. Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2008.

 

Die stille Stadt

 

Liegt eine Stadt im Tale,
ein blasser Tag vergeht;
es wird nicht lange dauern mehr,
bis weder Mond noch Sterne;
nur Nacht am Himmel steht.

Von allen Bergen drücken
Nebel auf die Stadt;
es dringt kein Dach, nicht Hof noch Haus,
kein Laut aus ihrem Rauch heraus, Kaum Türme noch und Brücken,

Doch als den Wandrer graute,
da ging ein Lichtlein auf im Grund;
und durch den Rauch und Nebel
begann ein leiser Lobgesang,
aus Kindermund.

 

 

Wollust
Nach Shakespeare

 

In wüster Schmach Vergeudung heiliger Glut
ist Wollust, wenn sie praßt; und eh sie praßt,
roh, schamlos, tierisch, aller Welt zur Last,
meineidig, tückisch, voller Gier nach Blut.

Gesättigt kaum, von Ekel schon gehetzt;
sinnlose Lüsternheit und, kaum verraucht,
sinnlose Düsterkeit, in Wut getaucht,
als hätt ein Tollwurm die Vernunft zerfetzt.

Wahnwitz im Rausch, Wahnwitz in Wunsch und Wahl,
maßlos im Taumel vor, nach, in der Brunst,
erdürstet Überglück, genossen Dunst,
verzückt vor Wonne, dann erdrückt von Qual –

Ach! Jeder kennt und Jeder geht den Weg:
zu dieser Hölle diesen Himmelssteg.

 

Hans_Baluschek_Bildnis_Richard_Dehmel

Richard Dehmel (18 november 1863 – 9 februari 1920)
Getekend door Hans Baluschek

 

De  Venezolaanse dichter en schrijver Eugenio Montejo werd geboren in Caracas op 18 november 1938. Zie ook mijn blog van 18 november 2008.

 

Left Behind


Down these streets my funeral has just passed
with its pathetic speeches.
Lightly they lifted my body
among unrecognizable relatives.

 

As the procession passed
a woman stopped and gazed
with flirtatious embarrassment.
Later I realized she was a shadow
already shouldering centuries under earth.

 

Above the clouds continued their monologues,
a slow plane barely moved in its flight;
below mourners cough, polite gestures of the crowd,
the usual phrases.

 

Asleep and with no sense of where I was,
I was going on the last journey.
It was my farewell to this world,
the first time that I was going to die.

 

Towards the end of the millennium
suddenly I found myself outside of the group,
left behind, contemplating the trees.
The funeral, without me, continued on its course
through the shady half-light of suburban streets.

I walk slowly following it now from far off
down the passage of the years
Vertaald door Peter Boyle

Eugenio Montejo, 29 julio, 2008

Eugenio Montejo (18 november 1938 – 5 juni 2008)

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver en vertaler Christoph Wilhelm Aigner werd geboren op 18 november 1954 in Wels.

 

Landsolo


Langsamer Wind
Getreidefeld
Wimpern am schläfrigen Sommer
Alleinsein mit wem

 

aigner

Christoph Wilhelm Aigner (Wels, 18 november 1954)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 18 november 2008.

 

De Belgische schrijfster Mireille Robertine Cottenjé werd geboren in Moeskroen op 18 november 1933.

 

De dichter en historicus Jakob (Jaap) Meijer werd geboren in Winschoten op 18 november 1912.

 

De Canadese schrijfster Margaret Atwood werd geboren in Ottawa op 18 november 1939.

 

De Engelse toneelschrijver, librettist en illustrato Sir William Schwenck Gilbert werd geboren in Londen op 18 november 1836.

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel, Eugenio Montejo, Mireille Cottenjé, Jaap Meijer, Margaret Atwood, William Gilbert

De bugs in de toplijsten zijn gelukkig weer opgelost. Romenu gaat verder als vanouds.

 

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2007.

Die achternacht kwam ik mij tegen op een plek

 

Die achternacht kwam ik mij tegen op een plek

waar ik mij gewoonlijk niet vertoon.

Ik stelde mij teleur. Sprak te luid

tegen mensen die mij zichtbaar niet vertrouwden.

Ik wilde dat ik vond dat ik naar huis toe wilde

en sprak mij aan om hiervandaan te gaan

maar dat was zo gemakkelijk nog niet. Ik verloor mij

in gesprekken die ik al zo vaak gevoerd had

zonder zicht op toonzaamheid

of zelfs maar dunne trucs

waarmee je doorgaans

een kapotte nacht doorkomt.

 

Het eindigde ermee dat ik van alles

in mijn oor siste wat ik maar half verstond.

Wat doe je op zulke momenten? Ik liet mij

voor wat ik was; het had geen zin mij het zwijgen

op te leggen, ik was berstensvol op mij gebeten

en toen het eenmaal ochtend was

zag ik mij als zo vaak in tongen terug

als het legioen dat vreemden streelt.

Spreekwoord was ik dat niet snapt,

gaandeweg de dag werd ik weer opvoeding

die ouders voor hun kinderen uitdenken

en in het holst van alle bruikleen

was ik wat ik telkens na zo’n achternacht in corvee

en klatering moet zijn: voor dag en dauw de bijbel,

met stofomslag en in voldongen esperantoklanken,

een man om van kaft tot kaft uit voor te lezen

 

 

Niet gekend
Het oog van de lens

 

Van alles wat ik van haar maken kan is de foto
nog het meest in zichtbaar zingbaar stof gehuld.
Ik beloof plechtig dat ik de belofte van de camera.

 

En als ik dan naast haar lig en zij me vragen gaat
of ik voor even haar wil zijn, zeg ik ja en zeg ik
ja en geef een meisjeskus op haar meisjesoog.
Iemand met handschoenen verft mij rode lippen,
kneedt mij borsten, streelt mijn rondingen.
Ik mag ons beider foto zijn maar vooral model.

 

De beloofde fotograaf blaast het stof van de lens
en kucht zich de foto in, ik verslik me, ‘excuseer’,
houd mijn gehandschoende hand voor mijn mond,
veeg mijn ongekuste lippen af, kus het bestofte oog.

 

joost_zwagerman

Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

 

De Nederlandse dichter Toon Tellegen werd geboren op 18 november 1941 te Brielle. Zie ook  Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2007.

Maar hij vergat

 

Maar hij vergat haar te kussen

en toen hij het kasteel verliet was het stil

achter hem,

de lucht was grijs,

de rozenhagen hoog en stijf,

er scharrelden wat mussen rond,

maar hij had haast, wist niet waarom,

en toen iemand hem staande hield en vroeg

of het al donker was

wist hij ook dat niet

en zei dat het waarschijnlijk nog licht was

en dat hij het zelden mis had en reed toen door.

Thuisgekomen werd hij bestormd: ‘En?

Heb je haar gekust?’

‘Ach,’ zei hij, ‘dát ben ik vergeten,’ sloeg zich

voor zijn hoofd.

Maar toen hij terugkwam, spoorslags,

was het kasteel verdwenen, of was er nooit
geweest,

en hij kwam niemand tegen, de geur van rozen

was hij kwijt.

 

 

 

De rivier is bevroren

 

De rivier is bevroren op een vaargeul na,

en ver weg schaatst mijn broer

die op mij passen zou.

De lucht is grijs en dicht,

twee eenden zitten in de sneeuw

en lopen voor mij weg.

Ik moet nu eindelijk eens weten of ik verdrinken kan.

Een palingvisser ziet mij gaan

en komt op tijd

of net te vroeg.

 

Als iedereen weer slaapt roep ik zó hard

dat niemand er wakker van worden zal:

ik wist het wel. Ik wist het wel.

 

Tellegen

Toon Tellegen (Brielle, 18 november 1941)

 

De Duitse schrijver Klaus Mann werd op 18 november 1906 geboren als oudste zoon van Thomas en Katia Mann. In München. Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2007.

Uit: Der Wendepunkt

 

“Sie war das Kind eines deutschen Kaufmanns und einer Eingeborenen.

 

Daß sie als kleines Mädchen den Ozean auf einem Segelschiff überqueren mußte, um nach Lübeck zu gelangen, schien mir das aufregendste Detail ihrer Geschichte. Denn dort, in der nördlichen Fremde, genoß sie durchweg eine ‘feine’, bedauerlich unromantische Erziehung und bewegte sich bald ganz natürlich unter den Gespielinnen.

 

Doch blieb es reizend, sich den Großpapa vorzustellen / den ich übrigens inWirklichkeit nie gesehen hatte / wie er mit seiner exotischen Braut zur Kirche fuhr. Der Senator, sehr stattlich und distinguiert, mit Backenbart, hohem Stehkragen, lehnt, ein wenig befangen, im Fond der prächtigen Kutsche, den er mit ihr teilt. Sie, das dunkle Köpfchen an ihn geschmiegt, darf hinter geschlossen Lidern noch einmal die Palmen und bunten Vögel ihrer brasilianische Heimat sehen, während der Wagen, vorbei an viel altem Gemäuer und majestätisch ragenden Türmen, den Weg zum Altar nimmt.”

KlausMann_Katia

Klaus Mann (18 november 1906 – 21 mei 1949)
Met moeder Katia

 

De Iers-Amerikaanse dichter Seán Mac Falls werd geboren op 18 november 1957 in Boston. Zie ook mijn blog van 18 november 2006.

Síneánn

I am alone with you.
A fire burns in the distance
It light s our faces
As before in the empty cinema,
Where we arrived, at some beginning
To watch a foreign film. Our eyes,
In new utterance, murmuring subtitles,
What words could never speak
The tips of seats, rows of air
And the moony screen,
A tableau of feathers and cloud
Two of us, alone, as one
Rapt in the spread of wings.

Later, alone we dine in the Café
Campagne. Our conversation
Deafens a burgeoning crowd
Coffee was nectar, our words
Were whispering petals.
Dearest Blodeuwedd, I saw the sweetest
Sorrow on your face, the green ocean
In your eyes, I was cleansed
By your tears. I have always
Known you.

Across the border on the far island,
You stepped into the waters with me
And when you disrobed you lit the stars
And the stars and my eyes kissed your skin
Your slender legs, columns, tilting
Toward heaven, in the age of Helen,
Touched the water and the sky.
I saw the milky way that night.

Síneánn, I am your Pablo
We are two white birds sailing
Over the foam of the sea.
Solvent to my stone you are the hinge
To my casement world. Rain petal
Voice, lithe, alabaster woman,
I am lost in your Sargasso eyes
I hold your skin, my Selkie
Sweet Niamh, I have lived
One hundred years this week.

It is warm in the distance
In the country of the sun
We end at the house in Umbria
In the autumn, there is no word
Siberia, my light Rosaleen.
Now is harvest time.
At the great table we feast
With family and friends
And I am not alone with you.

 

Mac Falls

Seán Mac Falls (Boston, 18 november 1957)

 

De Duitse dichter Richard Dehmel werd geboren op 18 november 1863 in Wendisch-Hermsdorf. Zie ook mijn blog van 18 november 2006.

 

Am Ufer

 

Die Welt verstummt, dein Blut erklingt;

in seinen hellen Abgrund sinkt

der ferne Tag,

 

er schaudert nicht; die Glut umschlingt

das höchste Land, im Meere ringt

die ferne Nacht,

 

sie zaudert nicht; der Flut entspringt

ein Sternchen, deine Seele trinkt

das ewige Licht.

 

 

 

Das große Karussell

 

Im Himmel ist ein Karussell,

das dreht sich Tag und Nacht.

Es dreht sich wie im Traum so schnell,

wir sehn es nicht, es ist zu hell

aus lauter Licht gemacht;

still, mein Wildfang, gib acht!

 

Gib acht, es dreht die Sterne, du,

im ganzen Himmelsraum.

Es dreht die Sterne ohne Ruh

und macht Musik, Musik dazu,

so fein, wir hören’s kaum;

wir hören’s nur im Traum.

 

Im Traum, da hören wir’s von fern,

von fern im Himmel hell.

Drum träumt mein Wildfang gar so gern,

wir drehn uns mit auf einem Stern;

es geht uns nicht zu schnell,

das große Karussell.

 

dehmel

Richard Dehmel (18 november 1863 – 9 februari 1920)

 

De  Venezolaanse Eugenio Montejo werd geboren in Caracas op 18 november 1938. Montejo was ook oprichter van de tijdschriften Azar Rey en Revista Poesía van de Universidad de Carabobo. Hij was onderzoeker in het Centro de Estudios Latinoamericanos “Romulo Gallegos” in Caracas, en medewerker bij een groot aantal nationale en internationale tijdschriften. In 1998 kreeg hij de Nationale Prijs voor Literatuur en in 2004 de Internationale Prijs Octavio Paz voor Poëzie en Essay. Een van zijn gedichten is gebruikt in de film 21 Grams van Alejandro González Iñárritu.

 

Transfigured Time

 

     —for António Ramos Rosa

 

The house where my father will be born

is still unfinished.

It lacks the wall my hands have not yet built.

 

His footsteps searching for me across the earth

now come towards this street.

Yet I can’t hear them, they still don’t reach me.

 

Behind that door are echoes

and voices I recognise miles off,

but they are spoken only by portraits.

 

The face not seen in any mirror,

because it’s late being born

or still doesn’t exist,

could be of any one of us —

it looks like all of us.

 

My bones are not in that tomb

but those of my great-uncle Zacarias

who used a walking stick and pseudonym.

My own remains have long been lost.

 

This poem was written in another century,

some night by a guttering candle,

by me, by someone else, I don’t recall.

Time consumed the flame

and lingered in my darkened hands

and in these eyes that never read the poem.

When the candle returns with its light

I’ll already be gone.

 

 

Family Album

 

The one in the background is Aunt Adela,

a worldly witch who lived at so many different times

even today I don’t know if she’s still here or not.

From this grandfather I inherited my name.

A rickety old oxcart snatched him from his village

to bury him a long way off.

I was born much later and still I remember him.

Luis the lawyer vanished suddenly

in the year of the plague. He left behind letters, postcards,

the map of a vague innocence.

Veronica is that one with a white fan

and the disdainful bearing that became her so well.

Of this particular José — there were several others —

no one knows when or where he perished.

He walked around screaming at his shadow on the roadway.

My dear King Richard looks much younger

than his death. And perhaps that’s how it was. . .

In the lost land of my absent family

this almost invisible album I open and close

burns my eyelids as they watch over its dream.

Don’t wake these portraits

till I can rejoin them forever

on the album’s last page.

 

eugenio-montejo

Eugenio Montejo (18 november 1938 – 5 juni 2008)

 

De Belgische schrijfster Mireille Robertine Cottenjé werd geboren in Moeskroen op 18 november 1933. Zij vanaf haar anderhalf tot aan haar tiende opgevoed in een nonnenklooster. Na haar middelbare school volgde ze diverse verpleegstersopleidingen en ging ze werken in een polikliniek van socialistische signatuur in de plaats Oostende alwaar ze haar latere man Robert Colombie – een architect – ontmoette met wie ze in 1956 in het huwelijk trad. Vervolgens verhuisden ze naar het toenmalige Belgisch Kongo en gingen ze wonen in de oostelijke provincie Kivu. Cottenjé legde er zich belangeloos op het verplegen van de bevolking aldaar toe. Ze kregen zes kinderen waarvan er twee overleden. Toen Belgisch Kongo in 1960 onafhankelijk werd en dit voor de nodige trubbels zorgde, keerde het gezin terug naar België. Haar Kongolese ervaringen zou ze later vastleggen in diverse boeken zoals Dagboek van Carla (haar debuut uit 1968) en Lava (1973). Cottenjé kon moeilijk wennen aan een leven in België. Nadat ze door een nieuwe zwangerschap niet meer kon werken begon ze haar dagboeken om te werken tot literaire romans. Dit beviel haar zo goed dat ze op dit ingeslagen pad voortging.

 

Uit: Ma gaat er vandoor

 

, Ik zeg het niet. Ik zeg niets. Hoe kan ma me zoiets aandoen! Hoe kan ze van me weg gaan. Kan ik me aan haar vastklampen, smeken: blijf, alsjeblief blijf. En pa? Ook hij “voelt zich kloterig maar hij zegt het niet”. Ook hij zegt niets. Waarom klampt hij zich niet aan ma vast, overstelpt haar met beloften? – “Tot vrijdagavond, Marijke? Je komt toch hé?” Ik staar naar de punten van mijn klompen. Ze raken de punten van ma’s klompen. Ik gil inwendig: ga niet! Ga niet! Ma zegt: – “Ik ga dan maar.” Jij rijdt weg ik staar je na waarom schreeuw ik niet zijn mijn ogen droog … Pa slaat een arm om mijn schouders, trekt me mee, het huis in. In de deuropening blijf ik staan. Alle kasten zijn er nog, de aquaria, de planten, de stoelen, de tafel , maar … – “Leeg,” zeg ik ontzet. “Wat is het huis leeg.” – “Trek iets leuks aan, we gaan de stad in, lekker eten.” – “Pa, wat is het hier léég.” – “Daar wennen we wel aan, Marijke. We moéten er aan wennen.” – “Waarom doet ma zoiets?” – “Ma denkt dat ze schrijfster is. Ma denkt dat ik haar belet schijfster te zijn. Trek het je niet aan kind. Zes maanden. Maximum zes maanden, en daar is ze terug.” – “Met hangende pootjes,” zeg ik automatisch, terwijl ik denk: zes maanden, maximum zes maanden en pa heeft een nieuwe vrouw. Na ma’s vertrek wordt pa nog stiller en trekt zich nog meer in zichzelf terug dan vroeger. Ook zijn gebrek aan ondernemingszin is toegenomen. Hij verwaarloost zijn tuin, verzorgt zelfs zijn vissen niet meer. Hij kijkt televisie. Om het even welk programma, tot de reclamespots op Luxemburg toe. En ik kijk met hem mee. Avond na avond. Ik studeer niet, lees niet, heb de balletschool opgegeven, de turnvereni-ging. Naar de fuifjes van mijn klasgenoten ga ik niet, ze vragen me niet meer. Het zal wel aan mij liggen. Zij zijn jong en vrolijk en ik ben oud. Dit klinkt gek maar ik voel me echt oud, uitgeblust. Zoals ook pa zich voelt. Maar pa IS oud.”

 

Cottenje

Mireille Cottenjé (18 november 1933 – 9 januari 2006)

 

De dichter en historicus Jakob (Jaap) Meijer werd geboren in Winschoten op 18 november 1912. Meijer heeft talloze publicaties op zijn naam staan over de geschiedenis van de Nederlandse joden. Hij is de auteur van de biografie van Jacob Israël de Haan De zoon van een gazzen (1967). Hij publiceerde gedichten onder het pseudoniem Saul van Messel, onder andere in het Gronings. Ook maakte hij gebruik van het pseudoniem Gideon van Hasselt. Jaap Meijer studeerde aan het Nederlandsch Israëlietisch Seminarium in Amsterdam geschiedenis. Hij werkte in 1941-1943 als leraar aan het Joods Lyceum in de hoofdstad en had onder anderen Anne Frank in de klas. Meijer overleefde met zijn vrouw Liesje Voet en zoon Ischa Meijer tijdens de Tweede Wereldoorlog het concentratiekamp Bergen-Belsen.  Na de oorlog emigreerde het gezin, dat inmiddels was uitgebreid met dochter Mirjam en jongste zoon Job, voor enige tijd naar Paramaribo. Daar fungeerde Meijer enige tijd als rabbijn. Hij werd benaderd om de geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog te schrijven, maar liet het afweten. Auteur van dit standaardwerk werd daarop Loe de Jong.

 

 

De weg terug

 

Voordat de kist van ongeschaafde planken

zal worden gesloten

wordt volgens overoud gebruik

in de diaspora

het joodse lijk

plechtig bestrooid met aarde

uit het heilige land

dat in kleine zakjes

in joodse gemeenten wordt bewaard.

Als ik ooit nog eens

naar Israël verhuis

zal ik niet vergeten

een zakje zeeklei mee te nemen

(uit het Oldambt)

en een zakje laagveen

(uit Westerwolde)

 

jaap_meijer

Jaap Meijer (18 november 1912 – 9 juli 1993)

 

De Canadese schrijfster Margaret Atwood werd geboren in Ottawa op 18 november 1939. Omdat haar vader veel onderzoek deed in de uitgestrekte bossen van Canada spendeerde ze veel van haar jonge jaren in afgelegen gebieden van Noord-Ontario, en pendelde heen en weer tussen Ottawa, Sault St. Marie, en Toronto, en zat zo op veel verschillende scholen. Ze werd een enthousiast lezer, en begon op haar 16e te schrijven. Vanaf 1957 studeerde ze aan de Victoria Universiteit in Toronto, en behaalde haar Bachelor of Arts graad in Engels, met bijvakken filosofie en Frans. Ze studeerde vanaf 1961 aan het Radcliffe College in Harvard, met een Woodrow Wilson-beurs nadat ze de E.J. Pratt-prijs had gewonnen voor haar poëziebundel met de titel Double Persephone. Ze haalde haar mastersgraad in 1962, en studeerde verder aan Harvard. Ze gaf daarna les aan verschillende universteiten. Haar bekendste kritische werk is de gids Survival: A Thematic Guide to Canadian Literature (1972), waarvan wordt gezegd dat die een hernieuwde interesse in Canadese literatuur teweeg zou hebben gebracht.

 

Uit: The Blind Assassin

 

Ten days after the war ended, my sister Laura drove a car off a bridge. The bridge was being repaired: she went right through the Danger sign. The car fell a hundred feet into the ravine, smashing through the treetops feathery with new leaves, then burst into flames and rolled down into the shallow creek at the bottom. Chunks of the bridge fell on top of it. Nothing much was left of her but charred smithereens.

 

I was informed of the accident by a policeman: the car was mine, and they’d traced the license. His tone was respectful: no doubt he recognized Richard’s name. He said the tires may have caught on a streetcar track or the brakes may have failed, but he also felt bound to inform me that two witnesses – a retired lawyer and a bank teller, dependable people – had claimed to have seen the whole thing. They’d said Laura had turned the car sharply and deliberately, and had plunged off the bridge with no more fuss than stepping off a curb. They’d noticed her hands on the wheel because of the white gloves she’d been wearing.

 

It wasn’t the brakes, I thought. She had her reasons. Not that they were ever the same as anybody else’s reasons. She was completely ruthless in that way.”

 

Margaret_Atwood

Margaret Atwood (Ottawa, 18 november 1939)

 

De Engelse toneelschrijver, librettist en illustrator Sir William Schwenck Gilbert werd geboren in Londen op 18 november 1836. Hij is het meest bekend door de veertien komische operas die hij in samenwerking met de componist Sir Arthur Sullivan produceerde, zoals “H.M.S. Pinafore”, “The Pirates of Penzance”, en een van de meest opgevoerde stukken in de geschiedenis van het muziektheater, “The Mikado”. Deze stukken en de meeste van de andere ‘Savoy-operas’ worden nog steeds veel in de Engelssprekende wereld opgevoerd door operagezelschappen, operettegezelschappen en amateurs over de gehele wereld. Teksten uit deze werken zijn in de Engelse taal een eigen leven gaan leiden en worden nog steeds veel geciteerd.

 

Uit: The Mikado

 

SONG and CHORUS–NANKI-POO.

 

     A wandering minstrel I–

          A thing of shreds and patches,

          Of ballads, songs and snatches,

     And dreamy lullaby!

 

     My catalogue is long,

          Through every passion ranging,

          And to your humours changing

     I tune my supple song!

 

          Are you in sentimental mood?

               I’ll sigh with you,

                    Oh, sorrow, sorrow!

          On maiden’s coldness do you brood?

               I’ll do so, too–

                    Oh, sorrow, sorrow!

          I’ll charm your willing ears

          With songs of lovers’ fears,

     &nb
sp;    While sympathetic tears

               My cheeks bedew–

                    Oh, sorrow, sorrow!

 

     But if patriotic sentiment is wanted,

          I’ve patriotic ballads cut and dried;

     For where’er our country’s banner may be planted,

          All other local banners are defied!

     Our warriors, in serried ranks assembled,

          Never quail–or they conceal it if they do–

     And I shouldn’t be surprised if nations trembled

          Before the mighty troops of Titipu!

 

CHORUS.   We shouldn’t be surprised, etc.

 

Gilbert

William Gilbert (18 november 1836 – 29 mei 1911)

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook mijn blog van 18 november 2006.

Uit: Perfect Day

“De ‘groepsuitvoering’ van ‘Perfect day’ is vermakelijk omdat allerlei verschillen in zangkwaliteiten in kort tijdsbestek aan het licht komen. Reed zelf en zijn huidige partner, Laurie Anderson, zijn van alle deelnemers verreweg het slechtst bij stem. Tom Jones, die de reap-and-sowregel voor zijn rekening neem, slooft zich daarentegen dermate uit om in twintig seconden een indrukwekkend stemvolume voort te brengen dat het van de weeromstuit alleen maar afstoot – hij doet nog het meest denken aan een amateur-zanger die aan het eind van een soundmixshow onder leiding van Henny Huisman ‘Reach Out And Touch (Somebody’s Hand)’ mag zingen. Ook Heather Small van M People zet aan het eind van ‘Perfect day’ een keel op, maar wekt in tegenstelling tot Tom Jones tenminste niet de indruk alle andere vocalisten omver te willen kegelen. Het beste klinken diegenen die hebben aangevoeld dat ‘Perfect day’ wel uitbundig maar tegelijkertijd sotto voce moet worden vertolkt: Emmylou Harris, Tammy Wynette, Suzanne Vega en, eerlijk is eerlijk, Bono.

Er is er één wiens aanwezigheid op deze versie van ‘Perfect day’ vrijwel zeker gemengde gevoelens zal hebben gewekt bij Lou Reed, en dat is David Bowie. Transformer is Reeds enige album dat is geproduceerd door Bowie. Na voltooiing van Transformer was het de bedoeling dat Bowie meer albums voor Reed zou produceren, maar dat is er nooit van gekomen vanwege, zoals dat heet, ‘onverenigbaarheid van karakters’. Bowie en Reed kruisten elkaars pad op het moment dat de een successen beleefde met het album Ziggy Stardust en de ander in een impasse dreigde te raken na een tegenvallende ontvangst door pers en publiek van een eerste soloalbum, Lou Reed. In de Reedbiografie van Victor Bockris, die in 1989 zijn naam als biograaf vestigde met een weinig analytische maar des te smeuïger biografie van Andy Warhol, wordt Bowie opgevoerd als reddende engel die Reeds carrière uit het slop haalt. De twee raakten bevriend en Reed verhuisde zelfs tijdelijk van New York naar Londen, om met Bowie (en Mick Ronson als Dritte im Bunde) te kunnen werken aan Transformer. Bockris in Transformer, The Lou Reed Story: ‘Reed liet meestal de kale basis van de songs aan Bowie en Ronson horen; zij vroegen hem dan wat hij wilde en creëerden de uiteindelijke opzet van de song.’ Bowie zelf bevestigde in een interview deze werkwijze: ‘Ik probeer alleen om precies te doen wat Lou wil.”

 

zwagerman

Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

 

De Nederlandse dichter Toon Tellegen werd geboren op 18 november 1941 te Brielle. Zie ook mijn blog van 18 november 2006.

 

Een appel

 

Er ligt een appel op een schaal
voor een open raam-
als hij zou kunnen denken zou die appel denken:
is dit nu beurs, zo n doof gevoel…
hij is nog zoet,
maar hij wordt al moe zoals alleen een appel
moe kan worden,
hij rimpelt en verkleurt,
het is een warme dag, niets grijpt om zich heen
en niets gebeurt
en een hand pakt hem op, draait hem rond
en gooit hem door het raam-
als hij zich zou kunnen verbazen zou die appel
zich verbazen en denken:
is dit nu ten einde raad,
of is dit nu de opperste verwarring?
De avond valt, wormen komen op hem af,
en hij zou denken:
als ik nog kon glanzen dan zou ik nu toch glanzen…
zijn laatste gedachte
zou dat zijn.

 

 

Waarom schrijf ik

Ik schrijf omdat ik wil schrijven
dat ik gelukkig ben.

Op een dag zal het zover zijn
en zal ik schrijven-
met mijn tong tussen het puntje van
mijn tanden,
en met rode oren en rode wangen;
ik ben gelukkig.

Als ik daarna ooit nog twijfel
en meen dat ik verdrietig ben of de wanhoop nabij
of zelfs reddeloos verloren,
kan ik altijd opzoeken wat ik werkelijk ben:
gelukkig.

 

toontellegen

Toon Tellegen (Brielle, 18 november 1941)

 

De Duitse schrijver Klaus Mann werd op 18 november 1906 geboren als oudste zoon van Thomas en Katia Mann. In München. Zie ook mijn blog van 18 november 2006.

Uit: Kindernovelle

„Wer war Mama? – Die Kinder machten sich darüber keine Gedanken. Ob es Großvater und Großmutter gab, wußten sie nicht. Nur ein Onkel war da, einmal war er plötzlich zu Besuch gekommen, Mamas jüngerer Bruder und Schauspieler in den großen Städten. Mama selber: wer hätte es wagen können, ihr etwas Übles nachzureden? Eine wunderschöne und geheimnisvolle Bürgersdame, wohnte sie in tiefster Einsamkeit auf dem Lande, nur mit der Erziehung ihrer vier Kinder und dem verehrungsvollen Andenken ihres Gemahls beschäftigt. Seltene Besuche, die sich meldeten, wurden schon von Fräulein Konstantine abgewiesen, mochten sie von noch so weit hergekommen sein, und sie bekamen Mama nicht zu Gesicht. Im Winter war Mama untätiger noch als sonst. Sie ging viel im Hause umher, summend und lächelnd, sie saß stundenlang in ihrem Zimmer und las in der Heiligen Schrift, manchmal machte sie sich auch mit großen Häkelarbeiten zu tun, über dunkle, zwecklose Decken gebückt saß sie am Fenster, und ihre Hände regten sich stumm.

Sie stand auf und ging in das Kinderzimmer hinüber. Da kauerten die vier im halbdunkel beieinander, und Fridolin erzählte gedämpft von der Gespensterfürstin Mee-Mee, die man nachts konnte surren und kichern hören. – Aber plötzlich sprachen sie alle davon, wie hoch man eigentlich zählen könnte, weiter wie bis zu einer Trillion ging es doch nicht. Sie redeten aufgeregt durcheinander. „Es muß doch weitergehen!“ rief Renate empört. „Wo sollte es denn zu Ende sein?“ – Und Heiner erfand eine neue Zahl, die höchste von allen, die unbegreiflich hohe. „Unendlich-Pox“, sagte er andächtig, „das kommt nach der Trillion – und das gibt es dann immer. Unendlich-Pox: das gibt es dann immer—„

Mama stand im Türrahmen mit erschrockenen Augen. In welchen Hexensabbat war sie geraten? Gewiß war von ähnlichen Dingen die Rede in des Gemahls geheimnisvoll-verbotenen Büchern.

Mit solchen Spekulationen vertrieben sich die Kinder im Winter der Zeit. Aber zu ihren eigentlichen, großen, wundervollen Spielen kamen sie doch erst, wenn es wieder Frühling war.“

 

klaus_mann

Klaus Mann (18 november 1906 – 21 mei 1949)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 18 november 2006.

De Iers-Amerikaanse dichter Seán Mac Falls werd geboren op 18 november 1957 in Boston.

De Duitse dichter Richard Dehmel werd geboren op 18 november 1863 in Wendisch-Hermsdorf.

 

Klaus Mann, Seán Mac Falls, Toon Tellegen, Joost Zwagerman, Richard Dehmel

Klaus Mann werd, vandaag precies honderd jaar geleden, op 18 november 1906 geboren in München als oudste zoon van Thomas en Katia Mann. In München bezocht hij tot 1922 het gymnasium. Behalve getalenteerd was hij in zijn jongere jaren echter ook lastig en daarom werd hij uiteindelijk naar de Odenwaldschule gestuurd, een internaat. De ervaringen daar verwerkte hij in zijn eerste toneelstuk Anja und Esther. Bijna zijn hele leven vormde hij een onafscheidelijk duo met zijn een jaar oudere zus Erika Mann. In 1924 volgde hijn haar naar Berlijn, waar hij theatercriticus werd bij het 12 Uhr Blatt. Van toen af ook woonde hij vooral in hotels, pensions en bij vrienden. In 1925 kwam hij openlijk uit voor zijn homosexualiteit en publiceerde hij ook „Der fromme Tanz”, de eerste „homo-roman“ in de Duitse literatuur. Samen met zijn zus Erika Mann begon hij in 1927 aan een maanden durende wereldreis die later door broer en zus zijn literaire neerslag vond in „Rundherum“.Toen de Nazi’s aan de macht kwamen, vluchtte hij naar het buitenland. Hij veranderde in een geëngageerd schrijver, die het anti-nazi tijdschrijft Die Sammlung oprichtte en de roman Mephisto schreef. Hierin verkoopt de toneelspeler zijn ziel aan de nazi’s in ruil voor een succesvolle carrière. Uiteindelijk leidde zijn vlucht tot in de VS. Hij werd Amerikaan en ging in het Engels schrijven In 1942 verscheen daar zijn autobiografie “The Turning Point”, in het Engels geschreven en later in het Duits vertaald als “Der Wendepunkt”. Hij deed veel moeite om bij het Amerikaanse leger te komen en streed in Italië bij dePsychological Warfare Branch“. Na de oorlog had hij moeite zijn plek te vinden. Zijn heroïneverslaving werd een steeds groter probleem, hij kampte met een schrijversblok en hij zag door de toenemende spanningen tussen de VS en de Sovjet-Unie de toekomst somber in. Na een eerdere poging tot zelfmoord, bracht hij zichzelf in 1949 met medicijnen om het leven. Over zijn meest geslaagde roman schreef Klaus Mann zelf in The Turning Point:

“I visualize my ex-brother-in-law as the traitor par excellence, the macabre embodiment of corruption and cynicism.  So intense was the fascination of his shameful glory that I decided to portray Mephisto-Gruendgens in a satirical novel.”      En:

“This book was not aimed at a particular person, rather: it was aimed at the careerist, against the German intellectual who sold and betrayed the German mind and spirit.  Hoefgen – Hoefgen as a type, Hoefgen as a symbol – places a great talent at the disposal of a ruthless and blood-bespattered power.”

Uit: Mephisto

„Der Propagandaminister — Herr über das geistige Leben eines Millionenvolkes — humpelte behende durch die glänzende Menge, die sich vor ihm verneigte. Eine eisige Luft schien zu wehen, wo er vorbeiging. Es war, als sei eine böse, gefährliche, einsame und grausame Gottheit herniedergestiegen in den ordinären Trubel genusssüchtiger, feiger und erbärmlicher Sterblicher. Einige Sekunden lang war die ganze Gesellschaft wie gelähmt vor Entsetzen. Die Tanzenden erstarrten mitten in ihrer anmutigen Pose, und ihr scheuer Blick hing, zugleich demütig und hassvoll, an dem gefürchteten Zwerg. Der versuchte durch ein charmantes Lächeln, welches seinen mageren, scharfen Mund bis zu den Ohren hinaufzerrte, die schauerliche Wirkung, die von ihm ausging, ein wenig zu mildern; er gab sich Mühe, zu bezaubern, zu versöhnen und seine tief liegenden, schlauen Augen freundlich blicken zu lassen. Seinen Klumpfuß graziös hinter sich her ziehend, eilte er gewandt durch den Festsaal und zeigte dieser Gesellschaft von zweitausend Sklaven, Mitläufern, Betrügern, Betrogenen und Narren sein falsches, bedeutendes Raubvogelprofil.“

 

KLAUS_MANN

Klaus Mann (18 november 1906 – 21 mei 1949)

 

De Iers-Amerikaanse dichter Seán Mac Falls werd geboren op 18 november 1957 in Boston. Hij publiceerde tot nu toe twee bundels poëzie. De eerste,  20 Poems (2001), werd zeer lovend ontvangen, eerst door John Carey van de universiteit van Oxford die hem vergeleek met W.B. Yeats en daarna nog eens door Harold Bloom, een belangrijke criticus, verbonden aan Yale. Verschillende van zijn gedichten werden genomineerd voor de Pushcart Prize en verschenen in vooraanstaande bladen als Poetry Ireland, New Welsh Review, Cyphers, The Prague Review, The Lyric, Poet Lore, The London Magazine en Ageda. In 2005 verscheen de tweede bundel The Blue Falcon.

 

I Saw a Hunter by a Country Road

I saw a hunter by a country road
in tandem with me he sailed as I drove.

His hoody-head set monkish to the soil
conjured up music so soundful, sacred,
and I unmoving over a tired flesh-
colored vehicle felt naked and dead

for he so saintly robed and dressed to kill
in the colors of the sky prayed with wings,
my harrier, his eyes cleansed purity and gold
while mine unsightly piebald pale and blue.

But want of food dovetailed two craving
creatures, yet, over fed I felt rusty
below his steely hunger and what saving
grace God might offer either mice or men.

 

 

The Kestrel

Flies in the haze morning sputter and splay.
Water drops from leaves rolling with the blown
Blades. The windy whoo of the owls fade,
Blue buried eyes cradled in the hollow
Trees, the swamps seeker is quietly rustled,
Wings of panoply, spangle-speckle the wind,
Over the flames of autumn, talons thistle,
Crown the dominion of the fall, fade in
Sporting meadows colour, till the dive,
Balm of field, marsh, all ignites. Lever pale
Winds finger through the leaves gravely
And rake as you raid, shoulders that burning vale,
Casualties of insect, the lemming song sings
Mouse and vole flash, dark, sparkles the clearing.

Falls

Seán Mac Falls (Boston, 18 november 1957)

 

Toon Tellegen werd geboren op 18 november 1941 te Brielle. Hij studeerde medicijnen in Utrecht en vestigde zich na een verblijf van 3 jaar in Kenia als huisarts in Amsterdam. Na al een aantal jaren gedichten voor volwassenen te hebben geschreven, begon hij verhalen voor zijn kinderen te schrijven. In 1984 verscheen zijn eerste kinderboek, Er ging geen dag voorbij: negenenveertig verhalen over de eekhoorn en de andere dieren. In de verhalen van Tellegen spelen dieren als de mier en de eekhoorn vaak de hoofdrol. De verhalen zijn vaak filosofisch van aard. Enkele boeken zijn met prijzen bekroond. Toon Tellegen schrijft nog steeds en met grote regelmaat gedichten.

Voorkomen is beter

God schudt zijn ernstig betwijfelde hoofd –

als voorkomen beter was dan genezen,
dan was hij nergens aan begonnen,
dan was het nu nog nul uur nul
op de nulde dag
en bleef het dat –

hij bijt op zijn niet langer voorstelbare nagels
en gluurt naar beneden –

straks gaat hij genezen,
in zijn aandoenlijke wijsheid weet hij alleen
waarvan.

 

Wie dan leeft

Wie dan leeft zal omkijken
en denken dat wij zonder zorgen waren,
maar wij zijn niet zonder zorgen,
dat wij ons druk maakten om een dode mus,
maar wij maken ons niet druk om een dode mus,
maar om een levende, een levensgevaarlijke, een
dodelijke mus
en dat wij gelukkig waren
en niet beseften
hoe dood wij spoedig zouden zijn.

TELLEGEN

Toon Tellegen (Brielle, 18 november 1941)

 

Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Hij debuteerde met de roman De houdgreep (1986). Zijn doorbraak naar een breed publiek kwam met de roman Gimmick! (1989). In 1991 verscheen Vals licht dat werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs en dat 1993 zou worden verfilmd door Theo van Gogh. Ook De buitenvrouw (1994), bereikte de longlist van de AKO Prijs. ‘De buitenvrouw’ beschrijft een liefde in multiculturele tijden. Nadien volgden de roman ‘Chaos en Rumoer’ en ‘Zes Sterren’. Behalve romans publiceerde Joost Zwagerman ook gedichten en essays. Zijn eerste bundel ‘Langs de doofpot’ verscheen in 1987; zijn meest recente bundel ‘Roeshoofd hemelt’ werd in 2005 door de jury van de Poëzieclub bekroond tot kwartaalkeuze van de Poëzieclub van het poëzietijdschrift Awater. De bundel beleefde vier herdrukken. Zwagermans essaybundels ‘Pornotheek Arcadië’ (2000) en ‘Het vijfde seizoen’ (2003) bereikten de longlist van de Gouden Uil en de AKO Literatuurprijs. In 2003 en 2004 was Zwagerman presentator van VPRO’s Zomergasten en ontving toen onder andere Ayaan Hirsi Ali die in Zomergasten haar controversiële film Submission vertoonde. Daarnaast heeft hij in 1998 een theatertournee met Ronald Giphart gemaakt, die in 2000 een reprise beleefde. In 2005 stelde Joost Zwagerman de bloemlezing De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 tot nu samen.In 2006 verzorgde Zwagerman aan de Radboud Universiteit de Frans Kellendonklezing.

Uit: Het vijfde seizoen

“Van oudsher hebben kunstenaars en schrijvers zichzelf en elkaar geballoteerd op de al dan niet latente aanwezigheid van wat de dichter Michael Drayton in de zestiende eeuw ‘that fine madness’ noemde. In Plato’s Phaedrus beweerde Socrates dat iedere creatieve mens onvermijdelijk door de waanzin van de muzen is aangeraakt. In de Renaissance stelde de Italiaan Marsilio Ficino dat voor iedere kunstenaar een tijdelijke staat van krankzinnigheid inherent was aan het scheppingsproces. Sinds de Romantiek lijkt deze folie sacrée bijna op een soort kwaliteitsimprint: de ware creatieve mens pleegt roofbouw op zijn gemoedsleven. Robert Burton formuleerde het in The Anatomy of Melancholy (1716) op de korst mogelijke manier: ‘All poets are mad.’ Het staat er bijna als eerste premisse van een syllogisme. (…)

Andrew Solomon en Rogi Wieg zijn gepreoccupeerd door de vraag of de geesteszieke mens ooit en masse genezen kan worden verklaard dankzij nieuwe medicatie. Beide schrijvers lijken te geloven in een psychofarmaceutica die zich in hoog tempo zal blijven ontwikkelen den die steeds verfijnder zal worden, met als eindpunt mogelijk een wereld waarin geestesziekte blijvend en feilloos te behandelen zal zijn. (…)

Mijn lijkt het je reinste anti-utopie, een wereld waarin het voorgoed een autoloze zondag van de geest is, schoon en stil, maar ook steriel en eenvormig – een wereld om acuut gek van te worden. Dan nog liever de telkens terugkerende geseling van het gemoed; dan nog liever de herhaalde tuimeling in het vijfde seizoen.”

JOOST_ZWAGERMAN

Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

 

De Duitse dichter Richard Dehmel werd geboren op 18 november 1863 in Wendisch-Hermsdorf. Hij was een van de bekendste dichters van de literaire Jugendstil in Duitsland en een van de drijvende krachten van het tijdschrift “Pan”. Voornamelijk in lyriek geïnteresseerd wilde hij in zijn gedichten – zij cirkelden om de “grote” thema’s van liefde, kunst, tijd, toekomst – de dynamiek van het levensrhythme vangen. He
t pathos van de gedichten zoals in de tekst van “Eine Lebensmesse” heeft zijn oorsprong in de wil tot overtuigen. Daarbij herkent men ook de bronnen, Schiller bijv. en Büchner (met “Hütte und Palast“). Een betere wereld stond hem voor ogen, waarin de mens, door de bijna mystieke oerkrachten van natuur en schoonheid bezield, het esthetische tot leidraad had gekozen.

 

Ballade von der wilden Welt

Schöne stille Seele
hatte einen Garten,
rings um den Dornheckenwerk
und Urwalddickicht starrten,
einen Blumengarten.

Schöne stille Seele
saß in ihrem Zelt,
bebte vor den Häßlichkeiten
oh der wilden Welt,
in ihrem seidnen Zelt.

Schöne stille Seele
sah gern Kolibris
durch die Blütenbüsche huschen
überm warmen Kies,
die goldnen Kolibris.

Und die bunten Schmetterlinge,
und die blanken Schlangen;
schöne stille Seele
sah sie gern im Dickicht prangen,
die sonneblanken Schlangen.

Sah auch gern die blauen Blitze
über den Wäldern jagen
und die fernen schneebedeckten
Kraterberge ragen;
schöne stille Seele!

Schöne stille Seele
erschrak auf einmal sehr:
durch das Dornwerk drang ein hoher
wilder Fremdling her.
Seele bebte sehr.

Fremder Weltumsegler,
ich saß so schön allein;
du wirst mich Schlange schelten,
dann werden wir häßlich sein.
Und stehst so schön allein.

Schöne stille Seele
konnt alldas nicht sagen,
sah den Fremdling vor sich höher
als die Berge ragen;
konnt kaum Willkomm sagen.

Konnt ihn nur empfangen endlich,
Ihn – o wilde Welt –
Blitze, Blüten, Kolibris
jagten um ihr Zelt –
schöne wilde Welt! –

 

Dehmel

Richard Dehmel (18 november 1863 – 9 februari 1920)