Silke Scheuermann

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

Uit: Die Stunde zwischen Hund und Wolf

„Ich bin nichts, nichts als ein heller Umriss, an diesem Morgen, auf dem schmalen Korridor zwischen Becken und Glasfront des Schwimmbads, die x-fache Spiegelung eines vor Jahren beendeten Lebens, die schamlose Kopie eines ersten Satzes. Ich spürte einen kalten Luftzug durch die Ritzen der Scheiben, auf die in regelmäßigen Abständen Vogelsilhouetten geklebt waren. In seiner Glaskabine am anderen Ende der Halle, zwischen den Eingängen zu den Damen- und Herrenumkleidekabinen, saß der Bademeister, dick und wie immer in Weiß gekleidet. Mit seinem zufriedenen Gesicht erinnerte er mich an einen Konditor, der, noch in Arbeitskleidung, sein Tagwerk schon hinter sich hatte und nun hier herumsaß. Er widmete sich seinem Transistorradio, ich hörte nicht, für welche Musik er sich entschied. Ich ging, im schwarzen Badeanzug, barfuß und nass, zum Fünfundzwanzigmeterbecken, wo ich mich für einen Kopfsprung in Positur stellte.
Vor einer Minute hatte sich meine Schwester verabschiedet. Sie war hier aufgekreuzt; ich wollte gerade ins Wasser, da sah ich sie aus der Umkleidekabine kommen; in der spiegelnden Glasfront des Schwimmbades beobachtete ich ihre Gestalt, die sehr weiß war, fast bläulich, das kam von den langen Reihen Neonstrahler an der Decke der Halle. Sie war auf mich zugegangen, hatte hallo gesagt, während ich einen Schritt zur Seite gewichen war, um ihrer Umarmung zu entkommen, eine Abwehr, die beinahe dazu geführt hätte, dass sie auf den nassen Fliesen ins Rutschen geriet, ihre Hände jedenfalls fielen ins Leere, sie taumelte, aber nur für einen Augenblick, dann fing sie sich wieder, sie ist geschmeidig, meine schöne Schwester, sie liegt nicht so leicht platt vor einem auf den Fliesen.
Der Bademeister hatte hergeschaut, vielleicht war er sich unsicher gewesen, ob ich sie nicht geschubst hätte, ich zog eine Grimasse, er drehte den Kopf rasch wieder weg, hin zu dem Becken links von uns, das noch völlig unberührt dalag, eine glatte, blaue Fläche, ich folgte seinem Blick, wie gerne wäre ich jetzt dort eingetaucht, mit einem Kopf-sprung, der die Wasseroberfläche so wenig wie möglich aufwühlte, um dann meine Bahnen zu ziehen, eine nach der anderen, bis die Gedanken sich automatisch abschalteten. Ines deutete auf den Whirlpool, klapperte ostentativ mit den Zähnen, klar, da wollte sie rein, sie hatte schon immer leicht gefroren, meine große Schwester. Wassertropfen funkelten auf ihrer Haut, ihr nasses Haar war dunkel, fast braun. Lange Beine, eine Taille wie eine Sand-uhr. Was willst du hier? fragte ich, und sie zuckte die Achseln, dich treffen. Ich sah in Richtung der Glaskabine und dachte, dass es vermutlich irgendwo auf der Welt einen Konditor geben wird, der mich auf Anhieb an einen Bademeister erinnerte. Draußen, hinter der Glasfront, lag in winterlichem Dunkel das Außenareal verborgen.“

 

 

Bij het schervengericht staat de titel op het prachtig blauwe stuk keramiek

De verwachting om met een potlood bij het opzetten
een scheur in de grond te maken zeg je

lijkt op de verwachting van de eerste mannen
boven de Atlantische Oceaan die ongeacht verliezen

als honden vertrokken om hun baasje op het andere
halfrond te zoeken zij lijkt zeker niet op

de windstilte hier in het veld
Wat volgt is ons gebruikelijke zwijgen

Het jaar stort in elkaar en de grond
bevriest in de val ik herinner me

de vaagheid van de weersvoorspelling vanmorgen
en voel aan beide handen terwijl je loslaat

het schervengericht van de wind die slechts
hoeden hierheen voert en misschien wat oude papieren

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e juni ook mijn blog van 15 juni 2021 en eveneens mijn blog van 15 juni 2019 en ook mijn blog van 15 juni 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Alex Boogers, Silke Scheuermann

De Nederlandse schrijver Alex Boogers werd geboren op 14 juni 1970 in Vlaardingen. Zie ook alle tags voor Alex Boogers op dit blog.

Uit: De zonen van Bruce Lee

‘God, jongen! ‘Waarom heb je dat nu gedaan? We moeten naar het ziekenhuis. Kunnen jullie je ouders bellen en vragen of ze jullie kunnen ophalen? Gebruik de telefoon in de docentenkamer maar. Schiet op! De klassenavond is afgelopen. Wil iemand dat tegen de klas zeggen? Hoe kom je nu toch zo, Alex?’ Er kwamen steeds meer leerlingen om ons heen staan. Sommige meisjes sloegen verschrikt een hand voor hun mond. Het meisje waar het allemaal om was begonnen keek mij bezorgd aan. Ik ont-week haar blik uit schaamte en werd steeds duizeliger. ‘Die gek denkt zeker dat hij Karate Kid is,’ hoorde ik een van de vrienden van Raymond zeggen. Mevrouw Van Dijk probeerde mij overeind te helpen. ‘Gaat het nog? vroeg ze toen ze mij bij mijn bovenarmen vast-pakte. Ik knikte, maar mijn benen werden week en ik verstevigde mijn grip op haar arm. Een vader van een van de meisjes kwam binnen en bood aan om op de klas te letten zodat mevrouw Van Dijk met mij naar het ziekenhuis kon. Hij ondersteunde me naar haar auto, een gele eend, Citroën 2CV. ‘Blijven praten,’ zei mevrouw Van Dijk, maar ik wist niets te zeggen. Onderweg naar het ziekenhuis zei ze steeds: ‘Ben je er nog? Blijven praten, hè? Wat heb je nu toch gedaan?’
In het ziekenhuis brachten ze me naar de Spoedeisende Hulp. Een dikke man zat met een theedoek om zijn arm gebonden in de wachtkamer. Zijn harige buik kwam onder zijn T-shirt vandaan. Hij leek in slaap te dommelen, maar toen hij me zag knikte hij me toe. ‘Het ziet er niet fraai uit, zei hij en keek naar zijn hand, ‘maar bloed maakt het vaak erger dan het is, hè. lk moet wachten op mijn collega, die komt mijn vingertop brengen.’ Ik werd naar binnen geroepen. Mevrouw Van Dijk nam me bij de hand en zei: ‘Ik ben niet zijn moeder, hoor. Ik ben zijn docente Handvaardigheid. We hadden een feestje op school.’ ‘Een wild feestje als ik het zo bekijk,’ Zei de man met de witte jas, die zich voorstelde als Jasper-de-coassistent. Hij stak zijn handen in de zakken van zijn witte jas en keek me onderzoekend aan. ‘Het was een gezellige avond,’ zei mevrouw Van Dijk, ‘en toen sprong deze wildebras uit enthousiasme tegen een deurpost in de hal.’ De coassistent bekeek de wond en maakte hem schoon. ‘Kan een beetje prikken!’ Ik zat op een verrijdbaar bed, keek naar het metalen, steriele bakje naast me en zag dat hij er bebloede plukken haar en wat donkerrode klontjes in liet vallen. ‘Ken je die film Fint Blood met Sylvester Stallone? vroeg hij ter-wijl hij haastig wat laden opendeed en een paar gazen pakte. Ik probeerde te knikken, maar de verpleegkundige hield mijn hoofd goed vast. ‘Ja? Dan kun je je vast die scène herinneren waarin John J. Rambo zijn eigen arm hecht in het bos? Weet je dat nog? Zo gaan we nu ook het gat in je hoofd hechten. Dan heb je een beetje een idee.’ Hij grijnsde. ‘Geen zorgen,’ zei hij, ‘de verdoving is al gegeven, dus je voelt er niets van.’ Mevrouw Van Dijk keek over de schouder van de coassistent mee. Ik hoorde haar stem heel dichtbij. `Jeetje: zei ze steeds. ‘Wat verschrikkelijk allemaal! Jeetje!’

 

Alex Boogers (Vlaardingen, 14 juni 1970)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

Wat uitgestorven is

Het zijn de planten in de krantenkoppen, niet die in de wei
in bossen en moerassen, tuinen en parken.
Het zijn de planten die in de aanvoegende wijs zijn getrokken
omdat we ze verpotten in denkbeeldige parken,
geschiedenis van de aarde, hoofdstukken. Degene die voor nieuwbouwwijken
hebben plaatsgemaakt, rondwegen en elektriciteitscentrales,
in het parallelle universum ruiken ze heerlijk,
hierin alleen naar papier en lijsten,
slecht geweten en hoge winst.
We zitten diep in het kreupelhout van schuld
dat groeit over verloren sieraden, afgedankte ringen,
verkleurde zilveren enkelbandjes. We bespreken tevergeefs
oude gevoelens, zoeken naar beelden die in de droom bewegen.

In mijn borstkas fonkelt mijn hart als een verborgen
tuinkerszaadje, een paardenbloemblad.
Er valt zwak licht op iets dat op de muur is getekend
en ik zie dat het foto’s zijn van de uitgestorven planten.
Even fluisteren ze allemaal tegelijk hun naam,
en hun kleuren stralen nog een keer,
stralen en stralen, voegen zich samen tot de lente,
zoals deze er bijna nooit geweest is
zoals deze bijna nooit bestond in olieverf of op glanzend papier,
zoals deze nooit in fabrieken of industriële parken is vervaardigd,
gebouwd op het terrein dat ooit van hen was, nu
zo wild overwoekerd door iets nieuws.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e juni ook mijn blog van 14 juni 2020 en eveneens mijn blog van 14 juni 2019 en ookmijn blog van 14 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Joël Dicker, Silke Scheuermann

De Zwitserse schrijver Joël Dicker werd geboren op 16 juni 1985 in Genève. Zie ook alle tags voor Joël Dicker op dit blog.

Uit: Das Geheimnis von Zimmer 622

“Zu Beginn des Sommers soßt, als ich mich ins Palace de Verbier be-gab, ein exquisites Hotel in den Schweizer Alpen, hätte ich mir nicht träumen lassen, dass ich meine Ferien damit zubringen würde, ein vor fahren in diesem Haus begangenes Verbrechen aufzuklären. Der Aufenthalt sollte mir nach zwei kleinen persönlichen Kaustrophen, die mir gerade zugestoßen waren, etwas Ablenkung bieten. Doch ehe ich Ihnen erzähle, was in jenem Sommer geschah, muss ich zunächst einmal auf den Ursprung der ganzen Geschichte zurück-kommen: den Tod meines Verlegen Bernard de Fallois. Bernard de Fallois war der Mann, dem ich alles verdankte. Mein Erfolg. meine Bekanntheit waren sein Verdienst. Dass man mich der Schriftsteller nannte. war sein Verdienst. Dass man mich las, war sein Verdienst. Als ich ihn kennengelernt hatte, war ich nichts als ein unveröffentlichter Autor gewesen. Er hatte aus mir jemanden gemacht, dessen Romane in der ganzen Welt gelesen wurden. Bernard, der immer wie ein vornehmer Patriarch gewirkt hatte, war eine der herausragenden Persönlichkeiten der französischen Verlagswelt gewesen. Für mich war er ein Vorbild und vor allem, trotz der sechzig Jahre Altersunter-schied, ein guter Freund gewesen. Bernard war im Januar m18 verstorben, in seinem 92. Lebensjahr, und ich hatte auf seinen Tod reagiert. wie es jeder Schriftsteller tun würde: Ich begann. ein Buch über ihn zu schreiben. Ich widmete mich diesem Projekt mit Leib und Seele. zurückgezogen ins Arbeits-zimmer meiner Wohnung in der Avenue Alfred-Bertrand Nr. i3 im Genfer Ohampel-Viertel. Wie immer. wenn ich schrieb, duldete ich nur einen Menschen in meiner Nähe. meine Assistentin Denise. Sie war meine gute Fee. Stets guter Laune. organisierte sie meine Termine. sichtete und sortierte die Leserbriefe. las und korrigierte, was ich zu Papier gebracht hatte. Nebenbei füllte sie meinen Kühlschrank und versorgte mich mit Kaffee. Und dann übernahm sie noch die Funktion eines Bordarztes, indem sie in mein Arbeitszimmer platzte wie in die Kajüte eines Kapitäns auf großer Oberfahrt und mir Ratschläge für meine Gesundheit angedeihen ließ. «Gehen Sie doch mal raus!«, befahl sie freundlich. »Drehen Sie eine Runde durch den Park, um Ihren Kopf zu lüften. Seit Stunden hocken Sie hier drin!. »Ich war heute Morgen schon jogen«, erinnerte ich sie. »Ihr Hirn braucht in regelmäßigen Abständen frischen Sauer-stofflig, beharrte sie. Es war beinahe schon ein tägliches Ritual. Ich Ragte mich und ging auf den Balkon vor dem Büro. Dort füllte ich meine Lungen mit ein paar tiefen Zogen kühler Februarluft, um mir dann mit einem amüsierten und herausfordernden Blick eine Zigarette anzuzünden. Sie protestierte empört: »Wissen Sie was, IM, ich werde Ihren Aschenbecher nicht ausleeren. Dann sehen Sie wenigstens, wie viel Sie rauchen..
Jeden Tag hielt ich mich an eine mönchische Routine, die ich mir in den Schreibphasen auferlegte. Sie bestand aus drei unausweichlichen Etappen: im Morgengrauen aufstehen, eine Runde laufen gehen und bis zum Abend schreiben.“

 

Joël Dicker (Genève,16 juni 1985)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

Tweede schepping

Hoe we het doen maakt niet uit.
We hadden al sinds afgelopen zomer dicht
bij het doel onderzoek gedaan. Alleen de laatste stap ontbrak.
Ik huiverde toen ik zei: Een dwergmammoet zal
onze zoon ronddragen, Siberische tijgers onze
dochters beschermen. De ene dag zal als de andere zijn,
wanneer we de hersenen van grote zoogdieren kraken: extatisch,
dromerig, vol verliezen. Tweehonderd miljard
zenuwcellen, opgelost, aan elkaar gebonden als
boten op open zee. Hersenen, ziel en zintuigen
varen samen uit, een vloot in formatie.
Noem het oorlog, noem het waanzin: dit is
de vrijheid van de liefde: nieuwe wezens te scheppen,
ze ons ter beschikking te stellen. Dit is de vrijheid
van onze soort om nieuwe, andere soorten te maken.
God heeft ons een bouwpakket geschonken.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e juni ook mijn blog van 16 juni 2020 en eveneens mijn blog van 16 juni 2019 en ookmijn blog van 16 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Silke Scheuermann

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

Uit: Die Häuser der anderen

„Der Winter war endlos und dunkel gewesen, im April schneite es noch mehrmals, der Mai hatte Nachtfrost und Stürme gebracht und selbst der Juni nur kühlen Regen, aber dann war innerhalb von wenigen Tagen doch noch der Sommer gekommen. Der Juli begann unvermittelt heiß und gleißend hell; die Sonne machte jeden Tag
zum Fest. In den Nächten entluden sich Gewitter, doch morgens leuchtete der Himmel in frischem Blassblau, die Vögel tschilpten und hopsten auf den feuchten Zweigen herum, und die Wiesen hinter dem Viertel glitzerten nass vom Tau.
Am Kuhlmühlgraben hieß die letzte, noch zum Stadtteil gehörende Straße im Osten, eine lange Reihe gepflegter frei stehender Einfamilienhäuser. Im dritten Gebäude, dem weißen Haus mit dem frisch bepflanzten Vorgarten, gingen die Rollläden um Punkt sieben Uhr früh hoch, obwohl es Sonntag war. Luisa machte ihre Runde und fing dabei wie immer mit den Wohnzimmerfenstern zum Garten hinaus an. Benno, der Mischlingshund, lief erwartungsvoll hinter ihr her. Er war gelblichbraun bis auf ein paar schwarze Flecken und mit einem Jahr praktisch ausgewachsen. Genauso lange wohnten Luisa und Christopher inzwischen hier.
»Vor dem Haus ist Stadt, und dahinter beginnt das Land, wir haben beides«, hatte Luisa entzückt gesagt, als sie das Haus, das Christopher von seiner Großmutter
geerbt hatte und am liebsten sofort verkauft hätte, zum ersten Mal besichtigten. Sie hatte nicht lange gebraucht, um Christopher zu überzeugen, dass es genau das richtige neue Zuhause für sie sei. Es war nicht weit bis in die Innenstadt und die lebendigeren Frankfurter Stadtteile wie Bornheim oder Nordend, wo sie vorher in viel zu engen Altbauten zur Miete gewohnt hatten.
Als Luisa die Terrassentür aufmachte und die frische Luft einatmete, roch sie Gras und feuchte, modrige Erde. Auch vom Haus nebenan hörte sie nun Geräusche. Das
Leben am Kuhlmühlgraben begann früh. Das lag weniger an den kleinen Kindern – die gab es hier kaum –, es waren die Hunde, die den Tagesrhythmus bestimmten. Sie beschützten die Grundstücke und nahmen die Plätze in den leeren Heimen ein, wenn der Nachwuchs die Familie verlassen hatte. Den jüngeren Paaren, die sich nicht sicher waren, ob sie ein Baby wollten, dienten sie als Versuchslebewesen; gestresste Mittvierziger zwangen sie dazu, regelmäßig zu joggen oder zumindest spazieren zu gehen – dies und mehr hatte Luisa von anderen Hundehaltern erfahren. Was ihr allerdings als erstes aufgefallen war, waren die vielen Rassehunde. Zwei Dalmatiner lebten am Kuhlmühlgraben, ein Windhund, ein Bernhardiner, ein Riesenpudel, zwei Chow-Chows und ein achtzehn Jahre alter, halb blinder und tauber Pekinese, der nur noch Kalbsleberwurst fraß.“

 

Het dorp

In mijn herinnering is het altijd winter. Ze zeiden,
dat een sprookjesfiguur het dorp zou hebben gedroomd.
Hier zouden zwanen en witte paarden moeten wonen. Alleenstaande mensen,
gekleed in het wit, koud. Mensen die zonder licht kunnen leven.
Die het verse vlokkenkleed niet vernielen. Het leek me toen allemaal
in orde, intact. Alleen het meisje dat ergens in een van de huizen zat
en met haar vinger, van binnenuit, de ijsbloemen in het raam aanraakte was
niet voorzien.
Ik was op weg naar jou in lichtblauwe brieven,
maar de sneeuwkoningin had je al lang te pakken.

Ik droomde
over de poten van de ijsbeer,
hij greep gewoon door je lichaam
heen, nam de koude
splinter en liet
je hart ongedeerd.
In een droom slaagde hij erin
om je met de warmte van zijn lichaam te ontdooien.
Gestolen tijd drupte op
de grond, bevroor opnieuw.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e juni ook mijn blog van 15 juni 2020 en eveneens mijn blog van 15 juni 2019 en ook mijn blog van 15 juni 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Alex Boogers, Silke Scheuermann

De Nederlandse schrijver Alex Boogers werd geboren op 14 juni 1970 in Vlaardingen. Zie ook alle tags voor Alex Boogers op dit blog.

Uit: De zonen van Bruce Lee

“Jongen,
Op de avond dat ik had besloten om Bruce Lee te imiteren, belandde ik in het ziekenhuis met een hersenschudding en elf hechtingen in mijn hoofd. Het gebeurde tijdens een schoolfeest. Ik was dertien en wilde Raymond, de populaire jongen die een paar vervelende opmerkingen had gemaakt tegen het meisje dat ik leuk vond, de schrik op het lijf jagen door dezelfde vliegende trap te maken als Bruce Lee aan het slot van de film Fist of Fury. Ik was natuurlijk niet van plan Raymond echt te raken. Het was show, een demonstratie van mijn grote vechttalent. Hij zou onder de indruk zijn van mijn kunsten en het meisje voorgoed met rust laten. Dat was het idee. Ik verliet de door discolampen verlichte klas waar de meisjes met fluorescerende wollen truien, spijkerrokjes en getoupeerd haar tegenover elkaar stonden te dansen. De jongens probeerden er cool uit te zien en stonden langs de kant met een plastic bekertje in hun hand en keken vanonder de haarlok voor hun ogen toe. Ik zag Raymond aan het einde van de lange gang staan met een groepje jongens. Ik nam een aanloop en toen ik opsprong om de trap uit te voeren bracht ik een katachtige gil voort. Hij keek op en nog voordat dat ik bij hem in de buurt kwam knalde ik met mijn hoofd tegen de bovenkant van de deurpost in de hal en viel ik als een zak aardappelen op de grond. Ik keek naar hem. Hij zag lijkbleek, slikte een paar keer, en wees met een bibberende wijsvinger naar me. ‘Je gezicht, je bloedt!’ Ik voelde aan mijn schedel, voelde een zachte pulp en werd duizelig en misselijk. Ik keek naar het bloed aan mijn vingers, naar de rode vlekken op mijn nieuwe crèmekleurige trui, naar de bloedspatten op de grond. Ik was een kalfje dat zojuist ter wereld was gekomen, nog nat van de bloedblubber, en niet in staat om meteen op te staan. Een van de jongens uit het groepje rende naar het klaslokaal en kwam terug met mevrouw Van Dijk, die van schrik haar plastic bekertje liet vallen toen ze me zag. ‘O, God!’ riep ze. ‘O, God!’‘ Hij kwam helemaal daar vandaan gerend,’ zei een andere jongen, en wees naar het einde van de lange gang, ‘en toen sprong hij keihard tegen de bovenkant van die deurpost aan. Maar echt keihard, hè!’ Mevrouw Van Dijk hurkte bij me neer. ‘God, jongen! Waarom heb je dat nu gedaan? We moeten naar het ziekenhuis. Kunnen jullie je ouders bellen en vragen of ze jullie kunnen ophalen? Gebruik de telefoon in de docentenkamer maar. Schiet op! De klassenavond is afgelopen. Wil iemand dat tegen de klas zeggen? Hoe kom je nu toch zo, Alex?”

 

Alex Boogers (Vlaardingen, 14 juni 1970)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

De dag waarop de meeuwen tweestemmig zongen

Terwijl het water zich terugtrekt en de kwallen blijven liggen
onaangetast door het zout
door de oxidatie en de zon
ben je jaloers op de kinderen die met hun hielen
in het zand naar schelpen porren hun zekerheid
met een voor jou volkomen
verbazingwekkende kracht

Je oog is gereinigd en heeft nu scherpere pupillen
terwijl de branding zich een weg terug de zee in vreet
mis je iets
een paar jaar
in stukjes zo klein als de achterkant van een postzegel
wit als octopusvlees hebben de meeuwen meegenomen
Er is pijn met een verbroken verbinding met het hoofd

Pezige slijmstrepen van olie bedekken
de golven leiden door schuimkoppen
naar vroeger
en naar
de tijd
waarin je langzaam flodderig de trappen van het afscheid
afdaalde naar het strand hier
– Zwemmen kun je nog steeds, maar je zwemt jezelf
niet meer vrij –

Ik weet dat je verbaasd bent over het vermogen
van de kwallen om lelijk en toch doorzichtig te zijn
en ik weet dat je spoedig
schreeuwend wilt weten wat ik ergens anders zoek
in de hoop dat je van mij de vraag terugkrijgt

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e juni ook mijn blog van 14 juni 2020 en eveneens mijn blog van 14 juni 2019 en ookmijn blog van 14 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Joël Dicker, Silke Scheuermann, Frans Roumen

De Zwitserse schrijver Joël Dicker werd geboren op 16 juni 1985 in Genève. Zie ook alle tags voor Joël Dicker op dit blog.

Uit: Die Geschichte der Baltimores (Vertaald door Brigitte Große en Andrea Alvermann)

„Ich bin der Schriftsteller. So nennen mich alle. Meine Freunde, meine Eltern, meine Familie, selbst mir unbekannte Menschen, wenn sie mich in der Öffentlichkeit sehen: »Sind Sie nicht der Schriftsteller …?« Ich bin der Schriftsteller, das ist meine Identität. Die Leute glauben, dass man als Schriftsteller eine ziemlich ruhige Kugel schiebt. Neulich beschwerte sich einer meiner Freunde darüber, wie viel Zeit ihn allein sein täglicher Arbeitsweg koste, und erklärte mir dann. »Du hast es gut, du musst ja morgens nur aufstehen, dich an den Schreibtisch setzen und schreiben. « Ich gab ihm keine Antwort, wohl weil mich die Erkenntnis deprimierte, wie sehr meine Arbeit in der allgemeinen Vorstellung aus Nichtstun besteht. Alle denken, dass man den ganzen Tag Däumchen dreht, dabei arbeitet man vielleicht gerade dann am härtesten, wenn man nichts tut. Ein Buch zu schreiben ist ungefähr so, als hätte gerade ein Ferienlager aufgemacht: Dein normalerweise einsames und stilles Dasein wird plötzlich von einem Haufen Leuten auf den Kopf gestellt, die ohne Vorwarnung hereinschneien. Da kommen sie eines Morgens angefahren in ihrem großen Bus, schon ganz aufgeregt über die Rolle, die sie spielen sollen, und reden beim Aussteigen alle durcheinander. Und dann ist alles deine Sache, du musst dich um sie kümmern, sie verköstigen und unterbringen. Du bist für alles verantwortlich. Weil du der Schriftsteller bist.
Diese Geschichte beginnt im Februar 2012, als ich aus New York nach Boca Raton, Florida, gefahren bin, um in meinem neuen Haus meinen neuen Roman zu schreiben. Das Haus hatte ich drei Monate zuvor gekauft, mit dem Geld für die Filmrechte an meinem letzten Buch, aber abgesehen von ein paar Stippvisiten im Dezember und Januar, um es einzurichten, war es das erste Mal, dass ich mich für längere Zeit dort aufhielt. Es ist ein geräumiges Haus mit einer breiten Glasfront, die auf einen bei Spaziergängern beliebten See hinausgeht. Die Nachbarschaft ist sehr ruhig und grün und hauptsächlich von reichen Rentnern bewohnt, unter denen ich extrem auffalle. Ich bin nur halb so alt wie die meisten, aber ich habe mir die Gegend gerade wegen der vollkommenen Stille ausgesucht.“

 

Joël Dicker (Genève,16 juni 1985)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

Het is niet meer leuk om in het donker de straat op te gaan

De concerten worden al jaren afgelast
strofe voor strofe
omdat elk hoofd zichzelf heeft verglaasd

Verleiding in gevaarlijke frequenties
gaat verder van de gezangen
van meeuwen en marters uit
die niet meer te onderscheiden zijn
en in donkere hoeken wachten
vrouwen zonder een cent
met hun hinderlaagachtige glimlach

Het stadsblad adviseert
vrolijk gaat het er aan toe bij de kinderen met
kattengezichten die maken echt
goede horoscopen

Zij kondigen
noot voor noot
een modern
huwelijk aan tussen jou en de nacht
terwijl ze rubberen speelgoed
kapotsnijden linkshandig
en dan roken
Het ziet er gevaarlijk uit

Maar ze zijn eerlijk
Jij krijgt
je hand terug

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

En als toegift bij een andere verjaardag:

 

De morgen

We lachten. Stranden, waar dolfijnen zongen.
Er golfden zilvertranen in jouw schoot.
Wit lichtend schuimden zij tot aan de dood.
De morgen komt voor ons te vroeg mijn jongen.

Ook onze lippen zijn aan zee ontsprongen,
het gulle zand gaf ons zijn avondbrood.
De winden maakten onze harten groot.
De morgen komt voor ons te vroeg, mijn jongen.

We stroomden samen in vergaanbaarheid.
Door onze ogen dronken we elkaar,
totdat zich onze lichamen doordrongen.

Verlangen kan niet vluchten voor de tijd.
Wiens handen branden morgen in ons haar?
De morgen komt voor ons te vroeg, mijn jongen.

 

Frans Roumen (Wessem, 16 juni 1957)
Dolphin Sunset door Jason Fetko, z.j.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e juni ook mijn blog van 16 juni 2019 en ook mijn blog van 16 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Silke Scheuermann

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

Uit: Shanghai Performance

„Es war ein exquisites Ausstellungshaus, das ich verließ, aber es gab andere. Ich vergaß diese Galerie, so wie ich viele Jobs während des Studiums vergaß. Da ich mich schnell langweilte, wechselte ich die Anstellungen häufig. Als ich gerade meine Doktorarbeit über die von mir bewunderte Performancekünstlerin Margot Winkraft angemeldet hatte, erfuhr ich, dass sie eine Assistentin suchte. Ich war mir vollkommen sicher, es geschickter anzustellen als alle anderen. Anstatt mich unter Hunderte Internationaler Bewerberinnen einzureihen, ergatterte ich den Auf-trag eines Kunstmagazins, sie zu interviewen, und bereitete mich akribisch auf das Gespräch vor. Es klappte. Man muss die Leute glauben machen, dass sie es sind, die die Ideen haben, das ist der ganze Trick, merkte ich mir. Später begriff ich, dass Margot sehr wohl den Zusammenhang zwischen meinem Auftauchen und der offenen Stelle hergestellt hatte, ja, dass ich nicht einmal die Einzige gewesen war, die sich mit irgendeinem Trick ein unverbindliches Treffen erschummelt hatte. Es sah Margot ähnlich, dass sie die Geschichte Jahre später, rein zufällig vor einer Menge Leute, erwähnte, und mir, dass ich mit rotem Kopf mitlachte. Ich lernte Margot kennen und wusste sofort, dass sie alles verkörperte, wonach ich mich sehnte. Sie glaubte, wie ich mir immer gewünscht hatte zu glauben, nur dass ich nichts Eigenes hatte, das ich entwickeln, für das ich leben konnte. Margots Projekt wurde meines. Unter ihren Mitarbeiterinnen, sagte sie manchmal, sei ich seit langem die engagierteste, das sagte sie so lange, bis ich es glaubte. Und es stimmte ja auch, dass ich all meine Kraft in jedes ihrer Projekte steckte – in alle bis auf eins, das Chinaprojekt, aber auf die Gründe dafür komme ich noch. Es geht Margot in ihrer Kunst ausschließlich um eines, und das ist Schönheit. Sie ist davon besessen. Ich meine nicht nur die Schönheit des weiblichen Körpers, dessen Verletzlichkeit, dessen unvermeidlichen Verfall sie in ihren Installationen immer aufs Neue inszeniert oder viel-mehr beklagt. Ich meine, dass ihr gesamtes Leben seit je-her darin bestand, nach Schönheit zu suchen. Sie nennt sich eine »Angestellte des Lichts«. Ich erinnere mich, wie ich sie einmal, als ich noch nicht lange für sie arbeitete, telefonieren hörte. Sie klang ungeduldig. »Was ich mit einer Zusammenfassung von Licht meine? Das liegt doch auf der Hand, meine Liebe. Ich meine: zärtliches, gefährliches, traumhaftes, lebendes, totes, klares, nebliges, heißes, grausames, nacktes, plötzliches, frühlingshaftes, fallendes, gerades, schiefes, sinnliches, gedämpftes, giftiges, beruhigendes, fallendes Licht. Das ist es, was ich vom Raum will!« Bei jeder anderen Person, die ich kenne, hätte das exaltiert, ja sogar affektiert gewirkt, bei Margot wirkte es, als erinnerte sie den Zuhörer nur an etwas, das er insgeheim schon seit langem wusste, das nur in ihm verschüttet war. Sie war klein und zierlich, aber ihre Stimme war laut und kehlig, und ich gewöhnte mir in ihrer Nähe rasch an, ebenfalls lauter zu sprechen, genau wie ich manche ihrer Redewendungen imitierte.“

 

De manier waarop gedichten werken

De manier waarop gedichten werken
door te glinsteren
in de grootste nonchalance
of zich openen en
hypnotiserend stralen
of wereldvreemd
zijn de wereld moeilijk vinden
vervliegen
De manier waarop gedichten werken
gewoon en in staat
om zichzelf te illustreren
de verte te naderen
zodat deze ver weg kan blijven
De manier waarop gedichten werken
met verblijfsvergunning
en vliegticket
kan men door ontkenning
steeds dichter bij de winter komen
Uiteindelijk een perfecte
cirkel om de kou
en daarbij altijd
een beetje erboven
als een Boeing
die nog niet mag landen
maar daardoor voor iedereen hier beneden
zichtbaarder wordt
De manier waarop gedichten werken
om op te vangen en de
dertig pagina’s die niemand ooit
heeft geschreven
in zich op te nemen
als lading die jij in
je handen houdt
waarin je de hemel herkent
de ademhaling bepaalt
die je gelukkig maakt
De manier waarop gedichten werken
is willekeurig
moedwillig
en van een glinsterend lichte
vanzelfsprekendheid.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e juni ook mijn blog van 15 juni 2019 en ook mijn blog van 15 juni 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Alex Boogers, Silke Scheuermann

De Nederlandse schrijver Alex Boogers werd geboren op 14 juni 1970 in Vlaardingen. Zie ook alle tags voor Alex Boogers op dit blog.

Uit: Onder een hemel van sproeten

“Wij woonden in een flat die zou worden afgebroken om plaats te maken voor het zoveelste nieuwbouwproject. Veel flats waren al tegen de vlakte gegaan. In onze flat woonden ook blanke gezinnen, die volgens mijn vader te stom en te armoedig waren om een normaal huis te betrekken, anders woonde je als witte niet hier, tenzij je een Pool was. In onze wijk woonden vooral Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen, en die wisten niet beter, zei mijn vader, want zij hadden de laagste baantjes, als ze al werkten. Toen ik op de kleuterschool zat bleef mijn vader steeds vaker van huis, en als hij thuiskwam was hij dronken en begon hij wild met mama te zoenen, die daar op dat moment helemaal geen zin in had, en dan gooide hij haar op bed of op de bank en brulde: ‘Je houdt toch van baby’s? Wil je er nog een? Kom dan! Kom maar hier, vieze slet! Je bent net zo stom als al die andere wijven!’ Ik zat onder de tafel en trok de franje van het kleed een beetje naar mij toe, zodat niemand mij zag, maar ik hoorde hoe mama huilde en kreunde, en als ze niet deed wat mijn vader beval, gaf hij haar een klap, en dan hoorde ik tonkebonkebonk’ en het zachte gekreun van mama, die zich gedroeg als een lappenpop en zich in elke richting liet bewegen. Als ze klaar waren liep mama wijdbeens naar de badkamer, en ik hield mij stil en wachtte tot mijn vader op de bank in slaap was gevallen. Dan kroop ik naar mama toe, hield zij mij stevig vast en drukte me tegen haar borst. `Het blijft niet zo,’ fluisterde ze, en ze wiegde mij zachtjes heen en weer, en daarna bracht ze me naar bed en zei: ‘Ga maar slapen, lieverd.’ Maar ik kon niet slapen. Ik was bang dat mijn vader wakker zou worden en dat alles weer van voren af aan zou beginnen. Het ritueel herhaalde zich zo’n drie keer in de week. Soms stond hij met zijn slungelige lijf, zijn zweterige gezicht en diepe frons, zijn plukkerige afro en zijn kroezige baard over mij heen gebogen en bekeek hij mij alsof ik een aandoening was. Overdag deed ik mijn best om niet door hem gezien te worden. `Als ik je niet zie of hoor, dan weet ik dat je me respecteert,’ zei hij. In de meeste gevallen negeerde mijn vader mij, en vaak was hij al weg als ik wakker werd, en als ik niet gewekt werd door het tumult in huis, lag ik alweer in bed voordat hij thuiskwam.”

 

Alex Boogers (Vlaardingen, 14 juni 1970)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

Undine vertrekt omdat Hans haar nieuwe kleren niet meer bewondert

Je blik weg van het lichaam naar de horizon
neemt afstand van mij en de dingen
de bloedlichaampjes de gebaren
tot slot het glanzende trio-oog tand lip

leidt voorbij het daglicht naar andere kamers
ver weg naar de grafdelvers de grafsprekers
de putschisten en strijders in Grozny
naar de regenboog rood geel rood

omdat elke wolk alleen pus en bloed spuugt
mijn moeder zei al vroeg tegen mij
slaap nooit met een fotograaf
ze hebben al te veel gezien

Je bent bij heuvels van tulpen of waar dan ook
Dit is de stad, het voetgangersgebied
hier zijn we hier wandelt
je innerlijke vuur in het besef

dat twee mensen die van elkaar houden
zich bij elkaar kunnen optellen of van elkaar aftrekken
een pluspunt kunnen zijn of zoals in dit geval
buiten onze schuld een minpunt

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e juni ook mijn blog van 14 juni 2019 en ook mijn blog van 14 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Fernando Pessoa, Silke Scheuermann

De Portugese dichter en schrijver Fernando António Nogueira Pessoa werd geboren in Lissabon op 13 juni 1888. Zie ook alle tags voor Fernando Pessoa op dit blog.

Sonnet XI

Like to a ship that storms urge on its course,
By its own trials our soul is surer made.
The very things that make the voyage worse
Do make it better; its peril is its aid.
And, as the storm drives from the storm, our heart
Within the peril disimperilled grows;
A port is near the more from port we part—
The port whereto our driven direction goes.
If we reap knowledge to cross-profit, this
From storms we learn, when the storm’s height doth drive—
That the black presence of its violence is
The pushing promise of near far blue skies.
Learn we but how to have the pilot-skill,
And the storm’s very might shall mate our will.

 

Sonnet XII

As the lone, frighted user of a night-road
Suddenly turns round, nothing to detect,
Yet on his fear’s sense keepeth still the load
Of that brink-nothing he doth but suspect;
And the cold terror moves to him more near
Of something that from nothing casts a spell,
That, when he moves, to fright more is not there,
And’s only visible when invisible
So I upon the world turn round in thought,
And nothing viewing do no courage take,
But my more terror, from no seen cause got,
To that felt corporate emptiness forsake,
And draw my sense of mystery’s horror from
Seeing no mystery’s mystery alone.

 

Sonnet XIII

When I should be asleep to mine own voice
In telling thee how much thy love’s my dream,
I find me listening to myself, the noise
Of my words othered in my hearing them.
Yet wonder not: this is the poet’s soul.
I could not tell thee well of how I love,
Loved I not less by knowing it, were all
My self my love and no thought love to prove.
What consciousness makes more by consciousness,
It makes less, for it makes it less itself,
My sense of love could not my love rich-dress
Did it not for it spend love’s own love-pelf.
Poet’s love’s this (as in these words I prove thee):
I love my love for thee more than I love thee.

 

Vertaald door Jorge de Sena e.a.

 

Fernando Pessoa (13 juni 1888 – 30 november 1935) Standbeeld voor het café Brasileira op het Chiado-plein in Lissabon.

 

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

Requiem voor een pas veroverde planeet met intense straling

Maar wat komt er als we alle verhalen verteld
hebben tienduizend hete verhalen

het woordenboek van onze luchtkastelen helemaal gespeld
is en wij onze ster doorgezeten hebben als een sofa

waar we elkaar heel goed hebben leren kennen
als we dan stil bij het raam zitten en roken

Nachten van bijna volledige stilte
waarin alleen je laatste zinnen naklinken

Ze hadden het erover dat wij
beide eigenlijk hemellichamen zijn

die zo ’n aantrekkingskracht hebben
dat ze hun eigen licht niet eens loslaten

dus niet schijnen maar zwart zijn
aan hun tong verbrande vertellers

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e juni ook mijn blog van 13 juni 2019 en ook mijn blog van 13 juni 2017 en mijn blog van 13 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Maria Dermoût, Christian Bauman, Silke Scheuermann, Hugo Borst, Ramon Lopez Velarde, Roland Dorgelès, Olivier Guez, Emma Cline, Hannah van Wieringen

De Nederlands-Indische schrijfster Maria Dermoût (eigenlijk Helena Anthonia Maria Elisabeth Dermoût-Ingerman) werd geboren in Pekalongan, Java, op 15 juni 1888. Zie ook alle tags voor Maria Dermoût op dit blog.

Uit: De tienduizend dingen

“Op het eiland in de Molukken was nog een enkele ‘thuyn’ overgebleven uit de tijd van de specerijperken, een enkele maar, er waren er trouwens nooit veel geweest; en op dit eiland had men ook vroeger niet over ‘perken’ gesproken, altijd over ‘thuynen’. De tuinen lagen nu, zoals toen hier en daar verspreid aan de beide baaien, buitenbaai of binnenbaai, met hun bosjes van specerijbomen, soort bij soort: kruidnagel bij kruidnagel, nootmuskaat bij nootmuskaat; enkele hoge schaduwbomen ertussenin, kenaribomen meestal; en aan de baaikant voor de windvang kokospalmen of platanen.
Van de huizen stond er niet één meer in zijn geheel overeind, zij waren ingestort bij een aardbeving en daarna opgeruimd; er was nog wel eens een stuk van een oud huis blijven staan: een vleugel, een kamer alleen, daar werd dan later weer tegenaan gebouwd, een paar armoedige houten vertrekken meestal. Wat was er over van alle glorie?
Toch scheen er soms op die tuinen iets te zijn achtergebleven van het oude voorbijgegane, van wat al zo lang geleden was.
Op een zonnige plek tussen de kleine bomen, het gaat er zo sterk naar specerijen ruiken als het warm wordt.
In zo’n stille, vervallen kamer, met nog een echt Hollands opschuifraam en een diepe vensterbank.
Op een stukje strand onder de platanen, waarop de golfjes van de branding uitvloeien: drie golfjes achter elkaar, achter elkaar, achter elkaar.
Wat was het?
Een herinnering aan iemand, aan iets wat gebeurde, kan ergens bijna tastbaar blijven hangen; misschien is er nog iemand die ervan weet, aan denkt soms, dat was nog anders: zonder ergens enig houvast, enige zekerheid. Niet meer dan een vraag, een wellicht?
Hebben twee gelieven van toen elkaar vastgehouden, en ‘voor eeuwig’ gefluisterd of hebben zij elkaar juist losgelaten en ‘adieu’ gezegd tussen de nootmuskaatboompjes?
Heeft een kind met haar pop in de vensterbank zitten spelen?
Wie stond op het strand toen en staarde over de drie golfjes van de branding heen en over de baai heen en waarheen?
Een stilte als antwoord, een stilte van gelatenheid en verwachting tegelijk; van voorbij en niet voorbij.”

Maria Dermoût (15 juni 1888 – 27 juni 1962)
De tienduizend dingen als Salamander klassiek, 1998, de eerste druk verscheen in 1955



De Amerikaanse schrijver Christian Bauman werd geboren op 15 juni 1970 in Easton, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Christian Bauman op dit blog.

Uit:The Ice Beneath You

“Two hours later the driver pulls the bus to the side of the Ohio Turnpike. Four in the morning, so cold outside, so cold, old black snow on the ground—isn’t even winter anymore and that snow doesn’t know to go away. The driver pulls the Greyhound to the side of the turnpike and opens the door, wind rushing in, Jones’s body shakes, waking up, wondering Where the hell did the heat go? The driver opens the door and three big men, all denim and flannel and boots, pull a little brown man by the collar, lifting him right out of his seat, legs kicking in surprise. They take him out the door to the side of the turnpike and beat the living shit out of him. It takes less than a minute. They go around and around with him, his face is such a mess. He’s not making much noise, only a high-pitch almost-wail. Jones’s face pressed sideways against the tinted glass of the bus window, so cold, he’s sure he’s still sleeping, his eyes open watching this right beneath him. They ditch the man head and chest forward into that old black snow, one guy driving his boot into the little man’s side, a final good-bye, and they all get back on the bus, the driver closes the door, then pulls away. The little brown man was Pakistani, Jones was pretty sure of that. There was a Pakistani infantry company in Somalia, living in a row of khaki tents in the far southern corner of the Mogadishu seaport—they’d been a friendly group, trading little tin plates of hot curried mutton for dog-eared copies of Penthouse and Hustler. When Jones first got on the Greyhound, the day before, he’d been sitting forward in the bus, where the brown man would finally end up, next to a skinny, sickly woman who had three kids scattered around the bus, two boys and a girl. Her old man had put her and the kids on the Greyhound in Allentown; he’d meet up with them at her mom’s house in Laramie sometime later in the year.”

Christian Bauman (Easton, 15 juni 1970)
Cover



De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

Die Ausgestorbenen

Es sind die Pflanzen in den Schlagzeilen, nicht die auf der Wiese,
in Wäldern und Sümpfen, Gärten und Parks.
Es sind die Pflanzen, die in den Konjunktiv gezogen sind,
weil wir sie umtopften in imaginäre Parks,
Erdgeschichte, Kapitel. Jene, die Neubaugebieten
gewichen sind, Umgehungsstraßen und Kraftwerken,
im Paralleluniversum riechen sie wunderbar,
in diesem nur nach Papier und Listen,
schlechtem Gewissen und hohem Gewinn.
Wir befinden uns tief im Gestrüpp von Schuld,
das über verlorene Schmuckstücke wächst, weggeworfene Ringe,
Fußkettchen aus angelaufenem Silber. Vergeblich verhandeln wir
alte Gefühle, suchen nach Bildern, die sich im Traum bewegen.
In meinem Brustkorb funkelt mein Herz wie ein versteckter
Kressesamen, ein Blättchen Löwenzahn.
Schwaches Licht fällt auf etwas, das an die Wand gezeichnet ist,
und ich sehe, es sind Bilder der ausgestorbenen Pflanzen.
Für einen Augenblick flüstern alle ihre Namen gleichzeitig,
und ihre Farben leuchten noch einmal auf,
leuchten und leuchten, addieren sich zum Frühling,
wie es ihn kaum je gegeben hat,
wie er kaum jemals in Öl existierte oder auf Hochglanzpapier,
wie er niemals in Fabriken hergestellt wird oder Industrieparks,
gebaut auf dem Areal, das einst das ihre war, jetzt
so wild überwuchert von etwas Neuem.

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)


De Nederlandse schrijver, redacteur en radio- en televisiepresentator Hugo Borst werd geboren in Rotterdam op 15 juni 1962. Zie ook alle tags voor Hugo Borst op dit blog.

Uit: Ma

“Twee weken geleden vroeg de tandarts me na het polijsten van mijn gebit of mijn moeder soms met klachten rondloopt. We bezoeken deze tandarts al een paar jaar. Uit een röntgenfoto blijkt dat er bij ma linksboven een ontsteking zit.
‘Ik ga het haar vragen,’ zeg ik.
Wij mantelzorgers zijn met z’n vieren. Mijn broer Laurens, schoonzus Jackie, mijn vrouw Karina en ik. Twee van ons menen ma te hebben horen klagen over haar gebit. Maar niet
vaak.
Wanneer ik het diezelfde dag aan ma zelf vraag, schudt ze haar hoofd. ‘Nee hoor, ik heb geen last.’
Drie dagen later wijst ze spontaan naar een kies. Aan de linkerkant.
‘Daar doet het pijn.’
‘Erg, ma?’
Ze knikt.
‘Echt heel erg?’
Ze haalt haar schouders op.
Ik leg het de tandarts voor. Ze zegt: ‘Tja. Ik kan je moeder maar beter verlossen. Ik bedoel, de pijn kan veel erger worden.’
Mijn moeders tanden en kiezen hebben de crisisjaren en de oorlog overleefd. Op oude foto’s is te zien dat mijn moeder het gebit had van een filmster. Eén voortand stond een graadje of twee uit het lood. Die onvolkomenheid maakte het zo eigen.
Ik heb als kind verliefd gestaard naar die eigenwijze voortand.
In tegenstelling tot mijn vader, die al rond zijn vijfendertigste een kunstgebit had en dat in een hermetisch afgesloten badkamer reinigde, poetste mijn moeder haar tanden met de deur wagenwijd open. Het was een uitnodiging om te komen kijken, een demonstratie, een feest. Zo moet het, jongen van me! Niet horizontaal poetsen, die voortanden van je, maar op en neer! En masseer je tandvlees goed, dan krimpt het later minder! Wat zou ik graag een achtmillimeterfilmpje zien van mijn jonge moeder die voor me staat en vrolijk en geduldig mijn melkgebit poetst.”

Hugo Borst (Rotterdam, 15 juni 1962)


De Mexicaanse dichter Ramon Lopez Velarde werd geboren op 15 juni 1888 in Jerez. Zie ook alle tags voor Ramon Lopez Velarde op dit blog.

The Tear

Beyond
the lily obliquely
embellishing the mortuary pillow;
beyond
the bachelor’s callous sorrow
at lying like a callow novice
while cats caterwaul and bristle
and shape a hair-raising nation;
beyond
a never-sated appetite,
and the lime
that leaches licentious consciences,
and the professional disenchantment
with which commercial enchantresses
spring from their beds;
beyond
the marriage-broker ingenuity
and the calamity no one expects;
beyond
the bone yard and the nest …
the salty tear I have imbibed.
Tear of infinity,
you made the rite of love eternal;
tear in whose oceans
my anchor pleasures in its castaway’s plunge
as I gather the singular fleece
of a penitent flock;
tear whose glory refracts
the faithful iris of my exact passion;
tear through which bannerless masts
sail in disquietude;
saline tear with which my gratitude
hoped to salt Paradise;
O tear, I shall immerse myself in you,
in sepulchral delectation,
like a sentinel
stationed in your briny, morbose lighthouse.

Vertaald door Margaret Sayers Pedan

Ramon Lopez Velarde (15 juni 1888 – 19 juni 1921)
De slaapkamer van de dichter in het Museo Casa del Poeta Ramón López Velarde in Mexico-Stad


De Franse schrijver en journalist Roland Dorgelès (eig. Roland Lécavelé) werd geboren op 15 juni 1885 in Amiens. Zie ook alle tags voor Roland Dorgelès op dit blog.

Uit: Les Croix de bois

« Le nouveau s’est présenté à moi — Gilbert Demachy… Je faisais mon droit… Et je me suis fait connaître : — Jacques Larcher. J’écris… Dès son arrivée, j’ai compris que Gilbert serait mon ami, je l’ai compris à sa voix, à ses mots, à ses manières. Tout de suite je lui ai dit « vous » et nous avons parlé de Paris. Enfin, je trouvais quelqu’un avec qui m’entretenir de nos livres, de nos théâtres, de nos cafés, des jolies filles parfumées. Rien que les noms que je prononçais me faisaient revivre un instant tout ce bonheur perdu. Je me rappelle que Gilbert, assis sur une brouette, avait posé ses pieds déchaussés sur un journal, en guise de tapis. Nous parlions, fiévreusement — Vous vous souvenez… Vous vous souvenez ?… Les copains aidaient les nouveaux à s’installer dans l’écurie où couchait l’escouade et empilaient leurs sacs avec les nôtres dans la mangeoire. Quand ils eurent fini, Gilbert tendit deux billets de cent sous pour offrir à boire. — C’est ça, plein la vue… grogna Pouillard jaloux. Les autres, reconnaissants, retournèrent à l’écurie pour soigner la place du nouveau. Ils brassèrent sa paille pour la rafraîchir et lui firent un rebord aux pieds. Broucke avait pris respectueusement l’oreiller de caoutchouc de Demachy et s’amusait à le gonfler, comme un jouet, avec une peur secrète de l’user. Ceux qui devaient changer de coin, pour faire de la place, déménageaient, en se volant mutuellement de la paille. — Toi, gras du ventre, dit Pouillard à Bouffioux, tu coucheras là-haut, dans la soupente. Comme j’couche juste en dessous, tu feras attention de n’pas m’tomber dessus au milieu d’Ia noie, les souliers sur la gueule ; j’ai l’sommeil léger. Sulphart ne lâchait pas le nouveau, qu’il étourdissait de conseils inutiles, de recettes saugrenues, un peu par complaisance naturelle, un peu pour remercier du vin offert, mais surtout pour se faire valoir. Tous étaient joyeux, comme s’ils avaient déjà bu. Vairon, en corps de chemise, se mit à faire l’hercule forain, lançant le boniment d’une voix grasse et canaille qui sentait la barrière. Rangés autour, nous faisions la foule. Jaloux de son succès, Sulphart tira Lemoine par la manche. — Viens avec moi, on Va se marrer. — Pourquoi foutre que j’irais avec toi ? fit Lemoine, toujours prêt à contredire le rouquin avant de l’imiter. — Viens toujours. Tout en protestant, Lemoine le suivit dans l’escalier. »

Roland Dorgelès (15 juni 1885 – 18 maart 1973)
Cover


De Franse journalist en schrijver Olivier Guez werd geboren op 15 juni 1974 in Straatsburg, Zie ook alle tags voor Olivier Guez op dit blog.

Uit: La Disparition de Josef Mengele

« La quête de notoriété d’Eichmann exaspère Gregor, si prudent depuis son arrivée : il n’a révélé sa véritable identité et la nature de ses activités à Auschwitz qu’à ses rares intimes. À tous les autres, il donne une version très évasive de son parcours : médecin militaire, allemand, parti au Nouveau Monde changer de vie. À mesure qu’il le croise, Gregor méprise l’ancien commerçant inculte, le fils de comptable qui n’a pas achevé ses études secondaires et jamais connu l’épreuve du front. Eichmann est un pauvre type, un raté de première, même la laverie qu’il a ouverte à Olivos a déjà fermé, et c’est un homme de ressentiment qui jalouse sa jolie maison, sa vie de célibataire et sa nouvelle voiture, un superbe coupé allemand Borgward Isabella.
Eichmann n’en pense pas moins. Gregor ou Mengele, peu lui importe, est un fils à papa froussard : une sous-merde basanée
Gregor retire la photo du cadre et la brûle à une fenêtre, bientôt il ne reste du portrait qu’un petit amas de cendres. Une bourrasque les disperse dans l’air tiède de Buenos Aires. Irene exige le divorce afin d’épouser le marchand de chaussures de Fribourg. Gregor appelle Haase et Rudel, il lui faut un bon défenseur argentin qui entrera en contact avec son avocat à Günzburg. L’argent n’est pas un problème mais il veut multiplier les intermédiaires, les paravents, et il ne fera aucune fleur à son ex-femme. Le divorce est prononcé à Düsseldorf, le 25 mars 1954.
« Une excellente nouvelle, lui écrit sèchement Karl senior, enfin tu nous débarrasses de cette garce. Tu vas cesser de ruminer sa reconquête, à ton âge, c’est indécent. » Le divorce satisfait le patriarche Mengele qui a un plan machiavélique en tête. Un coup à trois bandes : sa chère entreprise, Josef, et une autre chipie qui le tracasse, Martha, veuve de Karl junior et héritière des parts de l’entreprise de son mari décédé. Depuis quelque temps, Martha est amoureuse : Karl senior craint qu’elle ne se marie avec l’étranger qui entrerait forcément au conseil d’administration. Il propose à Josef d’épouser sa belle-sœur afin que la société reste aux mains du clan Mengele, puis de céder toutes ses parts à Martha après leur mariage : si un mandat d’arrêt était finalement lancé contre lui, l’entreprise ne serait pas paralysée. Quoi qu’il arrive, Josef dicterait à Martha ses décisions au conseil d’administration. »

Olivier Guez (Straatsburg, 15 juni 1974)


Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse schrijfster Emma Cline werd geboren in 1989 in Sonoma in Californië. Zie ook alle tags voor Emma Cline op dit blog.

Uit: De meisjes (Vertaald door Tjadine Stheeman)

“Ze keken op van het felle keukenlicht als wasberen die betrapt worden in de vuilnisbak. Het meisje slaakte een gilletje. De lange slungelige jongen richtte zich op. Ze waren maar met z’n tweeën. Mijn hart bonkte in mijn keel, maar ze waren nog zo jong: kinderen uit de buurt, nam ik aan, die inbraken in vakantiehuizen. Mijn laatste uur had nog niet geslagen.
‘Wat de fuck?’ De jongen zette zijn bierflesje neer, het meisje bleef vlak bij hem. De jongen schatte ik een jaar of twintig. Hij had een bermuda aan, halflange witte sokken, roze acne onder een beginnend baardje. Het meisje was nog een ukkie. Vijftien, zestien, witte benen met een blauwige weerschijn.
Ik probeerde zo veel mogelijk gezag uit te stralen, terwijl ik de onderkant van mijn t-shirt tegen mijn bovenbenen drukte. Toen ik zei dat ik de politie zou bellen, snoof de jongen ongelovig.
‘Ga je gang.’ Hij trok het meisje naar zich toe. ‘Bel de politie maar. Weet je wat?’ Hij pakte zijn mobieltje. ‘Ik bel ze zelf wel.’
Van het ene moment op het andere zakte het scherm van angst in mijn borst.
‘Julian?’
Ik wilde in lachen uitbarsten – de laatste keer dat ik hem had gezien was hij dertien, mager en onvolgroeid. De enige zoon van Dan en Allison. Als een prinsje was hij van het ene celloconcours naar het andere gereden, geen afstand te groot. De leraar Mandarijn op donderdag, het zuurdesembrood en de kleverige vitaminepillen, ouderlijke dekking tegen mislukking. Het had allemaal niet mogen baten en hij was uiteindelijk terechtgekomen op een wat mindere universiteit, in Longbeach of Irvine. Daar was iets voorgevallen, herinnerde ik me. Hij was van de universiteit getrapt, of misschien was het iets minder ergs: het advies om eerst een jaar junior college te doen. Julian was destijds een verlegen, overgevoelige jongen, die als de dood was voor autoradio’s en onbekend eten. Nu had hij iets hards, de tatoeages die waarschijnlijk onder zijn shirt verder kropen. Hij wist niet meer wie ik was, en waarom zou hij ook? Ik was een vrouw die buiten zijn seksuele belangstelling viel.”

Emma Cline (Sonoma, 1989)


De Nederlandse dichteres en schrijfster Hannah van Wieringen werd geboren in 1982 in Haarlem. Zie ook alle tags voor Hannah van Wieringen op dit blog.

Sterfbed

ik wil heel graag van je winnen
met werkelijkheidsmemory

dus om je te vergeten denk ik veel aan je
zoals staren naar een blinde vlek

het werkt ik ontweet voortdurend van alles
draai ik het kaartje met solipsisme

ben ik de belg in de mop met de bananenschil
oh jee daar ga ik weer

ik drink ook veel ter ondersteuning
om het scherpe schedel te verzachten

dansen ja als ik mij lang genoeg omdraai
verjaag ik je als een soufi of zoals ouroubouros hapt

want in de ochtend als ik het slapen haal
matrassen draai dan lig je daar

in ’t volle licht dan lig je daar
fluister je – niet eens boosaardig:

en nog een jaar en nog een jaar

Hannah van Wieringen (Haarlem, 1982)


Zie voor nog meer schrijvers van de 15e juni ook mijn blog van 15 juni 2018 en ook mijn blog van 15 juni 2017 deel 1 en eveneens deel 2.