Ad Zuiderent, Linda Pastan

De Nederlandse dichter en criticus Ad Zuiderent werd geboren in ’s-Gravendeel op 28 mei 1944. Zie ook alle tags voor Ad Zuiderent op dit blog.

 

Gedicht in zand

Wie is de gelukkige? Die zonder
pennestreek of ademstoot zich afstaat
aan de luwe eenzaamheid, besloten
tot een eigen oase? Die zijn verhaal
als plakkerige handen afveegt aan
het stof om zich heen, in de woestijn
zichzelf aanboort; iemand die roept?
Of, onder het gehoor van samoem en
sirocco, jij in de duistere wind,
je huid droog, je adem al sneller, en
je vinger klaar om in wat je aanwaait
te schrijven dat je gewassen wilt worden.
Wie is dat? Wie is de gelukkige?

 

Water

Wolken hangen als een koets met zwartbepluimde paarden
boven de bergkam boven het dal van Skjåk
lekt de zon uit een haren vergiet

Groeit het oevergras, waar geen water is?
Stofwolken waarschuwen de tegenligger
voor een bocht in het pad door de pas
dalen zij gevolgd door een vuurkolom snachts

De violist voorop speelt met bonthulzen
om de vingers tegen de kou valt geen vuist
te maken geen muziek verbergt de stomme lippen

Is er een oever, waar geen water is?
Zacht regent gruis uit hun voetstappen
iedereen sluit zich aan de ogen
op een kier om de levensgeesten te luchten

De veerman van Skjåk neemt hen op
de schouders in de bestofte bedding zij blijven staan
tot ook de kluiten zijn neergedaald om hen heen
hangen de pluimen als uitgebluste wolken

 

Vuur

Onder het rookgat brandt al een vuur
voor de midzomernacht buiten de tent
zwerven gedachten van mannen als vlammen
over de stoffige toendra

Waar is de weg naar de plaats waar
het licht zich verdeelt in warmte en
dood door verstikking? Wie in de nacht
passeert kan uit de dwaallichten geen wijs
en rijdt maar noordwaarts

Als dode bomen groeien de rendieren
uit hun kracht zij bieden geen verzet
aan droogte of bedwelming met hun gewei
blijven zij hangen in de rode gloed

Wie in de nacht passeert ruikt meer
dan onraad offermalen aan de zon
as regent op de weg naar de plaats waar
het vuur zich verdeelt in tongen en rook

 

Ad Zuiderent (’s-Gravendeel, 28 mei 1944)

 

De Amerikaanse dichteres Linda Pastan werd geboren op 27 mei 1932 in New York. Zie ook alle tags voor Linda Pastan op dit blog.

 

Wachtend op mijn leven

Ik wachtte tot mijn leven zou beginnen,
jarenlang staande bij bushaltes
kijkend naar de verte in een bocht,
denkend dat elke bus de verkeerde bus was;
of verloren in boeken waar ik naartoe zou reizen
zonder bagage van de ene pagina
naar de andere; waar het enige briesje
het geritsel was van het omslaan van pagina’s,
en levens opkwamen en ten onder gingen
in de gewelddadige kleuren van zonnen.

Soms hoestte en hoestte mijn leven:
een stilstaande auto die werd ingehaald,
en ik zou iemand in mijn armen houden,
ook al was het altijd iemand anders die ik wilde.
Of ik stapte in een willekeurige bus, verdrongen
door dijen en ellebogen die wisten
waar ze heen gingen; verzamelde restjes
van gesprek, ze vastleggend als vogelgezang
in mijn notitieboekje, waar ik ooit heen zou gaan
op zoek naar mijn leven.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Linda Pastan (27 mei 1932 – 30 januari 2023) 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e mei ook mijn blog van 28 mei 2019 en ook mijn blog van 28 mei 2017 deel 2 en ook mijn blog van 28 mei 2016.

Linda Pastan

De Amerikaanse dichteres Linda Pastan werd geboren op 27 mei 1932 in New York. Zie ook alle tags voor Linda Pastan op dit blog.

 

ALL WE HAVE TO GO BY

As if I had dreamed the snow
into falling,
I wake to a world
blanked out
in its particulars,
nearly erased.

This is the silence
of absolute whiteness—the mute
birds nowhere
in sight, the car
and animal tracks
filled in,

all boundaries,
as in love,
ambiguous.
Sometimes all we have
to go by
is the weather:

a message
the snow writes
in invisible ink,
what the sky means
by its litmus colors.

Now my breath
on the chilly window
forms a cloud
which may turn
to rain later,
somewhere else.

 

The Answering Machine

I call and hear your voice
on the answering machine
weeks after your death,
a fledgling ghost still longing
for human messages.

Shall I leave one, telling
how the fabric of our lives
has been ripped before
but that this sudden tear will not
be mended soon or easily?

In your emptying house, others
roll up rugs, pack books,
drink coffee at your antique table,
and listen to messages left
on a machine haunted

by the timbre of your voice,
more palpable than photographs
or fingerprints. On this first day
of this first fall without you,
ashamed and resisting

but compelled, I dial again
the number I know by heart,
thankful in a diminished world
for the accidental mercy of machines,
then listen and hang up.

 

THE DOGWOODS

I remember, in the week
of the dogwoods, why sometimes
we give up everything
for beauty, lose our sense
and our senses, as we do now
for these blossoms, sprinkled
like salt through the dark woods.

And like the story of pheasants
with salt on their tails
to tame them,
look how we are made helpless
by a brief explosion
of petals
one week in April.

 

Ik ben met je getrouwd

Ik ben om allemaal verkeerde redenen met je getrouwd,
gecharmeerd door je gevaarlijke familiegeschiedenis,
door de onschuldige spieren, uitpuilend als verborgen
wapens onder je shirt, door je onnozele dassen,
de kleuren van geschilderde stukjes zonsondergang.
Ik was ook gecharmeerd van jouw aannames
over mij: mijn sereniteit – die spiegel die wacht om te
barsten, mijn flitsende acrobatiek met messen in de keuken.
Hoe mis we het allebei hadden over elkaar,
en hoe gelukkig we zijn geweest.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Linda Pastan (27 mei 1932 – 30 januari 2023)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e mei ook mijn blog van 27 mei 2023 en ook mijn blog van 27 mei 2020 en eveneens mijn blog van 27 mei 2019 en ook mijn blog van 27 mei 2018 deel 2.

Alan Hollinghurst, Maxwell Bodenheim

De Britse schrijver Alan Hollinghurst werd geboren op 26 mei 1954 in Stoud, Gloucestershire. Zie ook alle tags voor Alan Hollinghurst op dit blog.

Uit: Kind van een vreemde (Vertaald door Ton Heuvelmans en Edzard Krol)

“Ze had ruim een uur in de hangmat poëzie liggen lezen. Het was niet eenvoudig: ze dacht de hele tijd aan George, die terug zou komen met Cecil, en ze gleed steeds verder naar beneden, hoewel ze zich er half tegen verzette, totdat ze in een hoopje lag en het boek moeizaam boven haar hoofd moest houden. Het licht werd zwakker, en de woorden begonnen over de bladzijde te dansen. Ze wilde naar Cecil kijken, hem een poosje goed in zich opnemen voordat hij haar zag, aan haar werd voorgesteld en zou vragen wat ze las. Maar hij had waarschijnlijk zijn trein gemist of in ieder geval zijn aansluiting: ze zag hem in gedachten ijsberen over het lange perron van Harrow & Wealdstone en spijt krijgen dat hij was gekomen. Vijf minuten later, toen de ondergaande zon de lucht roze kleurde boven de rotstuin, begon het erop te lijken dat er iets ergers was gebeurd. Plotseling stelde ze zich voor, serieus en tegelijk opgewonden, dat er een telegram werd bezorgd, en hoe het nieuws werd doorverteld, zag ze voor zich hoe ze tamelijk hysterisch huilde, en hoe ze vele jaren later aan iemand de situatie zou beschrijven, nog steeds zonder precies te weten wat het slechte nieuws was geweest. In de zitkamer werden de lampen ontstoken en door het open raam hoorde ze haar moeder praten met mevrouw Kalbeck, die op de thee was gekomen en die de gewoonte had te blijven plakken omdat ze thuis niemand had. De lichtgloed op het pad maakte de tuin plotseling eenzamer. Daphne liet zich uit de hangmat glijden, deed haar schoenen aan en vergat haar boeken. Ze liep naar het huis, maar er was iets aan het tijdstip wat haar weerhield, een glimp van geheimzinnigheid die haar tot dusver was ontgaan: ze werd erdoor aangetrokken, over het gazon, voorbij de rotstuin, waar de vijver, die het silhouet van de bomen weerspiegelde, zo diep was geworden als de witte lucht. Het was het langgerekte, stille moment waarop de hagen en border vaag en schemerig werden, maar alles wat ze aandachtig bekeek —een roos, een begonia, een glanzend laurierblad — leek zichzelf met een onzichtbare, kleurige trilling terug te geven aan de dag. Ze hoorde een zacht, vertrouwd geluid, het bonken van het kapotte hek tegen de paal achter in de tuin; en dan een onbekende, wat nerveuze stem, gevolgd door het lachen van George. Hij was met Cecil blijkbaar langs de andere kant gekomen, door de priorij en de bossen. Daphne rende de smalle, half verborgen trap in de rotstuin op, en van boven af kon ze hen net ontwaren in het struikgewas beneden. Ze hoorde niet echt wat ze zeiden, maar ze reageerde verontrust op de stem van Cecil, die zo snel en beslissend zeggenschap leek te nemen over hun tuin en hun huis en over het hele komende weekend. Het was een ietwat opgewonden stem die het kennelijk niets uitmaakte door wie hij werd gehoord, maar er klonk ook iets spottends en superieurs in door. Ze keek naar het huis achter haar, de donkere massa van dak en schoorstenen die afstaken tegen de lucht, de verlichte ramen onder de lage dakranden, en ze dacht aan maandag en aan het leven dat ze maar al te graag weer zouden oppakken nadat Cecil was vertrokken.”

 

Alan Hollinghurst (Stoud, 26 mei 1954)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Maxwell Bodenheim werd geboren op 26 mei 1892 in Hermanville, Mississippi. Zie ook alle tags voor Maxwell Bodenheim op dit blog.

 

Achterveranda’s van een Flatgebouw

Een hemel die nooit zon, maan of sterren heeft gekend,
Een lucht die lijkt op een dood, vriendelijk gezicht
Zou de kleur van jouw ogen hebben,
O dienstmeisje, dat zingt van perenbomen in de zon
En het gele fruit schilt dat je ooit hebt geplukt
Toen je lavendelwitte ogen nog leefden.
Op de veranda erboven zitten twee vrouwen
Met gezichten in de kleur van droge bruine aarde;
Ze breien grijze rozetten en knabbelen op koekjes.
En op de veranda boven hen staan drie kinderen
Die somber elkaars voorhoofd kussen,
En een grote verpleegster met een enorme rode waaier. . . .
De dood van de middag is voor hen
Niet meer dan het langer worden van blauwzwarte schaduwen op bakstenen muren.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Maxwell Bodenheim (26 mei 1892 – 6 februari 1954)
Portret door Michael Sweeney, z.j.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e mei ook mijn blog van 26 mei 2020 en eveneens mijn blog van 26 mei 2019 en ook  mijn blog van 26 mei 2018.

Jan Baeke, Jane Kenyon

De Nederlands dichter Jan Baeke werd geboren in Roosendaal op 23 mei 1956. Zie ook alle tags voor Jan Baeke op dit blog.

 

Ik heb het raam dichtgedaan

Ik heb het raam dichtgedaan om de zomer niet te horen
maar de zon brandt door de muren
en de vliegen draaien hun motoren klem in de gordijnen.

Een hond en een kind kunnen blij en slapen
tot het gisteren wordt.
Auto’s die nog stilstaan. Adem, zonder te bewegen.
Het glas in mijn hand bevat schommelend water.

Maar de zomer is een luid blaffende hond.
De zomer is een optocht van geluiden
en de vliegen raken niet op.
Het raam heeft geen enkele functie.

 

Vuur en het hart

Het hart is in de bergen.
We hadden niet moeten gaan.

We waren slaperig geworden, ondanks de kou
en zichtbaar
maar wat je ziet is niets vergeleken
met de verstikkende rook van het vuur
dat uit de schuren naar buiten slaat
met de uitlopers van het hart, slingerend door het dal
wegen versperrend, zich vertakkend in alle woorden
die wij met elkaar wisselen.

Dicht bij het vuur
vertakken zich ook onze woorden
dringen binnen in de slaap van de zwaarste
buigen zich over de oudste
kruipen als nachtvlinders over het gras
dwalen door de nacht, met het hart op de lippen
en vallen uitgeput neer in de uitgebrande bankstellen
aan de voet van de berg.

 

Voltige

Het touw brak. De hemel verliet mij
en wierp zich – of was ik het? –
tussen de leeuwen en de duiven
die niet stopten
die doorgingen alles te verwoesten
zoals de trapezewerkers hun zachte vlees.

Boven alles uit
klonk de juiste muziek
Het is die muziek
zeggen de heiligen van de trapeze
die wij opvouwen en meenemen
tussen balen stro geklemd
en verdeeld over diverse wonden.

 

Jan Baeke (Roosendaal, 23 mei 1956)

 

De Amerikaanse dichteres en vertaalster Jane Kenyon werd geboren op 23 mei 1947 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook alle tags voor Jane Kenyon op dit blog.

 

De blauwe waterbak

Als primitieven hebben we de kat begraven
met haar waterbak. Met blote handen
schraapten we zand en grind
terug in het gat.
Het viel met een sissend geluid
en een klap op haar zij,
op haar lange rode vacht, de witte veren
tussen haar tenen en haar
lange, om niet te zeggen haar adelaarsneus.

We stonden op en veegden elkaar schoon.
Er zijn smarten die scherper zijn dan deze.

De rest van de dag werkten we in stilte,
aten, staarden en sliepen. Het stormde
de hele nacht; nu klaart het op, en een roodborstje
mummelt vanaf een druipende struik
zoals de buurman die het goed bedoelt
maar altijd het verkeerde zegt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jane Kenyon (23 mei 1947 – 22 april 1995)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e mei ook mijn blog van 23 mei 2020 en eveneens mijn blog van 23 mei 2019.

Erik Spinoy, Jane Kenyon, Neige Sinno

De Vlaamse dichter en schrijver Erik Spinoy werd geboren op 22 mei 1960 in Sint-Niklaas. Zie ook alle tags voor Erik Spinoy op dit blog.

 

Schloss Schönbrunn

III. In medias res

Noem dat dan verblinding, die

Blik die niets aan toeval overlaat,
Die struiken leest, de optelsom van
Bomen maakt. Noem het een denkbeeld,
En bedrog – het wordt door namen

Niet geraakt. Het was alsof je
Vleugels kreeg en, op de vleugelslag
Van geest en ogen, wildernissen oversteeg.
Tenslotte zag je nog slechts tuinen,

Slechts bedoeling, en waartoe. De
Vraag naar hoe bleek opgeheven. Want wat
Daar ging, het was de zon – maar waar
Ze ging, bewoog ze slechts voor mij. En ook,

Niet ik was het die verderliep. Gazons, het kiezelpad,
Zij trokken aan mijn oog voorbij.

 

IV. A rebours

Een panorama als een droom – het bracht

Je terug tot wie je altijd was geweest, en
Naar een tijd die, zonder voorbehoud, al zijn
Gedachten, beelden en beweging nog niet in
Zichzelf, maar in de hele wereld vond. Ze waren

Als vanzelf ontstaan, van geen bepaalde
Plaats vandaan en toch, ze waaiden door het
Blikveld zoals door de herfst gebladerte en
Kranten – net zo onafscheidelijk.

Het woord was nog slechts vlees geweest, de zon
Aldus genoemd omdat zij warmte geeft en
Licht, en enkel voor jezelf zijn door
Je vader opgelegde herendienst verricht.

Een roos was een roos was een roos. De taal
Een etymologie.

 

V. Pathétique

De loden jassen van het zwijgen

Dichtgeknoopt. De handdruk van
De takken, het welzijn van de
Steen, de ijslaag op de ogen van
De vijvers niet meer aangeraakt. En

Vooral dit: de blokken van de bouwdoos
Het verlangen opgeborgen. Je werd een
Middelpunt van onbeweeglijkheid. Een
Engel die de mantel van zijn blikken

Over alles had gespreid. En tenslotte zou je
Marmer zijn, en marmer kijken. En wat je
Zag, het zouden louter spiegels blijken
Van een eeuwig beeld -. Van enkel op de

Trappen staan. Van enkel blank en gaaf en
Geen verwering.

 

Erik Spinoy (Sint-Niklaas, 22 mei 1960)

 

De Amerikaanse dichteres en vertaalster Jane Kenyon werd geboren op 23 mei 1947 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook alle tags voor Jane Kenyon op dit blog.

 

Geluk

Er is gewoon geen verklaring voor geluk,
of de manier waarop het opduikt als een verloren zoon
die terugkeert naar het stof aan je voeten
nadat hij ver weg een fortuin had verkwist.

En hoe kun je niet vergeven?
Je maakt een feest ter ere van wat
verloren was gegaan, en neem het beste kledingstuk
van zijn plaats dat je voor een gelegenheid hebt bewaard
die je je niet kon voorstellen, en je huilt dag en nacht
omdat je weet dat je niet in de steek werd gelaten,
dat geluk zijn meest extreme vorm bewaarde
voor jou alleen.

Nee, geluk is de oom die je nooit hebt
gekend, die een eenmotorig vliegtuig
de met gras begroeide landingsbaan opstuurt,
de stad in lift, en bij elke deur gaat vragen
totdat hij je halverwege de middag slapend aantreft,
zoals je zo vaak doet tijdens de onbarmhartige
uren van je wanhoop.

Het komt naar de monnik in zijn cel.
Het komt naar de vrouw die de straat veegt
met een berkenbezem, naar het kind
wiens moeder bewusteloos is door de drank.
Het komt naar de minnaar, naar de hond die op
een sok kauwt, naar de dealer, naar de mandenmaker,
en naar de bediende die blikjes wortelen opstapelt
in de nacht.
Het komt zelfs tot aan de rots
in de eeuwige schaduw van dennenbomen,
naar de regen die op open zee valt,
naar het wijnglas, moe van het torsen van de wijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jane Kenyon (23 mei 1947 – 22 april 1995)

 

De Franse schrijfster Neige Sinno werd geboren op 22 mei 1977 in Vars in de Hautes-Alpes. Zie ook alle tags voor Neige Sinno op dit blog.

Uit: Triste Tigre

“La mère, je crois, était secrétaire du truc de cheminées, un peu femme au foyer, un peu dans l’ombre du père. Rien de spécial, ni riches ni pauvres, des Parisiens de la petite classe moyenne. Aucun des fils n’a fait d’études, ils sont partis de la maison avant d’avoir passé le bac. L’aîné pour travailler dans le commerce, le deuxième dans l’armée et mon beau-père pour faire son service militaire dans les Alpes. Il ne retourna jamais à Paris. Les parents étaient plutôt sévères, et avaient élevé leurs enfants à l’ancienne, avec justice et discipline. Il était fier de cette éducation un peu à la dure, ainsi que de son passage chez les scouts, comme de tout ce qui avait trait à la formation qu’il avait reçue. Tout avait contribué à faire grandir sa force et son envie de vivre, de connaître, de conquérir.
J’ai du mal à l’imaginer dans la banlieue parisienne. Je l’ai toujours vu dans la montagne, en vêtements de sport, en habits de chantier. Il a pourtant été un jour vêtu comme un petit citadin qui va à l’école religieuse, la chemise repassée, les chaussures cirées, les cheveux plaqués, jusqu’à ses dix-huit ans. Après, il est parti à Briançon où il a découvert l’escalade, la haute montagne, le parapente, une vie plus libre, plus sauvage, sans chemises, sans plus jamais attendre le métro ni se faire la raie sur le côté, sans messe le dimanche, une vie de grand air et de lumière.
En 1983, quand il rencontre ma mère, il a vingt-quatre ans. Ils sont ensemble dans une formation pour accompagnateurs en moyenne montagne. Il est grand, sportif, sympathique. Dans le groupe, il aime bien prendre les situations en main, diriger les opérations quand une urgence se présente, quand on affronte un moment difficile, une paroi dangereuse, si un accident a lieu. Il est charismatique, il a beaucoup d’amis, il plaît aux filles.”

 

Neige Sinno (Vars, 22 mei 1977)

 

Zie voor meer schrijvers van de 22e mei ook mijn blog van 22 mei 2020 en eveneens mijn blog van 22 mei 2018.

W.G. Sebald, Markus Breidenich

De Duitse schrijver W.G. Sebald werd geboren in Wertach (Allgäu) op 18 mei 1944. Zie ook alle tags voor W. G. Sebald op dit blog.

Uit: Nach der Natur. Ein Elementargedicht

Ihm, seinem erwählten Protektor,
der inmitten des Lebens seinen Tod
mit sich führt, gibt Grünewald das Ansehen
Riemenschneiders, dem der Würzburger Bischof
zwanzig Jahre darauf auf der Folter
die Hände zerbrechen ließ. Lang vor der Zeit
geht der Schmerz bereits ein in die Bilder.
Das ist die Vorschrift, weiß der Maler,
der sich einreiht auf dem Altar
in die viel zu geringe Genossenschaft
der vierzehn Nothelfer. Sie alle, die heiligen
Blasius, Achaz und Eustach; Pantaleon,
Aegidius, Cyriax, Christophorus und
Erasmus und der wirklich wunder-
schöne heilige Veit mit dem Hahn,
schauen ein jeder in eine andere
Richtung, ohne daß wir verstünden,
warum. Die drei Nothelferinnen
Barbara, Katharina und Margarethe hingegen
stecken am Rand der linken Tafel
hinter dem Rücken des Georg ihre
gleichförmigen orientalischen Köpfe
zu einer Verschwörung gegen die Männer
zusammen. Auch das Unglück der Heiligen
ist ihr Geschlecht, ist die furchtbare
Separation der Geschlechter, die Grünewald
am eigenen Leib erfuhr. Der ausgetriebene
Teufel, den Cyriax, nicht bloß aufgrund
der Enge des Raumes, sondern
wie ein Emblem hoch in die Luft
erhoben hält, ist ein weibliches
Wesen und stammt, wie eine Grisaille
Grünewalds im Frankfurter Städel aufs drastischste
vorführt, aus der epileptischen Tochter
Diokletians, der verzwängten Prinzessin
Artemia, die Cyriax, neben dem sie kniet
an der Erde, mit dem Manipel seines Ornats
wie einen Hund kurz gebunden hält.

 

W.G. Sebald (18 mei 1944 – 14 december 2001)

 

De Duitse dichter en schrijver Markus Breidenich werd geboren in Düren op 18 mei 1972. Zie ook alle tags voor Markus Breidenich op dit blog.

 

Het lezen van de brieven

Ik zelf hou rekeningen in mijn handen
(wat ik heb uitgegeven, dat heb ik
uitgegeven). Mijn witte duiven
stop ik geld in de snavel en
vraag hen om te blijven zwijgen
over mij. Tijdens de vlucht
zet ik mijn mobieltje uit en beweeg me
nauwelijks. De dieren landen laat
in de middag als de zon achter
de bomen verdwijnt. De meesten
leggen het geld onder de deurmat van de
toegangsdeur en zijn ’s avonds terug.
Sommigen van hen dragen takken in hun
snavels. De tekenen wijzen op land.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Markus Breidenich (Düren, 18 mei 1972)
In 2011

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e mei ook mijn blog van 18 mei 2022 en ook mijn blog van 18 mei 2020 en eveneens mijn blog van 18 mei 2019 en ook mijn blog van 18 mei 2018 en eveneens mijn blog van 18 mei 2014 deel 2.

Lars Gustafsson, Markus Breidenich

De Zweedse dichter en schrijver Lars Gustafsson werd geboren in Västeras, op 17 mei 1936. Zie ook alle tags voor Lars Gustafsson op dit blog.

 

De bruggen in Königsberg

In de stad Königsberg in Pruisen
ligt een eiland dat Kneiphof heet,
omgeven door twee armen van de Pregel.
Zeven bruggen voeren over die twee armen.

Zeven bruggen. En ieder slechts één keer.
Het water is nu bijna overal te horen.
Het is blind water, zwart water,
nachtelijk water. Drie soorten water.

Kerken en torens en schuine groene daken.
Hier is een trap. Hier is een huis.
Hier is de hond die blaft op het erf.
Hij is zwart, pikzwart. Hij blaft.

Jaren. Jaren en dagen. Zo gelijk aan elkaar als…
Horen jullie mij? Ik zit opgesloten.
En men hoort het niet. Als Maagdeburger halve bollen.
Zo verschillend van elkaar als: Appels.

Vanuit een frisse oktobermaand; hondegeblaf
stemmen en maar één brug tegelijk,
nooit twee keer over dezelfde brug.
Sommige kinderen stappen altijd op iedere derde steen,

alleen op de derde. De afgrond lokt.
De derde deur die altijd piept.
Jaren. Jaren en dagen. Horen jullie mij? Oktober,
en nog steeds geen vorst in de lucht.

Om achtereenvolgens over zeven bruggen te lopen
en over iedere brug slechts één keer,
is, zo zegt de mathematicus Euler,
in feite een achtste brug nodig. Die is er niet.
Dat verdomde ijs, dat maar niet wil bevriezen!

 

Over alles wat nog zweeft

Mijn graf valt nog nergens te bekennen.
En dus zweef ook ik:
rust ook ik, onwetend van mijzelf,
in een luchtzee.
Zwevend met de zwevenden,
levend met de levenden,
rustend met de rustenden,
en, wellicht ook, zonder het te weten,
dood met de doden.
Hiervoor bestaat geen woord:
het is een manier van zweven.
“In de luchtzee”zoals ballonvaarders van weleer,
en die luchtzee ben je zelf.

Een keer, in Texas, zes uur ’s morgens,
zwemmend in het kristalheldere water
van een heel diep zwembad
eigenlijk bestemd voor duikers,
werd het zwemmen voor mij plotseling zweven.
Door de venstertjes van mijn duikbril neerkijkend
op de zwarte en witte tegels van de schone bodem,
vanuit precies zo’n hoogte die men in een vrije val
niet overleeft, kon ik een ogenblik bevroeden:
steeds verder te vallen, al vallend
toch te zweven, door iets onzichtbaars gedragen.
Glimlachend doorzien wij de klassieke schilders
en hun kinderlijke toverkunst
om een paar vogels veraf in het beeld te plaatsen,
heel klein, zwevend als bewusteloze tekens
tussen aarde en lucht, tussen licht en donker,
tussen water en land, kortweg:
iets dat zich tussen de verschillen bevindt,
schemerachtige dingen, die de diepte verschaffen
die het centrale perspectief alleen ons niet biedt.
Zo zweeft al wat dodelijk is in het binnenste
van zijn eigen beeld, ergens in de schemering,
en voor dit zweven bestaat geen naam

Zo zweven ook tekens boven witte vellen papier,
de sleuven boven de sneeuw, het goede boven de slechte tijd.
Zo zweeft alles. Het staat, zoals de engelen staan,
in ongekende beweging.
En voor de gang van de wereld bestaat geen naam.

 

Vertaald door J. Bernlef

 

Lars Gustafsson (17 mei 1936 – 3 april 2016)

 

De Duitse dichter en schrijver Markus Breidenich werd geboren in Düren op 18 mei 1972. Zie ook alle tags voor Markus Breidenich op dit blog.

 

Second Life

Hier waren de sproeten op
je gezicht slechts online pixels.

De handen een zee van
duizend kruisende lijnen.

Toekomst was een muisklik en één
van vele glazen bollen.

Griekse schoonheidsprofielen.
Je schreef dat je in die wereld

één kat en meerdere levens had. Een
zou alleen mij toebehoren. En jij zei

dat dit een spel met alles is. Een
meermaals geback-upt geluk opgeslagen

te zijn. Alleen soms spring je
uit alle wolken naar Off. Eenmaal

was het als delen van mij
in een lucht met hoge resolutie. Ik viel op

glazen hooi. Simuleerde de pijn
van de naalden in mijn hersenen. Dan

weer ving ik je op en las
in de ogen van knipperende cursors: L0ve.

De laatste keer sprong je alleen. Je

had het scherm van het lichaam gescheiden.
Het regende draden uit de lucht. In

real time. Op mijn scherm. Laatste
tekenen van jou. Op het scherm geschreven:

En blijf jij mijn kunsthart? Mijn
bedrieglijk echte omarming. Een vredig

berekende mond. Thuis in de kamer.
Blijf jij mijn aan? Mijn uit. Op de

terugweg van de computer naar bed
draadloos verbonden?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Markus Breidenich (Düren, 18 mei 1972)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e mei ook mijn blog van 17 mei 2021 en eveneens mijn blog van 17 mei 2018 en ook mijn blog van 17 mei 2015 deel 2.

Judith Hermann, Michael Lentz

De Duitse schrijfster Judith Hermann werd geboren op 15 mei 1970 in Berlijn-Tempelhof. Zie ook alle tags voor Judith Hermann op dit blog.

Uit: Wir hätten uns alles gesagt

Am Stundenende der Ablauf rückwärts – ich war aufgestanden, hatte meine Jacke wieder angezogen, dabei verlegen aus dem Fenster gesehen, er war vor mir her durch den Flur gegangen, hatte mir die Tür aufgemacht, wir hatten uns die Hand gegeben, er hatte die Tür hinter mir geschlossen; es war ein Wunder, dass ich mir sein Gesicht, seine Gestalt und Erscheinung überhaupt halbwegs eingeprägt hatte. Im Spätkauf war ich schneller als er – ich erkannte ihn zuerst, oder: Ich begriff zuerst, und ich war wach genug, um die Situation bemerkenswert zu finden und nicht zu erkennen zu geben, dass ich sie bemerkenswert fand. Ich begrüßte Dr. Dreehüs höflich und überrascht und stellte ihn und G. einander vor, was amüsant war, weil beide voneinander wussten; G. war in den Erzählungen der Analysestunden aufgetaucht und hatte sich seinerseits einiges über die Analysestunden anhören müssen. Das ist G. Das ist also G. G., das ist nun kurz vor Feierabend und zu guter Letzt tatsächlich Dr. Dreehüs, mein Analytiker.
Mein alter Analytiker. Wir verbeugten uns alle drei ansatzweise voreinander, ich habe in meiner Erinnerung an diesen Moment bedauerlicherweise den arabischen Besitzer aus den Augen verloren, seinen Blick auf uns, auf Dr. Dreehüs, der ein Stammkunde zu sein schien und sich bisher vielleicht nicht als Analytiker zu erkennen gegeben hatte, und wie auch immer: Ich nutzte die eigenartige Gelegenheit und bat Dr. Dreehüs um zwei Zigaretten. Wir traten vor den Späti. Wechselten ein paar Sätze, wie geht’s, gut, danke, und wie geht es Ihnen, während er elegant die Zigaretten aus dem Softpack klopfte, sie uns anbot und freundlicherweise kein Wort darüber verlor, dass ich mir das Rauchen in den Analysejahren doch eigentlich abgewöhnt hatte. Er gab sich überhaupt ungezwungen, wohingegen ich nun doch Mühe hatte, eine Fassung zu wahren. Ich wollte mir alles auf einmal einprägen, Gesten und Ausdruck, seinen etwas extravaganten Anzug, die Art, uns Feuer zu geben, zu lächeln und lässig auf Abstand zu bleiben; ich hatte angenommen, Dr. Dreehüs gäbe es nicht. Er sei eine Art spezieller Motte, die sich für die Weile einer Analysestunde zu einer Person materialisieren und nach dem Ende der Stunde zu Staub zerfallen würde, um sich zwei Tage später wieder zu erneuern. Ich hatte mir über das Leben von Dr. Dreehüs außerhalb seiner Praxis selbstverständlich schwer den Kopf zerbrochen und war zu dem Schluss gekommen, er habe keines, was unter anderem damit zu tun hatte, dass er mir als astreiner Analytiker außer seiner Anwesenheit, seinen etwas geckenhaften Hemden, gebügelten Hosen, der Inneneinrichtung seines Praxiszimmers und ab und an einem wie zufällig auf dem Tisch liegenden Buches niemals auch nur das kleinste Detail aus seinem Dasein verraten hatte.”

 

Judith Hermann (Berlijn-Tempelhof, 15 mei 1970)

 

De Duitse dichter, schrijver, literatuurwetenschapper en musicus Michael Lentz werd geboren in Düren op 15 mei 1964. Zie ook alle tags voor Michael Lentz op dit blog.

 

ik tril en merk
ik ben verliefd
dat gaat voorbij als honger
die niet gestild wordt
die men overslaat op weg naar het heilig voedsel
een schreeuwende boom in het zomermoede veld
bladerloos zonder grondcontact
en toch zo ontzettend mooi
de verheven kroon leidt af van
wat werkelijk is
op het gras sloeg de bliksem in
de stam staat gespleten
nu weet ik niet waar naartoe

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Lentz (Düren, 15 mei 1964)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e mei ook  mijn blog van 15 mei 2022 en ook mijn blog van 15 mei 2021 en eveneens  mijn blog van 15 mei 2019 en ook mijn blog van 15 mei 2018 en ook mijn blog van 15 mei 2017 en ook mijn blog van 15 mei 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Jo Gisekin, Kathleen Jamie

De Vlaamse dichteres Jo Gisekin werd geboren in Gent op 14 mei 1942. Zie ook alle tags voor Jo Gisekin op dit blog.

 

Droom

Ik droomde
dat ik de tel kwijt was
struikelde over
zonderlinge naaktheid
over het vel van de steen
waarop ik het hoofd
moest leggen

het hield niet op
met grasmusgroen te schieten
tussen rose tegels
handen deinden uit
in zomerlange dagen
mijn dagelijks gezicht
lag vastgespijkerd
op een winderige zon

ik droomde
dat om middernacht mijn lichaam
leeggezogen werd
gewetenloos verkaveld tot perceeltjes
van kleine duimpjes groot

mijn hart bleef steken
in de droom

het duurde lichtjaren ver
vooraleer zijn breekbare inhoud
over de paarse boomgaard
werd uitgestrooid

 

Mijn zomers…

Mijn zomers zijn nog lang
niet uitgedoofd
hoe herfstig ook de lijsterbes
de asters en het vlammensnoer
van dahlia’s

de bramen zijn doorregend
en proeven paars
als drukinkt op papier

de wind cadanst
en breekt de spiegels
in de plassen
ben ik met duisternis omhangen?

September brandt zijn laatste
resten op als minnaars die
mekaar meedogenloos verteren

en toch
de winter zal de nieuwe verzen
schrijven met letters uit mijn
leven en hangen aan de roeste
takken van een
feestelijke boom

de najaarssappen opgevangen
in bronzen roemers
zij klinken op dit leven:

de horizon klaart op.

 

Jo Gisekin (Gent, 14 mei 1942)

 

De Schotse dichteres Kathleen Jamie werd geboren op 13 mei 1962 in Currie, Edinburgh. Zie ook alle tags voor Kathleen Jamie op dit blog.

 

Bloesem

Er is dit leven en geen hiernamaals –
daar ben ik zeker van
maar ik aarzel nog steeds en wacht
tot mijn talmende ziel
bij de aanraking van de wereld opspringt.

Door hoeveel mei schemeringen
heb ik heengeslapen,
de bomen dapper vol bloesem?
Laat me ze nummeren. . .

Ik zal op de weegschaal gelegd
en te licht bevonden worden.
Ik reken op minder
dan een appelpit.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Kathleen Jamie (Currie, 13 mei 1962)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e mei ook mijn blog van 14 mei 2019 en ook mijn blog van 14 mei 2018 en eveneens mijn blog van 14 mei 2017 deel 2.

Sander Kollaard, Kathleen Jamie

De Nederlandse schrijver Sander Kollaard werd geboren op 13 mei 1961 in Amstelveen. Zie ook alle tags voor Sander Kollaard op dit blog.

Uit: Stadium IV

“Op weg naar eiland vloog Nils Holgersson in de nek van Maarten de gans achter Akka aan over een zee als een spiegel zo glad. Het bracht hem in de war. Hemel en aarde vervloeiden. Hij wist niet meer wat boven en onder was en dacht dat ze de hemel in vlogen. De buiken die hij onder zich zag, herkende hij niet als de weerspiegeling van de vogellijven in het blauwe water van de Oostzee: hij dacht dat de vogels op hun rug vlogen. En toen ze ()land naderden en in de mist verdwenen die van het eiland opsteeg, witte wandwolken, raakten ook de ganzen de kluts kwijt, totdat Akka het doffe geluid opving van het mistkanon dat op de zuidelijke punt van het eiland werd afgeschoten, en weer precies wist waar ze waren. Toen Sarie in de koudste weken van de winter van 1968 de kaart van eiland openvouwde, zag ze een langgerekte scherf, afgebroken van de Zweedse oostkust. Ze vermoedde een geschiedenis van schollentektoniek, een verhaal over de plooien en rimpels die de trekkende ingewanden van de planeet in haar huid achterlaat, maar herinnerde zich ook hoe Selma La-gerijd& een oude herder liet vertellen dat eiland is ontstaan uit het vergane lijf van een reusachtige vlinder. Turend naar de kaart zag ze inderdaad dat vlinderlijf, rank en elegant, maar ook machteloos en verminkt zonder de vleugels. Ze vond het een aantrekkelijk beeld omdat het herinnerde aan die wondermooie metamorfosen, het eitje, dc rups, de pop, en dan de vlinder — het leven op zijn allerlichtst de onwaarschijnlijke kleuren en patronen, dat aandoenlijke gedwarrel, de levensduur van maar enkele dagen of weken. (Mand: een in zee ver- zonken, door afzetting van kalk gemummificeerd vlinderlijf, dat van lieverlee begroeid raakte, bevolkt, bebouwd.
Nils en de ganzen kwamen terecht op de zuidelijke punt van het eiland, Seidra Udde, de plek waar het mistkanon werd afgeschoten. Na een paar dagen vervolgden ze hun reis, gevoed en uitgerust, naar het noorden, over de lengte van het eiland. Sarie volgde de reis van de vogels met haar vinger op de kaart. Zo’n beetje op een derde van het eiland zag ze aan de oostkust het haventje van Bliisinge liggen. Selma Lagerkif schrijft er niets over maar Saries vinger bleef er dralen omdat het haventje de komende zomer haar bestemming was. Ze haalde de kaart naar zich toe en keek goed. De plattegrond van het haventje deed haar denken aan een merkwaardige, hoekige hap uit de kust. Het leek een eenzame plek, ongemakkelijk op de grens van een oud cultuurlandschap en een nog veel oudere zee, wringend met beide. Het schermde zich van de zee af met een naïef dammetje, min of meer dwars op de dubbele havenmond. Het landschap — velden, akkers, een paar stroken bos — keerde het met volmaakte onverschilligheid de rug toe. Zo lag het daar in een vreemd isolement, een geografisch fremdkörper alsof een kwaadaardige vis een beet uit het vlinderlijf had genomen — een beet die vervolgens was volgestroomd met water zodat een dubbele inham was ontstaan, in het gareel gebracht met kades, de kades bebouwd met schuurtjes en loodsen en rekken waar de vissers hun netten ophingen.”

 

Sander Kollaard (Amstelveen, 13 mei 1961)

 

De Schotse dichteres Kathleen Jamie werd geboren op 13 mei 1962 in Currie, Edinburgh. Zie ook alle tags voor Kathleen Jamie op dit blog.

 

Moerasspirea

Dus begroeven ze haar en keerden terug naar huis,
een saaie psalm
om hen heen hangend als zeemist,

niet wetend dat de vloeistof
die van haar lippen druppelde
zijn weg naar beneden zou zoeken,

en dat wat plakte in haar langzaam
uiteenvallende vlecht van grijs haar
zomerzaadjes waren:

moerasspirea, bijenblad,
tekenen van eerlijkheid, die al
begonnen naar het licht

te kruipen , en haar zo toonden,
toen de tijd daar was,
hoe ze zichzelf kon uitgraven –

naar boven komen en hen begroeten,
de mond jong en weer vol
van vuil, spuug en poëzie.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Kathleen Jamie (Currie, 13 mei 1962)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13 mei ook mijn blog van 13 mei 2023 en ook mijn blog van 13 mei 2022 en ook mijn blog van 13 mei 2020 en eveneens mijn blog van 13 mei 2019 en ook mijn blog van 13 mei 2018 deel 1 en eveneens deel 2.