Lévi Weemoedt, August Graf von Platen

De Nederlandse dichter en schrijver Lévi Weemoedt werd geboren in Geldrop op 22 oktober 1948. Zie ook alle tags voor Lévi Weemoedt op dit blog.

 

Kraantje Lek

‘k Was dertien als de eerste grijze haren
door ’t korte kuifje braken: moeder in paniek!
Wat was er in haar broekeman gevaren!
‘Wat heb je dan gegeten? Ben je ziek?’

Ach moedertje! met vijf was ik volwassen.
Zat op mijn tiende volop in de overgang.
‘k Had vrouw en kind verloren; wist allang
niet meer waarop ik nog moest vlassen.

En slechts om ú en vaatje niet te schokken
bleef ik het ventje dat zo vrolijk in zijn blokken-
doos en spoortrein op kon gaan.

Maar ik proefde al de pit van het bestaan!
En daarom rolde er achter moeders rokken
uit ’t pijpje van mijn broek een stille traan.

 

Antiloop

Als het startschot viel bij de aanvang van mijn leven,
kwam ik aarzelend en neerslachtig uit de blokken,
want ik wist dat er geen goud viel te vergeven
en ik hoopte dat de meet maar snel zou lokken.

Klonk er hier en daar gejuich van de tribune:
het verstomde waar ik wenend langs kwam sjokken.
En op ?t smeken om wat gunst van Vrouw Fortuna
sloeg een regen neer van kussentjes en sokken.

Ach! Door wie moest ik mij niet laten passeren,
spottend nagewuifd door kunstbenen, kar of kruk,
die mijn eigen loopstijl niet konden waarderen.

Door het hele veld van sintelbaan verstoten,
is het tijd dat ik mijn chronometer druk?
en dàn ?t pistool waarmee ?k voorgoed word weggeschoten!

 

VLAARDINGS ROEM

Geen haringbuis, geen kotter en geen botter,
geen logger en geen stoomfiets, ach! geen fluit
zag ik vanavond op de stroom.

‘k Zat aan de Doodsrivier. Slechts een condoom
dreef goedgemutst het zeegat uit.

 

Lévi Weemoedt (Geldrop, 22 oktober 1948)

 

De Duitse dichter Karl August Georg Maximilian Graf von Platen–Hallermünde werd geboren op 24 oktober 1796 in Ansbach. Zie ook alle tags voor August Graf von Platen op dit blog.

 

Ode

Warm en licht schemert in Rome de winternacht.
Kom jongen, wij er door; kom, arm in arm,
druk vleiend je gebruinde wang
tegen mijn blonde kop.

Je bent een straatjongen, maar wat je zegt
is mij veel liever dan verwaand gezwets.
Het lispelen van je romeinse lippen,
zangerig toverwoord.

Maar alsjeblieft, fluister geen woord van dank!
Hoe kon ik, zonder verkocht te zijn
je wimpers nat zien worden?
Dan: de pracht van je oog.

Had Bacchus dat gezien, hij had
jou gekozen in plaats van Ampelos,
jou als steun voor ’t wankel evenwicht
van zijn heerlijke lijf.

Voor altijd heilig is de plaats waar ik
je ontmoette, gewijd de berg Janiculus,
gewijd het kalme mooie klooster,
het altijd groene plein.

Van daar wees je me punten in de grote stad,
je noemde kerk, paleizen en ruïnes
en het kleine schip, met volle zeilen
door de stroom meegevoerd.

 

Vertaald door Hans Warren

 

August Graf von Platen (24 oktober 1796 – 5 december 1835)
Monument voor August Graf von Platen-Hallermünde in Ansbach

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e oktober ook mijn blog van 22 oktober 2021 en ook mijn blog van 24 oktober 2018 en ook mijn blog van 24 oktober 2015 deel 2.

Hans Warren, Arthur Rimbaud

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Hans Warren werd op 20 oktober 1921 geboren in Borssele. Zie ook alle tags voor Hans Warren op dit blog.

Uit: Geheim dagboek 1949 – 1951 (Deel 3)

“26 juni (1950) 14.15
Gisteravond erotische spelen met Sebastiaan. We waren ’s middags naar een film geweest in Goes, Sebastiaan dacht dat die leuk zou zijn, ik weet al niet meer precies hoe hij heette, Africa screams of iets dergelijks, met twee zogenaamde komieken, Abott en Costello, summum van slechte smaak. Plat, zouteloos, we verveelden ons stierlijk, liepen lang voor het einde weg en kwamen uit de donkere zaal in het heerlijke gedempte zonlicht. We reden naar het Goese Sas om daar te zwemmen, maar men had daar het kanaal leeg laten lopen, en aan het Sas was het laag water. Ik stelde voor naar Borssele terug te rijden, bij ons te eten en dan nog naar de Kaloot te gaan. Het werd bij Sebastiaan eten, kersen kopen en naar het strand.
We kwamen terecht in een zandkuil tussen de lage duinen waarin nog wat laat, rood zonlicht viel. We gingen dicht naast elkaar liggen. Sebastiaan was al mooi mat bruin geworden. Er hing direct een erotische sfeer tussen ons, iets prikkelends, pervers, maar ook iets als van kinderspel. Eerst lag Sebastiaan op zijn rug en ik begroef hem onder vochtig zand. Ik maakte een fraaie gladde zandtaart van hem, met een paar aangespoelde hazelnoten midden op de heuvel. Hij wilde ook mij begraven, maar ik vind dat onaangenaam, gaf half toe, omdat ik het zand toch al tussen mijn kiezen voelde knarsen. Ik zag duidelijk dat Sebastiaan een stijve had in zijn lichtblauw spannende badbroekje. Dat maakte me driester. Er was immers nog nooit iets tussen ons geweest.
Ik veegde het zand met lange, liefkozende halen van zijn lichaam. Het was zo glad, gaaf, lichtbruin. Hij had drie haartjes midden op zijn borst. Ook langs zijn benen ging ik, en met spuug op m’n vinger veegde ik zijn vuile knieschijven schoon. Ik streelde telkens de stijve topjes van zijn tepels, en ik betastte de vastheid van zijn lid door de bádbroek heen, durfde nog niet verder gaan. Hij weerde niets af. Ik prikte met een stokje tegen zijn zak en zei dat die heel klein was.
We begonnen te stoeien en ik trok zijn broek naar beneden, keek naar zijn geslacht. ‘Je mag er niet aan trekken,’ zei hij. ‘Waarom niet?’ ‘Dat weet je wel. ’t Is een kleintje hè?’ vroeg hij, zijn extatische glimlach naar de wijde hemel. ‘Ja,’ zei ik, er mee spelend, ‘maar een liefje’. Het was inderdaad een kleintje, een Grieks penisje, donker, dun, met een dikke, geheel ontblote eikel waarin een kristalheldere druppel blonk. En het scrotum was al even klein, ook als op een Griekse tekening. Wat was die jongen mooi, zoals hij daar lag in het zomeravondlicht, naakt, zijn gezicht glimlachend, zijn spieren verschuivend toen hij de armen achter het hoofd rekte, gelukkig.
Ik blies het zand van tussen het zwarte, kroezende haar boven zijn geslacht, kuste het, likte het, strekte me langs hem neer, kuste zijn lippen. ‘Ik ben slecht’ fluisterde hij. ‘Nu moet jij er ook aan geloven’. Hij trok mijn zwembroek uit, was verbaasd over de omvang van mijn roede, kreeg er niet genoeg van die te betasten. We noemden elkaar ‘rabbitt’ en ‘bull’ (Kamasutra) en zoenden, zoenden.”

 

De wulp

Voor ik ooit van Ikaros gehoord had
voegde ik wulpenveren samen tot vleugels
en vloog langs de zeedijk van Borssele.
Nog steeds, een leven later,
kan ik de wulp zo goed nafluiten
dat hij antwoordt, van over het wad.

 

Opstekende wind

Heel wat dagen hebben we verdaan
aan de Schelde, ik leerde je
al de vogels, al de bloemen,
de geur van regen op Vilvoordse steen
en jij leerde me aan je wennen,
ook aan vreemde dingen als een ‘later’
elk voor zich – zoals het ook zou komen.
‘Zie je ons dan niet samen?’ vroeg ik,
en jij zweeg, lachend. Wind stak op,
je werd een uitdagend boegbeeld,
je kleren strak, je haar slaand, je borsten
ver vooruit, en je profiel
zuiverder dan ooit in het stuifwater
van de golven over het basalt.
Ik kon de avond zo over je laten vallen
zonder je te grijpen, je was al weg.

 

Hans Warren (20 oktober 1921 – 19 december 2001)

 

De Franse dichter Arthur Rimbaud werd geboren op 20 oktober 1854 in Charleville. Zie ook alle tags voor Arthur Rimbaud op dit blog.

 

Beweging

Het schommelen van de trein langs de rivier met zijn stroomversnellingen,
De afgrond achter de laatste wagen,
De snelheid van de helling
En de geweldige bevlieging van het water
Voeren de reizigers langs de ongehoor de paden van het licht
En volgens de nieuwe scheikundige methode
Tot in het hart van de wervelwind
En de maalstroom.

Het zijn de veroveraars van de wereld
Die een persoonlijk scheikundig fortuin najagen;
Sport en comfort zijn hun medereizigers;
Zij brengen de opvoeding
Van de rassen, klassen en dieren, op dit vaartuig
Rust en duizeling
In het voorhistorische licht,
Naar de verschrikkelijke studie-avonden.

Want hun voorraad gesprekken temidden van toestellen, bloed, bloemen, vuur en juwelen,
En haastige berekeningen aan deze voortvluchtige oever,
Wordt als een rollende dijk achter de motorische waterweg zichtbaar,
Monsterlijk, in een licht zonder einde;
Zijzelf verjaagd naar de harmonische vervoering
En het heldhaftige gevoel van de ontdekker.
Een jongen en een meisje, blind voor de verbluffendste atmosferische wonderen,
Hebben zich op de brug afgezonderd,
-Herinnering aan een barbaars verleden die men hun vergeeft? –
Zingen en houden voet bij stuk.

 

Vertaald door Adriaan Morriën

 

Arthur Rimbaud (20 oktober 1854 – 10 november 1891)
Portret van Arthur Rimbaud, verwond door Paul Verlaine door de Belgische amateurschilder Jef Rosman, bewaard in het Rimbaud Museum in Charleville.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e oktober ook mijn blog van 20 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

De herfst (Hans Warren), Inge Boulonois, Dannie Abse

 

Bij het begin van de herfst

 

Herfstkleuren door Janus de Winter, ca. 1930

 

De herfst

De herfst maakt alles ijler, lichter,
de loofrook en het groen der velden;
de molens worden traag, de bomen
fluisteren hoog van lege nesten.

De lucht is dun, de wolken bleken
roerloos weg boven de einder.
Er gaat een bader, stroef en amechtig
nog van de zomer, maar het bloed

wordt ijler, lichter met de herfst
en langzaam glijden zijn gebaren
weg in de vloed, als ademhalen
drinkt hij de zuiverende dood.

 

Hans Warren (20 oktober 1921 – 19 december 2001)
Borssele, de geboorteplaats van Hans Warren in de herfst

 

De Nederlandse dichteres en schilderes Inge Boulonois werd geboren in Alkmaar op 23 september 1945. Zie ook alle tags voor Inge Boulonois op dit blog.

 

DE ZAAIER Arles, 1888
Vincent van Gogh

Zoals Van Gogh met verf op doek
in ongeveer een week een akker schiep
en die gedreven egde, toen
de hemel aanstreek, een onbewolkte
zon ophing, een boom scheef plantte
waarnaast een boer met klak en zaaitas,
hij vervolgens diens strooiende hand
te voorschijn kwastte en zo de zaaier
zien liet, zo laat het schilderij
al duizenden weken horen
hoe het zaad ontkiemt –

 

Dag boek!

In dit millennium kwelt mij de vraag
waarom wat is geschreven nog als boek
bestaat. Wanneer nu eindelijk het doek
valt voor dat lor met ezelsoor, die plaag

van vet en snel losbandig woordenvat.
En van die slappe dweil de paperback,
vol kwijl en shag, ja zelfs met luis en crack.
Ik ben het spuugzat, al dat gore blad!

Goddank, het lezen kan nu digitaal;
zo schendt geen derrie nog een schoon verhaal.
Dus: weg die lorren, bij het oud papier!

We houden er een paar als souvenir,
voor leesmusea. Achter klemvrij glas
ligt straks te kijk hoe vies u vroeger las.

 

Nieuwe transgenderwet

Xx of juist xy qua chromosomen
Zo was het steeds, maar straks telt slechts gevoel
Wat wil je, blijf je Riet of word je Roel?
Me dunkt, dat is toch maar mooi meegenomen!

Erg laat, maar zo komt één ding nog in orde:
De vrouw die dat graag wil, kan priester worden

 

Inge Boulonois (Alkmaar, 23 september 1945)

 

De Britse dichter en schrijver Dannie Abse werd geboren op 22 september 1923 in Cardiff, Wales. Zie ook alle tags voor Dannie Abse op dit blog

 

MYSTERIËN

’s Nachts, weet ik niet wie ik ben
als ik droom, als ik slaap.

Wakker geworden, houd ik mijn adem in en luister:
een duimnagel krast over de andere kant van de muur.

’s Middags ga ik een zonverlichte kamer binnen
en neem er waar dat er zonder enige reden de lamp brandt.

Ik hoorde nu wel te weten dat je weinig octaven kunt horen,
dat een visioen sterft als je er te lang naar staart;

dat zelfs de hele geboekstaafde geschiedenis
maar wat geklets is in een grote stilte;

dat een magnesiumflits nog niet één enkel moment
het onzichtbare kan verlichten.

Ik klaag niet. Ik ga uit van het zichtbare
en het zichtbare ontstelt mij.

 

Vertaald door C. Budding‘

 

Dannie Abse (22 september 1923 – 28 september 2014)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e september ook mijn blog van 23 september 2019 en ook mijn blog van 23 september 2018 deel 1 en ook deel 2.

K. P. Kaváfis, Monika Rinck

De Griekse dichter Konstantínos Petros Kaváfis werd geboren te Alexandrië (Egypte) op 29 april 1863. Zie ook alle tags voor Konstantínos Petros Kaváfis op dit blog.

 

Agelaos

Op het congres van Naupaktos zei Agelaos
verstandige dingen: Grieken moeten niet meer
met Grieken oorlog voeren. Dichtbij woedt
een strijd die ons bedreigt. Of Carthago
danwel Rome zegeviert, men zal zich
nadien tegen ons keren. Koning
Philippos, beschouw toch alle Grieken als uw onderdaan.
Wenst u oorlog, bereidt u zich dan voor
op de confrontatie met de overwinnaar in Italia.
De tijd is voorbij om elkaar te bevechten.
Koning Philippos, redt Griekenland.

In de vreselijke, rampzalige dagen
van Kynoskephalae, Magnesia, Pydna
zouden vele Grieken zich de wijze woorden,
die nergens op uitliepen, herinneren.

 

Vertaald door Hans Warren en Mario Molegraaf

 

Alexandrijnse koningen

Ze verzamelden zich, de Alexandriërs,
om Cleopatra’s kinderen te zien,
Caesarion en zijn broertjes
Alexander en Ptolemaeus, bij hun eerste
publieke optreden, in het Gymnasium,
waar ze tot koningen werden gekroond
temidden van de luisterrijke gelederen der soldaten.

Alexander werd koning geheten
van Armenië, Medië en de Parthen.
Ptolemaeus werd koning geheten
van Cilicië, Syrië en Phoenicië.
Caesarion stond verder naar voren,
gekleed in rozenkleurige zijde,
met op zijn borst een krans van hyacinten,
om zijn middel een dubbele rij saffieren en amethisten,
de riempjes van zijn sandalen wit, bestikt met lilaroze parels.
Híj werd geheten meer dan zijn broers,
híj werd geheten: Koning der Koningen.

 

Vertaald door Hans Boland

 

Toen de wachter het licht zag

’s Winters en ’s zomers zat hij uit te kijken
op het dak van de Atriden, de wachter. Nu heeft hij
goed nieuws. Ver weg zag hij een vuur ontvlammen.
En hij is blij; ook aan zijn inspanning komt een eind.
Het is zwaar om dag en nacht
in de warmte en in de kou, in de verte
over de Arachneon te turen naar vuur. Nu
is het verlangde teken verschenen. Als het geluk
komt geeft het minder vreugde
dan verwacht. Toch is duidelijk
dit gewonnen: we zijn verlost van hoop
en verwachting. Er staat de Atriden veel
te wachten. Men hoeft niet wijs te zijn
om dat te voorzien, nu hij het licht zag,
de wachter. Daarom: geen overdrijving.
Goed is het licht, ook zij die komen zijn goed,
hun woorden en hun daden, ook die zijn goed.
En laten we wensen dat alles in orde komt. Maar
Argos kan het zonder Atriden stellen.

Huizen zijn niet eeuwig.
Velen zullen natuurlijk van alles te zeggen hebben.
Wij moeten luisteren. Maar we zullen ons niet
voor de gek laten houden door Onmisbaar, Uniek, Groot.
Een andere onmisbare, unieke en grote
zal altijd meteen gevonden worden.

 

Vertaald door Marjoleine de Vos

 

K. P. Kaváfis (29 april 1863 – 29 april 1923)

 

De Duitse dichteres en essayiste Monika Rinck werd geboren op 29 april 1969 in Zweibrücken. Zie ook alle tags voor Monika Rinck op dit blog.

 

Berg

Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen: Wat zal ik denken? Niets.
Je zult niet denken. Je komt er niet doorheen. Er staat een berg voor.
De berg bestaat uit vele bergen, enkele bestaan uit slijk,
sommige uit schroot, andere weer uit triolen, uit molm of kurk.
Je komt er niet doorheen. Ze groeien je, pruikenbok, over het voorhoofd,
over de ogen. Ze hebben samenhang. Je moet nu niets denken.
Maar moet ik niet denken, dat ik mij vandaag zal, omdat ik mij
morgen kan? Nee, verheug je, je zult en moet nu niets denken.
Maar stel je voor: Wat je niet denkt is duizendmaal erger
dan al het gedachte. Het komt altijd terug. Zoals een berg terugkeert,
die ik met schoepen, baggermolens en brandy, met 200-decibelsymfonieën
van Haydn, met zeer lange hortende delen, met perslucht,
koevoet en een heerschaar van zware gereedschappen voor altijd wegdroeg.
De berg zegt: Spoedig zal alles effen en vlak zijn. En komt terug.

 

Vertaald door Hélène Gelèns en Miek Zwamborn

 

Monika Rinck (Zweibrücken, 29 april 1969)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e april ook mijn blog van 29 april 2020 en eveneens mijn blog van 29 april 2019.

Hans Warren, Monika Rinck

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Hans Warren werd op 20 oktober 1921 geboren in Borssele. Zie ook alle tags voor Hans Warren op dit blog.

Uit: Geheim dagboek 1949 – 1951 (Deel 3)

“7 september 1950
19 uur, in ’t hotel. Wat me overkwam toen ik een paar dagen geleden op een regenachtige avond door de Rue de Bièvre liep, heb ik nog niet genoteerd. Dat is een wat lugubere straat op de linkeroever, in een wijk die met zijn zwarte muren en in natte keien weerspiegelende schaarse gaslantarens zó dienen kan als décor voor een griezelfilm.
Het was een uur of tien. Opeens hoorde ik een meeslepend rythme, oosterse muziek. Ik zag een klein café, zinken toogje, wat zitplaatsen random. De smalle deur stond open, er waren enkel Noordafrikanen, tot op de stoep. ‘Cela vous plaît, la musique orientale?’ vraagt er een met blinkende ogen. Ik knik. ‘Ga dan toch naar binnen!’ Wat aarzelend ga ik aan het toogje staan. De patron is een Algerijn, in kennelijke staat. Er zijn drie muzikanten, een met een ‘oud’, een soort luit, een met een trom die half uit een hoes je steekt, en een jongen met een tamboerijn. Een paar dozijn fonkelende ogen kijken me aan, sommige fluwelig, vriendelijk, andere lachend, weer andere verwonderd of wat achterdochtig. Ik ben de enige Europeaan in het gezelschap. Ik kan mijn ogen niet van de luitspeler afhouden. Hij heeft een expressieve bruine kop met vlammende, blikkerende ogen, en sterk gebogen neus, en onder de donkere snor lacht zijn mond met te grote, flitsende tanden. Hij buigt zijn zwarte krullebol verliefd over zijn instrument, en hij voert het rythme op, woest, hartstochtelijk. Trom en tamboerijn moeten mee. Hij lacht me met zijn ogen toe, met die diepe glimlach die een noorderling niet ‘zomaar’ geven kan, en dan knapt de muziek abrupt af.
De patron schenkt zich voor mijn rekening een ‘fine’ in, en ik loop naar de muzikanten. ‘Had ik maar beter materiaal’ zegt de speler, wijzend op de drie of vier gesprongen snaren van zijn luit. Het is een instrument met een mooie warme klank, en hij is er een virtuoos op, maar er is met het ding geleefd. Het hout is bekrast en uitgebeten door drankvlekken. De man moet achter in de twintig zijn, de tromspeler, die een mager, benig gezicht heeft waarin veruiteenstaande reeënogen, schat ik op dertig, en de jongen met de tamboerijn op zestien. De luitist draagt een donkerrood jasje boven een khakibroek. ‘U zult nu iets moois horen’, hij begint te preludiëren.
‘Maar ga toch zitten’. De tamboerijnjongen haalt een stoel voor me, schuift die aan hun tafeltje. Ik haal m’n glas van de toog. ‘Mon ami hollandais, hóllandais!’ wordt er al geroepen, alsof ik er van door wou gaan. Daar zit ik dan.
De luitist gaat zingen, zijn stem domineert het instrument. En als bij de meeste oosterse liederen zoekt de zangstem andere wegen in een rythme dat toch ook weer past bij het strakkere rythme van de begeleiding. Zijn mond lacht als hij zingt, en zijn rose tong klapt telkens omhoog tussen die flikkerende tanden. Zijn ogen sproeien vuur, hij wiegt, buigt over zijn instrument, hij geeft de trommelspeler, wiens vingers en hand nu zó vlug gaan dat ik ze als schimmen zie waaieren, kopjes als een poes, liefkozingen, en hij plukt met meesterlijke zekerheid de fantastische melodie uit de snaren.”

 

Milieuvervuiling

Gore plastic zakken, fladderend, vastgehaakt
aan stokken in een tochtsloot ergens op Schouwen
zo’n lichtloze middag tussen Sint en Kerst:
Chileense flamingo’s.

Ooit fantaseerde ik een zwoel moeraswoud
vol orchideeën, roepen, slingers baardmos
en spiegelend onder smaragden waaierkruinen
Chileense flamingo’s.

 

De zwartkoptuinfluiter

Eigenlijk al van mijn kindertijd af
denk ik al aan mijn uitvaart.
Ik zou willen dat iedereen dan
gelukkig was, dat vreemde geluk
om iets wat te mooi is, wat pijn doet.
Ik heb mij daarbij muziek voorgesteld,
een klagende hobo van Albinoni,
of dat ik op een bandje voor jullie
een stoïsch, dankbaar gedicht voorlas;
maar eigenlijk hoop ik dat het mei zal zijn
onder hoge beuken, en heel stil,
en dat dan opeens twee zwartkopjes gaan zingen
tegen elkaar in. Laat dan niemand spreken,
want iets mooiers, iets ontroerenders
bestaat er niet op aarde.

 

Hans Warren (20 oktober 1921 – 19 december 2001)

 

De Duitse dichteres en essayiste Monika Rinck werd geboren op 29 april 1969 in Zweibrücken. Zie ook alle tags voor Monika Rinck op dit blog.

 

HEMELSE HARDHEID

Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen. Een halve wereld uit blauw licht.
Is dat lucht of wand? Stomme vogels, mereldummy’s, ja mussen,
In kunsthars en verharder geband, in doorzichtige kubussen gegoten.
Je zou bijna huilen. Of in plaats van vogels tjilpen en springen.
Maar nog ligt er een zware slaap op jou en alleen je droom
weet van de anderen. Hij denkt voor je, bv.: Wat is een schap?
Er doelgericht iets inleggen, met één hand die zeker is en vakkundig.
Omdat het daar thuishoort, een inbreuk, zo precies passend, je huivert.
Nu lig je wakker in je tent uit geld en wil je alles betalen.
Blijf hier, wacht op het einde van de wand. Versier de randen van de dag
met sluimer, nee, erger nog, vlecht de kitsch in je haar.
Maar kijk, het kwetsbare leven ‘s morgens is niet niks!
Geen verkeerd woord, sta op, kijk uit het raam, hoe een halve wereld
uit blauw licht ontluikt, daar! Een oranjetipje landt, beeft, explodeert.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Monika Rinck (Zweibrücken, 29 april 1969)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e oktober ook mijn blog van 20 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Hans Warren, Monika Rinck

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Hans Warren werd op 20 oktober 1921 geboren in Borssele. Zie ook alle tags voor Hans Warren op dit blog.

Uit: Geheim dagboek 1949 – 1951 (Deel 3)

“1949 15 nov., aan de Noordnol.
Ik ben met dit schrift naar de zeedijk gegaan, in de overtuiging dat ik hier in de heldere atmosfeer van deze novemberdag ook helderder en meer in rust denken kan. Ik twijfel aan de juistheid van mijn veronderstelling, want hoewel ik een eenzame plek heb uitgekozen, word ik al lastig gevallen door een strandjutter die iets ziet dobberen op het water van de Honte, en die vraagt of hij mijn verrekijker even gebruiken mag. Ik heb die, onvoorzichtig genoeg, naast me neergelegd. Verder informeert hij welke vogeltjes er zo schreeuwen op het strand, en of die ook zwemmen kunnen.
Na mijn te korte antwoorden verdwijnt hij, zijn klompen klotsend over het basalt. Nu komt de zon verblindend op dit papier schijnen en valt er een zwerm minuscule insecten over me heen. Ik kijk naar de luidruchtige vogeltjes op het fijngeribbelde strand. Zwarte silhouetjes aan de blinkende vloedlijn. Ze fluiten vrolijk, en een ervan vecht met een kleine meeuw, wier wieken en uitwaaierende staart van puur zonlicht lijken. Het platgeslagen donkerbruine zeewier aan mijn voeten geurt zilt, de insectjes drijven als goudstofjes voorbij. Grote zeeschepen varen stampend langs, het water glanst verblindend, en uit mijn door de zon beschenen winterjas stijgt een lucht van warme wol.
Al deze uiterlijkheden, terwijl ik wil zoeken in mijn binnenste naar waarheden die ik in de beslotenheid van mijn kamer niet vinden kan. Nu is de man toch weg, al liet hij zijn fiets achter me staan. Kraaien krassen somber, en ver weg, in de polder, schittert de vergulde haan op de toren. Daar gaat ook Sebastiaan ergens achter een met drie paarden bespannen ploeg. Om over Sebastiaan te denken ben ik hier gekomen, om me te bezinnen over het weinig constante van mijn gevoelens. Elke nieuwe geliefde of vriend is voor mij tegelijk slavernij en bevrijding. De een verdrijft de ander, hoeveel dode genegenheden draag ik al niet in me om. Op een bepaald moment ben ik bereid alles te geven. Door een of andere oorzaak vermindert de interesse en dan sterft het gevoel af. Zelfs de grootste liefde laat nauwelijks een spoor na. Er komt een wassen beeld bij in het museum van de herinnering. Nu heerst Sebastiaan. Hij vermoedt het nog niet eens, maar ik kan van te voren precies het verloop schetsen: ik word zijn beste vriend, merk dat het nooit iets worden kan, geef het op, et l’histoire se répète, Sebastiaan in het museum.”

 

En marge

I
Ik kan alle lentes buitensluiten
als jij maar binnen mijn lichaam ligt
ik kus mijn boeken voor het venster
nu je achter mij slaapt in bed
de ogen waarmee ik je vorm daar raad
nog rood en mijn bloed nog prikkend
in alle poriën van mijn handen.
Als een bandjir stroomde mijn lichaam
nu kalmeer ik boven witte bladen
koel op mijn ogen geur van drukinkt
onhoorbare strijkstokken je adem
mijn leeftocht voor een nieuw bestaan.

heb je mij dan lief, dat je
telkens als een duif terugkeert
op de til van mijn hart

II
Sneeuw en regen stuiven door gonzende straten
mijn lippen vinden in je haar het voorjaar;
lage wolken verflarden in huilende draden
ik kniel en leg mijn hoofd in een warm nest.

maar heb je mij lief

in het park van la Malmaison
preludiëren de lijsters
je lippen krullen trots als smeedijzer
over heuvels en zwarte bossen
valt de storm uit
je ogen slaan kou en donker om me op.

in het park van la Malmaison
kloppen de spechten een rouwmars
waar ben je waar ben je
de zwaan op de vijver van Joséphine
zwelt zijn hals voor een schemerig spiegelballet.

III
Ik vecht met het woord en ik vecht met de rede
opdat je leven zult in een woning
die het wat langer uithoudt dan dit hart
ik ben verdwaald in ’t vicieuze stroomgebied van aders

en in de doolhof van mijn hersens voor
’t rechtvaardigen van je bestaan in mij.
Was je een spie onder mijn ooglid
ik wist je pijn
maar je bent een zwarte ster wier vonk
mij jaren na de dood bereikt
een woekerende cel in mijn onwetend lichaam.

 

Hans Warren
(20 oktober 1921 – 19 december 2001)

 

De Duitse dichteres en essayiste Monika Rinck werd geboren op 29 april 1969 in Zweibrücken. Zie ook alle tags voor Monika Rinck op dit blog.

 

het was voorbij

het was voorbij – de zomer was het zeker
de zon kende alleen nog tegenstellingen
en waar ze weg was, was ze weg.
vanaf zondag veel koeler maar
nog niet – wat voor een licht
dat ons verlengde en de gevels
in de juiste hoek bracht, harde schaduwen
iets geometrisch – een strak ingesnoerd pakket
was de som van deze zomer – een momentje
meneer dokter benn veegt nog even
de zware rozen weg –

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Monika Rinck (Zweibrücken, 29 april 1969)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e oktober ook mijn blog van 20 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Dolce far niente, Monika Rinck, Hans Warren, Mustafa Stitou, Hans Maarten van den Brink, Ela Angerer, Arthur Rimbaud, Marnix Gijsen, Oskar Pastior

 

Dolce far niente

 

 
Ondergaande zon, herfst in Eragny door Camille Pissarro, 1900

 

es war vorbei

es war vorbei – der sommer war es sicherlich
die sonne kannte nur noch gegensätze
und wo sie fort war war sie fort.
ab sonntag deutlich kühler aber
jetzt noch nicht – was für ein licht
das uns verlängerte und die fassaden
in den rechten winkel brachte, harte schatten
geometrisches – ein enggeschnürtes päckchen
war die summe dieses sommers – warte doch
herr doktor benn fegt eben noch
die fetten rosen hin –

 

 
Monika Rinck (Zweibrücken, 29 april 1969)
Het station van Zweibrücken, de geboorteplaats van Monika Rinck

 

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Hans Warren werd op 20 oktober 1921 geboren in Borssele. Zie ook alle tags voor Hans Warren op dit blog.

Uit: Geheim dagboek 1942 tot 2001

“27 nov.(1998) — 14.15 — M’n linkeroog ziet er nog afschuwelijk uit, er hangt een hele ‘zak’ aan. Het op. en afzetten van de bril dient met aandacht te gebeuren, en het neussteuntje zakt aan die kant weg in een soort stempelkussen. Ik kom er sneller overheen dan M., die blijft er maar over praten. Ik betrapte me er vanmorgen zelfs op dat ik een huppeltje maakte.
Die betreurenswaardige ruzie. M. moet enorm zijn geschrokken van mijn val, hij zag het vanuit de auto gebeuren. Hij rende naar binnen en zag me daar languit in een plas bloed. Dat ik een beetje krabbelde en bewoog, was het enige hoopgevende. Het bleef maar bloeden, hij zegt dat ik wel een liter heb verloren. Een voorbijganger, Jean-Michel Tesseron, zag het ook gebeuren. Hij kende een mevrouw die eerste hulp zou kunnen verlenen. De jonge vrouw (heel knap, voor zover ik dat zonder bril kon zien) maakte met de spullen uit M.’s verbanddoos een soort tulband rond m’n hoofd en stelpte zo goed mogelijk het bloeden.
Inmiddels waren ook de sapeur-pompiers er, een hele groep. Iedereen was uiterst aardig en hulpvaardig, er was een ventje bij, nog zo jong dat het me ontroerde, telkens vroeg hij of het toch ging. Ik werd op de voor mij te korte brancard gehesen, naar buiten gedragen en in de ambulance geschoven. Wat een marteling! Het sidderen van de motor, het ongelijke plaveisel in het hartje van Parijs, m’n hoofd dat geen steun had, de bochten. M’n angst in het ziekenhuis: ik wil naar huis, hoe kom ik nu toch nog thuis, arme Mario, hoe regel jij alles, hij kan niet zonder eten en het is al zo laat.
De dokter begon met vast te stellen: ‘Vous travaillez encore?’ Het eindigde ermee dat hij hoogstpersoonlijk m’n sokken weer aantrok. Ik moest allerlei komische oefeningen doen, onder andere met m’n armen zwaaien en dan met de wijsvinger m’n neuspunt raken, eerst met open, vervolgens met gesloten ogen. En je bent enorm trots als het je lukt en zo blij als een kind, want: ‘Cher docteur, je ne dois pas être hospitalisé?’ ‘Non, m.Warren, vous pouvez rentrer à la maison.’ Hij zal niet geweten hebben dat het minstens vier uur rijden was.
De ruzie, het is zo pijnlijk. Pas nu besef ik hoe diep M. is geschokt, hoe een traumatische ervaring het voor hem is geweest. Hij bleef maar vragen hoe het toch kwam dat ik viel. Ik zei dat het aan de al te drukke dag lag, dat daardoor m’n aandacht was verslapt. M. leidde eruit af dat ik hém de schuld gaf. Ik zei dat het onzin was, maar dat hij in m’n dagboek zou kunnen lezen hoe ik tegen zulke dagen opzag.”

Pestaradjah

Niet wakker worden
zei ik elke morgen
want je slapend hoofd op het kussen
was een edel javaans masker
waar ik niet op uitgekeken raakte.
Sloeg je je ogen op
dan vielen opeens
de eeuwen van je af.

 

Winterliefde

Wind vouwt zijn waaiers dicht over mijn nachtlijk dak.
Nooit zal ik weten of ik van je heb gehouden,
Mijn liefde zal als ’t land haar maagdlijkheid behouden:
Vorst ging er over heen – zelfs je beeltenis brak,
Sinds je mij bent voorbijgegaan en als een boom
Je plaats genomen hebt in ’t grote onbekende
Van een dode natuur, en je gelaat zich wendde
Traag naar het duister van een langgeleden droom.

 

 
Hans Warren (20 oktober 1921 – 19 december 2001)
Portret door Ad Duvekot, ca. 1956

 

De Marokkaans-Nederlandse dichter Mustafa Stitou werd geboren in Tétouan op 20 oktober 1974. Zie ook alle tags voor Moustafa Stitou op dit blog.

Voorvaderen, onderburen

Sommige voorvaderen, weten we, hebben God gedroomd
en daaruit is voortgekomen onze wereld van eindige dingen.
Zij waren het die ooit een kind offerden aan iets almachtigs en onzichtbaars.
Wij weten ook dat sommige honden –
dat sommige mensen gaan lijken op hun huisdier
na verloop van tijd. Soms
een grotesk gezicht, meestal blijft het onopgemerkt.
Mijn onderburen, een kinderloos stel toevallig, nemen
mijn boodschappen altijd aan en vragen mij fluisterend
of zij mij niet tot last zijn en soms ergens mee kunnen helpen.
Andere voorvaderen wisten zich met de dood geen raad
en met geboorte evenmin, zij zagen in een pasgeboren kind
een gestorven voorvader. En het verwarde geloof dat
zij stichtten spookt sindsdien door onze genen;
mijn onderburen hebben mij toevertrouwd te zullen en willen
reïncarneren in een diersoort met zachte zeden, in bijen.

 

Cinema

in een tijd
van verterende droogte
in een tijd
waarin een boer een automobiel
verlaten op zijn land
stro brengt uit berekening

vertrekt vader als jongetje
met zijn gedeserteerde oom
voor negen pesetas in de laadbak
van de camiona – oksels
van het metaal – naar Tetouan
het kleine Tetouan met de betrouwbare soek

in de vurige sobere moskee
bidden zij loom en zuchtend
na de klusjes in de vretende zon
zij drinken water van de waterverkoper
die triest grijnst en koelen af
in de Spaanse cinema met zonnepitten

het regende in de film
Allah el Akbar het regende
regen regen regen en ik dacht
regen viel buiten overal
verbeeldt vader spelend
met de remote control

buiten
siddert steen
smelt wind
worden lippen snavels
komen mensen om
die hongerzomer

 

 
Mustafa Stitou (Tétouan, 20 oktober 1974)

 

De Nederlandse schrijver en journalist Hans Maarten van den Brink werd geboren in Oegstgeest op 20 oktober 1956. Zie ook alle tags voor Hans Maarten van den Brink op dit blog.

Uit: Een bidprent tot leven brengen

‘Ik kom alleen maar om te kijken,’ zegt de vrouw die heel Italië doorkruist heeft om tegenover Piero della Francesca’s Madonna del Parto te staan.
‘Als men hier slechts voor zijn plezier komt, zonder enig gebed, dan gebeurt er niets,’ zegt de koster. ‘Je kunt op z’n minst knielen.’
De scène vormt de opmaat in Andrej Tarkovski’s Nostalghia. Een film die niet alleen over godsdienst gaat en over het daarmee onverbrekelijk verbonden verlangen om ooit, ergens, helemaal thuis te komen, maar er meteen ook tekst en uitleg bij levert. Tarkovski speelt voor priester en koster tegelijk. Het gaat niet alleen om de intentie en het resultaat, maar evenzeer, of misschien wel meer, om de manier waarop het werk wordt uitgevoerd. Dat is zijn boodschap.
De vrouw brengt het niet op om voor het schilderij te knielen.
‘Ik weet het: je wilt zeker gelukkig zijn,’ luidt het honende commentaar op haar gebrek aan overgave. ‘Maar er zijn belangrijker zaken in het leven.’
Het was niet om deze scène dat de film, die ik zo’n vijfentwintig jaar geleden gezien zal hebben, in mijn herinnering is gebleven. Het was de oversteek die, kort voor het einde, de hoofdpersoon, een sombere Russische schrijver, door het zwavelige water van een vijver maakt met een kleine, flakkerende kaars in zijn hand. Het is, ook bij weerzien, een indrukwekkend, adembenemend tafereel. De man in zijn winterjas, wadend door modder, nevelflarden, water; zijn gezichtsuitdrukking, nu eens angstig, dan weer ingetogen, gelaten, weifelend, vastberaden, sereen – maar al die emoties binnen een ingehouden, beperkt register; zijn hand om de kaars, die steeds dreigt uit te gaan, dat op een gegeven moment ook doet, kort voor de overkant zou zijn bereikt; waarna de man, Gortsjakov heet hij, even aarzelt, dan toch het besluit neemt om terug te gaan en opnieuw te beginnen, ten slotte de tocht volvoert en de kaars voorzichtig neerzet, op een verweerde, aangevreten steen, in een nis waar de vlam nog even flakkert en dan uitgaat. Waarvoor? Daarvoor. Zoiets heet een ritueel: een handeling die op zichzelf geen doel heeft, maar louter door de voltrekking haar reden van bestaan bewijst. Het wordt gevat in één lange, bijna negen minuten durende camerabeweging, een van Tarkovski’s bewuste stijlkenmerken. Een scène gebeeldhouwd in de tijd, om dan ook meteen zijn eigen bewoordingen maar te gebruiken.”

 

 
Hans Maarten van den Brink (Oegstgeest, 20 oktober 1956)

 

De Oostenrijkse schrijfster Ela Angerer werd geboren op 20 oktober 1964 in Wenen. Zie ook alle tags voor Ela Angerer op dit blog.

Uit: Und die Nacht prahlt mit Kometen

“Der Wagen raste auf eine entgegenkommende Straßenbahn zu; gut möglich, dass sie gleich mit den Verkehrsteilnehmern in den Waggons zusammengewürfelt wurden. Doch im letzten Moment bremste Bojan ab, riss das Lenkrad herum und reihte sich auf der rechten Fahrbahn hinter einem Lastwagen ein. »Gib es wenigstens zu!«, schrie er. Und schon donnerten weitere Postpakete im Rhythmus einer Maschinenpistole auf sie herunter. Inneres Klingeln unter der Schädeldecke, pulsierende Schläfe, Aufplatzen der Haut über dem Wangenknochen. Auf dem Asphalt zerspringende Marmeladengläser. Kuchenbrösel darüber. Die schöne Schrift der Großmutter (Pelikan-Füllfederhalter von 1931) auf weißem Karton. All das konnte Bojan mit einer einzigen Faust, an der freilich ein dicker Ring mit kantig geschliffenem Saphir steckte. Mit der linken Hand lenkte er weiter durch den Verkehr. Zwei Querstraßen noch, dann würden sie zu Hause sein. Jetzt schnell einen Parkplatz finden, dachte sie, während in ihrem Kopf starkes Rauschen einsetzte. Bitte lasst ihn einen Parkplatz finden, rief sie den Obersten Rat mit ihrer inneren Stimme an, dann wäre vielleicht alles wieder gut. Möglicherweise hatte sich etwas Feuchtes auf ihrer Wange gebildet, sie wusste es nicht. Jetzt bloß nicht! Wenn sie ihm mit ihrem Blut das neue Auto versaute, würde sich der Sturm in die Länge ziehen.
»Komm runter, wir machen eine Testfahrt«, hatte Bojan vorhin oben in der Wohnung gesagt und dabei seinen schweren Schlüsselbund am Zeigefinger durch die Luft wirbeln lassen. Als er ihn mit der ganzen Hand wieder auffing, klirrte das Metall laut durchs Vorzimmer. Dann standen sie unten in der Einfahrt, vor ihnen ein dunkelroter Sportwagen, dessen Front aussah wie die Schnauze eines riesengroßen, aggressiven Tapirs.
Bojan ging mit ihr um das Ungetüm herum, zog dabei eine herausgerissene Zeitungsseite aus seiner Jackentasche und las stolz das Inserat vor: »Chevrolet Corvette C3 mit dreistufigem Turbo-Hydramatic-Automatikgetriebe, garagengepflegt.« »Na, was sagst du jetzt?«, hatte er sie gefragt und ihr die Beifahrertür aufgehalten.”

 

 
Ela Angerer (Wenen, 20 oktober 1964)

 

De Franse dichter Arthur Rimbaud werd geboren op 20 oktober 1854 in Charleville. Zie ook alle tags voor Arthur Rimbaud op dit blog.

 

De schamele droom

Een avond wacht mij nog misschien
Dat ik in zekere oude stad
Rustig wat drinken zal en dat
Ik kalmer dan de dood kan zien:
Geduld heb ik gehad.

Als ik in mijn pijn berust
Als ik ooit wat geld verover
Hoe dan, een Noordse kust
Of het land van wijngaardlover?
– Ach, dwaas is het te dromen

Het is maar tijd verdoen!
Wanneer ik als weleer
Ga reizen heinde en veer
Kan zich de herberg in het groen
Nimmer meer voor mij open doen.

 

Vertaald door Emmy van Lokhorst

 

Roman

I
On n’est pas sérieux, quand on a dix-sept ans.
– Un beau soir, foin des bocks et de la limonade,
Des cafés tapageurs aux lustres éclatants!
– On va sous les tilleuls verts de la promenade.

Les tilleuls sen tent bon dans les bons soirs de juin!
L’air est parfois si doux, qu’on ferme la paupière;
Le vent chargé de bruits, – la ville n’est pas loin, –
A des parfums de vigne et des parfums de bière…

 

Roman

I
Je bent niet al te serieus, met zeventien.
Een mooie avond. Bier noch fris meer ingenomen!
Weg van ’t cafélawaai, en luchters bovendien!
Je slentert door de laan met groene lindebomen.

O mooie juninachten met je lindengeur!
De lucht is soms zo mild, je laat je ogen luiken.
De wind, vol van geluid – de stad is naast de deur –
draagt wingerdgeuren aan, en laat een bierlucht ruiken.

 

Vertaald door Jan Kal

 

 
Arthur Rimbaud (20 oktober 1854 – 10 november 1891)
A Season in Hell (Portrait of Arthur Rimbaud) door Leilani Bustamante

 

De Vlaamse dichter en schrijver Marnix Gijsen werd geboren op 20 oktober 1899 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Marnix Gijssen op dit blog.

Uit: Het boek van Joachim van Babylon

“Vandaag hebben wij Suzanna, mijn vrouw, begraven. Ik schrijf wij want het was inderdaad niet de echtgenoot alléén die haar uitgeleide deed, het was de heele natie. De hoogepriester en de burgerlijke gezagvoerders kwamen er bij te pas. Er is geen vereeniging zonder winstbejag in het land of zij had een afvaardiging gezonden. Ik, Suzanna’s man, was slechts een bijkomend personage, haast niet veel meer dan een tooneelmeubel. Dat ben ik, jammer genoeg, geworden den dag toen Suzanna plotseling tot nationaal figuur werd bevorderd. Zij stapte van het bad recht in de geschiedenis en werd het symbool der deugd. Zij was de Deugd zelve in het gansche land. Dertig jaar lang, was ik met de Deugd getrouwd. – Het was lang niet grappig.
Wat de autoriteiten vanmorgen te vertellen hadden was wel eenigermate aan den vermakelijken kant, althans voor mij. Bij deze begrafenis woonde ik inderdaad het slottooneel bij van een tragi-comedie die ik alleen volkomen begreep en die mij licht amuseerde. Zelden heb ik zooveel bijvoeglijke naamwoorden in den overtreffenden trap hooren gebruiken, dikwijls foutief dan nog. Het ging maar aldoor over kuischheid, over getrouwheid, gehechtheid en liefde, alsof men min of meer kuisch, getrouw, toegehecht of liefdevol kan zijn. Daarbij hadden de redenaars meestal hun materiaal uit hetzelfde officieele relaas geput: de laatste aan de beurt was er haast niet toe te bewegen zijn rede af te dreunen. Zij leek inderdaad een bloemlezing uit de voorgaande toespraken. Daarna kwam een dichter aan het woord: ook hij volgde Daniël’s tekst op den voet, maar hij nam hier en daar een lyrische vlucht. Over het gebeurde bij het bad gleed hij lichtjes heen, maar over de grijsaards weidde hij uit. De schildering van de ondeugd is natuurlijk altijd dankbaarder dan de afbeelding der deugd. Ik ben nu zelf wat de rabbijnen ‘zat van jaren’ noemen en voel mij met de grijsaards solidair. In zijn lange inleiding scheen de dichter te beweren dat de drang tot voortplanting bij een oud man een schandelijk verschijnsel is. Hij zei dat heel welsprekend, heel netjes ook, maar heel beslist. Dan daalde hij af van het algemeen naar het bijzondere en brandmerkte de houding der rechters in sterk beklemtoonde verzen. Ik overwoog of begeerlijkheid bij een zestiger niet veeleer een bewijs van levenskracht kan zijn dan een schande, maar toen begonnen een aantal jonge meisjes een treurlied te zingen. Het waren geen kinderen meer en nog geen vrouwen. Het was me onaangenaam die stemmen te hooren waarin zoo duidelijk het ontbreken van den man doorklinkt; dat onvolledige, dat onbepaalde en zelfs onbewuste wachten… en dan nog op een tekst waarvan ze blijkbaar niets begrepen.”

 

 
Marnix Gijsen (20 oktober 1899 – 29 september 1984)
Cover

 

De Duits-Roemeense schrijver Oskar Pastior werd in 1927 in Hermannstadt (Transsylvanië, Roemenië) geboren. Zie ook alle tags voor Oskar Pastior op dit blog.

 

fortschreitender metabolismus in einer sestine

hier sechs es als sich sieht
sieht hier sechs es als sich
es als sich sieht hier sechs
sich sieht hier sechs es als
als sich sieht hier sechs es
sechs es als sich sieht hier

sechs mal als sich sieht hier
hier sechs mal als sich sieht
als sich sieht hier sechs mal
sieht hier sechs mal als sich
sich sieht hier sechs mal als
mal als sich sieht hier sechs

mal wie sich sieht hier  sechs
sechs mal  wie sich sieht hier
sich sieht hier  sechs mal wie
hier  sechs mal wie sich sieht
sieht hier  sechs mal wie sich
wie sich sieht hier  sechs mal

wie mich  sieht hier sechs  mal
mal wie mich  sieht hier  sechs
sieht  hier sechs  mal wie mich
sechs mal  wie  mich sieht hier
hier  sechs mal wie mich  sieht
mich sieht  hier sechs mal  wie

mich sieht fast sechs mal  wie
wie  mich sieht fast sechs mal
fast sechs mal  wie mich sieht
mal wie mich sieht fast  sechs
sechs mal wie mich  sieht fast
sieht fast  sechs mal wie mich

faßt fast sechs mal wie  mich
mich faßt fast sechs  mal wie
sechs  mal wie mich faßt fast
wie mich  faßt fast sechs mal
mal wie mich  faßt fast sechs
fast sechs mal  wie mich faßt

sechs es als sich hier sieht
sieht hier sechs mal wie sich
sechs mal wie mich fast faßt

 

 
Oskar Pastior (20 oktober 1927 – 4 oktober 2006)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

Hans Warren, Mustafa Stitou, Hans Maarten van den Brink, Ela Angerer, Arthur Rimbaud, Marnix Gijsen, Oskar Pastior, Elfriede Jelinek, Robert Pinsky

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Hans Warren werd op 20 oktober 1921 geboren in Borssele. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Hans Warren op dit blog.

Uit:Geheim dagboek 1963 – 1970 (Deel 8)

“30 november 1963 – Waarschijnlijk gaat de heilige Sebastiaan een gouden toekomst tegemoet. Hoe lang wordt hij al stiekem bewonderd door homosexuelen sinds hij in de zestiende en zeventiende eeuw gebruikt is door schilders om een naakt mannelijk lichaam in de verleidelijkste poses te vertonen? Die hadden al lang ontdekt dat een man het mooist is met opgeheven armen in een wat weerloze overgegeven houding. Er is ook menige voluptueuze Christus, maar gekruisigd is die te stijf, als lijk te schokkend. Sebastiaan, gemarteld of enkel bezwijmd, is opwindend, hij appelleert bovendien aan de sadistische gevoelens in de man, de verpleegstersneiging in de vrouw. Louis Réau (Iconographie de l’art chrétien, 1959) sprekend over de apollinische Sebastiaansuitbeelding door Il Sodoma schrijft: “il ne lui reste plus que le patronage compromettant et inavouable des sodomistes ou homosexuels.”
Wat ik niet wist is dat in vroeger tijden ook de deugd der vrouwen gevaar liep. Ik dacht dat zij in het voetspoor van Irene en haar dienares enkel door moederlijke verzorgstersgevoelens beroerd zouden worden. De kerk wist het beter: zij liet heel wat Sebastiaan-schilderijen verdwijnen.
Volgens de oude berichten werd Sebastiaan, een centurion in het leger van Diocletianus, op de Campus Martius dermate doorschoten door boogschutters dat hij op een egel leek: qui cum sagittis plenus quaesi hericius staret. En op de middeleeuwse afbeeldingen is hij dat ook, een aandoenlijk bruin egeltje.”

 

Beeltenis

Ik teken je gelaat uit korenaren
Jij was de glimlach van het zomerland
Aan het gefluister van de velden waren
Je haren en je dromen nauw verwant.

Ik teken je gelaat tegen het duin
Achter je ogen flitsten blauwe golven
Waar vogeltjes als vlokken sneeuwwit schuim
Het zachte glooien van de kustlijn volgen.

Maanlicht was ’s nachts je zilveren profiel
Schaduw op dieper schaduw in je ogen
Verloren weemoed van je ziltgewaaide mond

Jij was ’t volmaakte landschap van mijn ziel
Met wind in graan en popels, en de hoge
Zingende regen over mijn geboortegrond.

 

Regen

Regen, stil tegen ’t raam na deze pijn…
Buiten is ’t lente en mijn huis wordt brozer
Mijn denken en mijn lichaam worden vozer
Minder bestand tegen het eenzaam zijn.

Nu ‘k achter jou, o mijn vergeefs beminde
De deur sloot en mij neerleg in de nacht
Voel ik mij als een dier dat luistrend wacht
Om bij het zwakst gerucht de weg te vinden.

Dit ene vers dat in het donker staat
Van jaren, ’t is voor jou en voor wie gingen
Als jij… ik kwam er telkens overheen

Straks is ook dit voorbij, ben ‘k weer alleen,
En weer genees ik, spieglen andere dingen
Uit mijn verleden hopeloos zich in een nieuw gelaat.

 
Hans Warren (20 oktober 1921 – 19 december 2001)

Lees verder “Hans Warren, Mustafa Stitou, Hans Maarten van den Brink, Ela Angerer, Arthur Rimbaud, Marnix Gijsen, Oskar Pastior, Elfriede Jelinek, Robert Pinsky”

Hans Warren, Mustafa Stitou, Hans Maarten van den Brink, Arthur Rimbaud, Marnix Gijsen, Oskar Pastior, Elfriede Jelinek, Robert Pinsky

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Hans Warren werd op 20 oktober 1921 geboren in Borssele. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Hans Warren op dit blog.

Uit:Geheim dagboek 1981 – 1982 (Deel 15)

“14 september 1982 Gisteren om kwart over zeven opgestaan, met de trein van kwart over negen naar Leiden met een koffer vol dichtbundels uit 1981. In de trein heb ik nog eens aandachtig Lichtval van Hans Faverey en Gerrit Komrijs De os op de klokketoren gelezen, want om die twee gaat het volgens mij. Ik was bang dat ik de heren niet mee zou krijgen. Gerrit heeft veel mensen tegen zich in ’t harnas gejaagd door bijtend kritische opmerkingen.
Om elf uur arriveerden we in Leiden. We namen een taxi naar Oegstgeest (…), het bleek niet ver. Een groot, in de jaren twintig gezet huis, nogal somber, met veel houtwerk overal, vrij luxueus. Ook wat de inrichting betreft, al viel er weinig écht moois te bewonderen, zelfs de Perzische tapijten waren niet bijzonder. Veel exotisch spul, meegebracht van reizen in Oost en West door Heleen, Nagels vrouw. Zij deed open, Nagel kwam de trap af schuifelen. Zijn voeteuvel leek mee te vallen. (…)
Kort na ons kwam ook Adriaan van Dis (halverwege de dertig, schat ik), fors, met grijzend krulhaar, een wat verwijfd gezicht, putje in de kin, hoge stem. Vermoedelijk homo, ik ben er niet zeker van. We dronken een kop koffie in de zitkamer, Nagel weidde over zijn kwalen uit. Van Dis reageerde al te vlot (‘Gevolg van een geslachtsziekte zeker’) en de consumpties waren niet best. Slechte koffie, koek die ik vanwege het uiterlijk veiligheidshalve afsloeg. We gingen aan het werk in een ander vertrek. Mario zat erbij of hij ook lid van de jury was. Het bleek al snel dat Van Dis eveneens Gerrit bovenaan had staan, en Nagel sloot zich onmiddellijk aan hoewel hij de bundel niet gelezen had. Hij begon: ‘dat moeten jullie dan maar niet zeggen natuurlijk.’ Ik vond dat dit echt niet kon. Ik weet niet of ik brutaal geweest ben, maar zei: ‘Trek je dan een half uur terug, lees de bundel, dan heb je ten minste la conscience nette!’ Dat heeft hij gedaan. (…) We hakten de knoop door: als het aan ons ligt, krijgt De os op de klokketoren de Herman Gorterprijs 1981. Ik was heel gelukkig.”

 

Saïd

Vluchtig met armen
vluchtig als getatoueerde meisjes
als een hart met kruislings
mes en pijl, droppend van bloed.
Haar, mos van nachtelijke steppen
bitter doordrenkt met regen,
ogen dieper dan mediterrane zonnen
schroeiend gaten in elke sluier,
in elke handpalm die afwerend
nog doven wil;
aluinen huid
van de schouderaccolade neerwaarts
ruw overklauwd
met faunebeten, vossesporen,
littekens harsig als de wind
in ’t land van Nepal,
voeten, duikelaarsvoeten,
zwaar, maar rennend de herfst uit
in een wervelstorm van bladeren.

 

Toeval

Het wintert in Pompeï. De tijd
van vegen, opruimen, restaureren
en verder graven in de as.
Er zijn recruten ingezet,
soms wordt een kiek gemaakt.

Zes jaar verlopen, en in je tent
’s nachts om drie uur toon je me foto’s:
kijk, toen was ik in dienst,
we groeven een villa op in Pompeï,
het was berekoud, ik heb nog
een munt achterover kunnen drukken, hier!

Weer een paar jaren later blader ik
in een catalogus over Pompeï. Met een schok
herken ik de foto, je dikke trui, je mutsje, het was berekoud, zei je. Het muntje
schuift koel over mijn warme borst.


Hans Warren (20 oktober 1921 – 19 december 2001)
Lees verder “Hans Warren, Mustafa Stitou, Hans Maarten van den Brink, Arthur Rimbaud, Marnix Gijsen, Oskar Pastior, Elfriede Jelinek, Robert Pinsky”

Hans Warren, Mustafa Stitou, Arthur Rimbaud, Marnix Gijsen, Oskar Pastior, Elfriede Jelinek

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Hans Warren werd op 20 oktober 1921 geboren in Borssele. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Hans Warren op dit blog.

Uit: Geheim dagboek (Deel 6, 1956 – 1957)

“13 april 1957
(…)

Erfenis van mijn deltajongens met zilte handen en een schelpenmond, fluwelen vlinders in de ogen. Bomen ruisend van zeegeheimen. Harten geploegde voorjaarsaarde, waar meeuwen fladderen in feestelijk begeren.
Erfenis van jouw zengende profeten. Ogen opengebrand tot het zuver been. De wijde mond zwart van roestig roepen. Schrijdend in mantels van woestijnzand langs neuzelende slangen van muziek. Bazalten raven dragen sprinkhanen aan.
Verwonderd lopen we door het stervormige wouddécor. Het park van Saint-Cloud. La Malmaison. Zie je hoe Fragonard pastel een feestscherm spant van gele zijde, de roze vrouwen in de poederlakens, hoe fonteinen stoeien, omslaand op de wind. En daar zit Joséphine mijmerend op de mossen houtwal, haar lange rok vol grijze schemering. Hoog bomen en de nacht die nog niet daalt met tintelende sterren, met harpklank rondom die vrouw, het beeld van heimwee in het zwaar avondlicht van een vergulde liefde.
Wanneer de schemer uilenvleugels langs de ceders en de hoge beuken strijkt zwerven we langs de vijver. Voeren de marmerstille zwanen, luisteren naar de wind in kalk en klimop.
Ik leg de handen over zijn brandende oosterse ogen in een sluier rook, ik eet de volle vruchten van zijn zoete lippen. Hij lacht en kreunt.
Hier groeiden wij nader tot elkaar. Op dat fond van ons verleden en dat van de wereld wil ik hem heiligen, een mythe scheppen van liefde, uitputtend van overvloed en van gemis. Een sage om de vlugge gazel van zijn gang.
En steeds zullen het zijn ogen zijn die glanzen als befloerst juweelsteen of die gloeien, dwingend centraal als in een romaans emailmozaïk. Zijn ogen die ik noemde: topazen door een rag van struisveer, verloren barnsteentranen in berookt mos. Zijn ogen die steeds groter zullen groeien.
En steeds weer zal het ook zijn lichaam zijn, dat vlug havanalijf van duikelende saltimbank, dat bitter geurend lichaam dat mij dieper heeft bevredigd dan enig lijf en dat mij steeds weer is ontglipt.”

Roep

Al wat ik ben krimpt samen tot een kreet.
Ik heb mijn vers van elke tooi ontdaan:
een oproep; ik bezweer de eenzaamheid
met deze kristallen gebaren. Kom!
Al mijn zintuigen werden doelloos sinds ze
niet langer meer jouw heerlijkheid beleven.
Ik ben een spiegel in een lege kamer
vergeten fluit, piano die op slot is.
Weerkaats in mij, open mij en bespeel me,
je lied en beeltenis worden tijdeloos;
de weelde van mijn woord zal pas herleven
bij de genade van je jonge rug.

 
Hans Warren (20 oktober 1921 – 19 december 2001)
Portret door Reynier de Myunk, 1986

Lees verder “Hans Warren, Mustafa Stitou, Arthur Rimbaud, Marnix Gijsen, Oskar Pastior, Elfriede Jelinek”