Candlemas (John Henry Newman), Günter Eich

 

Bij Maria Lichtmis

 

Presentatie van Christus in de tempel door Fra Angelico, 1438 (San Marco klooster in Florence)

 

Candlemas

The Angel-lights of Christmas morn,
Which shot across the sky,
Away they pass at Candlemas,
They sparkle and they die.

Comfort of earth is brief at best,
Although it be divine;
Like funeral lights for Christmas gone,
Old Simeon’s tapers shine.

And then for eight long weeks and more
We wait in twilight grey,
Till the high candle sheds a beam
On Holy Saturday.

We wait along the penance-tide
Of solemn fast and prayer;
While song is hush’d, and lights grow dim
In the sin-laden air.

And while the sword in Mary’s soul
Is driven home, we hide
In our own hearts, and count the wounds
Of passion and of pride.

And still, though Candlemas be spent
And Alleluias o’er,
Mary is music in our need,
And Jesus light in store.

 

John Henry Newman (21 februari 1801 – 11 augustus 1890)
De St. Mary Aldermary Church in Londen, de geboorteplaats van John Henry Newman

 

De Duitse dichter en schrijver Günter Eich werd geboren op 1 februari 1907 in Lebus an der Oder. Zie ook alle tags voor Günter Eich op dit blog.

 

Inventarisatie

Dit is mijn muts,
dit is mijn jas,
hier is mijn scheerset
in een linnen zak.
Conservenblikje:
mijn bord, mijn beker,
ik heb in het vertinde blik
mijn naam gekrast.
Gekrast hier met deze
kostbare nagel,
die ik voor hebzuchtige
ogen verberg.
In mijn broodzak zitten
een paar wollen sokken
en een paar dingen die
die ik niemand vertel,
zo dient hij als kussen
voor mijn hoofd ’s nachts.
Het karton hier ligt
tussen mij en de
aarde.
De potloodstift
is mij het dierbaarst:
Overdag schrijft hij
verzen voor me
die ik ’s nachts heb bedacht.
Dit is mijn notitieboekje,
dit is mijn tentdoek,
dit is mijn handdoek,
dit is mijn draad.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Günter Eich (1 februari 1907 – 20 december 1972)

 

Zie ook alle tags voor Maria Lichtmis op dit blog.

Zie voor de schrijvers van de 2e februari ook mijn blog van 2 februari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

De Wijzen (Hélène Swarth), Alfred Tomlinson

 

Bij de viering van Driekoningen

 

De aanbidding der Wijzen door Luigi Miradori (il Genovesino), 1640-1650

 

DE WIJZEN

Zij zagen blank een wonderster verrijzen.
Die ster te volgen dreef hun zieledrang.
Door woestenij geen dooltocht zwaar en bang:
Trouw blonk de ster en bleef hen wijzen.

Plots in den hoge hoorden ze engelzang –
Een arme grot was ’t einddoel van hun reizen.
De kemels knielden. En de grote wijzen
Aanschouwden ’t kind, geprofeteerd zó lang.

Een arme stal – Daar lag en lachte zoetjes,
In schamel stro het stralend Godekind
En hief zijn handje zegenend met groetjes.

De wijzen bogen door zijn glans verblind
En vlijden, wenend, blij door Hem bemind,
Goud, mirre en wierook aan zijn blote voetjes.

 

Hélène Swarth (25 oktober 1859 – 20 juni 1941)
Kerstsfeer in Amsterdam, de geboorteplaats van Hélène Swarth

 

De Engelse dichter, vertaler en graficus Alfred Charles Tomlinson werd geboren op 8 januari 1927 in Stoke-on-Trent, Staffordshire. Zie ook alle tags voor Alfred Tomlinson op dit blog.

 

De mergelgroeven

Het was naar een landschap van water, licht en lucht
Dat ik zocht – om mijzelf vrij te spreken van een wereld
Waarin stoïcijnse lethargie de enige repliek scheen
Op horizonnen en de straten die hen de weg versperden
In een monotone damp, een gloed van grijsheid.
Ik vond mijn spraak. En nu, na jaren teruggekeerd
Om te verhalen van alles wat bezielde en verstikte,
Inhaleer ik de vertrouwde, groezelige lucht
Uit een landschap van opgegraven ingewanden, onderwerelden
Vrijgegeven door omringend klei. Met het delven
Van de mergel werd een tweede natuur blootgelegd
En water dat, omhooggesijpeld om de groeven op te vullen,
Hen uitstrekte tot knipperende, schitterende meren
Tussen torens en spitsen, straten en braakland
In trage ontginningen, glinsterplekken, balanceringen,
Alsof ontvlammend Eden zijn eigen val herriep
En woorden en water uit dezelfde bron voortkwamen.

 

Vertaald door Peter Nijmeijer

 

Alfred Tomlinson (8 januari 1927 – 22 August 2015)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e januari ook mijn blog van 8 januari 2019 en ook mijn blog van 8 januari 2017 deel 2.

Der kleine Nimmersatt (Heinrich Seidel), Joseph Brodsky

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Prettig Kerstfeest!

 

Christmas Morning door Ronald Bayens, 2019

 

Der kleine Nimmersatt

Ich wünsche mir ein Schaukelpferd,
’ne Festung und Soldaten
und eine Rüstung und ein Schwert,
Wie sie die Ritter hatten.

Drei Märchenbücher wünsch’ ich mir
Und Farbe auch zum Malen
und Bilderbogen und Papier
Und Gold- und Silberschalen.

Ein Domino, ein Lottospiel,
Ein Kasperletheater,
Auch einen neuen Pinselstiel
Vergiss nicht, lieber Vater!

Ein Zelt und sechs Kanonen dann
Und einen neuen Wagen
Und ein Geschirr mit Schellen dran,
Beim Pferdespiel zu tragen.

Ein Perspektiv, ein Zootrop,
’ne magische Laterne,
Ein Brennglas, ein Kaleidoskop –
Dies alles hätt’ ich gerne.

Mir fehlt – ihr wisst es sicherlich –
Gar sehr ein neuer Schlitten,
Und auch um Schlittschuh’ möchte ich
Noch ganz besonders bitten.

Um weiße Tiere auch von Holz
Und farbige von Pappe,
Um einen Helm mit Federn stolz
Und eine Flechtemappe.

Auch einen großen Tannenbaum,
Dran hundert Lichter glänzen,
Mit Marzipan und Zuckerschaum
Und Schokoladenkränzen.

Doch dünkt dies alles euch zu viel,
Und wollt ihr daraus wählen,
So könnte wohl der Pinselstiel
Und auch die Mappe fehlen.

Als Hänschen so gesprochen hat,
Sieht man die Eltern lachen:
“Was willst du, kleiner Nimmersatt,
Mit all den vielen Sachen?

Wer so viel wünscht” – der Vater spricht’s –
“Bekommt auch nicht ein Achtel –
Der kriegt ein ganz klein wenig Nichts
In einer Dreierschachtel.”

 

Heinrich Seidel (25 juni 1842 – 7 november 1906)
Kapelletje in Perlin, de geboorteplaats Heinrich Seidel

 

De Russisch-Amerikaanse dichter en schrijver Joseph Brodsky werd op 24 mei 1940 in Leningrad (het huidige St.Petersburg) geboren als Iosif Brodski. Zie ook alle tags voor Joseph Brodsky op dit blog.

 

VERBEELD JE…

Verbeeld je, bij kaarslicht, de stal op die avond,
gebruik om de kou daar te voelen wat neervalt
in vlokken, om honger te voelen de afwas
en voor de woestijn al wat draait rond de aardas.

Verbeeld je de stal in de nacht na die avond,
Maria en Jozef en, meer op de voorgrond –
je rimpels zijn prooi van een handdoek geworden –
het slapende Kindje in doeken gewonden.

Verbeeld je drie koningen, drie karavanen,
drie stralen veeleer die de ster nader kwamen,
kamelen, hun vracht en ’t geklingel van bellen
(het Kindeke had nog niet veel te vertellen,
verdiende geen galmende klokken op voorhand).
Verbeeld je de Heer die op peilloze afstand
Zichzelf voor het eerst in de Heiland herkende:
een dakloze in een geboren ontheemde.

 

Vertaald door Peter Zeeman

 

Joseph Brodsky (24 mei 1940 – 28 januari 1996)
Sint Petersburg, de geboorteplaats van Joseph Brodsky in de Kersttijd

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e december ook mijn blog van 26 december 2018 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Vredevorst en Zijn rijk (Inge Lievaert), Clement Clarke Moore

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Prettig Kerstfeest!

 

Aanbidding door de herders door Theodoor Van Loon, 1635

 

Vredevorst en Zijn rijk

Hij is niet uit de lucht komen vallen
daar in Bethlehem
al klonk er de boodschap en het lied
van engelen
maar heeft moeten groeien
vanuit een vormeloos begin –
er was alleen maar een woord
dat mocht worden geloofd
en dat Zijn moeder ontvankelijk maakte

Ook de vrede
zal niet uit de lucht komen vallen
als een warm zacht kleed over ons heen
maar wil groeien
daar waar geen plaats is
vanuit een belofte
die mag worden geloofd
en die ontvankelijk maakt
tegen alle bedenkingen in –
wat je niet zien kunt
nog niet zien kunt
het rijk van vrede
het groeit al
het kiest mensen:
om gestalte te geven
handen en voeten
hier en nu

 

Inge Lievaart (14 april 1917 – 15 oktober 2012)
De Sint-Martinuskerk in Oosterend (Texel), de geboorteplaats van Inge Lievaert

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Clement Clarke Moore werd geboren op 15 juli 1779 in New York.

 

EEN BEZOEK VAN SINT NICOLAAS
HET WAS DE AVOND VOOR HET KERSTFEEST

Het was de avond voor het Kerstfeest, toen in huis
Geen enkel wezen zich verroerde, zelfs geen muis.
De sokken waren heel omzichtig, vol verlangen
Naar Sint Niek, nabij de haardstee opgehangen.
De koters lagen snoezig in hun ledikantjes
En zagen in hun droom een reidans van fondantjes.
We lagen net – ik had mijn slaapmuts opgezet
En mama droeg haar sjaaltje – knus en warm in bed,
Toen ik een wild geraas in onze voortuin hoorde.
lk sprong eruit, benieuwd naar wat mijn rust verstoorde,
Waarop ik ijlings naar het grote venster vloog:
Ik trok de luiken open, school het raam omhoog.
Het erf, dat onder verse sneeuw bedolven lag,
Leek in het maanlicht helder als bij klare dag.
Plots zag ik stomverbaasd een minuscule slee,
Getrokken door vier rendierkoppels, twee aan twee
Gemend door een bejaarde, kleine baas, zó kwiek,
Dat mij meteen to binnen schoot: dat is Sint Niek!

Zijn dravers suisden rapper dan een adelaar.
Hij floot, hij riep, hij noemde ieders naam zowaar:
“Ju, Splinter! Ju, Danser! Ju, Franker en Wonder!
Vort, Fund Von, Vuurbal! Von, Bliksem en Donder!
Voorbij het dak van de veranda! Hoger nog!
Vooruit! Vooruit nu met z’n alien! Haast je toch!
Als bladeren die vliedend voor het stormgetijde
Opwaarts zwierend elke hindernis vermijden,
Zo stoof de rendierkudde vinnig naar de nok
Met overvolle slede en de Kerstman op de bok.
Al na een tel bereikte mij vanaf het dak
Het opgetogen hoefgekletter en -geklak.
lk draaide me, het raam weer sluitend, haastig om
En zag toen hoe de Kerstman uit de schoorsteen klom,
Van top tot teen royaal gehuld in rossig bont,
Waarover zich een floers van roet en as bevond.
Hij droeg een zak die met cadeaus was volgestouwd
En leek een kramer die zijn bundel openvouwt.

Die sprankelende ogen en die speelse kuiltjes!
Zijn neus welhaast een kers, zijn wangen rozentuiltjes!

Hij oogde olijk met zijn opgekrulde mond
En hagelwitte baardje dat hem prima stond.
Voldaan omklemde hij een pijpje met zijn tanden:
De rook omkringelde zijn hoofd als een guirlande.
Hij had een bolle toet en ook een dikke, zachte
Buik, die schudde als gelei wanneer hij lachte.
Zó koddig was die dwerg, zo rond als een pompoen,
Dat ik moest grinniken – ik kon er niets aan doen.
Een knipoog en een hoofdknik waren meer clan zat
Om mij te tonen dat ik niets te vrezen had.
Hij sprak geen woord terwijl hij aan de arbeid toog
En vulde elke kous Daarna keek hij omhoog –
Hij hield een vingertje veelzeggend op zijn lippen
Alvorens door de open haard weer weg te glippen.
Met fel gefluit wend dra zijn roedel aangespoord –
Als distelpluisjes vlogen zij gewillig voort.
Maar eer hij echt verdween, riep hij uit alle macht:
“Een Vrolijk Kerstfeest, mensen, en een goede nacht!

 

Vertaald door Martin Hulsenboom

 

Clement Clarke Moore (15 juli 1779 – 10 juli 1863)
Kerstmis in New York, de geboorteplaats van Clement Clarke Moore

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e december ook mijn blog van 25 december 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Weihnachtsabend (Theodor Storm), Ingo Baumgartner

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers Prettige Kerstdagen!

 

De aanbidding door de herders door Benvenuto Tisi (Il Garofalo), 1530

 

Weihnachtsabend

Die fremde Stadt durchschritt ich sorgenvoll,
Der Kinder denkend, die ich ließ zu Haus,
Weihnachten war´s; durch alle Gassen scholl
Der Kinderjubel und des Markts Gebraus.

Und wie der Menschenstrom mich fortgespült,
Drang mir ein heiser Stimmlein an das Ohr:
“Kauft, lieber Herr!” Ein magres Händchen hielt
Feilbietend mir ein ärmlich Spielzeug vor.

Ich schrak empor, und beim Laternenschein
Sah ich ein bleiches Kinderangesicht;
Wes Alters und Geschlechts es mochte sein,
Erkannt ich im Vorübertreiben nicht.

Nur von dem Treppenstein, darauf es saß,
Noch immer hört ich, mühsam, wie es schien:
“Kauft, lieber Herr!” den Ruf ohn Unterlass;
Doch hat wohl keiner ihm Gehör verliehn.

Und ich? – War´s Ungeschick, war es die Scham,
Am Weg zu handeln mit dem Bettelkind?
Eh meine Hand zu meiner Börse kam,
Verscholl das Stimmlein hinter mir im Wind.

Doch als ich endlich war mit mir allein,
Erfasste mich die Angst im Herzen so,
Als säß mein eigen Kind auf jenem Stein
Und schrie nach Brot, indessen ich entfloh.

 

Theodor Storm (14 september 1817 – 4 juli 1888)
Husum, de geboorteplaats van Theodor Storm, in kerstsfeer

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Ingo Baumgartner werd op 24 december 1944 in Oberndorf an der Salzach geboren. Zie ook alle tags voor Ingo Baumgärtener op dit blog.

 

Voor het kribje

Een oude stal, de balken krommen
slechts door los metselwerk gestut.
Een wonder dat zovelen drommen
naar de grot die nauwelijks beschut.

Daar haasten herders zich en fluiten,
een hond wil bij de schapen horen.
Een meisje gaat haar lippen tuiten,
Zo trekt de scène haar naar voren.

In ‘t kribje is iets vreemds gelegd.
Os en ezel zien plots licht ontdaan.
Een kindje met wat lompen aan.
Daar ligt de Heiland naar men zegt.

Er is een stalllamp neergezet.
Een vrouw zit knielend in gebed.
Een lam dat rond de stroplaats gaat
Houdt vliegen weg met zijn geblaat..

De dieren zijn gemaakt van klei
De mensen ook, van hout en steen
de oude stal. Ik ga er heen,
kom in mijn droom er ook weer bij.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ingo Baumgartner (24 december 1944 – 16 juli 2015)
Oberndorf an der Salzach, de geboorteplaats van Ingo Baumgartner

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e december ook mijn blog van 24 december 2021 en ook mijn blog van 24 december 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Christmas Trees (Robert Frost), A. M. Homes, Gatien Lapointe

 

Bij de vierde zondag van de Advent

 

“Christmas Tree” door Alexander Dudin, 1953

 

Christmas Trees

(A Christmas Circular Letter)

The city had withdrawn into itself
And left at last the country to the country;
When between whirls of snow not come to lie
And whirls of foliage not yet laid, there drove
A stranger to our yard, who looked the city,
Yet did in country fashion in that there
He sat and waited till he drew us out
A-buttoning coats to ask him who he was.
He proved to be the city come again
To look for something it had left behind
And could not do without and keep its Christmas.
He asked if I would sell my Christmas trees;
My woods—the young fir balsams like a place
Where houses all are churches and have spires.
I hadn’t thought of them as Christmas Trees.
I doubt if I was tempted for a moment
To sell them off their feet to go in cars
And leave the slope behind the house all bare,
Where the sun shines now no warmer than the moon.
I’d hate to have them know it if I was.
Yet more I’d hate to hold my trees except
As others hold theirs or refuse for them,
Beyond the time of profitable growth,
The trial by market everything must come to.
I dallied so much with the thought of selling.
Then whether from mistaken courtesy
And fear of seeming short of speech, or whether
From hope of hearing good of what was mine, I said,
“There aren’t enough to be worth while.”
“I could soon tell how many they would cut,
You let me look them over.”

“You could look.
But don’t expect I’m going to let you have them.”
Pasture they spring in, some in clumps too close
That lop each other of boughs, but not a few
Quite solitary and having equal boughs
All round and round. The latter he nodded “Yes” to,
Or paused to say beneath some lovelier one,
With a buyer’s moderation, “That would do.”
I thought so too, but wasn’t there to say so.
We climbed the pasture on the south, crossed over,
And came down on the north. He said, “A thousand.”

A thousand Christmas trees!—at what apiece?”

He felt some need of softening that to me:
“A thousand trees would come to thirty dollars.”

Then I was certain I had never meant
To let him have them. Never show surprise!
But thirty dollars seemed so small beside
The extent of pasture I should strip, three cents
(For that was all they figured out apiece),
Three cents so small beside the dollar friends
I should be writing to within the hour
Would pay in cities for good trees like those,
Regular vestry-trees whole Sunday Schools
Could hang enough on to pick off enough.
A thousand Christmas trees I didn’t know I had!
Worth three cents more to give away than sell,
As may be shown by a simple calculation.
Too bad I couldn’t lay one in a letter.
I can’t help wishing I could send you one,
In wishing you herewith a Merry Christmas.

 

Robert Frost (26 maart 1874 – 29 januari 1963)
San Francisco, de geboorteplaats van Robert Frost, in de Adventstijd

 

De Amerikaanse schrijfster Amy Michael Homes werd geboren op 18 december 1961 in Washington DC. Zie ook alle tags voor A. M. Homes op dit blog.

Uit: Dagen van inkeer (Vertaald door Gerda Baardman en Monique ter Berg)

“Mijn broer komt tenslotte,’ zegt hij. Roger, zijn broer, komt één keer per jaar naar het strand, als een tropische storm die alles verandert.
‘Het is een prachtige dag,’ zegt ze. En ze heeft gelijk.
Tom zit in een lage stoel met zijn gezicht naar het water, zijn voeten begraven in het zand. Op de reddingspost vlak voor hem wappert zachtjes een Amerikaanse vlag. Zijn zonnebril is zijn schild, de dikke laag witte zonnebrand een soort futuristisch harnas waardoor hij kan doen alsof hij onzichtbaar is. Hij gelooft dat je op het strand mag staren, alsof je niet naar iemand maar dwars door iemand heen kijkt, voorbij iemand naar het water, voorbij het water naar de horizon, voorbij de horizon in de oneindigheid.
Hij ziet dingen die hij zich anders niet toestaat. Hij staart. Hij heeft ontzag, is gebiologeerd door het lichaam, door de elegantie en het gebrek aan elegantie. Hij neemt foto’s – ‘studies’ noemt hij die. Dat is zijn gewoonte, zijn hobby. Waar is hij naar op zoek? Wat denkt hij als hij dat doet? Dat vraagt hij zich af en hij merkt dat hij over zichzelf vaak in de derde persoon denkt – een onpartijdige toeschouwer.
Het wordt drukker op het strand, er worden badhanddoeken uitgerold en parasols opengeklapt alsof het feestversiering is, en wanneer het warmer wordt, worden lichamen langzamerhand uitgepakt. Van alle mensen weet juist hij wat wel en wat niet echt is. Je hebt degenen die zich het vlees van hun botten af hebben gehongerd en degenen die het chirurgisch hebben laten weghalen of laten verplaatsen. Iedereen takelt anders af – de putjes in de dijen, de zwembandjes, het onvermijdelijke uitzakken. Hij kan er niets aan doen dat hij het ziet.
Naast hem zitten zijn vrienden te praten. Hij weet niet wie precies wat zegt, daarvoor luistert hij niet goed genoeg – hij krijgt alleen een indruk, het ritme mee. ‘Heb jij gisteravond de vis genomen? Ik heb iets met vis gemaakt. We hebben vis gekocht. Zijn broer is dol op vissen. Ik heb een halsketting gekocht. Wij hebben een huis gekocht. Ik heb nog een horloge gekocht. Hij overweegt een nieuwe auto te kopen. Heb jij er vorig jaar niet een gekocht? Ik wil verbouwen. Jullie huis is zo mooi. Vroeger was zijn vrouw een schoonheid. Kun je je haar nog voor de geest halen? Ben ik nooit vergeten. Tom is een keer met haar uit geweest.”

 

A. M. Homes (Washington DC, 18 december 1961)
Washington in de Adventstijd

 

De Canadese dichter en schrijver Gatien Lapointe werd geboren op 18 december 1931 in Québec. Zie ook alle tags voor Gathien Lapointe op dit blog.

 

De hoop van de wereld

De dag begon te groeien
Iedereen herkende zijn gezicht zijn landschap
In het geheim sprak iedereen over leven en liefhebben

We hebben onze handen met zachte aarde bedekt
We hebben het gewicht van een dag gewogen
We hebben de opmars van de seizoenen leren kennen
We hebben een weg gevonden van het moment naar het jaar
We hebben bloemen in het hout van onze deuren gezaaid
We hebben een groot vuur aan op de berg aangestoken
We hebben ons gezicht aan de rivier gegeven
We hebben de gedenkplaten van de stad vastgemaakt
We hebben vanaf hier namen geschreven op naam frontons
We hebben met de spar en de esdoorn gedroomd
We hebben de brandende ogen van de zon met water gevuld
We hebben onder elke wolk een bron verstopt
We hebben de zwerfdieren in de hand genomen
We hebben het bed van het eerste paar laten bloeien
We hebben de dauw op onze ramen verspreid
We hebben de nacht met open wonden gemarkeerd
We hebben ons het grote werk van de dag voorgesteld
We hebben van ons lichaam een taal van hier gemaakt
We hebben onze kindertijd met namen van bomen gedoopt
We hebben zaden op elk getij geworpen
We hebben in elk vogelnest geblazen
We hebben onze wapens met sneeuw bedekt
We hebben lampen bij het rijzende brood geplaatst
We hebben onze leeftijd op de kale steen geschreven
We hebben eeuwig de eerste liefde gezworen

We zetten de hoop van de wereld voort.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Gatien Lapointe (18 décember 1931 – 15 september 1983)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e december ook mijn blog van 18 december 2018 en eveneens mijn blog van 18 december 2016 deel 2.

Johannes der Täufer (Johannes Kühn), Christoph W. Bauer 

 

Bij de derde zondag van de Advent

 

Sint Johannes de Doper in de Wildernis door Diego Velázquez,
tussen 1618 en 1625

 

Johannes der Täufer

Täufer,
es schreckt mich dein Heuschreckenessen,
dein Mut!
Es kamen die Seidenherrn
ausgeruht,
und du hast gegeißelt
mit Ruten ihr glattes Gesicht.
Noch ist es weit bis zu Herodias’ Schüssel,
wo dein abgeschlagenes Haupt
blutig glänzt, nach dem Tanze-
aber begonnen hat schon der Weg dorthin.
Hinter dir
Heiße Sonne,
so in Leidenschaft brennend dein Sinn
für des Herrn Gerechtigkeit.
Und vorbei
Glänzt der Fluss, so
lebendig dein Geist wie der Wellenschlag
und blitzend hell.
Ziegenfell,
deiner Bescheidenheit Kleid,
raues Haar, deiner Zunge
Ausweis, es gilt,
die Seidenherren zu strafen
und aufzurichten zu gutem Hosiannahgesang:
denn er ist gekommen
aus seinen Himmeln,
der Herr.

 

Johannes Kühn (Tholey, 3 februari 1934)
Adventsmarkt aan de voet van de Schaumbergturm bij Tholey

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver en vertaler Christoph W. Bauer werd geboren in Kolbnitz op 11 december 1968 (niet 26 september). Zie ook mijn blog van 26 september 2010 en ook alle tags voor Christoph W. Bauer op dit blog.

 

als een vreemde ben ik ingetrokken onder mijn huid

als een vreemde ben ik ingetrokken onder mijn huid
dat is de aanschouwelijkste manier om het te zeggen
in de spiegel blijft het tegenover onbekend
beter zo dan anders geen reden tot klagen

de hersenen volgepompt met drugs van verlangen
met hersenschimmen die de winter verpulveren
mijn blik heeft de ruimte verdraaid
om de deur niet uit het oog te verliezen

zit ik in met mijn rug naar de muur
doe net alsof het onvermijdelijk was
de koffers onder handbereik paspoort in de hand

als een dakloze in het lichaamseigen huis
geen idee wie mij drijft om zo te leven
ik weet maar één ding als vreemde trek ik er weer uit

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph W. Bauer (Kolbnitz, 11 december 1968)
Kerstmarkt op de binnenplaats van Schloss Porcia in het district Spittal/Drau, waar Kolbnitz toe behoort

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e december ook mijn blog van 11 december 2018 en eveneens mijn blog van 11 december 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

St. John the Baptist: 1 St. John’s Eve (Malcolm Guite), Rainer Maria Rilke

 

Bij de tweede zondag van de Advent

 

De prediking van Johannes de Doper in de woestijn door Massimo Stanzione, ca. 1635

 

St. John the Baptist: 1 St. John’s Eve

Midsummer night, and bonfires on the hill
Burn for the man who makes way for the Light:
‘He must increase and I diminish still,
Until his sun illuminates my night.’
So John the Baptist pioneers our path,
Unfolds the essence of the life of prayer,
Unlatches the last doorway into faith,
And makes one inner space an everywhere.
Least of the new and greatest of the old,
Orpheus on the threshold with his lyre,
He sets himself aside, and cries “Behold
The One who stands amongst you comes with fire!”
So keep his fires burning through this night,
Beacons and gateways for the child of light.

 

Malcolm Guite (Ibadan, 12 november 1957)
De St. Petrus kathedraal in Ibadan, Nigeria

 

De Duitse dichter Rainer Maria Rilke werd als René Karel Wilhelm Johann Josef Maria Rilke op 4 december 1875 in Praag geboren. Zie ook alle tags voor Rainer Maria Rilke op dit blog.

 

Die dritte Elegie

Eines ist, die Geliebte zu singen. Ein anderes, wehe,
jenen verborgenen schuldigen Fluß-Gott des Bluts.
Den sie von weitem erkennt, ihren Jüngling, was weiß er
selbst von dem Herren der Lust, der aus dem Einsamen oft,
ehe das Mädchen noch linderte, oft auch als wäre sie nicht,
ach, von welchem Unkenntlichen triefend, das Gotthaupt
aufhob, aufrufend die Nacht zu unendlichem Aufruhr.
O des Blutes Neptun, o sein furchtbarer Dreizack,
o der dunkele Wind seiner Brust aus gewundener Muschel.
Horch, wie die Nacht sich muldet und höhlt. Ihr Sterne,
stammt nicht von euch des Liebenden Lust zu dem Antlitz
seiner Geliebten? Hat er die innige Einsicht
in ihr reines Gesicht nicht aus dem reinen Gestirn?

Du nicht hast ihm, wehe, nicht seine Mutter
hat ihm die Bogen der Braun so zur Erwartung gespannt.
Nicht an dir, ihn fühlendes Mädchen, an dir nicht
bog seine Lippe sich zum fruchtbarern Ausdruck.
Meinst du wirklich, ihn hätte dein leichter Auftritt
also erschüttert, du, die wandelt wie Frühwind?
Zwar du erschrakst ihm das Herz; doch ältere Schrecken
stürzten in ihn bei dem berührenden Anstoß.
Ruf ihn … du rufst ihn nicht ganz aus dunkelem Umgang.
Freilich, er will, er entspringt; erleichtert gewöhnt er
sich in dein heimliches Herz und nimmt und beginnt sich.
Aber begann er sich je?
Mutter, du machtest ihn klein, du warsts, die ihn anfing;
dir war er neu, du beugtest über die neuen
Augen die freundliche Welt und wehrtest der fremden.
Wo, ach, hin sind die Jahre, da du ihm einfach
mit der schlanken Gestalt wallendes Chaos vertratst?
Vieles verbargst du ihm so; das nächtlich-verdächtige Zimmer
machtest du harmlos, aus deinem Herzen voll Zuflucht
mischtest du menschlichern Raum seinem Nacht-Raum hinzu.
Nicht in die Finsternis, nein, in dein näheres Dasein
hast du das Nachtlicht gestellt, und es schien wie aus Freundschaft.
Nirgends ein Knistern, das du nicht lächelnd erklärtest,
so als wüßtest du längst, wann sich die Diele benimmt …
Und er horchte und linderte sich. So vieles vermochte
zärtlich dein Aufstehn; hinter den Schrank trat
hoch im Mantel sein Schicksal, und in die Falten des Vorhangs
paßte, die leicht sich verschob, seine unruhige Zukunft.

Und er selbst, wie er lag, der Erleichterte, unter
schläfernden Lidern deiner leichten Gestaltung
Süße lösend in den gekosteten Vorschlaf —:
schien ein Gehüteter … Aber innen: wer wehrte,
hinderte innen in ihm die Fluten der Herkunft?
Ach, da war keine Vorsicht im Schlafenden; schlafend,
aber träumend, aber in Fiebern: wie er sich ein-ließ.
Er, der Neue, Scheuende, wie er verstrickt war,
mit des innern Geschehens weiterschlagenden Ranken
schon zu Mustern verschlungen, zu würgendem Wachstum, zu tierhaft
jagenden Formen. Wie er sich hingab —. Liebte.
Liebte sein Inneres, seines Inneren Wildnis,
diesen Urwald in ihm, auf dessen stummem Gestürztsein
lichtgrün sein Herz stand. Liebte. Verließ es, ging die
eigenen Wurzeln hinaus in gewaltigen Ursprung,
wo seine kleine Geburt schon überlebt war. Liebend
stieg er hinab in das ältere Blut, in die Schluchten,
wo das Furchtbare lag, noch satt von den Vätern. Und jedes
Schreckliche kannte ihn, blinzelte, war wie verständigt.
Ja, das Entsetzliche lächelte … Selten
hast du so zärtlich gelächelt, Mutter. Wie sollte
er es nicht lieben, da es ihm lächelte. Vor dir
hat ers geliebt, denn, da du ihn trugst schon,
war es im Wasser gelöst, das den Keimenden leicht macht.

Siehe, wir lieben nicht, wie die Blumen, aus einem
einzigen Jahr; uns steigt, wo wir lieben,
unvordenklicher Saft in die Arme. O Mädchen,
dies: daß wir liebten in uns, nicht Eines, ein Künftiges, sondern
das zahllos Brauende; nicht ein einzelnes Kind,
sondern die Väter, die wie Trümmer Gebirgs
uns im Grunde beruhn; sondern das trockene Flußbett
einstiger Mütter —; sondern die ganze
lautlose Landschaft unter dem wolkigen oder
reinen Verhängnis —: dies kam dir, Mädchen, zuvor.

Und du selber, was weißt du —, du locktest
Vorzeit empor in dem Liebenden. Welche Gefühle
wühlten herauf aus entwandelten Wesen. Welche
Frauen haßten dich da. Was für finstere Männer
regtest du auf im Geäder des Jünglings? Tote
Kinder wollten zu dir … O leise, leise,
tu ein liebes vor ihm, ein verläßliches Tagwerk, — führ ihn
nah an den Garten heran, gieb ihm der Nächte
Übergewicht ……
Verhalt ihn ……

 

Het leven van den kloosterling

Zoo eindde slechts als kind de nacht,
in zulk een vast vertrouwen,
na elke angst opnieuw bedacht
u weder te aanschouwen.
Ik weet, zoovaak mijn denken splijt,
zoo diep, zoo sloopend ver -:
gij enkel zijt en zijt en zijt,
ons trillend als een ster.

Mij is ’t, als waar’ ik tegelijk
kind, knaap en man en meer.
Ik voel alleen, de ring is rijk
door zijnen wederkeer.

Ik fluister dank, gij diepe kracht,
die met mij arbeidt, zachter, zacht,
als achter vele wanden;
nu wordt mij eerst de dag gewijd,
heilige aandacht, die zich spreidt
over mijn donk’re handen.

 

Vertaald door Reinold Kuipers

 

Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Kerstmarkt in Praag, de geboorteplaats van Rainer Maria Rilke

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e december ook mijn blog van 4 december 2018 en eveneens mijn blog van 4 december 2017 en ook mijn blog van 4 december 2016 deel 3.

Im Advent (Karl Rudolf Hagenbach), Nicole Brossard

 

Bij de eerste zondag van de Advent

 

Christkindlmarkt auf dem Oberen Stadtplatz von Deggendorf door Peter Jaru, 2012

 

Im Advent

Horch! was klirrt an Thür und Fenstern,
Horch! was rieselt durch den Wind?
Seid nur ruhig, vor Gespenstern
Fürchtet sich kein frommes Kind;
Nur der Englein Flügelrauschen
Hört es wachend und im Traum,
Nur dem Christkind gilt sein Lauschen
Mit dem schönen Weihnachtsbaum.

Christkind naht aus stillen Tritten
Morgens, Abends, für und für,
Horchet auf der Kinder Bitten
Draußen vor der Stubenthür;
Was es ihnen möge bringen
Schönes, Gutes allerlei,
Doch es fragt vor allen Dingen,
Wer da gut und artig sei?

Ferne merkt es die Gedanken,
Leise hört es jedes Wort,
Da wo Linnen ist und Zanken,
Schleicht es bang und traurig fort;
Aber wo mit holden Scherzen
Kinder froh beisammen sind,
Ach, da freut sich deß von Herzen
Das verborg’ne Weihnachtskind;

Freuet sich dem Fest entgegen,
Wie die Kinder alle thun,
Kann auch dieser Freude wegen
Nimmer rasten, nimmer ruhn,
Fliegt in heiligem Entzücken
Himmelaus und Himmelan,
Bis es alle Welt beglücken,
Alle Kinder segnen kann.

Wollen denn des Kindleins warten,
Warten, hoffen, früh und spät,
Bis das Wünschen aller Arten
Reichlich in Erfüllung geht,
Bis du wirklich uns erscheinest,
Christkind! in dem Strahlenkranz,
Jung und Alt im Chor vereinest
Um des Baumes Lichterglanz!

 

Karl Rudolf Hagenbach (4 maart 1801 – 7 juni 1874)
Kerstmarkt op de Münsterplatz in Basel, de geboorteplaats van Karl Rudolf Hagenbach

 

De Canadese dichteres en schrijfster Nicole Brossard werd geboren op 27 november 1943 in Montreal (Quebec). Zie ook alle tags voor Nicole Brossard op dit blog.

Steden na de ramp

als de stilte overstroomt
het licht voor en na de ramp
steden met de wind in hun haren
omdat je graag rechtop staat om
onder de bruggen het water van de snelle stroom en de levendige bron
te zien rollen door de tijd als in je borstkast
dan zie je ze van ver terugkomen
Paul Celan en Virginia Woolf
die haastig voortisnellen

 

Nicole Brossard (Montreal, 27 november 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e november ook mijn blog van 27 november 2021 en ook mijn blog van 27 november 2018 en eveneens mijn blog van 27 november 2017.

The Kingdom (R. S. Thomas), Scott Cairns 

 

Bij Christus Koning

 

Christus als Koning, geschilderd op de tussenverdieping in de Heilig Kreuz Kirche in Goesdorf, Luxemburg

 

The Kingdom

It’s a long way off but inside it
there are quite different things going on;
festivals at which the poor man
is king and the consumptive is
healed; mirrors in which the blind look
at themselves and love looks at them
back; and industry is for mending
the bent bones and the minds fractured
by life. It’s a long way off, but to get
there takes no time and admission
is free, if you will purge yourself
of desire, and present yourself with
your need only and the simple offering
of your faith, green as a leaf.

 

R. S. Thomas (29 maart 1913 – 25 september 2000)
De St John the Baptist Church in Cardiff, de geboorteplaats van R. S. Thomas

 

De Amerikaanse dichter, librettist en essayist Scott Cairns werd geboren op 19 november 1954 in Tacoma, Washington. Zie ook alle tags voor Scott Cairns op dit blog.

 

Voordracht

Hij viel toen niet, blind op een weg,
evenmin verdween zijn levenslange verlamming.
Hij hoorde geen stem, behalve de bekende,

onophoudelijk, zelfondervraging
van de pijnlijk verwarde De ketel stoomde
en floot. Een zware vrachtwagen schakelde terug

vlakbij het plein. Hij hoorde een kind roepen,
en hoorde een rouwende duif zijn eigen
doffe roep inzetten. Ondanks dat alles bleef zijn verstand

vrij nevelig. Hij ademde en sprak de woorden die hij las.
Als wat allang dood was toen tot leven kwam,
dan was die opstanding blijkbaar

metaforisch. Het wonder vond plaats
zonder vertoon. Hij hield een boek vast en terwijl hij las
vond hij precies wat hij zocht. Alleen dat.

Een leven met weinig pijn behalve één, het geluksgeschenk
van een rafelig boek, een ketel die langzaam opwarmt,
en dus tijd genoeg om het boek op te nemen

en in een kleine passage juist die wens te vinden
die hij niet hardop durfde te uiten, dat wil zeggen, totdat
hij de woorden uitsprak die hij las.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Scott Cairns (Tacoma, 19 november 1954)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e november ook mijn blog van 19 november 2020 en ook mijn blog van 19 november 2018 en eveneens mijn blog van 19 november 2017 deel 3.