Palmsonntagmorgen (Emanuel Geibel), Joy Ladin

 

 

De intocht in Jeruzalem door Willem van Herp, 2e helft 17e eeuw

 

Palmsonntagmorgen

Es fiel ein Tau vom Himmel himmlisch mild,
Der alle Pflanzen bis zur Wurzel stillt;
Laß dein Sehnen,
Laß die Thränen!
Es fiel ein Tau, der alles Dürsten stillt.

Ein sanftes Sausen kommt aus hoher Luft.
Still grünt das Thal und steht in Veilchenduft;
Göttlich Leben
Fühl’ ich weben,
Ein sanftes Sausen lommt aus hoher Luft.

Wie Engelsflügel blitzt es über Land;
Nun schmück’ dich, Herz, thu an ein rein Gewand.
Sieh, die Sonne
Steigt in Wonne,
Wie Engelsflügel blitzt es über Land.

Macht weit das Thor! Der König ziehet ein,
Die Welt soll jung und lauter Friede sein;
Streuet Palmen!
Singet Psalmen!
Hosianna singt, der König ziehet ein!

 

Emanuel Geibel (17 oktober 1815 – 6 april 1884)
De St. Marienkirche in Lübeck, de geboorteplaats van Emanuel Geibel

 

De Amerikaanse dichteres, schrijfster en hoogleraar transgender-wetenschappen Joy Ladin werd geboren in Rochester, New York, op 24 maart 1961. Zie ook alle tags voor Joy Ladin op dit blog.

 

Psalm

Je wilt het alletwee, de zon zijn
en de wolken die hem smoren, het hart
en hart dat het doet breken, zinloos lijden

en de waarheid
die het verlicht. Leuk werk
als je geluk hebt

maar wat geluk betreft
gun ik jou niks. Jij die je voorstelt
als een appel die zijn rood aanzet

binnen mijn bereik, bengelend
aan de laagste tak, een bouquet
van welige hermeneutiek

dat elk moment, triviaal en tragisch, drenkt
in eau d’significance. Want
wat wat heb ik te wensen? Jouw engelen

blakerden de bomen
van het leven en de kennis,
hoewel ik prima rond kon komen

schransend
van hun as. Ook jij
hebt smaak voor as. Naar as. Naar iets

dat brandde lang geleden
en nog altijd brandt
ergens dicht bij mijn mond, de rook van jou

die mijn neus verstopt,
een hulpkreet
die ik in mijn verveling

niet meer horen kan. Jij verleidt me met het fruit
van je intimiteit, infiniteit klef
als sterrenvonkhoning, fijnbepinde borstels

van vergiffenis, het amper herinnerde
koeren van een moeder
die me in slaap zingt tegen haar borst,

mijn eerste fiets, het wellende zongewarmde
moerbeiensap
van immer. Jij wast het doodgaan

van mijn handen weg
en staat daar met
je ondoorgrondelijke trekken

terwijl ik weer sterf. Geen wonder
dat je zo mijn afkeer wekt. Geen wonder
dat ik smacht naar dat je bij me bent, appel vlammend

in de vlammende takvork
die brandt in de schaamstreek der geschiedenis.

 

Vertaald door Joost Baars

 

Joy Ladin (Rochester, 24 maart 1961)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e maart ook mijn blog van 24 maart 2021 en ook mijn blog van 24 maart 2020 en eveneens mijn blog van 24 maart 2019 en ook mijn blog van 24 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Zie ook alle tags voor Palmzondag op dit blog.

Palmsonntag I (Franz Alfred Muth), Thomas Glavinic, Peter Huchel

 

Bij Palmzondag

 

Palmpasen door Cornelis ‘Kees’ Andréa (1914-2006), z.j.

 

Palmsonntag I

Jubelnd, Palmen in den Händen,
Palmen streuend auf den Pfad,
Neuen Frühlings süße Spenden,
Um den Herrn die Menge nah`t.

Kinderunsschuld, Männer, Frauen,
Immer größer wird die Schar,
Alle auf de Einen schauen,
Auf den König wunderbar.

„Hosianna, Jesse`s Rose,
Fürst der Friedenspalmen schwingt,
Der aus dunklem Todesschlooße
Leben neu der Erde bringt!”

Doch der Herr schaut düster ragen
Schon des Kreuzes dürren Stamm,
Sieht sich selbst daran geschlagen
Als der Sünder Opferlamm

Was gesündigt war vom Stolze,
Wird durch Demut nun gebüßt;
Aus dem dürren Todesholze
Licht des Lebens Palme sprießt.

Und die Welt mag Palmen brechen:
Unschuld, Liebe, Opfersinn!
Mag in Himmelsfrieden sprechen:
„Dank, daß ich erlöset bin!”

 

Franz Alfred Muth (13 juni 1839 – 3 november 1890)
De Liebfrauenkirche in Hadamer, de geboorteplaats van Franz Alfred Muth

 

De Oostenrijkse schrijver Thomas Glavinic werd geboren op 2 april 1972 in Graz. Zie ook alle tags voor Thomas Glavinic op dit blog.

Uit: Unterwegs im Namen des Herrn

„Der alte Kappenmann steigt ein und versucht mit dem Reiseleiter ein persönliches Gespräch zu beginnen, wird von diesem jedoch schroff nach hinten gescheucht.
Wir rollen auf den slowenischen Grenzposten zu. Ein vollbärtiger Beamter winkt uns durch. Rudi steuert den Bus wieder auf die Autobahn, und der Reiseleiter gibt über Mikrophon bekannt, dass in Slowenien immer der Rosenkranz gebettet werden muss, weswegen wir jetzt sofort den
Vorbetter brauchen.
Schweigen. Auch die vier Frauen neben mir schauen aus dem Fenster.
»Einen brauchen wir. Herr Thomalla! Ach so, Entschuldigung, Domweber. Nicht? Frau Josefa? Bitte, Frau Josefa!«
Schweigen. Der Reiseleiter steht im Gang und wirft durchdringende Blicke auf die Pilger.
»Herr Ludwig? Ach so, Leo, Entschuldigung. Herr Leo, doch! Kommen Sie! Nein? Herr Jim? No?«
Stille. Der Reiseleiter starrt nach hinten.
»Gar niemand? Einer muss doch. Frau Andrea, Sie können das. Aber sicher! Ach so, Anna! Am Anfang hab ich immer die Namen noch nicht so intus.«
Stille. Der Reiseleiter starrt nach hinten.
»Herr Stefan? Resi? Die Resi vielleicht diesmal? Ach so, Rosi, meiner Seel.«
Zwei, drei, vier Minuten unerträgliche Stille. Die Szene
wird immer bizarrer. Seit fünf, seit sechs, seit sieben Minuten steht der Reiseleiter vor uns, der Bus wackelt, der Reiseleiter wackelt, der alte Reiseleiterkopf wackelt bekräftigend
auf und ab, die dürren Hände krümmen sich zu einem flehenden Bittebitte um das Mikrophon. Wieder und wieder machen diese greisen Hände bitte-bitte. Bitte-bitte, bitte-bitte, bitte-bitte. Und der Kopf nickt: Ja! Ja! Ja! Oja! Und mir fällt plötzlich auf, dass er sich nur zwei Namen problemlos
gemerkt hat: Thomas und Ingo.
Nachdem eine weitere lange Minute vergangen ist, verändert sich etwas an seiner Miene. Er fixiert jemanden, das merke ich. Er sagt nichts, schaut aber eine Person im hinteren Teil des Busses unverwandt an. Dabei geht der Kopf begütigend auf und ab, ja, oja, bitte-bitte. Es sieht so grotesk aus, dass ich nicht einmal einen Schluck Wasser nehmen kann, weil ich am Wackelgesicht des Reiseleiters hänge, dessen Blick irgendjemanden hinter mir gnadenlos durchbohrt.“

 

Thomas Glavinic (Graz, 2 april 1972)

 

De Duitse dichter Peter Huchel werd geboren in Lichterfelde bij Berlijn op 3 april 1903. Zie ook alle tags voor Peter Huchel op dit blog.

 

Winterse psalm

Daar ging ik in de lome kou van de lucht
En liep de weg af naar de rivier,
Zag ik het kuiltje in de sneeuw,
Waar ’s nachts de wind
Met een platte schouder had gelegen.
Zijn breekbare stem
In de bevroren takken hierboven,
Stootte zich aan de illusie van witte lucht:
“Alles wat begraven ligt, kijkt me aan.
Moet ik het uit het stof tillen
En aan de rechter laten zien? Ik zwijg.
Ik wil geen getuige zijn.”
Zijn gefluister stierf weg,
Door geen vlam gevoed.

Waar je valt, o ziel,
Niet weet het de nacht. Want er is niets
Dan van vele wezens de stomme angst.
De getuige stapt naar voren. Het is het licht.

Ik stond op de brug
Alleen voor de lome kou van de lucht.
Ademt nog steeds zwak,
Door de keel van het riet,
De bevroren rivier?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Peter Huchel (3 april 1903 – 30 april 1981)

 

Zie voor de schrijvers van de 2e april ook mijn blog van 2 april 2022 en ook mijn blog van 2 april 2020 en eveneens mijn blog van 2 april 2019 en ook  mijn blog van 2 april 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Palm-Sunday (Henry Vaughan)

 

Bij Palmzondag

 

Palmzondag door Albert Stevens, 1862

 

Palm-Sunday

Come, drop your branches, strow the way
Plants of the day!

Whom sufferings make most green and gay.

The King of grief, the man of sorrow
Weeping still, like the wet morrow,
Your shades and freshness comes to borrow.

Put on, put on your best array;
Let the joy’d rode make holy-day,
And flowers that into fields do stray,
Or secret groves, keep the high-way.

Trees, flowers & herbs; birds, beasts & stones,
That since man fell, expect with groans
To see the lamb, which all at once,
Lift up your heads and leave your moans!
For here comes he
Whose death will be
Mans life, and your full liberty.

Hark! how the children shril and high
Hosanna cry,
Their joys provoke the distant skie,

Where thrones and Seraphins reply,
And their own Angels shine and sing
In a bright ring:
Such yong, sweet mirth
Makes heaven and earth
Joyn in a joyful Symphony,

The harmless, yong and happy Ass,
Seen long before this came to pass,
Is in these joys an high partaker
Ordain’d, and made to bear his Maker.

Dear feast of Palms, of Flowers and Dew!
Whose fruitful dawn sheds hopes and lights;
Thy bright solemnities did shew,
The third glad day through two sad nights.

I’le get me up before the Sun,
I’le cut me boughs off many a tree,
And all alone full early run
To gather flowers to wellcome thee.

Then like the Palm , though wrong, I’le bear,
I will be still a childe, still meek
As the poor Ass, which the proud jear,
And onely my dear Jesus seek.

If I lose all, and must endure.
The proverb’d griefs of holy Job ,
I care not, so I may secure
But one green Branch and a white robe .

 

Henry Vaughan (17 april 1622 – 28 april 1695)
St. Ffraid, de parochkerk in Llansanffraid, de geboorteplaats van Henry Vaughan

 

Zie voor de schrijvers van de 10e april ook mijn blog van 10 april 2021 en ook mijn blog van 10 april 2020 en eveneens mijn blog van 10 april 2019 en ook mijn blog van 10 april 2016 deel 2.

Palm Sunday (Eugene Gloria), Ada Limón

 

Bij Palmzondag

 

De intocht van Christus in Jeruzalem door Jan van Scorel, ca. 1526

 

Palm Sunday

Always the sky keeps expanding.
Wide as America’s brave margins,
wide as my loneliness in the Middle West.
I lean against a dust cloud behind us,
the glory sinking into a muted timberline.
I am drunk with longing. The wind is singing—

my drunken friend, the wind, hurls
sweet curses at my face.
We have learned to love
this road, which lies down like pythons,
refuses to forgive our excesses,
refuses to consider us kin. Our driver’s

sign overhead reads, Jesus is my co-pilot.
Jesus who crossed the city
gates of his ancestors
on a road carpeted by palms.
Our goodtime driver must know this—
he drives with abandon,

despite our fragile cargo: scholars and accountants,
prophets and exiles all the same to him.
The road, which suggests things, is tired of ceremony.
It lies down to sleep like the snow.
Lie down TallMountain, lie down
Serafin Syquia, lie down Li-Young, lie
down Divakaruni, lie down Eman Lacaba,
lie down pilgrims of the open road.
Shameless, we gather our light
jackets in balls. We rest our heads,
our faces upturned to a squall of stars.
I near the end, my soul recites.

O loneliness, my body responds.
This empty road is a house
where no one lives. What strange fire
we bring when we come to this house.

 

Eugene Gloria (Manila, 1957)
De kathedraal van Manilla

 

De Amerikaanse dichteres Ada Limón werd geboren op 28 maart 1976 in Sonoma, Californië. Zie ook alle tags voor Ada Limón op dit blog.

 

Het contract zegt: we willen dat het gesprek tweetalig is

Als je komt, breng dan je bruin-
zijn mee zodat we er zeker van kunnen zijn dat we de financiers

zullen behagen. Wil je dit vakje?
aanvinken?; we vragen een beurs aan.

Heb je gedichten die ongedurige tieners
aanspreken? Tweetalige zijn het beste.

Wil je komen eten
met de sponsors en van Patrón nippen?

Kun je ons de verhalen vertellen die ons
ongemakkelijk maken, maar niet medeplichtig?

Lees niet dat ene voor waarin jij net
bent als wij. Geboren in een groen huis,

tuin, vertel ons niet hoe je tomaten
hebt geplukt en opat in de modder,

terwijl je keek hoe gieren op de weg de botjes
van een andere vogel kapot pikten. Vertel ons dat ene

over je vader, die wieldoppen stal,
nadat een collega had gezegd dat het dat was wat

zijn soort deed. Vertel ons hoe hij naar
de bijeenkomst kwam met een poncho aan

en probeerde de man zijn wieldoppen terug
te verkopen. Vermeld niet dat je vader

leraar was , Engels sprak, hield van
bier maken, hield van honkbal, vertel ons

opnieuw over de poncho, de wieldoppen,
hoe hij ze stal, hoe hij datgene deed,

waarvan hij wilde aantonen dat hij het niet deed.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ada Limón (Sonoma, 28 maart 1976)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e maart ook mijn blog van 28 maart 2020 en eveneens mijn blog van 28 maart 2019 en ook mijn blog van 28 maart 2017 en ook mijn blog van 28 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Palmzondag (Malcolm Guite), Mary Angelou

Bij Palmzondag

 

De intrede in Jeruzalem door Frans Francken de Jongere, tweede kwart 17e eeuw

 

Palm Sunday

Now to the gate of my Jerusalem,
The seething holy city of my heart,
The saviour comes. But will I welcome him?
Oh crowds of easy feelings make a start;
They raise their hands, get caught up in the singing,
And think the battle won. Too soon they’ll find
The challenge, the reversal he is bringing
Changes their tune. I know what lies behind
The surface flourish that so quickly fades;
Self-interest, and fearful guardedness,
The hardness of the heart, its barricades,
And at the core, the dreadful emptiness
Of a perverted temple. Jesus come
Break my resistance and make me your home.

 

Malcolm Guite (Ibanda, 12 november 1957)
Alpha and Omega Secondary School in Ibanda, de geboorteplaats van Malcolm Guite

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Maya Angelou (eig. Margueritte Johnson) werd geboren in Saint Louis, Missouri, op 4 april 1928. Zie ook alle tags voor Maya Angelou op dit blog.

Geraakt door een engel

Wij, niet gewend aan moed
ballingen van genot
leven opgerold in schelpen van eenzaamheid
totdat de liefde haar hoge heilige tempel verlaat
en in ons zicht komt
om ons vrij te maken om te leven.

Liefde komt aan
en in haar spoor komen extases
oude herinneringen aan plezier
oude geschiedenissen van pijn.
Maar als we moedig zijn,
slaat liefde de kettingen van angst weg
van onze ziel.

We zijn gespeend van onze verlegenheid
In het licht van de liefde
we durven dapper te zijn
En plotseling zien we
dat liefde alles kost wat we zijn
en ooit zullen zijn.
Toch is het alleen liefde
die ons vrijmaakt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Maya Angelou (4 april 1928 – 28 mei 2014)

 

Zie voor de schrijvers van de 5e april ook mijn blog van 5 april 2019 en ook mijn blog van 5 april 2018 en eveneens mijn blog van 5 april 2016.

Palmzondag (Willem de Mérode)

Bij Palmzondag

 

 
De intocht van Christus in Jeruzalem door Félix Louis Leullier, ca. 1800

 

Palmzondag

Wat zou ik graag de palmen zwaaien,
Nu Gij uw hoofdstad binnenrijdt,
Den weg met voorjaarsbloei bezaaien,
Mijn mantel spreiden als tapijt.

Wat zou ik graag de kindren hooren:
De meisjes arm aan arm gereid,
De hooge schelle jongenskoren,
Vol eerbied en brutaal jolijt.

Is ’t mij ontzegd tot U te komen
Als Gij straks binnen galoppeert,
Ik zie U in mijn wakkre droomen,
Ik hoor hoe alles jubileert.
Misschien dat Gij, hoe ik moog schromen,
Mijn zondig huis voor U begeert.

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
De Andreaskerk in Spijk (Delfzijl), de geboorteplaats van Willem de Mérode

 

Zie voor de schrijvers van de 14e april ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Jezus intrede in Jeruzalem (Nicolaas Beets)

Bij Palmzondag

 

 
De intocht van Jezus in Jeruzalem door Anthony van Dyck, 1617

 

Jezus intrede in Jeruzalem
Matth. XXI. v. 1-9.

Wat feestelijk hozannagalmen,
Wat luid gewoel in Davids stad,
Gezwier van schaduwende palmen
En kleederspreiding over ’t pad!
Wien groeten de opgetogen scharen?
Wiens statig’ intocht viert haar drom?
Wien spreidt men bloem en groene blaren,
En voert Hem zegevierende om?

Een Zegepraler, wien, na ’t strijden,
Een juichend volk met drift begroet?
Maar hij zou ’t oorlogsros beschrijden,
Nog kleurig van vergoten bloed.
Een lijfwacht zou zijn zij’ bekleeden,
De bloem van ’t overwonnen heir
Zou in zijns kleppers voetspoor treden,
Een keten slepend, Hem ter eer.

Of is ’t een uitgeroepen Koning,
Die ’t rijk aanvaard heeft door zijn recht,
Ten dage, die met praalvertooning
De kroon Hem op den tulband legt?
Maar neen, geen stoet van vorstenmagen,
Die voor zijn schreden zich verdringt;
Geen schepter wordt vooruitgedragen;
Geen schelle feestbazuin weerklinkt.

En toch een Vorst, maar niet van de aarde,
Is Hij wien ’t ezelveulen draagt;
Een prins, dien Davids dochter baarde,
Maar die geen zetel Davids vraagt,
Daar Hij zijn afkomst hooger rekent,
En hooger troon bestijgen zal;
Wiens naam Gezalfde Gods beteekent,
Wiens staf trekt over ’t wijd heelal.

Wie kent, van die zijn intocht vieren,
In Davids zegenrijke stad,
Wier handen hem de meien zwieren,
En kleedren spreiden op zijn pad;
Schoon zij den grooten Meester eeren,
Den Wonderdoener en Profeet,
Wie kent in Hem den Heer der Heeren,
Die Satan op den gorgel treedt?

Die d’ ijselijken strijd beginnen,
De schrikbre worstling aan zal gaan,
Waarin Hij Dood en Hel verwinnen,
En, zegevierder, op zal staan?
En hoe? Door lijden boven maten,
Door sterven, ’t menschdom ten rantsoen, –
Die nu Hem toejuicht op de straten,
Een lot, dat gij Hem aan zult doen!

Wij weten van uw zegepralen,
O Heer, in wien ons hart gelooft!
Wij koestren ons in ’t licht der stralen,
Die schittren om uw zeegrijk hoofd.
Wij heffen oog en hand en harte
Tot U, die op de wolken troont;
Gij waart op aarde een man van smarte,
Maar nu met hemelsche eer gekroond.

Hozanna! Koning, dien wij groeten;
Hozanna! Heer en Hoofd der Kerk!
Wij vallen needrig aan uw voeten,
Alleen door uw genade sterk.
Bekrachtig ons, gij Heer der Heeren,
Opdat wij, in uw naam gegord,
Verwinnaars, uit het strijdperk keeren,
Waarin ons zonde en dwaasheid stort.

 

 
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
De Nieuwe Kerk in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

Zie voor de schrijvers van de 25e maart ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Palmsonntag (Stefan Zweig)

 

Bij Palmzondag

 

 
De intocht van Christus in Jeruzalem door Peter Paul Rubens, 1632

 

Palmsonntag

Du Tag, der jedem Pilger Seligkeit verkündet,
Der jedem Leidensweg ein Morgenrot entzündet,
Du schöner Tag der Kinder, die mit grünen Zweigen
Die Straßen auf und ab sich sehr geschäftig zeigen
Und unterwegs den duftigen Reichtum gerne mehren,
Um Armevoll von frischem Glück nach Haus zu kehren

An jenem Tage sucht auch ich den jungen Ast,
Als Halt für meines Schicksals wintermüde Last.
Ich ging, ich schritt voran, auf trauervollen Wegen
Durch Sonne bald und bald durch grauen Regen,
Von Kerzenglanz verlockt, der unsre Andacht weiht
Und unserm Gottesdienst so holde Anmut leiht.
Die Chöre waren voll von hellem Kindersingen,
Das durch die Kirche zog auf unschuldsfrohen Schwingen;
Und Gott allein vernahm durch diesen lauten Sang
Ein Beten und ein Lied, das weinend aufwärts rang:

»Von einer Verbannung zur anderen ruhlos vertrieben,
Wahrhaftig, ich weiß keine Heimat, die je mir geblieben!
Die Bäume zumindest, sie haben doch Zeit, um zu blühn,
Um Früchte zu tragen, zu wachsen, zu Tode zu glühn,
Mir, mir ward nicht Zeit! Meine Pflicht will nicht warten und weilen,
Gott! Zwing mich nicht immer, aus Frieden in Fremde zu eilen;
Gott! Gönn mir im Schatten am Wegrand ein wenig Bestand,
Meine Kinder im Arm, meine Stirne gestützt in die Hand!

Ich kann nicht mehr gehn. Ich komme … ich sah … und ich falle,
Ich holte dort droben vom Berg eine Blume; ich walle
An rosenkranztragenden Gräbern vorbei wie gehetzt,
Die Füße vom steinigen Bergpfad erlahmt und verletzt.
Gott! bin ich der Vogel mit ewig gebreiteten Schwingen,
So laß mich noch einmal das Haupt meines Sohnes umschlingen;

Des blondfrohen Knaben, der ohne mich wandert und strebt,
Die ich sein Gemüt doch mit Seele und Sehnsucht durchwebt!
Du Gott der Bedrückten, — Gott! bist du wirklich mein Vater,
So sei du den Meinen ein Retter, sei mir ein Berater,
Laß nicht meine Sorgen die Boten des Kommenden sein,
Nein, zeig uns den Hafen und führ uns in Frieden hinein;
In Nacht, in verfrühte, laß endlich ein Morgenrot dringen,
Verbiete den Wegen, mich weiter und weiter zu zwingen,
Bezeichne für uns einen Ort, eine Heimat, die Ruh,
Und führe den knieenden Kindern den Vater zu!« —

Die Orgel schwieg; der Glanz erlosch, mein heißes Sinnen
Ward still, um tief im Herzen heimlich fortzuspinnen;
Im Herzen, das nun doch die neue Hoffnung trank,
Die aus dem Lied der vielen in mich niedersank.
Ein Greis beglückte mich mit einem schlanken Zweige,
Weihwasser tropfte durch das Grün in meinen Händen,
Und froh betrat ich meine winterkalten Steige,
Mit festem Schritt den Erdenweg zu enden …

 


Stefan Zweig (28 november 1881 – 22 februari 1942) 
Wenen. Stefan Zweig werd geboren in Wenen

 

Zie voor de schrijvers van de 9e april ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Palmpasen (Bertus Aafjes)

Bij Palmzondag

 

 
De intocht van Jezus in Jeruzalem door Pedro Orrente, 1620

 

Palmpasen

Het is Palmpasen en ik zie de bomen,
De palmen weer met kinderogen aan:
Hun blaadren die als vogelveren stromen
En in de top der stam gestoken staan.

En alles is bereid Hem te ontvangen,
En de verwachting vlamt op elk gelaat:
De kreupelen die aan hun krukken hangen,
De honden en de blinden van de straat.

Er draaft een ezeltje met rechte oren
Als aan de witte klasmuur van mijn jeugd;
Al heeft het Jezus van zijn rug verloren,
Ik zie Hem in mijn kinderlijke vreugd,
En zachtjens juicht het kind in mij verblijd:
Hosannah die de Zoon van David zijt.

 

 
Bertus Aafjes (12 mei 1914 – 22 april 1993)
Amsterdam, Tulpendag 2013. Bertus Aafjes werd geboren in Amsterdam

 

Zie voor de schrijvers van de 20e maart ook mijn drie vorige blogs van vandaag.

Palmzondag (Paul Snoek)

Bij Palmzondag

 

 
Benjamin Robert Haydon, Christ’s Entry into Jerusalem, tussen 1814 en 1820

 

Palmzondag

Witstille duiven
in een vroombemoste straat
verkondigen de vrede
in een psalmendialoog.

Kinderen op hun schommelpaarden
wuiven wierook naar de dag
en druivenranken
die niet groeien wilden vroeger
tonen witte alleluia’s aan elkaar.

Maar glazen mensen
in een palmen mens verborgen
houden ingepalmd
hun glazen maandagadem in.

 

 
Paul Snoek (17 december 1933 – 19 oktober 1981)
Sint-Niklaas, Grote Markt met Sint Nicolaaskerk,
Paul Snoek werd geboren in Sint-Niklaas

 

Zie voor de schrijvers van de 29e maart ook mijn vorige twee blogs van vandaag.