Bruce Chatwin, Daphne du Maurier, Alphonse Daudet, Adolf Muschg, Kathleen Jamie, Franz Michael Felder, Jacob Haafner, Armistead Maupin, Roch Carrier, Theo van Baaren


De Engelse schrijver Bruce Chatwin werd op 13 mei 1940 in Sheffield geboren. In plaats van architectuur te gaan studeren werkte hij als achttienjarige als bode voor het veilibghuis Sotheby’s. Vier jaar later was hij al directeur van de afdeling impressionistische kunst. Wegens een oogkwaal gaf hij deze baan op. Hij studeerde korte tijdarcheologie, maar werd in 1973 medewerker van de Sunday Times, eerst als adviseur voor kunst. Al snel reisde hij voor interviews en raportages over de hele wereld. In 1974 nam hij ontslag met een telegram: „Voor vier maanden naar Patagonië.“ Tijdens die reis ontdekte hij dat vertellen en schrijven zijn roeping was

Uit: Gone to Timbuctoo

“There are two Timbuctoos. One is the administrative centre of the Sixth Region of the Republic of Mali, once French Sudan — the tired caravan city where the Niger bends into the Sahara, “the meeting place of all who travel by camel or canoe,” though the meeting was rarely amicable; the shadeless Timbuctoo that blisters in the sun, cut off by grey-green waterways for much of the year, and accessible by river, desert caravan or the Russian airplane that comes three times a week from Bamako.

And then there is the Timbuctoo of the mind — a mythical city in a Never-Never Land, an antipodean mirage, a symbol for the back of beyond or a flat joke. “He has gone to Timbuctoo,” they say, meaning “He is out of his mind” (or drugged); “He has left his wife” (or his creditors); “He has gone away indefinitely and will probably not return”; or “He can’t think of anywhere better to go than Timbuctoo. I thought only American tourists went there.”

“Was it lovely?” asked a friend on my return. No. It is far from lovely; unless you find mud walls crumbling to dust lovely — walls of a spectral grey, as if all the colour has been sucked out by the sun.

To the passing visitor there are only two questions. “Where is my next drink coming from?” and “Why am I here at all?” And yet, as I write, I remember the desert wind whipping up the green waters; the thin hard blue of the sky; enormous women rolling round the town in pale indigo cotton boubous; the shutters on the houses the same hard blue against mud-grey walls; orange bower-birds that weave their basket nests in feathery acacias; gleaming black gardeners sluicing water from leather skins, lovingly, on rows of blue-green onions; lean aristocratic Touaregs, of super-natural appearance, with coloured leather shields and shining spears, their faces encased in indigo veils, which, like carbon paper, dye their skin a thunder-cloud blue; wild Moors with corkscrew curls; firm-breasted Bela girls of the old slave caste, stripped to the waist, pounding at their mortars and keeping time with monotonous tunes; and monumental Songhai ladies with great basket-shaped earrings like those worn by the Queen of Ur over four thousand years ago.”

 

 

Chatwin
Bruce Chatwin (13 mei 1940 – 18 januari 1989)

 

De Britse schrijfster Daphne du Maurier werd geboren in Londen op 13 mei 1907. Haar bekendste werk, Rebecca (1938), is een klassieker geworden en vormde de basis voor een met een Oscar bekroonde film. Haar eerste roman, The Loving Spirit, werd uitgegeven in 1931.

Hoewel zij jarenlang getrouwd was met luitenant-generaal Sir Frederick Browning, en zij moeder was van een zoon en twee dochters, had zij ongetwijfeld lesbische gevoelens en intieme relaties met verschillende vrouwen, onder wie Gertrude Lawrence. Haar werk won in de loop van de jaren aan kwaliteit. Bekend is het al genoemde Rebecca. Daarnaast werd een aantal van haar andere werken verfilmd, zoals het spannende in Cornwall spelende Jamaica Inn (1936), Frenchman’s Creek (1942), and My Cousin Rachel (1951). De Alfred Hitchcock film The Birds is gebaseerd op een van haar korte verhalen, evenals de film Don’t Look Now. Zij schreef ook non-fictie. In The Glass-Blowers beschrijft zij haar Franse voorgeslacht. Zij werd Dame of the British Empire en stierf in 1989 in haar huis in Cornwall, waar vele van haar werken zich afspeelden. Haar lichaam werd gecremeerd en de as verstrooid over de rotsen van Cornwall.

 

Uit: Rebecca

 

“Last night I dreamt I went to Manderley again. It seemed to me I stood by the iron gate leading to the drive, and for a while I could not enter, for the way was barred to me. There was a padlock and a chain upon the gate. I called in my dream to the lodge keeper, and had no answer, and peering closer through the rusted spokes of the gate I saw that the lodge was uninhabited.

No smoke came from the chimney, and the little lattice windows gaped forlorn. Then, like all dreamers, I was possessed of a sudden with supernatural powers and passed like a spirit through the barrier before me. The drive wound away in front of me, twisting and turning as it had always done, but as I advanced I was aware that a change had come upon it; it was narrow and unkept, not the drive that we had known. At first
I was puzzled and did not understand, and it was only when I bent my head to avoid the low swinging branch of a tree that I realised what had happened. Nature had come into her own again and, little by, little, in her stealthy, insidious way had encroached upon the drive with long tenacious fingers. The woods, always a menace even in the part, had triumphed in the end. They crowded, dark and uncontrolled, to the borders of the drive. The beeches with white, naked limbs leant close to one another, their branches interested in a strange embrace, making a vault above my head like the archway of a church. And there were other trees as well, trees that I did not recognize, squat oaks and tortured elms that straggled cheek by jowl with the beeches, and had thrust themselves out of the quiet earth, along with monster shrubs and plants, none of which I remembered.”

 

 

 

Maurier
Daphne du Maurier (13 mei 1907 – 19 april 1989)

 

De Franse schrijver Alphonse Daudet werd geboren in Nîmes op 13 mei 1840. Toen hij zeven jaar oud was, verhuisde hij om tragische redenen naar noord-Frankrijk. Hij heeft er gewoond aan het Place des Vosges 8 in Parijs. Door zijn gedwongen vertrek uit het zuiden op jonge leeftijd heeft Daudet waarschijnlijk altijd een geromantiseerde hang gehouden naar de zuid-Franse Provence. Daudet raakte bevriend met de zuid-Franse schrijver Frédéric Mistral en trad toe tot diens Félibrige, een genootschap van schrijvers en dichters, die gezamenlijk het Occitaans, de oude zuid-Franse taal, nieuw leven wilden inblazen. Daudet heeft niet de grote bekendheid en populariteit gekend als zijn vriend Mistral. Toch wordt Daudet wel de ambassadeur van de Provence genoemd, en zijn ook naar hem in Frankrijk straten en scholen genoemd.

 

Uit: Lettres de Mon Moulin

 

« Le soleil déjà très bas, descendait vers l’eau de plus en plus vite, entraînant tout l’horizon après lui. Le vent fraîchissait, l’île devenait violette. dans le ciel, près de moi un gros oiseau passait lourdement : c’était l’aigle de la tour génoise qui rentrait… Peu à peu la brume de mer montait. Bientôt on ne voyait plus que l’ourlet blanc de l’écume autour de l’île… Tout à coup, au-dessus de ma tête, jaillissait un grand flot de lumière douce.. Le phare était allumé. Laissant toute l’île dans l’ombre, le clair rayon allait tomber au large sur la mer, et j’étais là perdu dans la nuit, sous ces grandes ondes lumineuses qui m’éclaboussaient à peine en passant… Mais le vent fraîchissait encore. Il fallait rentrer. »

 

 

Daudet
Alphonse Daudet (13 mei 1840 – 17 december 1897)

 

De Zwitserse schrijver en literatuurwetenschapper Adolf Muschg werd geboren op 13 mei 1934 in Zollikon, kanton Zürich.  Hij studeerde germanistiek, filosofie en Engels in Zürich en Cambridge. Daarna was hij op diverse plaatsen docent aan gymnasia en hogescholen, o.a. in Duitsland, Japan en de VS. Van 1970 tot 1999 was hij hoogleraar Duitse Taal- en Literatuur aan de Eidgenössischen Technischen Hochschule Zürich.

 

Uit: Der Zusenn oder das Heimat

 

„Ich wusste es ja selbst nicht, dass ich als 57-Jähriger nochmals geplagt würde, und war es auch ein kalter Morgen. Ich wollte zum Füttern und sah, dass sie [Lina] noch kein Feuer gemacht hatte, sondern die Küche leer war, und der Atem blieben Ihnen vor der Nase stehen. Ich war erschrocken, liebes Untersuchungsgericht, denn kann nur sagen, dass so etwas in 10 Jahren noch nicht passiert war, auch wenn sie Bauchweh hatte, sie schleppte sich hinunter und stellte den Kaffee auf den Herd. Alle Fenster waren gefroren und alles wie in einem Friedhof, da hätte ich Sie sehen sollen, denn so still war es seit dem Tod meiner Frau nie mehr gewesen.“

 

 

MUSCHG
Adolf Muschg (Zollikon
, 13 mei 1934)

 

De Schotse dichteres Kathleen Jamie werd geboren op 13 mei 1962 in Currie, Edinburgh. Zij behaalde een graad in filosofie aan de University of Edinburgh. Haar eerste bundel, Black Spiders, verscheen in 1982. On 2004 won zij de Forward Poetry Prize voor The Tree House. Andere bundels van haar zijn The Queen of Sheba, (1994), The Way We Live (1987), Jizzen (1999), A Flame In Your Heart

 

 

Mr and Mrs Scotland Are Dead

On the civic amenity landfill site,
the coup, the dump beyond the cemetery
and the 30-mile-an-hour sign, her stiff
old ladies’ bags, open mouthed, spew
postcards sent from small Scots towns
in 1960: Peebles, Largs, the rock-gardens
of Carnoustie, tinted in the dirt.
Mr and Mrs Scotland, here is the hand you were dealt:
fair but cool, showery but nevertheless,
Jean asks kindly; the lovely scenery;
in careful school-room script –
The Beltane Queen was crowned today.
But Mr and Mrs Scotland are dead.

Couldn’t he have burned them? Released
in a grey curl of smoke
this pattern for a cable knit? Or this:
tossed between a toppled fridge
and sweet-stinking anorak: Dictionary for Mothers
M:- Milk, the woman who worries…;
And here, Mr Scotland’s John Bull Puncture Repair Kit;
those days when he knew intimately
the thin roads of his country, hedgerows
hanged with small black brambles’ hearts;
and here, for God’s sake, his last few joiners’ tools,
SCOTLAND, SCOTLAND, stamped on their tired handles.

Do we take them? Before the bulldozer comes
to make more room, to shove aside
his shaving brush, her button tin.
Do we save this toolbox, these old-fashioned views
addressed, after all, to Mr and Mrs Scotland?
Should we reach and take them? And then?
Forget them, till that person enters
our silent house, begins to open
to the light our kitchen drawers,
and performs for us this perfunctory rite:
the sweeping up, the turning out.

 

 

 

Jamie
Kathleen Jamie (Currie, 13 mei 1962)

 

De Oostenrijkse schrijver Franz Michael Felder werd geboren op 13 mei 1839 in Schoppernau. Ondanks zijn vroege dood heeft hij nog een behoorlijk oeuvre achtergelaten. Zijn sociaalkritische romans en verhalen richtten zich op de dorpsgeschiedenis, vergenwoordigen echter ook het poëtisch realisme.

 

Uit: Aus meinem Leben

 

Der Frühling zog wieder warm und prächtig ins Land. Er kam ziemlich spät und schien jetzt zeigen zu wollen, daß er in der Welt draußen denn doch noch nicht alle seine Herrlichkeiten

vertan habe. Früher schien mir das manchesmal der Fall – vielleicht gerade darum, weil ich’s ihm nicht verargt und an seinem Platze so gemacht hätte. Dachte ich mir doch Herrliches und Großes nur in die Welt hinaus, von der unsere Berge mich abschlossen. Jetzt aber war’s anders. Ich las ja täglich Zimmermanns Klagen über die Welt, ihre vergängliche, auch an und für sich elende Herrlichkeit, deren Schein nur oberflächliche Menschen zu blenden vermochte.

Selbst Wielanden – ich kannte nur seine »Sympathien« und ähnliche fromme Schriften – sah ich eine geistige Gemeinde um sich versammeln, gerade wie ich es nicht nur in schlaflosen Nächten, sondern zuweilen auch in lauter Gesellschaft versuchte, wo ich mich allein und unverstanden sah. Ich war also doch nicht ein ganzer Sonderling. Andere hatten ähnliche Gefühle. Ich begann mich für etwas zu halten, gönnte meinen Altersgenossen ihre lärmenden Vergnügungen und fühlte mich in meiner Welt des Herzens, die ich mit Klopstock jetzt Wingolf nannte, glücklich und groß. Ins Wirtshaus kam ich schon darum nie, als wenn es durchaus sein mußte, weil das Geld immer zu Büchern gespart wurde.“

 

 

FELDER
Franz Michael Felder (13 mei 1839 – 26 april 1869)

 

De Duits-Nederlandse schrijver Jacob Gottfried Haafner werd geboren op 13 mei (volgens anderen op 13 maart) 1754 in Halle an der Saale. Haafner beschreef als eerste uitvoerig in het Nederlands zijn liefde voor een vrouw uit een ander werelddeel. Zijn levendige, leesbare proza wordt gedreven door zijn overtuiging: de aanwezigheid van de Europeanen in de tropen heeft vaak een fatale invloed op de plaatselijke mensen. Haafner was tot voor kort een `vergeten’ schrijver van `vergeten’ boeken; sinds 1992 worden zijn Werken heruitgegeven. De reisverhalen van Jacob Gotfried Haafner behoren tot de meest enerverende lectuur die in de jaren rond 1800 in Nederland is voortgebracht. Haafner woonde ruim dertien jaar in India en op Ceylon.  Zijn avontuurlijke leven en zijn d
irecte schrijfstijl maakten dat zijn boeken ogenblikkelijk populair werden. Toen Multatuli later in de negentiende eeuw werd gevraagd om een oordeel te geven over een bloemlezing van de Nederlandse literatuur, vond hij alleen Haafners werk de moeite van het lezen waard.

 

Uit: Werken

 

“Kotzebue in zijne reize naar Napels, roept gansch Europa tot getuigen, dat er op zekeren dag eene vrouw van honger in die stad is gestorven, terwijl de koning met wel gevoede en gemeste honden ter jagt ging. Ik nu verklaar dat er in 1782 dagelijks 500 menschen te Madras van honger stierven, terwijl de Engelschen in dien stad hunne pakhuizen vol graanen hadden, en dagelijks feesten en danspartijen gaven.”

 

 

Haafner
Jacob Haafner
(13 mei 1754 – 4 september 1809)

 

De Amerikaanse schrijver Armistead Jones Maupin Jr. werd geboren op 13 mei 1944 in Washington, groeide op in North Carolina en bezocht als rechtenstudent de Universiteit van North Carolina. Hij maakte zijn studie niet af. Hij meldde zich aan bij de U.S. Navy en werd verschillende malen uitgezonden, onder meer naar Vietnam. Na jaren van omzwervingen komt hij uiteindelijk terecht in Californië, waar hij in 1976 gaat werken voor de San Francisco Chronicle. In deze krant publiceerde hij jarenlang het feuilleton Tales of the City. De wekelijkse afleveringen werden later in boekvorm uitgegeven. Alleen het zesde en laatste deel van de reeks verscheen nooit in de krant, maar werd direct als bundel uitgegeven. Zijn bekendste werk is de zesdelige reeks Tales of the City. De eerste drie delen zijn bewerkt tot een televisieserie. De reeks vormt een uniek historisch document van de ontwikkelingen van de homogemeenschap in de Verenigde Staten: van de seksuele revolutie van de jaren zeventig, de impact van de AIDS-epidemie tot de verovering van een plaats in de maatschappij. Na zijn zes Tales-boeken publiceerde hij tot op heden twee losstaande romans, getiteld Maybe the Moon (1992) en The Night Listener (2001)

 

Uit: The Night Listener

 

“I know how it sounds when I call him my son. There’s something a little precious about it, a little too wishful to be taken seriously. I’ve noticed the looks on people’s faces, those dim, indulgent smiles that vanish in a heartbeat. It’s easy enough to see how they’ve pegged me: an unfulfilled man on the shady side of fifty, making a last grasp at fatherhood with somebody else’s child. That’s not the way it is. Frankly, I’ve never wanted a kid. Never once believed that nature’s whim had robbed me of my manly destiny. Pete and I were an accident, pure and simple, a collision of kindred spirits that had nothing to do with paternal urges, latent or otherwise. That much I can tell you for sure.
Son isn’t the right word, of course.
Just the only one big enough to describe what happened.
I’m a fabulist by trade, so be forewarned: I’ve spent years looting my life for fiction. Like a magpie, I save the shiny stuff and discard the rest; it’s of no use to me if it doesn’t serve the geometry of the story. This makes me less than reliable when it comes to the facts. Ask Jess Carmody, who lived with me for ten years and observed this affliction firsthand. He even had a name for it ‘The Jewelled Elephant Syndrome’ after a story I once told him about an old friend from college.
My friend, whose name was Boyd, joined the Peace Corps in the late sixties. He was sent to a village in India where he fell in love with a local girl and eventually proposed to her. But Boyd’s blue-blooded parents back in South Carolina were so aghast at the prospect of dusky grandchildren that they refused to attend the wedding in New Delhi.”

 

 

Maupin
Armistead Maupin ( Washington, 13 mei 1944)

 

De Canadese schrijver Roch Carrier werd geboren op 13 mei 1937 in Sainte-Justine, Quebec. Hij studeerde aan het Collège St-Louis in New Brunswick, de Université de Montréal in Quebec en de Sorbonne in Parijs, waar hij een graad behaalde in literatuur. Carrier schrijft romans en vooral zogenaamde “contes”, een zeer korte versie van de short story. Een fragment van “Le chandail de hockey” (“The Hockey Sweater”), een van zijn beroemdste “contes” staat gedrukt op de rug van het Canadese vijfdollar biljet.

Uit: The Hockey Sweater

“The winters of my childhood were long, long seasons. We Iived in three places – the school, the church and the skating-rink – but our real life was on the skating-rink. Real battles were won on the skating-rink. Real strength appeared on the skating-rink. The real leaders showed themselves on the skating-rink. School was a sort of punishment. Parents always want to punish children and school is :heir most natural way of punishing us. However, school was also a quiet place where we could prepare for the next hockey game, lay out our next strategies. As for church, we found there the tranquility of God: there we forgot school and dreamed about the next hockey game. Through our daydreams it might happen that we would recite a prayer: we would ask God to help us play as well as Maurice Richard.

We all wore the same uniform as he, the red white and blue uniform of the Montreal Canadiens, the best hockey team in the world; we all combed our hair in the same style as Maurice Richard, and to keep it in place we used a sort of glue – a great deal of glue. We laced our skates like Maurice Richard
, we taped our sticks like Maurice Richard. We cut all his pictures out of the papers. Truly, we knew everything about him.

On the ice, when the referee blew his whistle the two teams would rush at the puck; we were five Maurice Richards taking it away from five other Maurice Richards; we were ten players, all of us wearing with the same blazing enthusiasm the uniform of the Montreal Canadiens. On our backs, we all wore the famous number 9”.

 

 

carrier
Roch Carrier (Sainte-Justine, 13 mei 1937)

 

De Nederlandse dichter en godsdiensthistoricus Theo van  Baaren werd op 13 mei 1912 geboren in Utrecht. Behalve gedichten schreef Van Baaren toneel, romans en een aantal godsdiensthistorische publicaties. Op het gebied van de beeldende kunst maakte hij collages.

Hij studeerde egyptologie en theologie in Utrecht, waar hij ook promoveerde. Van 1952 tot 1980 was hij hoogleraar geschiedenis der godsdiensten en de Egyptische taal- en letterkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. In de oorlogsjaren brachten Van Baaren en zijn latere echtgenote Gertrude Pape het tijdschrift De schone zakdoek uit. Dit had een oplage van één exemplaar en verscheen in de periode april 1941 tot maart 1944. Met een aantal andere schrijvers en dichters experimenteerden zij met verschillende vormen van poëzie en schrijftechnieken. Ook werden foto’s en collages ingeplakt. Het is het enige surrealistische tijdschrift dat in Nederland is verschenen. In de periode 1952 tot 1976 verscheen geen literair werk van zijn hand. In 1976 bracht hij weer een dichtbundel uit. Zijn poëzie is verwant met het surrealisme.

 

Utrecht

 

De grachten kruipen door de dode stad
als evenvele volgevreten slangen
en de barok verzakte huizen hangen
moe op elkaar, de kelders altijd nat

 

van grondrig water, bruin en slijmig, dat
de smaak heeft van bedorven minverlangen;
onder de straten lopen lage gangen

het zwart domein van basilisk en rat.

 

Want hield een draak niet deze stad in stand,

in ’t bannet van zijn ogen ingesloten
(bestaat ze soms alleen nog in zijn blik?)

 

dan was Utrecht allang slechts puin en zand,
waar ieder fundament op graven stoot en
schedels slingren in het singelslik.

 

 

 

VANBAAREN
Theo van  Baaren
(13 mei 1912    4 mei 1989)