Wouter van Heiningen, Derek Walcott

De Nederlandse dichter Wouter van Heiningen werd geboren op 23 januari 1963 in Leidschendam. Zie ook alle tags voor Wouter van Heiningen op dit blog.

 

Oud Eik en Duinen

De kraaien zijn geen kraaien
meer, maar kauwen
hun zwarte werk verlicht

hier trekt je laatste adem
een kou doortrokken wintervacht aan
en zingt de lucht in stilte

de prikklok slaat nu nog eenmaal
gaten in de tijd, toch, wie er moet zijn
is aanwezig

hij die stof verlangt
wordt niet teleurgesteld, de grond
wordt dik belegd met ons gepeins

 

Gedachten over poëzie

Tijdens het eten van net niet helemaal
gare bonen, krachtig kauwend.
Als een deken van paardenhaar, verwarmend
om mij heen, prikkend in mijn huid.
Na het minnen, juist voor het in slaap vallen,
verliefd op het moment.

Een zachte overval, een lieflijk dwingen,
vrolijk grijnzen en ruw verstoren,
rijkelijk bedruipen, zorgvuldig lappen,
dol driest maaien en subtiel bekoren,
diep overpeinzen en zachtjes bezingen,
woorden verdraaien en naar adem happen.

poëzie laat zich uitnodigen zonder te vragen
en verdwijnt wanneer zij verschijnt,
een ongenode gast die teveel drinkt.
Onbeholpen laverend tussen schemer
en kil ochtendlicht, weet zij verhalen te voeden
en achterblijvers te ontroeren.

 

Wij wisten niet van wijken

Grasgroen de knieën geschramd
want knieën zijn als wielen, vanzelfsprekend
aan het werk. De gedachte alleen al aan
bewust zijn van de omgeving betekent

niets. Niets ging bewust, niet de landing
noch de afzet. Schokbetonnen landingsgestel,
pezen sterk, banden in orde, vering
geen. Wat we deden kende geen bevel-

structuur, vooropgezette gedachte, laat
staan consequenties. Welk woord
we niet wisten te onderscheiden was
geen woord, slechts ruis in het oor

van onbesuisd, doorzichtige rand langs
gewoon doen. We wisten van geen wijken,
mochten niets maar deden alles, van daarna
hadden we geen weet. We zouden wel kijken
.

 

Wouter van Heiningen (Leidschendam, 23 januari 1963)

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

Liefde na liefde

De tijd zal komen
Wanneer je, opgetogen,
Jezelf zult begroeten, terwijl je aankomt
Bij je eigen deur, in je eigen spiegel
En elk zal glimlachen bij het welkom van de ander.

En zeg ga hier zitten. Eet.
Je zult de vreemdeling die jijzelf was weer liefhebben.

Geef wijn. Geef brood. Geef je hart terug
Aan zichzelf, aan de vreemdeling die je heeft liefgehad
Je hele leven lang, die je hebt genegeerd voor een ander
Die je volledig kent.

Haal de liefdesbrieven weg van de boekenplank,
De foto’s, de wanhopige briefjes,
Schraap je eigen beeld van de spiegel.
Zit. Smul van je leven.

 

Vertaald door Harriët Messing

 

Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e januari ook mijn blog van 23 januari 2019 en ook mijn blog van 23 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Lisa Weeda, Derek Walcott

De Nederlandse schrijfster Lisa Weeda werd geboren in Dordrecht op 25 januari 1989. Zie ook alle tags voor Lisa Weeda op dit blog.

Uit: Aleksandra

“Zelfs als ik Aleksandra’s naam, haar vadersnaam Nikolajevna en haar achternaam Temnikova noem, mag ik niet langs het checkpoint. Ik neem mijn paspoort terug aan en wijs naar de brug richting Loegansk.
‘Toen ze werd weggehaald heette deze stad nog Vorosjy-lovhrad,’ zeg ik.
De Oekraïense soldaat, die iedereen voor mij heeft doorgelaten, schuift zijn geweer van zijn buik naar zijn rug en slaat zijn armen over elkaar. De brug hangt als een in tweeën gespleten boom in de rivier, die de gesepareerde republiek scheidt van de Oekraïense grond waar ik op sta. De houten constructie, die al bijna vier jaar door moet gaan voor opgang naar het ingestorte wegdek, ziet
er zelfs vanaf hier krakkemikkig uit.
‘Overal liggen mijnen, er wordt om de haverklap ge- schoten, ’s nachts zijn er bombardementen,’ bromt de soldaat.
‘Dat zeiden ze al.’
‘Wie, ze?’

‘Mijn oma. Haar zus Nina die hier woont, ken je haar?
Mijn oudtante en haar zoon in Odessa. Ze zeiden: je bent gek.’
De soldaat schudt nog eens zijn hoofd.
‘Dus je omaatje, die jou hopelijk liefheeft, stuurt je naar een oorlogsgebied. Is ze mesjogge?’
‘Het moet,’ zeg ik, ‘ze heeft het me gevraagd.’
‘Er moet wel meer nu. Je kunt wel papieren hebben, maar je bent alleen. Regel een fixer, iemand die met je meegaat.’
‘Mijn achternichten wonen in Loegansk,’ ga ik door, ‘hier, hun telefoonnummers.’
Ik duw mijn telefoon onder zijn neus en scrol tot de namen Ira en Joelja voorbijkomen. Hij drukt zijn over elkaar geslagen armen nog strakker tegen zijn borst, waardoor het blauw-gele embleem op zijn mouw een beetje kreukelt.
‘Meisje, het spijt me.’
Met een zo ernstig mogelijk gezicht trek ik een langwerpige linnen doek uit mijn tas. Ik laat hem aan de soldaat zien.
‘Deze doek is bijna een eeuw oud. Hij heeft duizenden kilometers afgelegd. Je mag dit ding geen laatste reis naar huis ontzeggen.’
Op de witte doek zijn zwarte en rode lijnen geborduurd. De randen zijn versierd met bloemenpatronen in de kleuren blauw, rood en zwart. Ik prik mijn wijsvinger erin. ‘Zie je deze lijn, die waar de naam Kolja boven staat, de lijn die stopt in 2015?”

 

Lisa Weeda (Dordrecht, 25 januari 1989)

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

In de Village

II
Iedereen in New York speelt in een sitcom.
Ik zit in een Latijns-Amerikaanse roman, een
waarin een viejo met zilverreigerhaar trilt van wat
onzichtbaar verdriet, een of andere obscene kwelling,
en het stiekem boekstaaft, totdat het op zijn gezicht te zien is,
en de rimpels tussen haakjes zijn verdichtsel
tot zijn diepe gêne, bevestigen. Kijk het is
gewoon het oude verhaal van een hart dat niet wil stoppen
wat de kansen ook zijn, donquichotachtig. Het is er gewoon een dat
niemands hart zal breken, zelfs als de grijze kolonel
van zijn ros vliegt in een cavalerie-aanval, in een gevecht
dat van hem geen standbeeld maakt. Het is de hel
van gewone, onbeantwoorde liefde. Let op deze zilverreigers,
sjokkend over het gazon in een slordige troep, die vergeefs
witte vlaggen volgt; zij zijn de verbleekte spijt
van een oude mans memoires, gedrukte stanza’s,
die hun scharnierende vleugels tonen als wijd open geheimen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e januari ook mijn blog van 25 januari 2021 en ook mijn blog van 25 januari 2019 en ook mijn blog van 25 januari 2017 en ook mijn blog van 25 januari 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

John Donne, Derek Walcott

De Engelse dichter John Donne werd ergens tussen 24 januari en 19 juni 1572 geboren in Londen. Zie ook alle tags voor John Donne op dit blog.

 

Holy Sonnet VII

At the round earth’s imagin’d corners, blow
Your trumpets, angels, and arise, arise
From death, you numberless infinities
Of souls, and to your scatter’d bodies go;
All whom the flood did, and fire shall o’erthrow,
All whom war, dearth, age, agues, tyrannies,
Despair, law, chance hath slain, and you whose eyes
Shall behold God and never taste death’s woe.
But let them sleep, Lord, and me mourn a space,
For if above all these my sins abound,
‘Tis late to ask abundance of thy grace
When we are there; here on this lowly ground
Teach me how to repent; for that’s as good
As if thou’hadst seal’d my pardon with thy blood.

 

Holy Sonnet VIII

If faithful souls be alike glorified
As angels, then my father’s soul doth see,
And adds this even to full felicity,
That valiantly I hell’s wide mouth o’erstride.
But if our minds to these souls be descried
By circumstances, and by signs that be
Apparent in us not immediately,
How shall my mind’s white truth by them be tried?
They see idolatrous lovers weep and mourn,
And vile blasphemous conjurers to call
On Jesus’ name, and pharisaical
Dissemblers feign devotion. Then turn,
O pensive soul, to God, for He knows best
Thy grief, for He put it into my breast.

 

The Good-Morrow

I wonder, by my troth, what thou and I
Did, till we loved? Were we not weaned till then?
But sucked on country pleasures, childishly?
Or snorted we in the Seven Sleepers’ den?
’Twas so; but this, all pleasures fancies be.
If ever any beauty I did see,
Which I desired, and got, ’twas but a dream of thee.

And now good-morrow to our waking souls,
Which watch not one another out of fear;
For love, all love of other sights controls,
And makes one little room an everywhere.
Let sea-discoverers to new worlds have gone,
Let maps to other, worlds on worlds have shown,
Let us possess one world, each hath one, and is one.

My face in thine eye, thine in mine appears,
And true plain hearts do in the faces rest;
Where can we find two better hemispheres,
Without sharp north, without declining west?
Whatever dies, was not mixed equally;
If our two loves be one, or, thou and I
Love so alike, that none do slacken, none can die.

 

John Donne (24 januari 1572 – 31 maart 1631)
Anoniem portret in de National Portrait Gallery, London

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

In de Village

I
Ik kwam uit de metro en daar stonden

mensen op de trap alsof ze iets wisten
dat ik niet wist. Dit was in de Koude Oorlog,
en nucleaire fall-out. Ik keek en de hele avenue
was leeg, ik bedoel volkomen leeg, en ik dacht,
De vogels hebben onze steden verlaten en de plaag
van stilte vermenigvuldigt zich via hun slagaders, ze voerden
oorlog en ze verloren en er is niets subtiels of vaags
aan dit gruwelijke vacuüm dat New York is. ik ving
het geschal van een luidspreker op die herhaaldelijk
de laatste paar mensen waarschuwde, misschien een verliefd stel op hun wandeling,
dat de wereld op het punt stond te vergaan die ochtend
op Site of Seventh Avenue zonder mensen die naar hun werk gingen
in dat ontegensprekelijke, gruwelijke perspectief.
Het was geen manier om te sterven, maar ook geen om te leven.
Goed, als we zouden verbranden, was het tenminste New York.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e januari ook mijn blog van 24 januari 2021 en ook mijn blog van 24 januari 2019 en ook mijn blog van 24 januari 2017 en ook mijn blog van 24 januari 2016 deel 2.

Wouter van Heiningen, Derek Walcott

De Nederlandse dichter Wouter van Heiningen werd geboren op 23 januari 1963 in Leidschendam. Zie ook alle tags voor Wouter van Heiningen op dit blog.

 

De vergankelijkheid van het moment

In probleemloze tijden
ben ik alleen
in mijn element
en sluit de lucht
zich als een
vacuüm om mij heen

Dat moment – kortstondig beleefd –
staat vast in de tijd
en – freeze framed –
op vergankelijk papier

Steeds opnieuw
zweef ik gewichtsloos
door de beelden
van dat moment
en dan soms
waan ik mij in een
probleemloze tijd

 

Dood water

Ontvleugeld water
doods
van leven ontdaan
kruipt niets meer
door de modder

versteende onderwaterflora,
slierten grijs
plastic als inktvissen – made in China –
strijden om oppervlakteruimte
met oranje koraalzeil

waar verschuilt zich
het leven dat leven
onmogelijk maakt,
dat leven ondraaglijk maakt

ontkieuwd water
bewegingsloos helder
schuilt de
dood
in het donker

 

Stadskamer

Huis van glas, de deur
wijd open voor de dagelijkse gang
van de mensenslang in slow motion
of in fast forward

de koopzucht lijkt een dwang
maar drukt zich uit
als een drang, naar deel uitmaken
van de huiselijkheid

van de vele kamers in
het koophuis van de
stadsmakelaar in roerend
goed van oud en nieuw

kom binnen, wees welkom
draag de taak niet als last
omarm het staal en de binten
van de nieuwe stad

 

Wouter van Heiningen (Leidschendam, 23 januari 1963)

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

Zee-oeverriet

De helft van mijn vrienden is gestorven.
Laat mij je nieuwe geven, zei de aarde.
Nee, geef ze me liever terug, zoals ze waren,
met gebreken en al, snikte ik.

Vannacht kan ik hun stemmen weer horen
in het zachte murmelen van de branding
in het oeverriet, maar ik kan niet over

de bladeren lopen die door het maanlicht,
langs dat lichtend pad alleen, op de oceaan zijn gelegd,
of meedrijven met de droombeweging

van uilen, aan de aardse last ontheven.
O aarde, het aantal vrienden dat rust in jou
is veel groter dan wie er nog over zijn om lief te hebben.

De rietstengels onderaan de klif flitsen groen en zilver;
zij waren de engelenlansen van mijn geloof,
maar uit wat verloren is gegaan groeit iets sterkers

dat de rationele uitstraling heeft van gesteente en,
maanlicht verdragend, de wanhoop voorbij,
krachtig als de wind, door het wijkend riet heen
onze beminden terugbrengt bij ons, zoals ze waren,
met gebreken en al, niet eerbiedwaardiger, maar wel aanwezig.

 

Vertaald door Leo Mesman

 

Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e januari ook mijn blog van 23 januari 2019 en ook mijn blog van 23 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

David Grossman, Derek Walcott

De Israëlische schrijver David Grossman werd geboren op 25 januari 1954 in Jeruzalem. Zie ook alle tags voor David Grossman op dit blog.

Uit: Someone to Run With (Vertaald door Vered Almog en Maya Gurantz Picador)

“A dog runs through the streets, a boy runs after it. A long rope connects the two and gets tangled in the legs of the passersby, who grumble and gripe, and the boy mutters “Sorry, sorry” again and again. In between mumbled sorries he yells “Stop! Halt!”–and to his shame a “Whoa-ah!” escapes from his lips. And the dog keeps running.
It flies on, crossing busy streets, running red lights. Its golden coat disappears before the boy’s very eyes and reappears between people’s legs, like a secret code. “Slower!” the boy yells, and thinks that if only he knew the dog’s name, he could call it and perhaps the dog would stop, or at least slow down. But deep in his heart he knows the dog would keep running, even then. Even if the rope chokes its neck, it’ll run until it gets where it’s galloping to–and don’t I wish we were already there and I was rid of him!
All this is happening at a bad time. Assaf, the boy, continues to run ahead while his thoughts remain tangled far behind him. He doesn’t want to think them, he needs to concentrate completely on his race after the dog, but he feels them clanging behind him like tin cans. His parents’ trip–that’s one can. They’re flying over the ocean right now, flying for the first time in their lives–why, why did they have to leave so suddenly, anyway? His older sister–there’s another can–and he’s simply afraid to think about that one, only trouble can come of it. More cans, little ones and big ones, are clanging, they bang against each other in his mind–and at the end of the string drags one that’s been following him for two weeks now, and the tinny noise is driving him out of his mind, insisting, shrilly, that he has to fall madly in love with Dafi now–because how long are you going to try to put it off? And Assaf knows he has to stop for a minute, has to call these maddening tin followers to order, but the dog has other plans.
Assaf sighs–“Hell!”–because only a minute before the door opened and he was called in to see the dog, he was so close to identifying the part of himself in which he could fall in love with her, with Dafi. He could actually, finally, feel that spot in himself; he could feel himself suppressing it, refusing it in the depths of his stomach, where a slow, silent voice kept whispering. She’s not for you, Dafi, she spends all her time looking for ways to sting and mock everyone, especially you: why do you need to keep up this stupid show, night after night? Then, when he had almost succeeded in silencing that quarrelsome voice, the door of the room in which he had been sitting every day for the last week, from eight to four, opened. There stood Avraham Danokh, skinny and dark and bitter, the assistant manager of the City Sanitation Department. (He was sort of a friend of his father’s and got Assaf the job for August.) Danokh told him to get off his ass and come down to the kennels with him, now, because there was finally work for him to do.
Danokh paced the room and started explaining something about a dog. Assaf didn’t listen. It usually took him a few seconds to transfer his attention from one situation to another. Now he was dragging after Danokh along the corridors of City Hall, past people who came to pay their bills or their taxes or snitch on the neighbors who built a porch without a license.”

 

David Grossman (Jeruzalem, 25 januari 1954)

 

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

Liefde na liefde

De tijd zal komen
wanneer je, met opgetogenheid,
jezelf zult begroeten als je aankomt
bij je eigen deur, in je eigen spiegel
en elk zal glimlachen om het welkom van de ander,

en zeggen, ga hier zitten. Eet.
Je zult weer van de vreemdeling houden die jezelf was.
Geef wijn. Geef brood. Geef je hart terug
aan zichzelf, aan de vreemdeling die je hele leven

van je heeft gehouden, die je negeerde
ten gunste van een ander, waarmee je vertrouwd bent.
Haal de liefdesbrieven van de boekenplank,

de foto’s, de wanhopige aantekeningen,
pel je eigen afbeelding van de spiegel.
Ga zitten. Geniet van je leven.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e januari ook mijn blog van 25 januari 2019 en ook mijn blog van 25 januari 2017 en ook mijn blog van 25 januari 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

E. Th. A. Hoffmann, Derek Walcott

De Duitse dichter en schrijver Ernst Theodor Amadeus Hoffmann werd geboren in Koningsbergen op 24 januari 1776. Zie ook alle tags voor E. Th. A. Hoffmann op dit blog.

Uit: Die Jesuiterkirche in G.

„Ganz, wie ihn mein Freund beschrieben, fand ich den Professor; hellgesprächig – weltgewandt – kurz, ganz in der Manier des höheren Geistlichen, der wissenschaftlich ausgebildet, oft genug über das Brevier hinweg in das Leben geschaut hat, um genau zu wissen, wie es darin hergeht. Als ich sein Zimmer auch mit moderner Eleganz eingerichtet fand, kam ich auf meine vorigen Bemerkungen in den Sälen zurück, die ich gegen den Professor laut werden ließ. »Es ist wahr«, erwiderte er, »wir haben jenen düstern Ernst, jene sonderbare Majestät des niederschmetternden Tyrannen, die im gotischen Bau unsere Brust beklemmt, ja wohl ein unheimliches Grauen erregt, aus unseren Gebäuden verbannt, und es ist wohl verdienstlich, unsern Werken die regsame Heiterkeit der Alten anzueignen.« – »Sollte aber«, erwiderte ich, »nicht eben jene heilige Würde, jene hohe zum Himmel strebende Majestät des gotischen Baues recht von dem wahren Geist des Christentums erzeugt sein, der, übersinnlich, dem sinnlichen, nur in dem Kreis des Irdischen bleibenden Geiste der antiken Welt geradezu widerstrebt?« – Der Professor lächelte. »Ei«, sprach er, »das höhere Reich soll man erkennen in dieser Welt und diese Erkenntnis darf geweckt werden durch heitere Symbole, wie sie das Leben, ja der aus jenem Reich ins irdische Leben herabgekommene Geist, darbietet. Unsere Heimat ist wohl dort droben; aber solange wir hier hausen, ist unser Reich auch von dieser Welt.« Jawohl, dachte ich: in allem was ihr tatet, bewieset ihr, daß euer Reich von dieser Welt, ja nur allein von dieser Welt ist. Ich sagte aber das, was ich dachte, keinesweges dem Professor Aloysius Walther, welcher also fortfuhr: »Was Sie von der Pracht unserer Gebäude hier am Orte sagen, möchte sich wohl nur auf die Annehmlichkeit der Form beziehen. Hier, wo der Marmor unerschwinglich ist, wo große Meister der Malerkunst nicht arbeiten mögen, hat man sich, der neuern Tendenz gemäß, mit Surrogaten behelfen müssen. Wir tun viel, wenn wir uns zum polierten Gips versteigen, mehrenteils schafft nur der Maler die verschiedenen Marmorarten, wie es eben jetzt in unserer Kirche geschieht, die, Dank sei es der Freigebigkeit unserer Patronen, neu dekoriert wird.« Ich äußerte den Wunsch, die Kirche zu sehen; der Professor führte mich hinab, und als ich in den korinthischen Säulengang, der das Schiff der Kirche formte, eintrat, fühlte ich wohl den nur zu freundlichen Eindruck der zierlichen Verhältnisse. Dem Hochaltare links war ein hohes Gerüste errichtet, auf dem ein Mann stand, der die Wände in Giallo antik übermalte. »Nun wie geht es, Berthold?« rief der Professor hinauf Der Maler wandte sich nach uns um, aber gleich fuhr er wieder fort zu arbeiten, indem er mit dumpfer beinahe unvernehmbarer Stimme sprach: »Viel Plage – krummes verworrenes Zeug – kein Lineal zu brauchen – Tiere – Affen – Menschengesichter – Menschengesichter – o ich elender Tor!« Das letzte rief er laut mit einer Stimme, die nur der tiefste im Innersten wühlende Schmerz erzeugt; ich fühlte mich auf die seltsamste Weise angeregt, jene Worte und der Ausdruck des Gesichts, der Blick, womit er zuvor den Professor anschaute, brachten mir das ganze zerrissene Leben eines unglücklichen Künstlers vor Augen.“

 

E. Th. A. Hoffmann (24 januari 1776 – 25 juni 1822)
Portret door een onbekende kunstenaar, ca. 1795

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

Na de storm

Zoveel eilanden als de sterren ’s nachts
op die vertakte boom waaruit meteoren worden geschud
als vallend fruit rond de schoener Flight.
Maar dingen moeten vallen, en zo was het altijd
aan de ene kant Venus, aan de andere kant Mars;
vallen, en zijn één, net zoals deze aarde één
eiland is in archipels van sterren.
Mijn eerste vriend was de zee, nu is het mijn laatste.
Ik stop nu met praten, ik werk, dan lees ik,
chillend onder een lantaarn die aan de mast is gehaakt.
Ik probeer te vergeten wat geluk was,
en als dat niet werkt, bestudeer ik de sterren.
Soms zijn het alleen ik, en het zacht geschoren schuim
als het dek wit wordt en de maan een wolk
opent als een deur, en het licht boven mij
een weg is in wit maanlicht die me naar huis brengt.
Shabine zong voor je vanuit de diepten van de zee.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e januari ook mijn blog van 24 januari 2019 en ook mijn blog van 24 januari 2017 en ook mijn blog van 24 januari 2016 deel 2.

Wouter van Heiningen, Derek Walcott

De Nederlandse dichter Wouter van Heiningen werd geboren op 23 januari 1963 in Leidschendam. Zie ook alle tags voor Wouter van Heiningen op dit blog.

 

Warme verleiding

In deze warme verleiding
klinkt je stem, zo bekend.
als een nieuw geluid in de morgen
Je huid ademt mist

wanneer
buiten de lucht zich vormt
rond je lichaam.

de verlegenheid langzaam
optrekt.

ogen verraden wat onze
woorden denken.

een druppel komt los van een
terloopse haarlok
kent de weg langs de glooiing
van je hals

daar onder ontsteekt een koorts
van razende vlammen
de brandstof van je kloppend hart

 

Lied

Wat de muziek losmaakt
voelt als je heupen onder mijn handen
het zet de beweging in vanaf het eerste begin
maakt de belofte waar van alle woorden
die afstand en tijd wegnemen

waar danst de bevrijdende gedachte
tussen ons in of aan je zijde.
legt het ritme haar wil aan je op.
wiegen de bastonen je langzaam
in een warme droom

hoe de kou ook briest en brult
de hitte zit verpakt in vele beelden
meegedragen naar een gul theater
waar open doekjes en staande ovaties
strijden om een plekje vooraan

Wanneer het lied klinkt van zoete
herinnering, van kruidig smaken
naar meer. leg ik mijn handen
op je wangen en klinkt zacht
een eindeloos mooie melodie

 

Weet wat je lippen doen

Ongedwongen praten ze je zinnen
aan elkaar met een glimlach om
de hoek van elk volgend woord

in stilte valt de vorm weer op
zo sereen en uitdagend lijken
alleen je ogen, dacht ik

je hand oog coördinatie wordt
begeleid door hun beweging
je mond in dirigenten modus

als ze mij dan claimen in een
liefdevolle verovering. afwachtend
dwingend, voel ik mij zo klein

kleiner dan de muis van jouw hand
breekbaar en onstuimig, sterker nog
voel ik me met ze verbonden

 

Wouter van Heiningen (Leidschendam, 23 januari 1963)

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

Donkere augustus

Zoveel regen, zoveel leven als de gezwollen lucht
van deze zwarte augustus. Mijn zuster, de zon,
broedt in haar gele kamer en komt er niet uit.
Alles gaat naar de hel; de bergen dampen
als een ketel, rivieren stromen over; nog steeds,
Ze wil niet opgaan en de regen uitzetten.
Ze is in haar kamer en streelt oude dingen,
mijn gedichten, bladert door haar album. Zelfs als er onweer
als een gedonder van borden uit de lucht valt,
komt ze er niet uit.
Weet je niet dat ik van je hou, maar dat ik hopeloos ben
in het repareren van de regen? Maar ik leer langzaam
te houden van de donkere dagen, de stomende heuvels,
de lucht met roddelende muggen,
en om van het medicijn van bitterheid te nippen,
zodat als je tevoorschijn komt, mijn zuster,
en de kralen van de regen scheidt,
met je voorhoofd van bloemen en ogen van vergeving,
alles niet zal zijn zoals het was, maar het waar zal zijn
(je ziet dat ze me niet laten liefhebben
zoals ik wil), omdat, mijn zuster, ik dan
zou hebben geleerd net zo van zwarte dagen te houden als van stralende,
de zwarte regen, de witte heuvels, terwijl ik ooit
alleen hield van mijn geluk en van jou.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e januari ook mijn blog van 23 januari 2019 en ook mijn blog van 23 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

P. F. Thomése, Wouter van Heiningen, Stendhal, Derek Walcott, Françoise Dorin, Gerald Jatzek, João Ubaldo Ribeiro, Michel Droit, Fatma Aydemir

De Nederlandse schrijver Pieter Frans Thomése werd geboren in Doetinchem op 23 januari 1958. Zie ook alle tags voor P. F. Thomése op dit blog.

Uit: J. Kessels: The Novel

“Het begon allemaal met zo’n telefoontje waar ik echt niet op zat te wachten. ‘Spreek ik met P.F. Thomése, de beroemde schrijver?’ Op zo’n toon van: o o o, wat zijn we weer interessant. (Als ze zo beginnen, hoeft het voor mij eigenlijk al niet meer.) Hij beweerde dat ik hem goed kende.
Shit, ook dat nog. ‘Van vroeger,’ expliceerde hij met de precisie van een schot hagel. Vroeger is een lange tijd, makker, dacht ik bij mezelf. Daarin kon veel voorgoed verloren raken. Meer in ieder geval dan je terug zou willen vinden.
Triomfantelijk noemde hij zijn naam, die me op het eerste gehoor niets zei. Dat kwam ook doordat ik hem niet goed verstond. Er zat een ‘ah’ of ‘ai’ in het midden. Baars, Baaij of mogelijk Haai, maakte ik eruit op. Enfin, iets met een luchtje. Wel herkende ik meteen de lullige tongval die zo kenmerkend is voor onze streek, waar de klei zo zompig is dat menigeen er voorgoed in is blijven steken.
Hij was me altijd blijven volgen, verzekerde hij me, en hij prees mijn werk zo omstandig, dat ik vreesde met een flauwe grappenmaker vandoen te hebben, of met een criticus die iets goed te maken had, wat op hetzelfde neerkwam.
Er gaan nu eenmaal heel wat idioten in een dozijn.
Uit zijn eerlijk gezegd op den duur nogal langdradige lofprijzingen kon ik opmaken dat hij vooral een fan was van mijn Greatest Hits, waarop ik hem plichtmatig complimenteerde met zijn voortreffelijke keuze. (In feite noemt iederéén altijd deze titel.) En algauw werd de reden van zijn geslijm duidelijk: hij zocht het adres en telefoonnummer van mijn reisgenoot J. Kessels, met wie ik in voornoemd boek inderdaad gedenkwaardige avonturen beleef. Onze ‘ah’ of ‘ai’ van vroeger was de zoveelste die J. Kessels in het echt wilde leren kennen – het bekende gezeik waar mijn reisgenoot terecht een ‘kuthekel’ aan heeft.
‘Ik geef nooit telefoonnummers van mijn personages,’ antwoordde ik kortaf.
‘Op bladzijde 101 van de derde, vermeerderde druk staat anders wel zijn adres: Hertogstraat 50 in Tilburg.’
‘Ga daar dan maar heen,’ antwoordde ik droogjes.
‘Heb ik al gedaan. Maar daar zeiden ze dat meneer Kessels was verhuisd.’ Zeeën ze, zei hij op zijn streekgebonden wijze.
En op dat moment viel het kwartje. Een heel oud kwartje – dat al die jaren moest hebben vastgezeten.
Zeeën ze, en toen gleeën ze in elkaar en deeën het.Aldus, op deze woorden, gleed ik terug het verleden in. Het verleeën in.
Waar de verlangens, onvervuld, eeuwig op mijn terugkeer lagen te wachten.”

 

 
P. F. Thomése (Doetinchem, 23 januari 1958)

 

De Nederlandse dichter Wouter van Heiningen werd geboren op 23 januari 1963 in Leidschendam. Zie ook alle tags voor Wouter van Heiningen op dit blog.

 

Zoet

Alles ruikt naar chocola
de pepermunt is voor na achten
die mevrouw van nummer 112
steekt een stukje puur
tussen haar kunsttanden, haar
lippen donkerbruin

zelfs de donshaartjes op
haar bovenlip kleven zoetgeurend
aan elkaar als ware het een gel
die een breekbaar gezicht
bij elkaar houdt

Ze likt de lippen, de
mondhoeken krullen,
alles smaakt naar chocola.

 

Eb

Na zevenen, de avond kruipt mijn
lichaam in, schuurt de wakkere
energie laag voor laag af

Het zand knarst onder mijn blote
voeten, de zee groet ze, zoals altijd
volledig omsluitend, koud

Bij de waterlijn lonkt een
middelgrote schelp, opnieuw zal
ze de zee in mijn oor fluisteren

Mijn bloed stopt met stromen,
mijn oren met horen,
mijn woorden met vertellen.

Het wordt stil,
stiller, stilte. Stil
In mijn hoofd

 

 
Wouter van Heiningen (Leidschendam, 23 januari 1963)

 

De Franse schrijver Stendhal werd op 23 januari 1783 in Grenoble geboren als Henri Beyle. Zie ook alle tags voor Stendhal op dit blog.

Uit: Promenades dans Rome

« De là, par des excursions, nous verrons Naples, et toute l’Italie au delà de Florence et des Apennins. Nous sommes assez nombreux pour former une petite société pour les soirées qui, dans les voyages, sont le moment pénible. D’ailleurs, nous chercherons à être admis dans les salons romains.
Nous espérons y trouver les moeurs italiennes, que l’imitation de Paris a un peu altérées à Milan et même à Florence. Nous voulons connaître les habitudes sociales, au moyen desquelles les habitants de Rome et de Naples cherchent le bonheur de tous les jours. Sans doute notre société de Paris vaut mieux mais nous voyageons pour voir des choses nouvelles, non pas des peuplades barbares comme le curieux intrépide qui pénètre dans les montagnes du Thibet, ou qui va débarquer aux îles de la mer du Sud. Nous cherchons des nuances plus délicates nous voulons voir des manières d’agir plus rapprochées de notre civilisation perfectionnée. Par exemple, un homme bien élevé, et qui a cent mille francs de rente, comment vit-il à Rome ou à Naples ? Un jeune ménage qui n’a que le quart de cette somme à à dépenser, comment passe-t-il ses soirées ? Pour m’acquitter avec un peu de dignité de mes fonctions de cicerone, j’indique les choses curieuses mais je me suis réservé très expressément le droit de ne point exprimer mon avis. Ce n’est qu’à la fin de notre séjour à Rome que je proposerai à mes amis de voir un peu sérieusement certains objets d’art dont il est difficile d’apercevoir le mérite quand on a passé sa vie au milieu des jolies maisons de la rue des Mathurins et des lithographies coloriées. Je hasarde, en tremblant, le premier de mes blasphèmes ce sont les tableaux que l’on voit à Paris qui empêchent d’admirer les fresques de Rome. J’écris ici de petites remarques tout à fait personnelles, et non point les idées des personnes aimables avec lesquelles j’ai le bonheur de voyager.”

 

 
Stendhal (23 januari 1783 – 23 maart 1842)
The Remains of the Roman Forum door David Roberts, 1861

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

The Star-Apple Kingdom (Fragment)

The mountains rolled like whales through phosphorous stars,
as he swayed like a stone down fathoms into sleep,
drawn by that magnet which pulls down half the world
between a star and a star, by that black power
that has the assassin dreaming of snow,
that poleaxes the tyrant to a sleeping child.
The house is rocking at anchor, but as he falls
his mind is a mill wheel in moonlight,
and he hears, in the sleep of his moonlight, the drowned
bell of Port Royal’s cathedral, sees the copper pennies
of bubbles rising from the empty eye-pockets
of green buccaneers, the parrot fish floating
from the frayed shoulders of pirates, sea horses
drawing gowned ladies in their liquid promenade
across the moss-green meadows of the sea;
he heard the drowned choirs under Palisadoes,
a hymn ascending to earth from a heaven inverted
by water, a crab climbing the steeple,
and he climbed from that submarine kingdom
as the evening lights came on in the institute,
the scholars lamplit in their own aquarium,
he saw them mouthing like parrot fish, as he passed
upward from that baptism, their history lessons,
the bubbles like ideas which he could not break:
Jamaica was captured by Penn and Venables,
Port Royal perished in a cataclysmic earthquake.

Before the coruscating façades of cathedrals
from Santiago to Caracas, where penitential archbishops
washed the feet of paupers (a parenthetical moment
that made the Caribbean a baptismal font,
turned butterflies to stone, and whitened like doves
the buzzards circling municipal garbage),
the Caribbean was borne like an elliptical basin
in the hands of acolytes, and a people were absolved
of a history which they did not commit;
the slave pardoned his whip, and the dispossessed
said the rosary of islands for three hundred years,
a hymn that resounded like the hum of the sea
inside a sea cave, as their knees turned to stone,
while the bodies of patriots were melting down walls
still crusted with mute outcries of La Revolucion!

 

 
Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

De Franse schrijfster en actrice Françoise Dorin werd geboren op 23 januari 1928 in Parijs. Zie ook alle tags voor Françoise Dorin op dit blog.

Uit: En avant toutes !

«” Lui, Tarzan.
«Elle, Jane. “
«Ça, terminé !
«Maintenant, c’est :
«” Elle, Tarzan.
«Lui, Jane ! “
«D’accord ! On n’en est pas encore là, mais on y tend. On y vient. On y court. C’est pourquoi, aujour­d’hui, je lance à tous les hommes, mes frères, un appel solennel à la résistance.»
Telles sont les premières lignes de La Tarzane, livre sorti en librairie lundi dernier ; livre qui veut être une critique cocasse d’un féminisme prétendument galopant ; livre qui va bénéficier du charisme de son auteur et du succès de son précédent ouvrage… à la gloire de sa mère !
Qui est-il, cet auteur ? Maître Vincent Vanneau. Romancier populaire et avocat mondain. Misogyne et séducteur. Quadragénaire sportif. Se vantant à juste titre d’avoir l’esprit de famille et pas du tout l’esprit de sérieux.
Beau, beau, beau… et pas con à la fois !
«Courage, messieurs ! Encore un petit effort ! Descendez de vos piédestaux ! Cassez vos statues de cow-boys ! Vous n’aurez pas de mal : elles sont déjà fêlées. Et vous, femmes, mes soeurs, donnez-leur donc un petit coup de main ! Secouez l’arbre du sexe où les derniers machos se sont réfugiés !»
Telles sont les premières lignes de L’Adieu au cow-boy, livre qui est sorti en librairie le même jour que La Tarzane; livre qui se félicite de l’affaiblissement du pouvoir masculin au profit du pouvoir féminin ; livre volontiers provocateur; livre partiellement autobiographique d’une débutante en littérature, mais pas dans la vie !
Qui est cette débutante ? Lou Gautier, la fille du docteur Marie-Anne Maurin-Gautier, psychothérapeute renommée, et d’Edouard Gautier, galeriste au flair reconnu. Célibataire et bien décidée à le rester. Avouant quinze ans de galères, tant sentimentales que professionnelles…
Belle, belle, belle… et triste à la fois !
Ces deux auteurs, ces deux livres vont être opposés demain dans une nouvelle émission de télévision abon­damment annoncée et commentée par les médias. De ce flot d’informations les attachés de presse de Vincent Vanneau et de Lou Gautier ont tiré l’essentiel et l’ont consigné à l’intention de leurs «poulains» dans deux espèces de feuilles de route, assimilables à celles des soldats en partance pour le front. Elles commencent d’une façon identique par quelques renseignements d’ordre général :
Titre de l’émission : «Poings… d’exclamation».
Genre : indéfinissable. Innovant.
But : réunir le culturel et la rigolade.
Décor : un ring de boxe entouré de gradins pour le public. »

 

 
Françoise Dorin (23 januari 1928 – 12 januari 2018)

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver en musicus Gerald Jatzek werd geboren op 23 januari 1956 in Wenen. Zie ook alle tags voor Gerald Jatzek op dit blog.

Uit: Eine Geschichte für Europa – Welche Kinder- und Jugendliteratur braucht Europa?

“Hey diddle diddle: Zur Modernität der Kinderlyrik

„4.
Am Anfang war das Wort, gesprochen, gesungen auch, rhythmisch und melodisch gestaltet durch Verfahren wie Reim und Vers, Wiederholung und Gegensatz, auf dass es aus dem Gedächtnis abrufbar sei, um weitergegeben zu werden.
Mehr als ein Jahrtausend lang haben unzählige Generationen ihre Stellung in Natur und Gesellschaft mit Epen, Oden, Balladen, Liedern festgelegt, aber auch verändert. Während die vergleichsweise junge schriftliche Aufzeichnung den Text – für Wissenschaft und Recht unabdingbar – fixiert, gehören Varianten und Adaptionen (Parodien eingeschlossen) zum Wesen der oralen Literatur.
Als Beispiel seien die britischen Nursery Rhymes genannt, die zwar 1744 erstmals als Sammlung gedruckt wurden, aber bis heute vor allem durch Vorsprechen, Vorlesen, Singen weitergegeben werden.
Der Grund für den Erfolg ist klar: Gedichte wie Hey diddle diddle und I knew an old lady who swallowed a fly eröffnen eine Welt des Un-Sinns, in der Klang über Logik triumphiert, einen Freiraum, in dem starre Regeln aufgehoben sind und die Fantasie alles bewirken kann.

5.
Kinder verhandeln die Wirklichkeit ebenso wie die Literatur. Wer ihnen eine Geschichte erzählt, muss damit rechnen, dass sie Änderungen der Handlung fordern, Personen eliminieren oder hineinreklamieren.
In der Gruppe adaptieren sie Lieder und Auszählreime, indem sie Namen, Orte und Eigenschaften ändern. Alleine im versunkenen Spiel schlüpfen sie in Figuren, betreten fantastische Landschaften und schweben auf Melodien, von außen erkennbar an gemurmelten, halb laut gesungenen Variationen. In beiden Fällen ist das Ziel, einen Text den eigenen Lebensumständen anzupassen, bis er als wahr empfunden wird.“

 

 
Gerald Jatzek (Wenen, 23 januari 1956)

 

De Braziliaanse schrijver João Ubaldo Osório Pimental Ribeiro werd geboren op 23 januari 1941 in Itaparica, Bahia. Zie ook alle tags voor João Ubaldo Ribeiro op dit blog.

Uit: Sargento Getúlio (Vertaald door Curt Meyer-Clason)

“Senhora da Glória und Nossa Die Trippergicht ist so, sie ist nicht beständig. Läßt man sie machen, verkrümmt sie ihn zum Haken und verkommt zu anderen Übeln, so daß man bei Weibern unterwegs besser aufpaßt. Erstes Rezept. Von Paulo Afonso bis dahin eine Mordsstrecke, unter diesen Umständen nachts noch mehr. Karrenstraße, eine Pest. Da ist Canindé de São Francisco und Monte Alegre de Sergipe und Nossa Senhora das Dores und Siriri und Capela und andere Kaffs, was weiß ich. Propriá und Maruim, weißt ja Bescheid, Staub und Lastwagen voller Baumwollballen, die reine Dürre. Und Sertão vom Übelsten: Kakteen und Riesendisteln, alles stachlig, darunter Rattenschwänze, eine Hölle. Pflanzen und räudige Weiber, man kriegt die Krätze, tückisches Viehzeug, Ameisen, Skorpione, Kobrawanzen, Zecken, muß man gesehen haben. Dort habe ich drei Unglückliche umgelegt, zwischen ein paar Rattenschwänzen, einer ging langsam zu Boden, klar, aus Angst vor den Stacheln. So wie einer, der stirbt, sich um seine Bequemlichkeit sorgt. Wäre ich ein Messerstecher, ich hätte ihn lebend über die Klinge springen lassen, aber das macht ein sonderbares Geräusch und ist auch nicht sauber, weil es so spritzt. Deswegen habe ich ihm eine in den Hinterkopf geknallt, habe scharf gezielt, um keine Munition zu verschwenden. Dann habe ich ihn beschimpft, weil er mich gezwungen hat, daß ich in dieser Gluthitze durch die Steppe hetzen mußte und mir in diesem Dornengestrüpp meine neuen Stiefel versaut habe. Man sieht nichts als Pfaffenkopf, Yucca, Kriechbüsche und Aasgeier. Er hörte nicht mal mehr mein Schimpfen, kippte hintenüber und wurde kalt. Die übliche Arbeit. Wie weit hätte er mich noch gejagt? Bis Itapicuru? Vitória da Conquista? Was weiß ich. Die Riesenfeigheit hat keine Grenzen, da reißt man aus, schmeißt seine Seele in die Welt, um seinem Schicksal wegzulaufen. Die Stunde eines jeden ist die Stunde eines jeden. Der Pockennarbige, der da ausgestreckt in den Dornen lag, als wenn der Boden mit Maisbärten gepolstert wäre. Als ob das was ausmachte? Wer schon mal den allerletzten Schuß gesehen hat, weiß, was das heißt. Dieses Schütteln im Körper, ein Zucken, und Schluß. Dann die Aasgeier, ihre Aufgabe hat schon nichts mehr mit Bestrafung zu tun, nur noch mit Saubermachen.
Der Aasgeier ist der Besen der Buschwälder, der sieht auf die Minute, wenn einer aufhört, im Ödland zu gehen, und dann umkreist er ihn wie ein Geist. Umkreist ihn so, klappert mit dem Schnabel und schlappt mit den Flügeln, diese müden, seelenmüden Sprünge. Geht und kommt und geht und kommt wieder. In Trauer. Muß einen langen Atem haben. Ist bekannt, das Aasgeierjunge kommt weiß auf die Welt, und dann wird es schwarz, und wenn es einen Menschen sieht, kotzt es vor Ekel, das dreht ihm den Magen um. Wir ekeln uns vor ihnen, sie ekeln sich vor uns.“

 

 
João Ubaldo Ribeiro (Itaparica, 23 januari 1941)

 

De Franse schrijver en journalist Michel Droit werd geboren op 23 januari 1923 in Vincennes. Zie ook alle tags voor Michel Droit op dit blog.

Uit: La rivière de la guerre

« Paul Querrien sortit de sous sa moustiquaire. L’installation du camp de Koubo était presque terminée. Querrien allait donc pouvoir y laisser une petite équipe de manoeuvres qui achèveraient le travail, en particulier le nettoyage du sol où se dressaient déjà les cases. Et il irait aussitôt s’occuper d’un autre camp. Mais celui-ci, depuis qu’il en avait trouvé l’emplacement, qu’il s’était attaché à en concevoir le plan, à l’aménager, à sans cesse l’améliorer, Paul Querrien se sentait animé envers lui d’une sorte de tendresse. Il en aimait l’étroit cours d’eau ombragé, cette Koubo dont il tirait son nom, et le chant métallique du vent dans les palmes des roniersl. Dès que la nuit tombait, il se sentait ici plus intégré à elle que nulle part ailleurs pour attendre le premier rugissement d’un lion partant chasser dans les plaines de la Vourou, le premier ricanement des hyènes de l’autre côté de la rivière, le passage d’un troupeau d’éléphants cassant des arbres et des branches à cinq cents mètres des cases. Et puis, Paul Querrien avait toujours eu de la chance à Koubo. Et la plupart de ceux qui avaient partagé avec lui cette chance ou plutôt ce bonheur, éprouvaient envers ce camp la même prédilection, le même attachement sentimental. — Fade, fade ! s’écria Paul Querrien en direction des hommes qui déambulaient autour d’un camion dont il allait prendre le volant. Il venait de revisser le bouchon de sa thermos de café, après avoir bu, coup sur coup, trois gorgées encore presque brûlantes. Dieudonné, un chauffeur-mécanicien local formé par Querrien, avait mis en route le moteur qui ronronnait doucement dans l’obscurité. Ceux des manoeuvres dont le travail à Koubo était terminé avaient déjà pris place à bord sans se faire prier. Les autres, chargés du matériel de terrassement, rentreraient avec un second véhicule conduit par Dieudonné. Paul Querrien appela Djouma, le chef d’équipe qui devait rester sur place. — je compte sur toi, fit-il. Quand vous aurez bien nettoyé la terre autour des cases pour que rien ne repousse, vous m’arrangerez les deux derniers kilomètres de piste avant d’arriver au camp, et awe !3. Il faut qu’après-demain soir vous soyez à Djallé. Compris ? »

 

 
Michel Droit (23 januari 1923 – 22 juni 2000)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Turks-Duitse schrijfster en journaliste Fatma Aydemir werd geboren in 1986 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Fatma Aydemir op dit blog.

Uit: Ellenbogen

„Wahrscheinlich gefällt ihr das Bild: Weinende Krokodile, die in Schuldgefühlen schwimmen. Mit ihrem schweren plüschigen Nuttenpantoffel in der Hand scheuchte sie mich durch die ganze Wohnung und rief: »Du verdammtes Hurenkind!« Ich sprang auf die samtene Blumencouch, von dort auf den Sessel mit dem Brandloch, ich rannte ins Kinderzimmer und verkroch mich in der hintersten Ecke des Raums. Mama blieb schnaufend vor mir stehen. Es dauerte keine zwei Sekunden und sie fing selbst an zu heulen. Da wusste ich: Okay. Ich habe wirklich große Scheiße gebaut.
Mama rannte in die Küche und kam mit dem größten Messer zurück, dem, mit dem mein Vater immer das Fleisch schnitt. »Mit welcher Hand hast du geklaut?«, brüllte sie. »Links oder rechts?« Ich versteckte die Hände hinter meinem Rücken und schob sie in den Spalt zwischen Heizung und Fensterbrett. Ich schluchzte und schrie, ich rief, ich würde es nie wieder tun. Aber Mama hörte nicht auf. Sie fragte immer wieder nur: »Links oder rechts?« Ich glaube nicht, dass ich jemals wieder solche Angst um meinen Arsch gehabt habe wie damals. Nicht mal, als ich mit vierzehn die ganze Packung Blutdrucksenker von meinem Opa gefressen habe, und das war schon krass.
Mama packte mich am Nacken, riss mich aus der Wohnung und schleppte mich zurück in den Supermarkt. Ich starrte auf meine weißen Plastiksandalen, während ich neben ihr stand und ihr zuhörte, wie sie mit ihrem gebrochenen Deutsch auf den dicken Filialleiter einredete. Irgendwann kniff sie mich in den Arm und keifte mich auf Türkisch an. Heute glaube ich, es wäre weniger schlimm gewesen, meine rechte Hand zu verlieren, als mich bei dem Typen entschuldigen zu müssen. Scham ist nämlich viel beschissener als Angst. Denn wenn man sich schämt, dann hat man sogar Angst davor, sich zu fürchten. Der Filialleiter kratzte sich an seinem fetten Bauch und warf mir nur diesen Blick zu, den ich nie vergessen werde. Die winzigen blauen Augen hinter den dicken Brillengläsern lachten. Ha! Ihm gefiel es, dass ich geklaut hatte. Und noch mehr gefiel ihm, dass ich mich schämte, diesem Schwein.“

 

 
Fatma Aydemir (Karlsruhe, 1986)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e januari ook mijn blog van 23 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

November Sun (Derek Walcott)

 

Dolce far niente

 

 
November Sun Hardwoods door John Olin Gardner, z.j.

 

November Sun

In our treacherous
seasonless climate’s
dry heat or muggy heat or rain
I’m measuring winter by this November sun’s
diagonals shafting the window pane,
by my crouched shadow’s
embryo on the morning study floor. Once

I wallowed in ignorance
of change, of windfall, snowfall,
skull-cracking heat, sea-threshing hurricane.
Now I’d prefer to know.
We age desiring
these icy intuitions
that seasons bring.

Look, they’ll be pierced with knowledge
as with light! One boy, nine years in age
who vaults and tumbles, squirrelling
in his perpetual spring,
that ten-month, cautious totterer
my daughter.
I rarely let them in.

This is a sort of
death cell
where knowledge of our fatality is hidden.
I trace here, like a bent astronomer

the circle of the year,
nurturing its inner seasons’
mulch, drench, fire, ash.
In my son’s
restless gaze
I am time-ridden,
the sedentary dial of his days.
Our shadows point one way,
even their brief shadows on the cropped morning grass.

I am pierced with this. I cannot look away.
Ah Christ, how cruelly the needles race!

 


Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017))
St. Lucia, de geboorteplaats van Derek Walcott

 

Zie voor de schrijvers van de 4e november ook mijn vorige blog van vandaag.

P. F. Thomése, Wouter van Heiningen, Stendhal, Derek Walcott, Françoise Dorin, Gerald Jatzek, João Ubaldo Ribeiro, Michel Droit, Fatma Aydemir

De Nederlandse schrijver Pieter Frans Thomése werd geboren in Doetinchem op 23 januari 1958. Zie ook alle tags voor P. F. Thomése op dit blog.

Uit: Grillroom Jeruzalem

“Het zijn de donkere dagen voor Kerst, en we zullen overnachten in Bethlehem. Dat is in het Palestijnse gebied. Aan de andere kant van de grens.
Die grens blijkt, als we arriveren, een muur te zijn van negen meter hoog. Van de ene op de andere straat is-ie er ineens. Baf. Midden in de bebouwde kom. Grijze betonnen platen, bekend uit de gevangenisarchitectuur. Wie zoiets neerzet, wil datgene wat daarachter is nooit meer terug hoeven zien. De utilitaire vormgeving detoneert nogal in het Bijbelse landschap. Wie hier wil dromen van het kindeke Jezus en de os en de ezel en de wijzen uit het Oosten, moet danig zijn fantasie aanspreken. Ons hotel heet overigens gewoon, alsof er niets aan de hand is, het Bethlehem Star Hotel, en de desbetreffende ster straalt ons in haar vuile neon zwakjes tegemoet.
Hier lagen ze dus, de herdertjes, hier lagen zij bij nacht bij het vuur. En daar hoorden zij engelen zingen. Ik probeer me een beetje te oriënteren, maar erg goed lukt dat nog niet.
Onze reisleidster, de Palestijnse Ghada uit Gouda, zegt dat het al laat is en dat we maar beter meteen kunnen gaan slapen.
Op mijn kamer, met de vertrouwde lekkende kraan en het leeslampje dat alleen aangaat als je het draadje op een bepaalde manier vasthoudt, lig ik op bed en probeer ik me thuis te voelen in dit beloofde land waar zovelen zoveel eeuwen naar gehunkerd hebben, waar zovelen met onbegrijpelijke graagte hun bloed voor hebben gegeven (en al hunkerend nog steeds willen geven). Kijkend naar het plafond luister ik naar mijn van thuis meegebrachte muziek: Bar Kochba, de ‘radicale joodse jazz’ van de New Yorker John Zorn, en Old Testaments & New Revelations, melancholisch absurdisme van ‘de eerste joodse countryster’ Kinky Friedman and his Texas Jewboys (‘They ain’t making Jews like Jesus anymore’). Maar ik geloof nog steeds niet helemaal dat ik hier ben. In het Heilige Land, sprookjesland der gelovigen. Het is allemaal zo… gewoon. Het zou net zo goed een hotelkamer kunnen zijn in Emmen of Terneuzen waar ik na mijn lezing uit eigen werk door de liefhebbende organisatie ben ondergebracht.
Om wat meer in de stemming te komen ga ik verder in Edgar Hilsenraths magnum opus Nacht, schitterende schelmenroman uit de sjoah, die ik elke keer moeilijk weg kan leggen, zo verslavend is deze beklemmende overlevingsgeschiedenis. Het verhaal speelt zich af in een ten dode opgeschreven joods getto aan de Dnjestr, ergens in de duistere krochten van oostelijk Europa, waar de grenzen met iedere oorlog veranderden tot niemand meer wist wie in welk land thuishoorde.”

 
P. F. Thomése (Doetinchem, 23 januari 1958)

Lees verder “P. F. Thomése, Wouter van Heiningen, Stendhal, Derek Walcott, Françoise Dorin, Gerald Jatzek, João Ubaldo Ribeiro, Michel Droit, Fatma Aydemir”