P. F. Thomése, Wouter van Heiningen, Stendhal, Derek Walcott, Françoise Dorin, Gerald Jatzek, João Ubaldo Ribeiro, Michel Droit, Fatma Aydemir

De Nederlandse schrijver Pieter Frans Thomése werd geboren in Doetinchem op 23 januari 1958. Zie ook alle tags voor P. F. Thomése op dit blog.

Uit: J. Kessels: The Novel

“Het begon allemaal met zo’n telefoontje waar ik echt niet op zat te wachten. ‘Spreek ik met P.F. Thomése, de beroemde schrijver?’ Op zo’n toon van: o o o, wat zijn we weer interessant. (Als ze zo beginnen, hoeft het voor mij eigenlijk al niet meer.) Hij beweerde dat ik hem goed kende.
Shit, ook dat nog. ‘Van vroeger,’ expliceerde hij met de precisie van een schot hagel. Vroeger is een lange tijd, makker, dacht ik bij mezelf. Daarin kon veel voorgoed verloren raken. Meer in ieder geval dan je terug zou willen vinden.
Triomfantelijk noemde hij zijn naam, die me op het eerste gehoor niets zei. Dat kwam ook doordat ik hem niet goed verstond. Er zat een ‘ah’ of ‘ai’ in het midden. Baars, Baaij of mogelijk Haai, maakte ik eruit op. Enfin, iets met een luchtje. Wel herkende ik meteen de lullige tongval die zo kenmerkend is voor onze streek, waar de klei zo zompig is dat menigeen er voorgoed in is blijven steken.
Hij was me altijd blijven volgen, verzekerde hij me, en hij prees mijn werk zo omstandig, dat ik vreesde met een flauwe grappenmaker vandoen te hebben, of met een criticus die iets goed te maken had, wat op hetzelfde neerkwam.
Er gaan nu eenmaal heel wat idioten in een dozijn.
Uit zijn eerlijk gezegd op den duur nogal langdradige lofprijzingen kon ik opmaken dat hij vooral een fan was van mijn Greatest Hits, waarop ik hem plichtmatig complimenteerde met zijn voortreffelijke keuze. (In feite noemt iederéén altijd deze titel.) En algauw werd de reden van zijn geslijm duidelijk: hij zocht het adres en telefoonnummer van mijn reisgenoot J. Kessels, met wie ik in voornoemd boek inderdaad gedenkwaardige avonturen beleef. Onze ‘ah’ of ‘ai’ van vroeger was de zoveelste die J. Kessels in het echt wilde leren kennen – het bekende gezeik waar mijn reisgenoot terecht een ‘kuthekel’ aan heeft.
‘Ik geef nooit telefoonnummers van mijn personages,’ antwoordde ik kortaf.
‘Op bladzijde 101 van de derde, vermeerderde druk staat anders wel zijn adres: Hertogstraat 50 in Tilburg.’
‘Ga daar dan maar heen,’ antwoordde ik droogjes.
‘Heb ik al gedaan. Maar daar zeiden ze dat meneer Kessels was verhuisd.’ Zeeën ze, zei hij op zijn streekgebonden wijze.
En op dat moment viel het kwartje. Een heel oud kwartje – dat al die jaren moest hebben vastgezeten.
Zeeën ze, en toen gleeën ze in elkaar en deeën het.Aldus, op deze woorden, gleed ik terug het verleden in. Het verleeën in.
Waar de verlangens, onvervuld, eeuwig op mijn terugkeer lagen te wachten.”

 

 
P. F. Thomése (Doetinchem, 23 januari 1958)

 

De Nederlandse dichter Wouter van Heiningen werd geboren op 23 januari 1963 in Leidschendam. Zie ook alle tags voor Wouter van Heiningen op dit blog.

 

Zoet

Alles ruikt naar chocola
de pepermunt is voor na achten
die mevrouw van nummer 112
steekt een stukje puur
tussen haar kunsttanden, haar
lippen donkerbruin

zelfs de donshaartjes op
haar bovenlip kleven zoetgeurend
aan elkaar als ware het een gel
die een breekbaar gezicht
bij elkaar houdt

Ze likt de lippen, de
mondhoeken krullen,
alles smaakt naar chocola.

 

Eb

Na zevenen, de avond kruipt mijn
lichaam in, schuurt de wakkere
energie laag voor laag af

Het zand knarst onder mijn blote
voeten, de zee groet ze, zoals altijd
volledig omsluitend, koud

Bij de waterlijn lonkt een
middelgrote schelp, opnieuw zal
ze de zee in mijn oor fluisteren

Mijn bloed stopt met stromen,
mijn oren met horen,
mijn woorden met vertellen.

Het wordt stil,
stiller, stilte. Stil
In mijn hoofd

 

 
Wouter van Heiningen (Leidschendam, 23 januari 1963)

 

De Franse schrijver Stendhal werd op 23 januari 1783 in Grenoble geboren als Henri Beyle. Zie ook alle tags voor Stendhal op dit blog.

Uit: Promenades dans Rome

« De là, par des excursions, nous verrons Naples, et toute l’Italie au delà de Florence et des Apennins. Nous sommes assez nombreux pour former une petite société pour les soirées qui, dans les voyages, sont le moment pénible. D’ailleurs, nous chercherons à être admis dans les salons romains.
Nous espérons y trouver les moeurs italiennes, que l’imitation de Paris a un peu altérées à Milan et même à Florence. Nous voulons connaître les habitudes sociales, au moyen desquelles les habitants de Rome et de Naples cherchent le bonheur de tous les jours. Sans doute notre société de Paris vaut mieux mais nous voyageons pour voir des choses nouvelles, non pas des peuplades barbares comme le curieux intrépide qui pénètre dans les montagnes du Thibet, ou qui va débarquer aux îles de la mer du Sud. Nous cherchons des nuances plus délicates nous voulons voir des manières d’agir plus rapprochées de notre civilisation perfectionnée. Par exemple, un homme bien élevé, et qui a cent mille francs de rente, comment vit-il à Rome ou à Naples ? Un jeune ménage qui n’a que le quart de cette somme à à dépenser, comment passe-t-il ses soirées ? Pour m’acquitter avec un peu de dignité de mes fonctions de cicerone, j’indique les choses curieuses mais je me suis réservé très expressément le droit de ne point exprimer mon avis. Ce n’est qu’à la fin de notre séjour à Rome que je proposerai à mes amis de voir un peu sérieusement certains objets d’art dont il est difficile d’apercevoir le mérite quand on a passé sa vie au milieu des jolies maisons de la rue des Mathurins et des lithographies coloriées. Je hasarde, en tremblant, le premier de mes blasphèmes ce sont les tableaux que l’on voit à Paris qui empêchent d’admirer les fresques de Rome. J’écris ici de petites remarques tout à fait personnelles, et non point les idées des personnes aimables avec lesquelles j’ai le bonheur de voyager.”

 

 
Stendhal (23 januari 1783 – 23 maart 1842)
The Remains of the Roman Forum door David Roberts, 1861

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

The Star-Apple Kingdom (Fragment)

The mountains rolled like whales through phosphorous stars,
as he swayed like a stone down fathoms into sleep,
drawn by that magnet which pulls down half the world
between a star and a star, by that black power
that has the assassin dreaming of snow,
that poleaxes the tyrant to a sleeping child.
The house is rocking at anchor, but as he falls
his mind is a mill wheel in moonlight,
and he hears, in the sleep of his moonlight, the drowned
bell of Port Royal’s cathedral, sees the copper pennies
of bubbles rising from the empty eye-pockets
of green buccaneers, the parrot fish floating
from the frayed shoulders of pirates, sea horses
drawing gowned ladies in their liquid promenade
across the moss-green meadows of the sea;
he heard the drowned choirs under Palisadoes,
a hymn ascending to earth from a heaven inverted
by water, a crab climbing the steeple,
and he climbed from that submarine kingdom
as the evening lights came on in the institute,
the scholars lamplit in their own aquarium,
he saw them mouthing like parrot fish, as he passed
upward from that baptism, their history lessons,
the bubbles like ideas which he could not break:
Jamaica was captured by Penn and Venables,
Port Royal perished in a cataclysmic earthquake.

Before the coruscating façades of cathedrals
from Santiago to Caracas, where penitential archbishops
washed the feet of paupers (a parenthetical moment
that made the Caribbean a baptismal font,
turned butterflies to stone, and whitened like doves
the buzzards circling municipal garbage),
the Caribbean was borne like an elliptical basin
in the hands of acolytes, and a people were absolved
of a history which they did not commit;
the slave pardoned his whip, and the dispossessed
said the rosary of islands for three hundred years,
a hymn that resounded like the hum of the sea
inside a sea cave, as their knees turned to stone,
while the bodies of patriots were melting down walls
still crusted with mute outcries of La Revolucion!

 

 
Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

De Franse schrijfster en actrice Françoise Dorin werd geboren op 23 januari 1928 in Parijs. Zie ook alle tags voor Françoise Dorin op dit blog.

Uit: En avant toutes !

«” Lui, Tarzan.
«Elle, Jane. “
«Ça, terminé !
«Maintenant, c’est :
«” Elle, Tarzan.
«Lui, Jane ! “
«D’accord ! On n’en est pas encore là, mais on y tend. On y vient. On y court. C’est pourquoi, aujour­d’hui, je lance à tous les hommes, mes frères, un appel solennel à la résistance.»
Telles sont les premières lignes de La Tarzane, livre sorti en librairie lundi dernier ; livre qui veut être une critique cocasse d’un féminisme prétendument galopant ; livre qui va bénéficier du charisme de son auteur et du succès de son précédent ouvrage… à la gloire de sa mère !
Qui est-il, cet auteur ? Maître Vincent Vanneau. Romancier populaire et avocat mondain. Misogyne et séducteur. Quadragénaire sportif. Se vantant à juste titre d’avoir l’esprit de famille et pas du tout l’esprit de sérieux.
Beau, beau, beau… et pas con à la fois !
«Courage, messieurs ! Encore un petit effort ! Descendez de vos piédestaux ! Cassez vos statues de cow-boys ! Vous n’aurez pas de mal : elles sont déjà fêlées. Et vous, femmes, mes soeurs, donnez-leur donc un petit coup de main ! Secouez l’arbre du sexe où les derniers machos se sont réfugiés !»
Telles sont les premières lignes de L’Adieu au cow-boy, livre qui est sorti en librairie le même jour que La Tarzane; livre qui se félicite de l’affaiblissement du pouvoir masculin au profit du pouvoir féminin ; livre volontiers provocateur; livre partiellement autobiographique d’une débutante en littérature, mais pas dans la vie !
Qui est cette débutante ? Lou Gautier, la fille du docteur Marie-Anne Maurin-Gautier, psychothérapeute renommée, et d’Edouard Gautier, galeriste au flair reconnu. Célibataire et bien décidée à le rester. Avouant quinze ans de galères, tant sentimentales que professionnelles…
Belle, belle, belle… et triste à la fois !
Ces deux auteurs, ces deux livres vont être opposés demain dans une nouvelle émission de télévision abon­damment annoncée et commentée par les médias. De ce flot d’informations les attachés de presse de Vincent Vanneau et de Lou Gautier ont tiré l’essentiel et l’ont consigné à l’intention de leurs «poulains» dans deux espèces de feuilles de route, assimilables à celles des soldats en partance pour le front. Elles commencent d’une façon identique par quelques renseignements d’ordre général :
Titre de l’émission : «Poings… d’exclamation».
Genre : indéfinissable. Innovant.
But : réunir le culturel et la rigolade.
Décor : un ring de boxe entouré de gradins pour le public. »

 

 
Françoise Dorin (23 januari 1928 – 12 januari 2018)

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver en musicus Gerald Jatzek werd geboren op 23 januari 1956 in Wenen. Zie ook alle tags voor Gerald Jatzek op dit blog.

Uit: Eine Geschichte für Europa – Welche Kinder- und Jugendliteratur braucht Europa?

“Hey diddle diddle: Zur Modernität der Kinderlyrik

„4.
Am Anfang war das Wort, gesprochen, gesungen auch, rhythmisch und melodisch gestaltet durch Verfahren wie Reim und Vers, Wiederholung und Gegensatz, auf dass es aus dem Gedächtnis abrufbar sei, um weitergegeben zu werden.
Mehr als ein Jahrtausend lang haben unzählige Generationen ihre Stellung in Natur und Gesellschaft mit Epen, Oden, Balladen, Liedern festgelegt, aber auch verändert. Während die vergleichsweise junge schriftliche Aufzeichnung den Text – für Wissenschaft und Recht unabdingbar – fixiert, gehören Varianten und Adaptionen (Parodien eingeschlossen) zum Wesen der oralen Literatur.
Als Beispiel seien die britischen Nursery Rhymes genannt, die zwar 1744 erstmals als Sammlung gedruckt wurden, aber bis heute vor allem durch Vorsprechen, Vorlesen, Singen weitergegeben werden.
Der Grund für den Erfolg ist klar: Gedichte wie Hey diddle diddle und I knew an old lady who swallowed a fly eröffnen eine Welt des Un-Sinns, in der Klang über Logik triumphiert, einen Freiraum, in dem starre Regeln aufgehoben sind und die Fantasie alles bewirken kann.

5.
Kinder verhandeln die Wirklichkeit ebenso wie die Literatur. Wer ihnen eine Geschichte erzählt, muss damit rechnen, dass sie Änderungen der Handlung fordern, Personen eliminieren oder hineinreklamieren.
In der Gruppe adaptieren sie Lieder und Auszählreime, indem sie Namen, Orte und Eigenschaften ändern. Alleine im versunkenen Spiel schlüpfen sie in Figuren, betreten fantastische Landschaften und schweben auf Melodien, von außen erkennbar an gemurmelten, halb laut gesungenen Variationen. In beiden Fällen ist das Ziel, einen Text den eigenen Lebensumständen anzupassen, bis er als wahr empfunden wird.“

 

 
Gerald Jatzek (Wenen, 23 januari 1956)

 

De Braziliaanse schrijver João Ubaldo Osório Pimental Ribeiro werd geboren op 23 januari 1941 in Itaparica, Bahia. Zie ook alle tags voor João Ubaldo Ribeiro op dit blog.

Uit: Sargento Getúlio (Vertaald door Curt Meyer-Clason)

“Senhora da Glória und Nossa Die Trippergicht ist so, sie ist nicht beständig. Läßt man sie machen, verkrümmt sie ihn zum Haken und verkommt zu anderen Übeln, so daß man bei Weibern unterwegs besser aufpaßt. Erstes Rezept. Von Paulo Afonso bis dahin eine Mordsstrecke, unter diesen Umständen nachts noch mehr. Karrenstraße, eine Pest. Da ist Canindé de São Francisco und Monte Alegre de Sergipe und Nossa Senhora das Dores und Siriri und Capela und andere Kaffs, was weiß ich. Propriá und Maruim, weißt ja Bescheid, Staub und Lastwagen voller Baumwollballen, die reine Dürre. Und Sertão vom Übelsten: Kakteen und Riesendisteln, alles stachlig, darunter Rattenschwänze, eine Hölle. Pflanzen und räudige Weiber, man kriegt die Krätze, tückisches Viehzeug, Ameisen, Skorpione, Kobrawanzen, Zecken, muß man gesehen haben. Dort habe ich drei Unglückliche umgelegt, zwischen ein paar Rattenschwänzen, einer ging langsam zu Boden, klar, aus Angst vor den Stacheln. So wie einer, der stirbt, sich um seine Bequemlichkeit sorgt. Wäre ich ein Messerstecher, ich hätte ihn lebend über die Klinge springen lassen, aber das macht ein sonderbares Geräusch und ist auch nicht sauber, weil es so spritzt. Deswegen habe ich ihm eine in den Hinterkopf geknallt, habe scharf gezielt, um keine Munition zu verschwenden. Dann habe ich ihn beschimpft, weil er mich gezwungen hat, daß ich in dieser Gluthitze durch die Steppe hetzen mußte und mir in diesem Dornengestrüpp meine neuen Stiefel versaut habe. Man sieht nichts als Pfaffenkopf, Yucca, Kriechbüsche und Aasgeier. Er hörte nicht mal mehr mein Schimpfen, kippte hintenüber und wurde kalt. Die übliche Arbeit. Wie weit hätte er mich noch gejagt? Bis Itapicuru? Vitória da Conquista? Was weiß ich. Die Riesenfeigheit hat keine Grenzen, da reißt man aus, schmeißt seine Seele in die Welt, um seinem Schicksal wegzulaufen. Die Stunde eines jeden ist die Stunde eines jeden. Der Pockennarbige, der da ausgestreckt in den Dornen lag, als wenn der Boden mit Maisbärten gepolstert wäre. Als ob das was ausmachte? Wer schon mal den allerletzten Schuß gesehen hat, weiß, was das heißt. Dieses Schütteln im Körper, ein Zucken, und Schluß. Dann die Aasgeier, ihre Aufgabe hat schon nichts mehr mit Bestrafung zu tun, nur noch mit Saubermachen.
Der Aasgeier ist der Besen der Buschwälder, der sieht auf die Minute, wenn einer aufhört, im Ödland zu gehen, und dann umkreist er ihn wie ein Geist. Umkreist ihn so, klappert mit dem Schnabel und schlappt mit den Flügeln, diese müden, seelenmüden Sprünge. Geht und kommt und geht und kommt wieder. In Trauer. Muß einen langen Atem haben. Ist bekannt, das Aasgeierjunge kommt weiß auf die Welt, und dann wird es schwarz, und wenn es einen Menschen sieht, kotzt es vor Ekel, das dreht ihm den Magen um. Wir ekeln uns vor ihnen, sie ekeln sich vor uns.“

 

 
João Ubaldo Ribeiro (Itaparica, 23 januari 1941)

 

De Franse schrijver en journalist Michel Droit werd geboren op 23 januari 1923 in Vincennes. Zie ook alle tags voor Michel Droit op dit blog.

Uit: La rivière de la guerre

« Paul Querrien sortit de sous sa moustiquaire. L’installation du camp de Koubo était presque terminée. Querrien allait donc pouvoir y laisser une petite équipe de manoeuvres qui achèveraient le travail, en particulier le nettoyage du sol où se dressaient déjà les cases. Et il irait aussitôt s’occuper d’un autre camp. Mais celui-ci, depuis qu’il en avait trouvé l’emplacement, qu’il s’était attaché à en concevoir le plan, à l’aménager, à sans cesse l’améliorer, Paul Querrien se sentait animé envers lui d’une sorte de tendresse. Il en aimait l’étroit cours d’eau ombragé, cette Koubo dont il tirait son nom, et le chant métallique du vent dans les palmes des roniersl. Dès que la nuit tombait, il se sentait ici plus intégré à elle que nulle part ailleurs pour attendre le premier rugissement d’un lion partant chasser dans les plaines de la Vourou, le premier ricanement des hyènes de l’autre côté de la rivière, le passage d’un troupeau d’éléphants cassant des arbres et des branches à cinq cents mètres des cases. Et puis, Paul Querrien avait toujours eu de la chance à Koubo. Et la plupart de ceux qui avaient partagé avec lui cette chance ou plutôt ce bonheur, éprouvaient envers ce camp la même prédilection, le même attachement sentimental. — Fade, fade ! s’écria Paul Querrien en direction des hommes qui déambulaient autour d’un camion dont il allait prendre le volant. Il venait de revisser le bouchon de sa thermos de café, après avoir bu, coup sur coup, trois gorgées encore presque brûlantes. Dieudonné, un chauffeur-mécanicien local formé par Querrien, avait mis en route le moteur qui ronronnait doucement dans l’obscurité. Ceux des manoeuvres dont le travail à Koubo était terminé avaient déjà pris place à bord sans se faire prier. Les autres, chargés du matériel de terrassement, rentreraient avec un second véhicule conduit par Dieudonné. Paul Querrien appela Djouma, le chef d’équipe qui devait rester sur place. — je compte sur toi, fit-il. Quand vous aurez bien nettoyé la terre autour des cases pour que rien ne repousse, vous m’arrangerez les deux derniers kilomètres de piste avant d’arriver au camp, et awe !3. Il faut qu’après-demain soir vous soyez à Djallé. Compris ? »

 

 
Michel Droit (23 januari 1923 – 22 juni 2000)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Turks-Duitse schrijfster en journaliste Fatma Aydemir werd geboren in 1986 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Fatma Aydemir op dit blog.

Uit: Ellenbogen

„Wahrscheinlich gefällt ihr das Bild: Weinende Krokodile, die in Schuldgefühlen schwimmen. Mit ihrem schweren plüschigen Nuttenpantoffel in der Hand scheuchte sie mich durch die ganze Wohnung und rief: »Du verdammtes Hurenkind!« Ich sprang auf die samtene Blumencouch, von dort auf den Sessel mit dem Brandloch, ich rannte ins Kinderzimmer und verkroch mich in der hintersten Ecke des Raums. Mama blieb schnaufend vor mir stehen. Es dauerte keine zwei Sekunden und sie fing selbst an zu heulen. Da wusste ich: Okay. Ich habe wirklich große Scheiße gebaut.
Mama rannte in die Küche und kam mit dem größten Messer zurück, dem, mit dem mein Vater immer das Fleisch schnitt. »Mit welcher Hand hast du geklaut?«, brüllte sie. »Links oder rechts?« Ich versteckte die Hände hinter meinem Rücken und schob sie in den Spalt zwischen Heizung und Fensterbrett. Ich schluchzte und schrie, ich rief, ich würde es nie wieder tun. Aber Mama hörte nicht auf. Sie fragte immer wieder nur: »Links oder rechts?« Ich glaube nicht, dass ich jemals wieder solche Angst um meinen Arsch gehabt habe wie damals. Nicht mal, als ich mit vierzehn die ganze Packung Blutdrucksenker von meinem Opa gefressen habe, und das war schon krass.
Mama packte mich am Nacken, riss mich aus der Wohnung und schleppte mich zurück in den Supermarkt. Ich starrte auf meine weißen Plastiksandalen, während ich neben ihr stand und ihr zuhörte, wie sie mit ihrem gebrochenen Deutsch auf den dicken Filialleiter einredete. Irgendwann kniff sie mich in den Arm und keifte mich auf Türkisch an. Heute glaube ich, es wäre weniger schlimm gewesen, meine rechte Hand zu verlieren, als mich bei dem Typen entschuldigen zu müssen. Scham ist nämlich viel beschissener als Angst. Denn wenn man sich schämt, dann hat man sogar Angst davor, sich zu fürchten. Der Filialleiter kratzte sich an seinem fetten Bauch und warf mir nur diesen Blick zu, den ich nie vergessen werde. Die winzigen blauen Augen hinter den dicken Brillengläsern lachten. Ha! Ihm gefiel es, dass ich geklaut hatte. Und noch mehr gefiel ihm, dass ich mich schämte, diesem Schwein.“

 

 
Fatma Aydemir (Karlsruhe, 1986)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e januari ook mijn blog van 23 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

P. F. Thomése, Wouter van Heiningen, Stendhal, Derek Walcott, Françoise Dorin, Gerald Jatzek, João Ubaldo Ribeiro, Michel Droit, Fatma Aydemir

De Nederlandse schrijver Pieter Frans Thomése werd geboren in Doetinchem op 23 januari 1958. Zie ook alle tags voor P. F. Thomése op dit blog.

Uit: Grillroom Jeruzalem

“Het zijn de donkere dagen voor Kerst, en we zullen overnachten in Bethlehem. Dat is in het Palestijnse gebied. Aan de andere kant van de grens.
Die grens blijkt, als we arriveren, een muur te zijn van negen meter hoog. Van de ene op de andere straat is-ie er ineens. Baf. Midden in de bebouwde kom. Grijze betonnen platen, bekend uit de gevangenisarchitectuur. Wie zoiets neerzet, wil datgene wat daarachter is nooit meer terug hoeven zien. De utilitaire vormgeving detoneert nogal in het Bijbelse landschap. Wie hier wil dromen van het kindeke Jezus en de os en de ezel en de wijzen uit het Oosten, moet danig zijn fantasie aanspreken. Ons hotel heet overigens gewoon, alsof er niets aan de hand is, het Bethlehem Star Hotel, en de desbetreffende ster straalt ons in haar vuile neon zwakjes tegemoet.
Hier lagen ze dus, de herdertjes, hier lagen zij bij nacht bij het vuur. En daar hoorden zij engelen zingen. Ik probeer me een beetje te oriënteren, maar erg goed lukt dat nog niet.
Onze reisleidster, de Palestijnse Ghada uit Gouda, zegt dat het al laat is en dat we maar beter meteen kunnen gaan slapen.
Op mijn kamer, met de vertrouwde lekkende kraan en het leeslampje dat alleen aangaat als je het draadje op een bepaalde manier vasthoudt, lig ik op bed en probeer ik me thuis te voelen in dit beloofde land waar zovelen zoveel eeuwen naar gehunkerd hebben, waar zovelen met onbegrijpelijke graagte hun bloed voor hebben gegeven (en al hunkerend nog steeds willen geven). Kijkend naar het plafond luister ik naar mijn van thuis meegebrachte muziek: Bar Kochba, de ‘radicale joodse jazz’ van de New Yorker John Zorn, en Old Testaments & New Revelations, melancholisch absurdisme van ‘de eerste joodse countryster’ Kinky Friedman and his Texas Jewboys (‘They ain’t making Jews like Jesus anymore’). Maar ik geloof nog steeds niet helemaal dat ik hier ben. In het Heilige Land, sprookjesland der gelovigen. Het is allemaal zo… gewoon. Het zou net zo goed een hotelkamer kunnen zijn in Emmen of Terneuzen waar ik na mijn lezing uit eigen werk door de liefhebbende organisatie ben ondergebracht.
Om wat meer in de stemming te komen ga ik verder in Edgar Hilsenraths magnum opus Nacht, schitterende schelmenroman uit de sjoah, die ik elke keer moeilijk weg kan leggen, zo verslavend is deze beklemmende overlevingsgeschiedenis. Het verhaal speelt zich af in een ten dode opgeschreven joods getto aan de Dnjestr, ergens in de duistere krochten van oostelijk Europa, waar de grenzen met iedere oorlog veranderden tot niemand meer wist wie in welk land thuishoorde.”

 

 
P. F. Thomése (Doetinchem, 23 januari 1958)

Lees verder “P. F. Thomése, Wouter van Heiningen, Stendhal, Derek Walcott, Françoise Dorin, Gerald Jatzek, João Ubaldo Ribeiro, Michel Droit, Fatma Aydemir”

P. F. Thomése, Wouter van Heiningen, Stendhal, Derek Walcott, Françoise Dorin, Gerald Jatzek, Friedrich von Matthisson, João Ubaldo Ribeiro, Franz Rieger

De Nederlandse schrijver Pieter Frans Thomése werd geboren in Doetinchem op 23 januari 1958. Zie ook alle tags voor P. F. Thomése op dit blog.

Uit Greatest hits

“We gingen eigenlijk voor de namen, de namen van het Oude Zuiden die zingen als oude tunes: swingend als Chattanooga, Opelousa, Bogalusa of Pascagoula, statig als Beaumont, Baton Rouge of Lafayette, exotisch als Cocodrie en ronduit bekend als Nashville alias Music City USA, Memphis, the home of the blues, en the big easy New Orleans – en tussen al die namen stroomt lazy de Mississippi, die zo oud en moe is dat hij ook Ole Man River wordt genoemd.
We vermoedden geloof ik wel dat de werkelijkheid naargeestiger zou zijn, grauw als krantenstukken over armoede, achterstand en algehele achterlijkheid, toch zochten wij wat zou beantwoorden aan de zang van die namen: witte zuilen van mansions als in Gone with the wind, witte houten kerkjes waar op zondag de gelovigen de hemel dankten dat zij mogen wonen in God’s own country, stoffige wegen en broeierige plaatsjes zoals in de romans van William Faulkner, op zonnige dagen als Huckleberry Finn met een stok aan de waterkant zitten, en in de verte zingende negers op de velden.
Een verkeerde instelling, dat zeker, maar reizen heeft alles te maken met misverstand, en per slot van rekening heeft ook Columbus Amerika per ongeluk ontdekt.
De Amerikanen spreken zelf van het Oude of Diepe Zuiden – ze bedoelen daarmee dat het ver verwijderd ligt, in afstand, maar vooral in tijd, van de dynamische, van voorwaarts vervulde wereld die in de reclame zo brutaal wordt voorgesteld als the choice of the new generation.
Terwijl de rest van Amerika steeds opnieuw last frontiers bereikt, verlangen ze in het Zuiden terug naar de antieke grens van 1863, toen de Confederate States of America op het slagveld bij Gettysburg de vooruitgang nog dachten te kunnen tegenhouden. En alsof in de slagen bij Gettysburg en Vicksburg de Burgeroorlog niet verloren is en de Mason-Dixon-grens nog bestaat, wapperen in old Dixie meer stars and bars dan nationale stars and stripes.
De vlag van de Confederates, hij wappert vooral in het achterland, langs de backroads van het Zuiden, op de lege pleinen van vergeten stadjes, waar het stof neerdaalt op de magnolia’s en waar oude mannetjes zitten te dammen in de koffiehuizen en negers op de zanderige paadjes van het getto quarters & dimes inzetten op de snelste kakkerlak van de buurt.”

 

 
P. F. Thomése (Doetinchem, 23 januari 1958)

Lees verder “P. F. Thomése, Wouter van Heiningen, Stendhal, Derek Walcott, Françoise Dorin, Gerald Jatzek, Friedrich von Matthisson, João Ubaldo Ribeiro, Franz Rieger”

P. F. Thomése, Wouter van Heiningen, Stendhal, Derek Walcott, Françoise Dorin

De Nederlandse schrijver Pieter Frans Thomése werd geboren in Doetinchem op 23 januari 1958. Zie ook alle tags voor P. F. Thomése op dit blog.

Uit: De onderwaterzwemmer

„De vader en de zoon komen tevoorschijn uit het rijshout en laten hun bleke, met reuzel ingevette lichamen stil als zilvervissen in het duistere water glijden. Stroomopwaarts, in de verte, wordt de onderkant van de nacht al blauw, ze mogen wel opschieten. Hun bundel kleren hebben ze met hun koppelriem op het hoofd gebonden, hun klompen drijvend aan een touwtje achter zich aan. De vader verdwijnt meteen; zonder eerst te waarschuwen laat hij zich opslokken door de rivier. De jongen wil het uitschreeuwen van de kou, die zich met vissentandjes in hem vastbijt, vermant zich bijtijds en laat zich verdoofd door de stroming meevoeren. Zodra ze iets horen, weet hij, richten ze op het geluid. En als er een begint te schieten, gaan ze allemaal los. Ook aan de overkant, waar de bevrijders zitten. Dan ontstaat er een kruisvuur. Vlakbij (maar waar?) hoort hij zijn vader. Hij hoort hijgen – toch? Hij ziet hem niet meer, hij ziet helemaal niets meer. Het kan evengoed zijn eigen hijgen zijn waar hij naar luistert. Het is de eerste keer dat hij mee mag naar de overzijde.
De opdracht, zíjn opdracht. Het gefluister op zijn zolderkamer voor het slapengaan, het oefenen met de bundel kleren, de klompen. En nu gebeurt het echt. De kou snijdt zijn adem af. Hij weet niet zeker of hij zijn lichaam nog voelt. Van steen lijkt hij geworden. Er is een zwaarte die hem naar beneden trekt. Kon hij maar op zijn rug drijven, dan hield hij het langer vol. Drijven en dromen van de overkant. Hij is bang dat hij kopjeonder gaat. Zijn kleren mogen niet nat worden; als dat gebeurt, is hij nog verder van huis. Zwemmen is de enige manier, zegt papa. Roeiboten vallen tegenwoordig veel te gauw op; laatst is er nog eentje onder vuur genomen. Mensen die hij niet kende, vluchtelingen uit de stad. Verzwolgen door de stroom, werd er gezegd. Verder was er niets over bekend. Hij moet het ook leren, de rivier oversteken. Voor het geval dat. Zijn vader vindt hem nu oud genoeg. Voor wat? Om te sterven? Hij hoort hem niet meer, trouwens. Hij is al ver vooruit zeker, het diepste duister in. De zoon moet het nu alleen kunnen. Tussen hem en de bodem is niets. Niets wat hem kan behoeden. Hij weet al niet meer of hij zich boven of onder water bevindt. De klompen, die hij aan een touwtje tussen zijn tanden met zich meetrekt, klotsebotsen steeds tegen zijn hoofd. Boven water dus. Hij hoort ze bonken, voelt ze niet. Hij voelt niets meer. De kou heeft zijn lichaam van hem afgenomen. Het is verleidelijk om je af te laten glijden, weg te zinken in deze ijzige slaap.“

 

 
P. F. Thomése (Doetinchem, 23 januari 1958)

Lees verder “P. F. Thomése, Wouter van Heiningen, Stendhal, Derek Walcott, Françoise Dorin”

Wouter van Heiningen, Stendhal, Derek Walcott, Françoise Dorin, Gerald Jatzek, Friedrich von Matthisson

De Nederlandse dichter Wouter van Heiningen werd geboren op 23 januari 1963 in Leidschendam. Zie ook alle tags voor Wouter van Heiningen op dit blog.

Mus

Ook als je echt zo heet
vergeet ik nooit je naam

hoe je wegdook
na een zachte streling van je wang
de rode blos tot diep
in je hals

je voorzichtige lach
die de ochtend deed smelten
tot een zee van tijd

de dagen dat ik je zocht
in veel te volle straten
en altijd weerkeerde
tot het plaats delict

je naam nog korter
dan mijn liefde was gegeven

als je echt zo heet

 

Polder

De lucht ligt hier stil, roerloos
tussen het riet, niet gezien
door mensenogen

de waterjuffer kruipt op het blad
van een waterplant, waant zich ongezien

het land waait met de trekvogels mee
golvend als een groene zee
slechts onderbroken door bomen
en opdringend struikgewas

tijd bestaat hier uit kleuren
van blauwgrijze seconden tot
rood doortrokken uren

waar het licht de lengte van het gras bepaalt
gaan seizoenen voorbij,
volgen denkbeeldige wijzers
de energie van het land

 
Wouter van Heiningen (Leidschendam, 23 januari 1963)

Lees verder “Wouter van Heiningen, Stendhal, Derek Walcott, Françoise Dorin, Gerald Jatzek, Friedrich von Matthisson”

Wouter van Heiningen, Stendhal, Derek Walcott, Françoise Dorin, Gerald Jatzek

De Nederlandse dichter Wouter van Heiningen werd geboren op 23 januari 1963 in Leidschendam. Zie ook alle tags voor Wouter van Heiningen op dit blog.

Het houdt niet op

De vragen kwamen later
nadat je al weg was
vergeten waren al je verhalen
en zelfs je stoel
zat anders

Het water stroomt  altijd
naar zee, zei mijn moeder
Wees een berg,
schud het van je af, laat
het stromen

Mijn natte voeten voelen
nog je handen, stijf
en onbeholpen
niet in staat om de kilte
weg te nemen

Ik ben geen kind meer
niet meer nu
en antwoorden zijn slechts
daar te vinden
waar je nog niet zoekt

 

Lofrede of klaagzang?

Ik beklaag de dagen die komen
ze zijn leeg en lijken zo
zinloos zonder
jouw woorden ontroeren mijn
kijk op dingen en
zalven de manier
waarop ik het leven bekijk
en levend in een breed
perspectief lijkt het
voor niets, wat mij nu rest
zijn vergeten woorden
herinneringen aan
helderheid en een zon
die dooft in een oceaan
van leegheid
geen bloemen alstublieft
acquisities worden niet
op prijs gesteld

 
Wouter van Heiningen (Leidschendam, 23 januari 1963)

Lees verder “Wouter van Heiningen, Stendhal, Derek Walcott, Françoise Dorin, Gerald Jatzek”

Wouter van Heiningen, Stendhal, Derek Walcott, Françoise Dorin, João Ubaldo Ribeiro

De Nederlandse dichter Wouter van Heiningen werd geboren op 23 januari 1963 in Leidschendam. Zie ook alle tags voor Wouter van Heiningen op dit blog.

Voor mijn vader

In de herfst van je leven
doe je warme schoenen aan
en een stevige jas
tegen het guur

Je trekt nog eenmaal
een beschutting op
in oude woorden
om vroegere dromen

Zilverwit blad dwarrelt
oneindig langzaam
maar onvermijdelijk
naar de koude harde grond

Je merkt de zachte
landing op
en beseft
dat in berusting
waarheid wordt gevonden

 

Schaakmeisje

Vlindervlug vloog je mijn verhalen binnen
Je dienaren nederig in je verblindende nabijheid
Je nam bloemen mee en honing
Waarmee je mij de mond snoerde

Je bracht je legers onder bij vrienden
Liet ze jagen op onooglijke vijanden
Tegenstanders van schoonheid en jeugd
Maar mij had je al ingelijfd

Je groeide door naar grote hoogten
Wurmde je los uit zoveel geschiedenis
Zocht je geluk en vond het in een ander gevecht
En liet mij achter, dankbaar en geïnspireerd

Eens was je een schaakmeisje
Onschuldig en zoekend naar de prins
Niet het paard, maar nu, zoveel later
Toon je mij een ware koningin

Wouter van Heiningen (Leidschendam, 23 januari 1963)

Lees verder “Wouter van Heiningen, Stendhal, Derek Walcott, Françoise Dorin, João Ubaldo Ribeiro”

Derek Walcott, Friedrich von Matthisson, Françoise Dorin, Michel Droit, Jesse Thoor

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook mijn blog van 23 januari 2007 en ook mijn blog van 23 januari 2008 en ook mijn blog van 23 januari 2009 en ook mijn blog van 23 januari 2010.

 

Dark August 

 

So much rain, so much life like the swollen sky

of this black August. My sister, the sun,

broods in her yellow room and won’t come out.

 

Everything goes to hell; the mountains fume

like a kettle, rivers overrun; still,

she will not rise and turn off the rain.

 

She is in her room, fondling old things,

my poems, turning her album. Even if thunder falls

like a crash of plates from the sky,

 

she does not come out.

Don’t you know I love you but am hopeless

at fixing the rain ? But I am learning slowly

 

to love the dark days, the steaming hills,

the air with gossiping mosquitoes,

and to sip the medicine of bitterness,

 

so that when you emerge, my sister,

parting the beads of the rain,

with your forehead of flowers and eyes of forgiveness,

 

all with not be as it was, but it will be true

(you see they will not let me love

as I want), because, my sister, then

 

I would have learnt to love black days like bright ones,

The black rain, the white hills, when once

I loved only my happiness and you.

 

 

Derek Walcott (St. Lucia, 23 januari 1930)

 

 

Lees verder “Derek Walcott, Friedrich von Matthisson, Françoise Dorin, Michel Droit, Jesse Thoor”

Friedrich von Matthisson, Françoise Dorin, Michel Droit, Franz Rieger, Jesse Thoor, Christian Vulpius, Hannelore Valencak

De Duitse dichter en schrijver Friedrich von Matthisson werd geboren op 23 januari 1761 in Hohendodeleben bij Magdeburg. Zie ook mijn blog van 23 januari 2009.

 

Hexenfund

 

Endlich, alte Wundergerte,

Ueber ein Jahrtausend

Nur in Gräbern hausend,

Hobst du dich ans Licht hervor:

Furchtbar krachte das gesperrte

Geisterthor.

 

Wahrlich, als wir Hexenjünger

Dich auf Alraunbeeten

Ahnungsvoll erspähten,

Waltete mit unsrer Schaar

Salomos erhabner Finger

Unsichtbar.

 

In des Erdballs Mittelpunkte,

In des Mondes Grüften,

In der Sterne Klüften,

Herrscht allmächtig auf und ab

Der in Drachenblut getunkte

Zauberstab.

 

Ziehn wir, nach der hohen Weise

Aechter Spuckvollstrecker,

Nun um Todtenäcker,

Bei des Abgrunds Melodey,

Der geheimnißschwangern Kreise

Dreimal drei.

 

Treu dem Saz der Meistergilde,

Laßt aus Memfis Tiefen

Dunkle Hieroglyfen

Eng’ uns um die Zirkel reihn,

Und zum Weihaltare bilde

Sich Gebein.

 

Wann die Leichensteine beben,

An des Kirchhofs Eiben

Sich die Blätter sträuben

Und aus morscher Särge Nacht

Sieben Flämmchen bläulich schweben.

Ist’s vollbracht!

 

Matthisson

Friedrich von Matthisson (23 januari 1761 – 12 maart 1831)

 

 

De Franse schrijfster en actrice Françoise Dorin werd geboren op 23 januari 1928 in Parijs. Zij schreef veel succesvolle chansons voor o.a  Charles Aznavour (Que c’est triste Venise), Dalida, Mireille Mathieu, Juliette Gréco, Georges Guétary en Michel Legrand. Daarnaast schreef zij talloze boeken.

 

Uit: En avant toutes !

 

– Mais qu’est-ce que vous croyez ? Vous n’êtes pas truculent, vous êtes vulgaire ! Et en plus malhonnête !
– Comment ça, malhonnête ?
– Vous prêtez votre vulgarité à votre héroïne pour la rendre antipathique et, en plus, stupide. Oui, stupide, car vraiment il faut l’être pour croire, comme votre “Tarzane”, qu’un langage ordurier constitue une nouvelle conquête pour les femmes.
– Mais ça l’est, chère mademoiselle, au même titre que la pratique des sports violents comme le rugby et la boxe, les amours-Kleenex, les abus d’alcool, le négligé vestimentaire… Autant de conquêtes qui ouvrent aux femmes chaque jour davantage le royaume des hommes. Ce qui d’ailleurs suscite chez eux, je le déplore, des phénomènes… – comment dirais-je pour ne pas vous choquer ? – des phénomènes de… débandade, préjudiciables pour l’avenir de l’humanité…“

 

francoise_dorin

Françoise Dorin (Parijs, 23 januari 1928)

 

De Franse schrijver en journalist Michel Droit werd geboren op 23 januari 1923 in Vincennes. Zie ook mijn blog van 23 januari 2009.

 

Uit: Le Retour

 

„Soudain la Caravelle se cabra, s’arracha brutalement à la piste, et cet arrachement, ce fut comme si Philippe Thierry le ressentait dans tous les muscles de son corps.
Un brouillard humide et bas enveloppait le paysage, un de ces brouillards d’été qui, dans l’Algérois, annoncent généralement plusieurs jours de chaleur oppressante. Philippe avait choisi une place près d’un hublot, espérant tout de même apercevoir ou deviner une dernière fois Alger, dans le lointain. Mais la vue était complètement bouchée. Il pensa qu’au fond cela valait mieux ainsi.
La veille, en fin d’après-midi, il était monté jusqu’au balcon Saint-Raphaël, à El-Biar, où il avait tant de fois conduit des Français de la métropole ou des étrangers de passage pour leur faire découvrir Alger d’un seul regard. Et là, accoudé à la balustrade, il était demeuré près d’une heure à contempler cette ville qu’il ne pouvait encore considérer autrement que comme la sienne.
Pour arriver à la terrasse, il avait traversé une sorte de parc privé, où quelques villas de riches pieds-noirs étaient enfouies dans la végétation. Mais plus une seule ne semblait habitée. Leurs volets étaient clos, leurs abords déserts. Le seul être vivant du parc était le jardinier, un musulman, qui continuait à arroser les massifs, à ratisser le sable du terre-plein, comme si rien n’avait changé. Il avait salué Philippe lorsque celui-ci était passé près de lui, et Philippe avait eu envie de lui prendre la main et de la garder un instant dans la sienne.
Mais c’était à présent cette ville, répandue en hémicycle à ses pieds, cette ville offerte au ciel, au soleil, à tous les vents de la mer, et comme embrasée par les hautes flammes droites et blanches de ses immeubles neufs, c’était elle qu’il aurait voulu pouvoir étreindre à pleins bras et serrer contre lui, avant de faire demi-tour et de fuir.
Un parfum chaud et sucré montait des orangers du parc, des lauriers et des rafiofolis, ces arbustes taillés en forme de boule et qui s’allument au printemps de toutes leurs fleurs rose pâle. Un souffle léger passait dans les cyprès. Une vague rumeur montait d’Alger, où se mêlaient des bruits de moteurs estompés, des cris d’enfants, des aboiements de chiens, et cette rumeur assourdie équivalait au plus parfait des silences. On était aux premiers jours d’août. Philippe songea aux crépitements des armes automatiques, aux explosions de plastic ou d’obus de mortier qui, encore un mois et demi plus tôt, ne cessaient, jour et nuit, de déchirer l’air et de faire trembler la ville prise dans une hallucinante kermesse où l’on n’arrivait plus à distinguer la peur de la haine, le désespoir de la folie. Et maintenant, ce calme surprenant. Paix ou torpeur ?“

 

droit2

Michel Droit (23 januari 1923 – 22 juni 2000)

 

De Oostenrijkse schrijver Franz Rieger werd geboren op 23 januari 1923 in Riedau. Hij bezocht het jongensinternaat Petrinum in Linz. Na de aansluiting van Oostenrijk bij het Duitse rijk in 1938 bezocht hij het gymnasium in Passau. In 1942 moest hij naar het front. Toen hij na Amerikaans krijgsgevangenschap in 1946 terugkeerde in Oostenrijk werkte hij als ambtenaar bij financiën. Van 1955 tot zijn pensioen in 1983 werkte hij vervolgens als bibliothecaris in Linz. Het landschap, het vreemde, de oorlog en zijn gevolgen zijn steeds terugkerende elementen in zijn romans, verhalen, hoorspelen en gedichten.

 

Uit: Strohpferde

 

Ella liebte Pferde. Vater hatte beizeiten ein Auto, ein Fordmöbel, und es stand noch etwas davon im hinteren Hof. Doch seine erste Anschaffung waren die Pferde gewesen – Ella war noch ein kleines Mädchen; damals gab es die Händler, einen Gustav Mandl und andere, die gute Exemplare zu Fuß weither trieben. Das Auto hatte die Pferde nicht abgelöst, es blieb aber eine Laune, die den nachhaltenden Ton entbehrt, den Pferde haben, ein Schrottstück, niedlich, grasüberwuchert. Der Krieg hatte eine Neuanschaffung ausgeschlossen. Die Zeit nachher bestätigte das Pferd. Neunzehnhundertundfünfundvierzig fing man von vorne an. Es waren zwei Fuchstuten. Der Knecht hatte ihr damals das Fahren beigebracht, mit dem Gig, mit der leichten Kutsche, mit dem Schlitten, Viersitzer, Kutscher am Bock. Der Knecht, das Faktotum, war halb taub und las ihr die Wünsche aus dem Gesicht ab, gegen den Willen des Vaters, der selbst den Ehrgeiz hatte, ihr etwas beizubringen. Von Anton lernst du nichts, sagte er und fuchtelte mit der Zigarre vor ihr herum, – auch dann noch, als sie sich dem Knecht und ihm entzog, eine erwachsene Frau, Mutter zweier Kinder, im Krieg zur Witwe geworden, gewohnt, selbstständig zu handeln, was er, der Vater, nicht ganz wahrhaben wollte, als sie wieder in seinem Hause wohnte und, wie er sagte, sein Brot aß. Sie war jetzt groß und stattlich, und er erinnerte sich, als sie als Kind schon kehrt machte vor ihm, im Reitkostüm, das Blondhaar unter dem roten Käppchen, und im Stall verschwand. Auch ihre Erinnerungen flössen ineinander – sie vertrat sich die Füße auf dem gepflasterten Hof, Vaters Erlaubnis abwartend.

 

rieger

Franz Rieger (23 januari 1923 – 11 juni 2005)

 

De Duits – Oostenrijkse dichter en schrijver Jesse Thoor (eig. Peter Karl Höfler) werd op 23 januari 1905 in Berlijn geboren. Zijn familie keerdfe kort na zijn geboorte naar Oostenrijk terug. Thoor volgde o.a. een opleiding tot tandtechnicus, maar begon al snel aan een zwervend bestaand. Hij trok dwars door Europa en bezocht Italië, Spanje, Hongarije en Nederland. Na zijn terugkeer naar Berlijn werd hij lid van de KPD. Toen Hitler aan de macht kwam ging hij weer naar Oostenrijk. In Wenen werkte hij als beeldhouwer, timmerman en zilversmid. In 1938 vluchtte hij naar Tsjechoslowakije, daarna leefde hij in ballingschap in Engeland. Zijn dichterlijk werk wordt gekenmerkt door strenge vormen.

 

Sonett im Herbst (Sonette 1934-44)

 

Wie oft wohl muss ich noch, dass Gott erbarm -ein stiller Gast,

an fremden Tischen dankbar meinen kahlen Schädel neigen ?

Ich lege ihn am Abend hin – auf  Federn, Strohsack oder Bast,

wie ich ihn schon am Morgen hob; zum Tl’auern nur und Schweigen.

 

Ich weiß, da gehn die Alten schweren Schrittes vor das Haus.

Denn wieder blühn in Deutschland Wicken, Astern und Zyklamen.

Und wieder pocht der Herbst an Tür und Fensterrahmen,

und bläst die Lampe flackernd in den engen Stuben aus.

 

In diesen Nächten werden viele einsam durch die Straßen gehn.

Und wird es nur der Wind, ein Frösteln sein in Baum und Strauch?

“Vielleicht, vielleicht bringt uns der März ein Wiedersehn?”

 

Und allen wünsch ich und auch mir die Kraft, nach altem Brauch,

dass wir den Frost, die Kälte und den Hunger überstehn.

Und alles Unheil und die tiefe Schande der 1rrannen auch.

 

jesse_thoor

Jesse Thoor (23 januari 1905 – 15 augustus 1952)

 

De Duitse schrijver Christian August Vulpius werd geboren op 23 januari 1762 in Weimar. Hij bezocht het gymnasium en studeerde daarna rechten in Jena en Erlangen. In deze tijd kreeg hij al ondersteuning door Goethe, die later met een zus van hem zou trouwen. Hij werd secretaris van de boekhandelaar Göschen en werkte ook als librettist aan het theater in Weimar. In 1797 kreeg hij een vaste aanstelling bij de bibliotheek van Weimar. Vulpius’roem dankt hij voornamelijk aan zijn roman Rinaldo Rinaldini der Räuberhauptmann. Met dit boek trof hij precies de smaak van het publiek.

 

Uit: Rinaldo Rinaldini der Räuberhauptmann

 

Stürmisch brauste der Wind, tobend wie empörte Meereswogen, über den Nacken der hohen Apenninen, schüttelte die Wipfel hundertjähriger Eichen und beugte das schwankende Gesträuch der Flamme des Feuers zu, an welchem nahe bei einer steilen Felsenwand, in einem kleinen Tale, Rinaldo und Altaverde saßen. Die Nacht war dunkel, dichte Wolken verschleierten den Mond, und kein lächelnder Stern funkelte am Himmel.

ALTAVERDE Ist das doch eine Sturmnacht, wie ich kaum noch eine erlebt habe! – Rinaldo! schläfst du?

RINALDO Ich sollte schlafen? – Ich habe das Wetter gern so wie es jetzt ist. – O! es stürmt hier und dort, um uns, neben uns, in mir, und überall.

ALTAVERDE Hauptmann, du bist nicht mehr der, der du warst.

RINALDO Wohl wahr! – Einst war ich ein unschuldiger Knabe, und jetzt –

ALTAVERDE Bist du verliebt?

RINALDO Bin ich ein Räuberhauptmann?

ALTAVERDE Hat dir das deine Donna angesehen? – Wer hält dich nicht, wenn du dich in großen Städten zeigst, für den reichsten Marchese aus dem edelsten Hause?

RINALDO Und dennoch setzt man Preise auf meinen Kopf.

ALTAVERDE Wer will sie verdienen?

RINALDO Vielleicht selbst einer der Unsrigen.

ALTAVERDE Pfui! So handeln die nicht, die dir den Eid der Treue geschworen haben.

RINALDO O! sie sind Menschen! und böse Menschen. Denn gut wirst du uns doch alle, beim Teufel! nicht nennen wollen?

ALTAVERDE Daß ich mit dir jetzt darüber stritt! Du hast üble Laune. – Was hilft jetzt das Grübeln und Grillisieren? Nun ist’s zu spät.

RINALDO Wehe mir und dir, und uns allen, daß es zu spät ist! – O! Altaverde! welchen Tod werden wir sterben?

ALTAVERDE Den, der uns zugedacht ist. – Der Eingang ins Leben ist ein Pfad, den Könige und Bettler auf gleiche Art betreten. Der Ausgang hat vielerlei Pforten. Ob wir durch die Mittel- oder Seitentür hinauskommen, ist einerlei. Hinaus läßt man uns gewiß. – Hauptmann! seit du verliebt bist, ist mit dir gar nicht zu sprechen. – Wer zog dich unter uns?

RINALDO Mein Schicksal, mein Leichtsinn.”

 

 Vulpius

Christian Vulpius (23 januari 1762 – 26 juni 1827)

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 23 januari 2009.

 

De Oostenrijkse schrijfster en dichteres Hannelore Valencak werd geboren op 23 januari 1929 in Leoben-Donawitz. Zie ook mijn blog van 23 januari 2007.