Peter Stamm, Sascha Kokot

De Zwitserse schrijver Peter Stamm werd geboren op 18 januari 1963 in Weinfelden. Zie ook alle tags voor Peter Stamm op dit blog.

Uit: Das Archiv der Gefühle

„Die matten Farben jetzt im Frühjahr, in denen sich schon die kräftigeren des Sommers ankündigen, der leichte Wind, der nicht kalt ist, aber auch noch nicht warm und mich erschauern lässt, nicht frieren, eine Wahrnehmung nur an der Oberfläche.
Ich habe die Fußgängerbrücke genommen und bin auf der anderen Seite des Flusses zurückgegangen.
Der Weg ist etwas breiter hier, aber weniger begangen, an manchen Stellen ist die Erde aufgeweicht,
Pfützen haben sich gebildet, in denen sich die Hochspannungsleitung und die Wolken spiegeln. Als ich
mich dem Stadtrand nähere, werden die Geräusche wieder lauter.
Der namenlose Weg, auf dem ich gehe, die Schrebergärten, einige schon vorbereitet für die Frühlingsbepflanzung, andere noch im Winterschlaf und einige ganz verwahrlost, vermutlich seit Jahren nicht bestellt, dahinter die Bahnlinie und etwas weiter entfernt die Autobahn. Das Rauschen des Flusses, das Rauschen der Autos, der Lkws, ein hohes Sirren und dann noch ein anderes Rauschen, das metallisch klingt und pulsiert, ein Zug, der vorüberfährt. Wie soll das alles beschrieben, wie festgehalten werden?
Das Gehen hat mich müde gemacht, ich bin es nicht mehr gewohnt und habe mich unterhalb des
Wehrs auf eine Holzbank gesetzt. Ich sitze am Fluss und bin überwältigt von der Fülle der Eindrücke, die auf mich einströmen. Es ist dieses Gefühl der Klarheit und Durchlässigkeit, das sich einstellt, wenn
man nach einer langen Krankheit zum ersten Mal wieder das Haus verlässt, etwas geschwächt noch,
nüchtern und mit geschärften Sinnen. Ich schließe die Augen, das Rauschen wird lauter, der Fluss führt mehr Wasser, fließt schneller, er ist ockergelb. Es regnet nur noch ganz leicht, schließlich hört es auf. Ich fröstle, ich trage nur Badehosen und habe ein Handtuch um die Schultern geschlungen. Die Kälte lässt mich meinen Körper deutlicher spüren als sonst, alles ist sehr klar und oberflächlich. Ich empfinde ein Glück, das sich wie Unglück anfühlt.
Ich muss an Franziska denken, die jetzt bestimmt daheim ist und Hausaufgaben macht oder einen Kuchen bäckt oder tut, was Mädchen eben tun. Wir teilen uns ein Stück des Schulwegs. An der großen Kreuzung, wo unsere Wege sich trennen, stehen wir oft lange und reden. Worüber haben wir uns damals nur immer unterhalten? Der Gesprächsstoff schien uns nie auszugehen. Dann schaut einer von uns auf die Uhr und merkt, wie spät es schon ist, und dass unsere Mütter mit dem Mittagessen auf uns warten.
Ein Lachen, ein hastiger Abschied.
Der Weg nach Hause, in Gedanken noch immer bei Franziska, ihre Stimme, ihr Lachen im Ohr, die
Dinge, die sie sagt, und jene, die sie nicht sagt. Dann das Quietschen des Gartentors, das Knirschen des Kieses in der mittäglichen Stille.“

 

Peter Stamm (Weinfelden, 18 januari 1963)

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

zelfs als de vrouw allang weg is
klinkt nog altijd het avondprogramma door
het heeft zich veel te hard ingebrand
en druppelt door het plafond op ons neer
waar we in onszelf naar de slaap grijpen
de dagen uit onze huid strijken
kunnen we ze nog lang volgen
de berichten, studio’s en moordenaars
voor hun na middernacht de stroom
wordt afgesloten en we achterblijven
in onze nachtelijke onrust die langzaam
wakker wordt in alle stilte

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e januari ook mijn blog van 18 januari 2019 en ook mijn blog van 18 januari 2015 deel 2 en ook deel 3.

Antoine Wauters, Sascha Kokot, Philip Snijder

De Belgische dichter en schrijver Antoine Wauters werd op 15 januari 1981 geboren in Luik. Zie ook alle tags voor Antoine Wauters op dit blog.

Uit: Mahmoed of het wassende water (Vertaald door Katelijne De Vuyst)

“1
Aanvankelijk, de eerste seconden, raak ik
altijd mijn hart aan om te zien of het nog klopt.
Want ik heb het gevoel dat ik sterf.
Ik hou me vast aan de steven en zet mijn masker op.
Ik beweeg mijn benen op en neer.
De wind waait hard.
Hij praat.
Ik luister hoe hij praat.
In de verte, de watermeloenvelden,
het dak van de oude school en de saffraanbloemen.
Het water is koud ondanks de zon,
en de stroming elke dag sterker.
Weldra zal het allemaal verdwenen zijn.
Geloof je dat de camera’s van de hele wereld
zich zullen verplaatsen om er verslag over te doen?
Geloof je dat ze het voldoende telegeniek zullen vinden,
Sarah?
Wat maakt het ook uit?
Vastgeklemd aan de steven zie ik mijn hut, een koe
die graast onder de bomen, de reusachtige hemel.
Alles is ver.
Hoe langer hoe verder.
Ik bevestig mijn snorkel. Ik bevestig mijn hoofdlamp
zo dat ze niet kan bewegen.
En langzaam trap ik om mijn lichaam loodrecht
te houden.
Daarna neem ik een lange, diepe ademteug
en alles wat ik ken, maar ontvlucht, alles wat
ik niet langer verdraag maar wat blijft bestaan, alles wat ons
overvalt zonder dat we er ooit om hebben gevraagd,
laat ik achter.
Een heerlijk gevoel.
Het beste.
Weldra ga ik onder, ik verdwijn, maar ben niet bang meer
want mijn hart is het gewoon geworden.
Het water, vol vuilnis, draagt me.
Ik negeer het.”

 

Antoine Wauters (Luik, 15 januari 1981)

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

je ziet het dooiweer grazen in de onderste lagen

je ziet het dooiweer grazen in de onderste lagen
niemand anders haalt de laatste hekken weg
vreet aan de wallen aan de stormzijde
de gebroken leisteen blijft liggen
met dikke vacht gaan de katten in een rij staan
kauwen hun klauwen scherp ruiken de kou
reeds slaan de eerste honden aan
wanneer ze wakker worden
jouw geur voor hen opeens vreemd is
jij pas aan het eind van het jaar weer
kunt afdalen naar de huizen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Nederlandse schrijver Philip Snijder werd geboren in Amsterdam in 1956. Zie ook alle tags voor Philip Snijder op dit blog.

Uit: Het smartlappenkwartier

“De zondag van mijn moeders verdwijning — haar desertie, haar onderduik, of misschien wel gevangenschap, misschien wel gijzeling, had ik er voor mezelf later bij verzonnen — was er niet eens openlijk ruzie geweest tussen mijn ouders. Althans, ik had daar geen signalen van doorgekregen, achter de deur van mijn kamer boven. Die deur drukte ik, in een zinloze strijd tegen allerlei geluid uit onze woning dat me wilde storen bij het huiswerk maken, slapen of masturberen, altijd overdreven stevig dicht Zodra ik binnen was en hem had gesloten, zette ik werktuigelijk een hand tegen het bovenste deel, een knie tegen het onderste, en duwde dan met al mijn kracht. Alsof ik zo alle geluid achter die deur, alle geluid van de rest van de wereld, als een enorm, loodzwaar schip traag maar onomkeerbaar van me weg kon laten drijven. Maar tussen mijn Escher-posters, zitkussens en druipkaarsen was er toch geen enkel plekje te vinden waar ik niet voluit bereikbaar was voor de als een donderslag doorspoelende wc, de venijnig jankende stofzuiger, de bulderend lachende televisie of de vals schetterende kinderpick-up als mijn zesjarige zusje Francien plaatjes draaide. Van alle herrie in onze woning braken de ruzies veruit het meest verwoestend door mijn hermetisch gesloten kluizenaarsdeur. Ook al had ik die, inmiddels zestien, al zo’n twaalf, dertien jaar bewust meegemaakt, immuun was ik er nooit voor geworden. Ze negeren, me ervoor afsluiten, het was nog net zo onmogelijk als toen ik klein was. Het waren er gemiddeld twee á drie per week, en ze speelden zich af in de huiskamer, keuken of in hun slaapkamer, waar ook het kleine ledikant van mijn zusje stond, vaak zich bonkend verplaatsend tussen die ruimtes. Mijn moeders agressieve, bijtende scheldpartijen, mijn vaders ingehouden tegengeluid, waarbij soms de woede zijn stem liet overslaan, en het tussen haar huilsnikken door ‘Niet doen! Niet doen!’ roepende zusje. Zodra ik achter mijn deur geluiden hoorde van omvallende meubels of brekend glas, werd ik door een impuls gedwongen erop af te rennen, om Francien aan haar hand mee te trekken naar mijn kamer. Maar zoiets had zich helemaal niet voorgedaan op de zondag dat mijn moeder de deur uit ging en niet meer thuiskwam. Toen ik even beneden was om een snee brood met stroop te eten, had ik vastgesteld dat er in ons huls, met nooit meer dan twee keuzes, die ochtend de ándere sfeer heerste, het alternatief van de ruziesfeer, het kabbelende kielzog van een ruzie, alsook natuurlijk de stilte voor de onafwendbare volgende zeestorm tussen onze muren. De gemelijke landerigheid sloeg me meteen klef in het gezicht toen Ik even om de hoek van de huiskamerdeur keek. Mijn zusje zat op de grond, zich oefenend met mijn vaders bush puppy in wat ze net had geleerd: een strik leggen in een veter.”

 

Philip Snijder (Amsterdam, 1956

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e januari ook mijn blog van 15 januari 2019 en ook  mijn blog van 15 januari 2017 deel 2 en eveneens deel 3.

J. Bernlef, Sascha Kokot

De Nederlandse schrijver en dichter J. Bernlef werd geboren op 14 januari 1937 in Sint Pancras. Zie ook alle tags voor J. Bernlef op dit blog..

 

Heel iemand anders

Volgens de bovenmeester was ik een mulo-kandidaat
voorbeeld van grijze middelmaat, onopvallend
verlegen, tot niet bijster veel in staat

Toen mijn vader verhaal kwam halen
keek meester peinzend voor zich uit
zat zo’n jongen werkelijk in zijn klas?

Vader kwam briesend thuis: hij wist
niet eens je naam of wie je was
ik knikte maar wist: meester had gelijk

Hij kon mij niet zien omdat ik jaren
getraind had op onzichtbaarheid
die kunst tot in de puntjes meester was

Vader kwam er later vaak op terug
wilde dat ik van alle markten thuis
de enig juiste richting vond

Ik trainde omgekeerd tot ik
tenslotte plotseling heel iemand
anders geworden voor hem stond.

 

Stilleven (met echt bloed)

de oprechtheid van
de groene plastic beker
met witte stippen

de baldadigheid van de
tandenborstel met wijd
uitstaande haren

de eerlijke ouderdom
van de half op-
gerolde tube

zo zou ik iedere morgen
willen denken

even duidelijk
mijn woorden
als de beweging

waarmee ik poets
en poets tot
het tandvlees bloedt

 

Winst in de woestijn

En steeds weer moet ik het ongelofelijke leren
een spiegelbeeld waarin ik leef
de pool verandert uit liefde zijn lading

De hitte van de huid ontwaakt in een woestijn
alleen zijn – zwijgen – slapen zonder schaduw
blijkt opeens uiterste copulatie te zijn

Dit geluiddichte zand is de enige metafoor
al zo versleten dat het haar voetstoots aanvaardt
zonder dat ik bijgeluiden hoor

Ik kan haar niets beloven want alles is te zien
(niet achter heuvels het zachte gras – het eiland – de vrije woning)
zij ziet meteen wat ik verdien

Zand. En niet eens een schep voorhanden
(ik wil alles voor je doen)
er is geen keuze, er bestaan geen betere landen

Zomin als er iets is
waarmee je bent te vergelijken
‘als’ is in dit land steeds mis

En dat is de winst uit dorst gewonnen
ik zeg ik heb je lief en jij weet
hij heeft het niet verzonnen.

 

J. Bernlef (14 januari 1937 – 29 oktober 2012)

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

de kinderen zijn we kwijtgeraakt

de kinderen zijn we kwijtgeraakt
we kennen hun namen niet
er was geen tijd om ze uit te kiezen in te studeren
hun kamers blijven ongebruikt
onze lichamen hebben daarin geen nut
onzeker tegenover elkaar
wijzen ze ons steeds verder weg
ze lijken de routes feilloos te kennen
ook al weten we nauwelijks nog
wat ons hier houdt in de koude gangen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e januari ook mijn blog van 14 januari 2019 en eveneens mijn blog van 14 januari 2018 deel 2.

Peter Stamm, Sascha Kokot

De Zwitserse schrijver Peter Stamm werd geboren op 18 januari 1963 in Weinfelden. Zie ook alle tags voor Peter Stamm op dit blog.

Uit: Das Archiv der Gefühle

Früher am Tag hat es ein wenig geregnet, jetzt ist der Himmel nur noch teilweise bewölkt mit kleinen, kräftigen Wolken, deren Ränder weiß leuchten im Sonnenlicht. Von hier aus ist die Sonne schon nicht mehr zu sehen, sie ist hinter der bewaldeten Hügelkette verschwunden, und es ist spürbar kühler geworden. Der Fluss führt viel Wasser, an den Schwellen bildet sich weißer Schaum, es ist mir, als könne ich die Energie spüren, die im bewegten Wasser steckt, als fließe sie durch mich hindurch, ein kräftiger, belebender Strom. Hundert Meter flussaufwärts, wo das Wasser über das Wehr stürzt, weicht das gurgelnde Geräusch einem lauten, vollen Rauschen. Das Wort Rauschen trifft es nicht, es ist viel zu ungenau in seinen vielen Bedeutungen und Anwendungen, alles rauscht, der Fluss, der Regen, der Wind. Der Äther rauscht. Ich muss eine Akte zum Thema Geräusche des Wassers anlegen, ich frage mich, wo in der Systematik sie hingehört, Natur, Physik, vielleicht sogar Musik? Geräusche, Gerüche, Lichtphänomene, Farben, so vieles fehlt noch in meinem Archiv, so viel Unbeschriebenes, Unerfasstes, Unerfassbares.
Ich bin den Pfad entlanggegangen, der den Fluss hochführt ins Tal hinein. Franziska hat sich zu mir gesellt, ich weiß nicht, woher sie gekommen ist, vielleicht wurde sie vom Wasser angezogen, wie es uns beide immer schon angezogen hat. Plötzlich geht sie neben mir. Sie sagt nichts, lächelt mich nur an, als ich zu ihr hinüberschaue, dieses verschmitzte Lächeln, das ich nie ganz deuten konnte und vielleicht deshalb so sehr liebe an ihr. Sie nickt mir zu, als wolle sie mich ermuntern, irgendetwas zu tun, zu sagen. Das Haar ist ihr dabei ins Gesicht gefallen, sie streicht es zurück. Ich möchte meine Hand auf ihren Nacken legen, ihren Nacken küssen. Ich liebe dich, sage ich. Ich will ihre Hand fassen, aber ich greife ins Leere.
Manchmal taucht sie so unvermittelt auf, ohne dass ich an sie gedacht habe, leistet mir ein wenig Gesellschaft und verschwindet dann, wie sie gekommen ist, und ich bin wieder allein.
Wie lange bin ich schon gegangen? Eine halbe Stunde, eine Stunde? Vor mir läuft ein schwarzer Käfer über den Weg, und ich stehe still und beobachte ihn. Was
für ein Käfer ist das? Es gibt Hunderttausende von Insektenarten, und ich kenne kein Dutzend davon, Marienkäfer, Mai- und Junikäfer, Wanzen, Asseln, Tausendfüßler, Heuschrecken, Bienen und Hummeln, Ameisen, was weiß ich.“

 

Peter Stamm (Weinfelden, 18 januari 1963)

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

dit meer wordt vandaag ook drooggemaakt

dit meer wordt vandaag ook drooggemaakt
met zijn ondiepten in dichte begroeiing
de zwemmers hebben geen tijd
voor het oversteken van het water
hun bewegingen grijpen in de leegte
de kieuwen verliezen hun vorm
verre boeien kletteren hol op de grond
ergens daartussen happen de zeilen naar wind
het strand wordt zienderogen een strop
die snel sluit gevolgd door
de bewoners met handdoeken en parasols
ze vinden niets meer om aan te leggen
Ik heb deze zomer geroepen
om op vijfenvijftig meter diepte
op de laatste laag te staan

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e januari ook mijn blog van 18 januari 2019 en ook mijn blog van 18 januari 2015 deel 2 en ook deel 3.

Antoine Wauters, Sascha Kokot, Philip Snijder

De Belgische dichter en schrijver Antoine Wauters werd op 15 januari 1981 geboren in Luik. Zie ook alle tags voor Antoine Wauters op dit blog.

Uit: Mahmoud ou la montée des eaux

« Au début, les premières secondes, je touche toujours mon coeur pour vérifier qu’il bat.
Car j’ai le sentiment de mourir.
J’ajuste mon masque, me tenant à la proue.
Je fais des battements de jambes.
Le vent souffle fort.
Il parle.
Je l’écoute parler.
Au loin, les champs de pastèques,
le toit de la vieille école et des fleurs de safran.
L’eau est froide malgré le soleil,
et le courant chaque jour plus fort.
Bientôt, tout cela disparaîtra.
Crois-tu que les caméras du monde entier se déplaceront pour en rendre compte ?
Crois-tu que ce sera suffisamment télégénique pour eux, Sarah ?
Qu’importe.
Agrippé à la proue, je vois mon cabanon, une vache qui paît en dessous des arbres, le ciel immense. Tout est loin.
De plus en plus loin.
J’enfile mon tuba. Je fixe ma lampe frontale afin qu’elle ne bouge pas.
Et je palme lentement pour maintenir mon corps d’aplomb.
Je prends ensuite une grande, profonde respiration, et tout ce que je connais mais que je fuis, tout ce que je ne supporte plus mais qui subsiste, tout ce qui nous tombe dessus sans qu’on l’ait jamais demandé, je le quitte.
Une sensation exquise.
La meilleure.
Bientôt, je code, je disparais mais je n’ai plus peur car mon cœur s’est habitué. »

 

Antoine Wauters (Luik, 15 januari 1981)

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

kalm word ik niet

kalm word ik niet
met mijn blik op het bos
en de zwarte meubels
die achter me zijn neergezet
de vrouw staat in de keuken
praat met het kind in de box
de honger laat het zeuren
morgen komt de mortel
voor de laatste voegen aan het huis
sinds een paar dagen blijft
de warmte langer in de oven hangen
hem aansteken gaat nu beter
zelfs de vorst trekt zich terug
maar wild verzamelt zich voor de poorten
kalm wordt ik niet

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Nederlandse schrijver Philip Snijder werd geboren in Amsterdam in 1956. Zie ook alle tags voor Philip Snijder op dit blog.

Uit: Retour Palermo

“Wang tegen wang, de mijne tegen die van de non, zeker al een kwartier. Onze mondhoeken bevonden zich op een centimeter van elkaar, minder nog, doordat ik de zijkant van mijn gezicht waar dat maar kon in volkomen symmetrie tegen de hare probeerde te duwen. Mijn kin tegen die van haar, dan het volle oppervlak van onze wangen, daarboven mijn rechterslaap tegen haar stugge witte hoofdkapje. Om nog dichter bij haar te komen had ik mijn vette lange haar achter mijn oor gehaakt. Ik stelde me voor dat ik bij het knipperen met mijn wimpers die van haar, op haar gesloten oogleden,
steeds raakte en liet meebewegen. Dat ik haar zo bijna on- merkbaar kriebelde en dat de snelle trekjes die haar neus en bovenlip maakten door deze ragfijne strelinkjes werden veroorzaakt. Al meerdere keren had ik mijn tong naar buiten laten komen en snel langs haar iets openhangende mond laten glijden. Op het glas van het coupéraam dat ons scheidde, was op die plek in de condens van mijn adem een vettige streep te zien.
Zittend op mijn rugzak, platgelegd in het gangetje van de nachttrein, kon ik mijn gezicht exact op dezelfde hoogte brengen als dat van de non, die in diepe slaap was weggezakt tegen het raampje dat naast de schuifdeur haar coupé afsloot. Waarschijnlijk om mij, na onze eerdere uitwisseling van sympathiebetuigingen, niet onbeleefd van zich te scheiden, en om mij zicht te geven op de tegen haar schouder slapende Ingrid, had ze het gordijntje dat zich naast haar bevond niet dichtgetrokken, wat haar toch een aangenamer hoofdsteun zou hebben gegeven.
En zo kon ik mij, aan de andere kant van het glas, over- geven aan een van de vele koortsige hersenkronkels die me door slaapgebrek, vermoeidheid en hitte in dit laatste deel van onze reis steeds vaker kwamen bezoeken. In de plotselinge zekerheid dat de bedorven atmosfeer in het gangetje aan míj te wijten was, had ik zeker een uur angstvallig mijn adem onderzocht in mijn zwetende handpalm, waarbij elke controle zowel een bevestiging als een weerlegging oplever-
de. Daarvóór had ik een lange tijd met woest kloppend hart zitten loeren naar de knieën en voeten van de mannen op de bank tegenover Ingrid.”

 

Philip Snijder (Amsterdam, 1956)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e januari ook mijn blog van 15 januari 2019 en ook  mijn blog van 15 januari 2017 deel 2 en eveneens deel 3.

J. Bernlef, Sascha Kokot

De Nederlandse schrijver en dichter J. Bernlef werd geboren op 14 januari 1937 in Sint Pancras. Zie ook alle tags voor J. Bernlef op dit blog..

 

In deze doolhof van letters

In deze doolhof van letters
zoek ik naar een gaatje
om u een stukje buitenlucht te tonen
of een kinderhandje dat hoepelt.
ik kan wel schrijven akst mik strlos
en bedoelen dat ik niet te spreken ben
maar men zal toch binnenkomen
ik moet verstaanbaar uw werkelijkheid
ontvreemden als een zakkenroller.

oh ik geniet als ik u wanhopig
naar het oude evenwicht zie grijpen
apodictisch conferencier is de dichter
een mol die ’s nachts uw land openwroet
en ’s morgens staat u veranderd en bevreemd
naar zijn nagelaten werk te staren

het is geen kunst
als stilstaand water diepe gronden te hebben
de dode speelgoedpop met de gebarsten kop te strelen
maar onder de oppervlakte stromend
steeds weer nieuwe huid te voelen
dit gevecht is eindeloos en zonder uitzicht
daarom verlaat de dichter zijn vers als een bedelaar.

 

Vanwege

‘En het geschiedde in die dagen
dat er een bevel uitging vanwege keizer Augustus…’
Je las het ons strak en plechtig voor.

Weg moesten ze uit hun huizen
dagreizen ver om ergens geteld.
Waarom? Vanwege. Dat woord kende ik niet.

Maar wel dat het bevel ook hier
kon gelden, aan deze feestelijke dis
en wij vertrekken moesten, plotseling

Om geteld of erger. Het kind, de kribbe
de wijzen uit het Oosten vielen in het niet.

Ik keek naar buiten. Nergens scheen de ster.
Je stem leek ver, je las de oude woorden.

En ik vreesde met grote vreze. Vanwege.

 

Een chirurg weet van geen pijn

Stuurloos staart hij naar de patient
hoe de pijn vrij te krijgen
los te maken in heldere cesuren
wat voor hem onzichtbaar blijft

Hij snijdt in wat zeer zichtbaar is
een bloederige troep: de mens in
zijn algemeenheid beent hij
zorgvuldig uit.

Gaaf en glanzend onder de operatielamp
restanten van actie: de patiënt is bevrijd
van zijn pijn maar hij, het heft in handen
hem is zij opnieuw ontsnapt.

 

J. Bernlef (14 januari 1937 – 29 oktober 2012)

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

hier moet de winter voorbij zijn geweest

hier moet de winter voorbij zijn geweest
zo uitgedund de takkennesten
handhaaft er zich geen wind meer in
opgedeeld glinsteren de appartementen erachter
zelfs als er niemand te zien is
weet ik dat jij daar bent
jouw geloof in een behuizing
jouw getreuzel in de uren
waarin de verlichting uitvalt
en je lichaam de laatste plaats is
die de warmte zal verlaten
voordat de stilte zich verzamelt
of een verwarmingsketel opnieuw aanspringt

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e januari ook mijn blog van 14 januari 2019 en eveneens mijn blog van 14 januari 2018 deel 2.

Peter Stamm, Sascha Kokot

De Zwitserse schrijver Peter Stamm werd geboren op 18 januari 1963 in Weinfelden. Zie ook alle tags voor Peter Stamm op dit blog.

Uit: Die sanfte Gleichgültigkeit der Welt

„Ich setzte mich neben sie, und wir schauten hin-unter zu den Gebäuden aus gelblichem Stein, die aus den dreißiger Jahren stammen mussten. Neben einigen quaderförmigen Bauten war ein monumentales, von viereckigen Säulen getragenes Dach, davor ein großer, zugefrorener Teich. Auf den Wiesen der sanft gewellten Landschaft lagen Flecken von Schnee. Vom Eingang des Friedhofs her kamen Menschen in dunklen Mänteln, einige allein, andere paarweise oder in kleinen Gruppen. Vor einem der Gebäude blieben sie stehen, eine verstreute Versammlung, die nicht recht zusammenzupassen schien.
Ich mag Friedhöfe, sagte Lena. Ich weiß, sagte ich. Es ist kalt, sagte sie. Wollen wir uns ein wenig bewegen?
Wir gingen den Hügel hinunter. Die Trauergäste waren inzwischen unter dem ausladenden Dach der Kapelle verschwunden, und der Platz war wieder menschenleer. Neben dem Gebäude stand ein Kandelaber mit einer Uhr. Seltsam, sagte Lena, das sieht aus wie auf einem Bahnsteig. Sie stellte sich unter die Uhr, schaute zu ihr hoch und prüfte dann die Zeit auf ihrer Arm-banduhr wie eine Reisende, die die Abfahrt ihres Zuges nicht erwarten kann. Endstation, sagte ich. Sie lächelte mich an, aber spielte ihre Rolle weiter, bis ich ein paar Mal leise in die Hände klatschte, worauf sie sich linkisch verbeugte.
Wir liefen weiter in das Gelände hinein, vorbei an geometrisch angelegten Grabfeldern in Richtung eines lichten Kiefernwaldes. Wir gingen so nah neben-einander, dass unsere Schultern sich manchmal streif-ten. Lena schwieg jetzt, aber es war kein ungeduldiges Schweigen, wir hätten wohl noch lange so gehen können, ohne zu reden, nur mit unseren Gedanken beschäftigt. Schließlich, wir waren eben zwischen die ersten Bäume getreten, blieb ich stehen und sagte, ich möchte Ihnen meine Geschichte erzählen. Sie gab keine Ant-wort, aber sie wandte sich mir zu und schaute mich an mit einem Blick, der weniger neugierig als vollkommen offen wirkte.
Ich bin Schriftsteller, sagte ich, oder besser, ich war Schriftsteller. Ich habe nur ein Buch veröffentlicht, und das ist fünfzehn Jahre her. Mein Freund ist Schrift-steller, sagte sie, oder möchte es gerne sein. Ich weiß, sagte ich, deshalb will ich Ihnen meine Geschichte er-zählen.
Wir gingen langsam den Kiesweg entlang, der in gerader Linie durch den Wald führte, und ich erzählte Lena von jener seltsamen Begegnung vor vierzehn Jahren, die dazu geführt hatte, dass ich das Schreiben auf-gegeben hatte.“

 

Peter Stamm (Weinfelden, 18 januari 1963)

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

de machines worden te klein voor je

de machines worden te klein voor je
je kunt er niets mee doen
en weet alleen hoe hij de oude apparaten moet gebruiken
met hun zware lichamen scherp en grof
gegoten staan ​​ze koppig als een kudde in de hal
en tussen dat alles het kleine schepsel
breekt bij de minste schok in stoffige stukken
als broedplaats voor de bevruchte eieren
ze wachten op een gunstig moment
als je niet meer in de kamer bent en
alleen de gloeilamp zoemt als laatste warmtebron

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e januari ook mijn blog van 18 januari 2019 en ook mijn blog van 18 januari 2015 deel 2 en ook deel 3.

Antoine Wauters, Sascha Kokot

De Belgische dichter en schrijver Antoine Wauters werd op 15 januari 1981 geboren in Luik. Zie ook alle tags voor Antoine Wauters op dit blog.

Uit : L’enfant des ravines

« J’ai vécu jusqu’à mes dix-huit ans dans un petit village d’Ardenne où mon imagination se trouve, encore aujourd’hui. Que je le veuille ou non, tout ce que j’écris vient de là, des quelques mètres carrés du hangar à poules de mon grandpère, de l’odeur des fraises qu’il cultivait derrière l’église, face aux collines de Hoyemont, au-dessus de l’Ourthe et de l’Amblève, des silos à foin de la ferme de Jacques Martin, des bêtes sachant d’instinct trouver le bonheur, des machines agricoles défoncées par l’usage, dans le purin.
Je suis marqué à vie par ce monde presque disparu. C’est une immense joie et une immense peine. Je ne peux pas le dire mieux : mon enfance me remplit et de peine et de joie.
Ne pas arrêter de faire signe à l’enfant que j’étais, tenter de le revoir et de revoir mon frère, tout cela porte un nom : écrire. Mes livres pourraient d’ailleurs tous commencer par cette phrase, qui ouvre Pense aux pierres sous tes pas. « On était nés jumeaux, pourtant mon frère avait toujours été comme un aîné pour moi. » Quelque part, ça résumerait tout.
J’avais peur de la ferme de Jacques Martin, même si elle m’attirait. Il y avait les oies, qui me paraissaient être des bras automatiques nés pour blesser, des dindons, des porcs, un verrat dont Jacques disait qu’il pouvait nous réduire en bouillie en un seul coup de mâchoire, toutes sortes d’êtres préhistoriques puant atrocement, pourtant quelque chose m’y ramenait constamment, dans cette ferme, qui m’attirait comme un poison. Je peux chercher dans tous les sens, presque toute ma joie se trouve là, au milieu de ces pierres d’avoine, près des silos, contre le flanc des bêtes, dans le purin.
J’étais fasciné par ces vaches qui dormaient littéralement dans leur merde. Je pouvais rester des heures à les regarder. J’étais fou d’elles, fou comme on l’est toujours des choses qui nous font peur, fou comme je le suis encore de celles qui me dégoûtent. Le fromage, par exemple. Et le lait.
Avec mon frère, on habitait dans le bas du village, dans les remblais d’un trou aux crasses recru de ronces et de fleurs sauvages, une de ces déchetteries dont sont pleines les campagnes. Le terrain, en pente, filait droit dans le bois qui faisait partie de la propriété. Un bois qui fut la jungle où il me semble avoir laissé la part la plus vivante de moi. La plus cruelle. Et la plus douce.”

 

Antoine Wauters (Luik, 15 januari 1981)

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

altijd als de schemering tegen

altijd als de schemering tegen
het voorgloeien van de lantaarns wordt ingewisseld
staat iemand voor het raam en kijkt naar
wat hem langzaam uithongert
hoever het in deze paar minuten ook is
het komt weer merkbaar dichterbij
komt in zijn ban krijgt langzaam
vorm als een gegarandeerde herinnering
die niet kan worden afgeschud weggepraat
tussen huisgevels over tramrails
en groene ruimtes in dichte takken beweegt het
zonder enig gewicht met een kracht als
alleen dit licht nog kan vóór de
natriumdamplampen hun temperatuur bereiken
ons allemaal terughalen om de laatste dingen
te verrichten voordat de nacht en de komende dag
ons omhullen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e januari ook mijn blog van 15 januari 2019 en ook  mijn blog van 15 januari 2017 deel 2 en eveneens deel 3.

J. Bernlef, Sascha Kokot

De Nederlandse schrijver en dichter J. Bernlef werd geboren op 14 januari 1937 in Sint Pancras. Zie ook alle tags voor J. Bernlef op dit blog..

Uit: Het wonder

‘Let op je woorden, jongen.’
‘Ja vader.’ Ik boog mijn hoofd en stak een hap eten in mijn mond. Snel slikte ik en keek onderhand op de klok. Over twintig minuten wachtte Rudi op me. Hij was er ook bij geweest vanmiddag. Ik was jaloers op hem want hij droeg als bewijs van de slag een smalle rode striem over zijn rechterhand. We zouden over onze overwinning praten, succesvolle aanvallen en slagen nog eens nabootsen, en scheldwoorden tegen de christelijken schreeuwen in de zomerse straat. De mensen die uit hun ramen hingen, zouden naar ons kijken en we zouden lachen omdat wij de overwinnaars waren. Daarom kon ik mijn mond niet houden. Ik moest praten over de slag omdat hij mij verhief boven alles wat ik tot nu toe was geweest. Terwijl ik praatte keek ik mijn broertje recht in zijn bolle gezicht, dat mij met een uitdrukking van verwondering aanstaarde. Hij begreep er natuurlijk niets van, maar hij zou mij tenminste niet in de rede vallen. Want terwijl ik praatte wist ik dat mijn vader iets zou gaan zeggen, een aanmerking zou maken over mijn taalgebruik, een plat uitgesproken woord uitdrukkelijk zou herhalen zodat ik genoodzaakt zou zijn het in keurig nederlands na te zeggen, voor ik verder kon gaan. Maar hij zei niets. Daarom hield ik even op met praten en keek in zijn richting. Hij moest al die tijd naar mij hebben gekeken want zijn ogen die op mij rustten hadden een gefixeerde uitdrukking.
Hij legde zijn mes en vork neer en wees op mij. Ik keek hem angstig maar ook vol verwachting aan. Misschien zou hij mij vragen wat ik gedaan had, hoe snel ik gerend had over de heuveltjes van het terrein, mij verstopt had in kuilen om opeens luid schreeuwend op te springen en een christenhond bij zijn overhemdje vast te grijpen en af te tuigen. Hij zei:
‘Jij moet eens luisteren. Heb je wel eens gehoord van het woordenpotje?’
Ik schudde mijn hoofd. Nee, daar had ik nog nooit van gehoord. Het woord deed mij denken aan een sprookje, maar mijn vader was geen man die sprookjes vertelde. Dat deed mijn moeder, vroeger, met woorden die zich als watten op mijn hoofd stapelden tot ik in slaap viel.
Hij liet zich achterover in zijn stoel zakken en zei:
‘Kijk, ieder mens heeft een woordenpotje van binnen. In dat potje zitten woorden, een heleboel woorden en iedereen heeft er evenveel in zitten. Maar elk woord dat je zegt verdwijnt eruit en er komen geen nieuwe bij.’
Terwijl hij dat zei keek hij naar het plafond alsof de woorden die hij zojuist gesproken had daar nu ergens zweefden. Hij keek ernstig, bedroefd haast. Zijn zware wenkbrauwen trokken samen en op zijn voorhoofd kwamen drie glanzende rimpels. Opeens keek hij mij weer recht en doordringend aan.
‘Maar mensen die te veel praten die raken zoveel woorden kwijt als ze klein zijn dat het potje leegraakt. Leeg! Die kunnen opeens niks meer zeggen! Nooit meer!’
Hij sloeg zijn handen in elkaar, als om te demonstreren hoe leeg dat wel was, hoe onverbiddelijk leeg. Mijn broertje begon hard te lachen en in zijn handen te klappen. Ik staarde een ogenblik naar mijn vader en draaide mij toen om naar mijn moeder. Ze knikte en glimlachte. Dat verwarde mij. De ernst van mijn vader en de glimlachende bevestiging van mijn moeder. Dan was het waar.”

 

J. Bernlef (14 januari 1937 – 29 oktober 2012)

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

op mijn benen slaapt in wit bont

op mijn benen slaapt in wit bont
de onrust in de ochtend
de honger in de avonduren
het verwarmende comfort ertussenin
en buiten mijn bereik
in de hoeken van de kamer
net onder de dekens
daagt je schaduw in de grijze vacht
altijd schuw en verkouden
hij kan nauwelijks naar buiten worden gelokt
Ik hoor hem slechts zacht hijgen
of diep in de nacht
speels door het huis jagen
ben je weg
dan wordt hij amicaal
volgt mij op het bed
wil lang geborsteld worden
ravot met de onrust
en de honger tot wij
kleine schrammen overhouden
en erkennen wie hier woont
hoe fout we het hadden

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e januari ook mijn blog van 14 januari 2019 en eveneens mijn blog van 14 januari 2018 deel 2.

Peter Stamm, Sascha Kokot, Franz Blei, Jon Stallworthy, Montesquieu, Ioan Slavici, Rubén Darío, Paul Léautaud, Alan Alexander Milne

De Zwitserse schrijver Peter Stamm werd geboren op 18 januari 1963 in Weinfelden. Zie ook alle tags voor Peter Stamm op dit blog.

Uit: Die sanfte Gleichgültigkeit der Welt

„Magdalena musste sich über meine Nachricht gewundert haben. Ich hatte keine Telefonnummer und keine Adresse angegeben, nur die Zeit und den Ort und meinen Vornamen: Bitte kommen Sie morgen um vierzehn Uhr zum Skogskyrkogården. Ich möchte Ihnen eine Geschichte erzählen. Ich wartete beim Ausgang der S-Bahn-Station auf sie. Um Viertel nach zwei war sie noch nicht da, und ich dachte kurz, sie könnte ein Taxi genommen haben. Aber ihre Verspätung hatte nichts zu bedeuten, sie war immer unpünktlich gewesen, nicht auf die aggressive Art, die dem Wartenden zeigen soll, dass seine Zeit weniger wert ist als ihre, eher aus einer Art Zerstreutheit, mit der sie ihr ganzes Leben anging. Ich war sicher, dass sie kommen würde, dass ihre Neugier größer sein würde als ihr Misstrauen. Fünf Minuten später fuhr der nächste Zug ein, und als ich schon dachte, sie sei auch in diesem nicht gewesen, kam sie mit hüpfenden Schritten die Treppe herunter. Ich hatte mich gleich zu erkennen geben wollen, aber kaum sah ich sie, verschlug es mir wieder den Atem wie am Tag zuvor, als ich ihr vor dem Hotel aufgelauert und sie dann doch nicht angesprochen hatte. Sie musste bald dreißig sein, zwanzig Jahre jünger als ich, aber sie sah aus wie ein junges Mädchen, und wer uns zusammen begegnet wäre, hätte glauben können, wir seien Vater und Tochter. Ich ließ sie an mir vorüber- gehen, ohne sie anzusprechen, und folgte ihr in Richtung Friedhof. Sie wirkte nicht wie jemand, der verabredet ist. Sie ging mit schnellen Schritten die Straße hinunter, als sei sie den Weg schon hundertmal gegangen. Ich hatte angenommen, sie werde beim Eingang des Gelän- des warten, aber sie ging hinein und, ohne zu zögern, einen kleinen Hügel hoch, auf dem ein Kreis alter Bäume stand. Am Fuß des Hügels gab es ein riesiges Steinkreuz, dennoch hatte die Anlage etwas Heidnisches, die Landschaft und die Natur wirkten stärker als die sakralen Bauten und alle christlichen Symbole.
Magdalena hatte sich oben auf dem Hügel unter einen der kahlen Bäume gesetzt und schaute mir entgegen, als hätten wir ein Wettrennen gemacht und sie sei die Siegerin. Außer Atem kam ich bei ihr an, und obwohl sie mich noch nie gesehen hatte, schien sie sofort zu wissen, dass ich es war, der sie hierherbestellt hatte. Lena, sagte sie und streckte mir die Hand hin. Christoph, sagte ich und gab ihr etwas irritiert die Hand. Nicht Magdalena? Niemand nennt mich so, sagte sie mit einem Lächeln. Ein ungewöhnlicher Ort für ein Treffen. Ich wollte, dass wir ungestört reden können, sagte ich.“

 

 
Peter Stamm (Weinfelden, 18 januari 1963)

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

das Bettzeug bleibt liegen

das Bettzeug bleibt liegen
für ein paar Tage
als gefiederter Abdruck
meiner Bewegung in diesem
Streitfall zwei Meter über
dem Boden schwelt es weiter
wühlen die Kinder deins
und meins darin umher
spielen Burg oder Grotte
so dick gepolstert tut ihnen
nichts weh liegen sie nicht
wund auf diesem Schlachtfeld

 

die Kinder sind uns abhandengekommen

die Kinder sind uns abhandengekommen
wir kennen ihre Namen nicht
es blieb keine Zeit sie auszuwählen einzustudieren
ihre Zimmer bleiben unbezogen
unsere Körper gehen darin brach
einander unsicher gegenüber
weisen sie uns immer weiter fort
sie scheinen die Routen verlässlich zu kennen
auch wenn wir kaum mehr wissen
was uns hier hält in den kalten Fluren

 

 
Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

De Oostenrijkse schrijver, vertaler en uitgever Franz Blei werd geboren op 18 januari 1871 in Wenen. Zie ook alle tags voor Franz Blei op dit blog.

Uit: Das große Bestiarium der modernen Literatur

Die George

Die George, auch die große George genannt, ist ein hochbeiniger Watvogel, der durch die außerordentlich schöne Proportion seiner Glieder wie auch durch seine Größe weit über seine Genossen im Wasser hinausragt, die es ihm mit Strecken und Recken ihrer kurzen mißgeformten Glieder gleichtun wollen zum großen Vergnügen der zuschauenden Kinder. Aber die George nimmt solches Stelzen der andern lächelnd hin, weil es ihr ihre Einzigartigkeit und Mustergültigkeit beweist. Die George hat Töne, die sie nur im Gehen von sich gibt, und es bekommen diese vom wohlgeordneten Spiel der Glieder eine gefällige Rhythmik. Das Gesicht der George ist von geringem Umfang und wird von ihren Beinen beherrscht, insofern ihr Sehen darüber nicht hinausgeht. Ihr subtiler Organismus macht sie Krankheiten geneigt, die leicht chronisch, aber nicht gefährlich werden. So ist die George dauernd mit der leichten Indisposition einer Wolfskehl behaftet. Den Schmitz, den sie einmal am Bein hatte, hat sie rasch überwunden. Einen irritierenden Gerardy ist sie aber so wenig los geworden wie an ihrer linken Pfote einen Gundelfinger, der sich da breit macht.

Gide, André

ist ein zartgebauter Schüler des Port Royal, aus ihm entsprungen und seitdem – es ist leicht, aus einer Stadt zu entfliehen, aber schwer, dann die rechte Straße zu finden – seitdem müht sich dieses vom Port Royal sublimierte Gewissen um Weg und Wege zwischen Genf und Paris, Rom und Moskau. Es flüchtet bisweilen erschöpft in Gärten, vergeblich von Blumen derbe Früchte dieser Erde erwartend. Oder es eilt ins Parisische und trinkt sich ein ganz kleines Voltairesches Schwippschen an. Manchmal auch bleibt es zwischen Paris und Genf in der Provinz liegen. Die Saiten dieser Kunst, eine Zuflucht, sind über eine offene Wunde seiner Seele gespannt; er schlägt sie wie es nur möglich ist: diskret und mit peinlichster Gewissenhaftigkeit.

 

 
Franz Blei (18 januari 1871 – 10 juli 1942)

 

De Engelse dichter en letterkundige Jon Stallworthy werd geboren op 18 januari 1935 in Londen. Zie ook alle tags voor Jon Stallworthy op dit blog.

No Ordinary Sunday

No ordinary Sunday. First the light
falling dead through dormitory windows blind
with fog; and then, at breakfast, every plate
stained with the small, red cotton flower; and no
sixpence for pocket money. Greatcoats, lined
by the right, marched from their pegs, with slow
poppy fires smouldering in one lapel
to light us through the fallen cloud. Behind
that handkerchief sobbed the quick Sunday bell.

A granite cross, the school field underfoot,
inaudible prayers, hymn-sheets that stirred
too loudly in the hand. When hymns ran out,
silence, like silt, lay round so wide and deep
it seemed that winter held its breath. We heard
only the river talking in its sleep:
until the bugler flexed his lips, and sound
cutting the fog cleanly like a bird,
circled and sang out over the bandaged ground.

Then, low-voiced, the headmaster called the roll
of those who could not answer; every name
suffixed with honour — ‘double first’, ‘kept goal
for Cambridge’ — and a death — in Spitfires, tanks,
and ships torpedoed. At his call there came through
the mist blond heroes in broad ranks
with rainbows struggling on their chests. Ahead
of us, in strict step, as we idled home
marched the formations of the towering dead.

November again, and the bugles blown
in a tropical Holy Trinity,
the heroes today stand further off, grown
smaller but distinct. They flash no medals, keep
no ranks: through Last Post and Reveille
their chins loll on their chests, like birds asleep.
Only when the long, last note ascends
upon the wings of kites, some two or three
look up: and have the faces of my friends.

 


Jon Stallworthy (18 januari 1935 – 19 november 2014)
Cover

 

De Franse schrijver en filosoof Charles Louis de Secondat, baron de La Brède et de Montesqieu werd geboren op 18 januari 1689 op het kasteel La Brède bij Bordeaux. Zie ook alle tags voor Montesquieu op dit blog.

Uit: Considérations sur les causes de la grandeur des Romains et de leur décadence

“La ville n’avait pas même de rues, si l’on n’appelle de ce nom la conti¬nuation des chemins qui y aboutissaient. Les maisons étaient placées sans ordre et très petites : car les hommes, toujours au travail ou dans la place publique, ne se tenaient guère dans les maisons.
Mais la grandeur de Rome parut bientôt dans ses édifices publics. Les ouvrages qui ont donné et qui donnent encore aujourd’hui la plus haute idée de sa puissance ont été faits sous les Rois. On commençait déjà à bâtir la ville éternelle.
Romulus et ses successeurs furent presque toujours en guerre avec leurs voisins pour avoir des citoyens, des femmes ou des terres. Ils revenaient dans la ville avec les dépouilles des peuples vaincus : c’étaient des gerbes de blé et des troupeaux ; cela y causait une grande joie. Voilà l’origine des triomphes, qui furent dans la suite la principale cause des grandeurs où cette ville parvint.
Rome accrut beaucoup ses forces par son union avec les Sabins, peuples durs et belliqueux comme les Lacédémoniens, dont ils étaient descendus. Romulus prit leur bouclier, qui était large, au lieu du petit bouclier argien, dont il s’était servi jusqu’alors, et on doit remarquer que ce qui a le plus contribué à rendre les Romains les maîtres du monde, c’est qu’ayant combattu successivement contre tous les peuples ils ont toujours renoncé à leurs usages sitôt qu’ils en ont trouvé de meilleurs.
On pensait alors dans les républiques d’Italie que les traités qu’elles avaient faits avec un roi ne les obligeaient point envers son successeur ; c’était pour elles une espèce de droit des gens. Ainsi tout ce qui avait été soumis par un roi de Rome se prétendait libre sous un autre, et les guerres naissaient toujours des guerres.
Le règne de Numa, long et pacifique, était très propre à laisser Rome dans sa médiocrité, et, si elle eût eu dans ce temps-là un territoire moins borné et une puissance plus grande, il y a apparence que sa fortune eût été fixée pour jamais.
Une des causes de sa prospérité, c’est que ses rois furent tous de grands personnages. On ne trouve point ailleurs, dans les histoires, une suite non interrompue de tels hommes d’État et de tels capitaines.
Dans la naissance des sociétés, ce sont les chefs des républiques qui font l’institution, et c’est ensuite l’institution qui forme les chefs des républiques.
Tarquin prit la couronne sans être élu par le Sénat ni par le peuple. Le pouvoir devenait héréditaire ; il le rendit absolu. Ces deux révolutions furent bientôt suivies d’une troisième.”

 

 
Montesquieu (18 januari 1689 – 10 februari 1755)
Cover

 

De Roemeense schrijver en journalist Ioan Slavici werd geboren op 18 januari 1848 in Siria. Zie ook alle tags voor Ioan Slavici op dit blog.

Uit: Popa Tanda (Vertaald door Lucy Byng)

“Then Father Trandafir reached this penitential spot. He could not expect to do as the others had done, come one day, stay the next, and depart the third. He was too much out of favour with the archdeacon to imagine that he would send him to another village. He could not remain without a village: a priest without a village—a cart without a wheel, a yoke without oxen, a hat on the top of a wig. He began to think what he must do; he must take things as they were, and stay gladly in Saraceni. It was only a village in name, but no one could say he was a priest without a village. But really a more suitable priest for a more suitable village you could not have found. The poverty of the priest corresponded to the poverty in the homes of his parishioners. From the beginning Trandafir realized one thing: it was much nicer in Butucani than in Saraceni. There the people all had something, and you could always have some of it. In Saraceni all the latches were made of wood. Then the Father reflected: the priest did all the business of the town, but the town took care of the priest’s purse. Before long the Father began to feel sure that the people who started by being charitable and hospitable were not born fools. “It is a wise thing when men meet together to comfort and cheer each other. Even our Redeemer began with almsgiving, and the wedding at Cana of Galilee.” Thus thought Father Trandafir; but in Saraceni there was neither almsgiving nor hospitality.
“There is one thing,” said the Father to himself a little later on, “in a poor village there is no corn for the priest to gather. As long as the people of Saraceni are lazy, so long shall I be hungry!” And he began to think how he was going to make his parishioners industrious. The industrious man eats the stones, makes soup out of the stagnant water, and reaps corn where the hemlock used to grow. “Then”—concluded the priest—”when the cow has fodder she is no longer dry!”

 
Ioan Slavici (18 januari 1848 – 17 augustus 1925) 
Borstbeeld in Iaşi

 

De Nicaraguaanse schrijver Rubén Darío werd geboren in Metapa, tegenwoordig Ciudad Darío, op 18 januari 1867. Zie ook alle tags voor Rubén Darío op dit blog.

 

Symphony In Grey Major

The sea like a vast silvered mirror
reflects the sky like a sheet of zinc;
distant flocks of birds make stains
on the burnished pale grey background.

The sun, like a round, opaque window
with an invalid’s steps climbs to the zenith;
the sea wind relaxes in the shade
using its black trumpet as a pillow.

The waves that move their leaden bellies
seem to moan beneath the pier.
Sitting on a cable, smoking his pipe,
is a sailor thinking of the beaches
of a vague, distant, misty land.

This sea-dog is old. The fiery beams
of Brazilian sun have tanned his face;
the wild typhoons of the China sea
have seen him drinking his bottle of gin.

The iodine and saltpetre foam
long has known his ruddy nose,
his curly hair, athletic biceps,
his canvas cap, his blouse of drill.

Surrounded by tobacco smoke
the old man sees the far off misty land
for which one hot and golden evening
his brig set out with all sails set …

The siesta of the tropics. The sea-dog sleeps.
Now the shades of grey enfold him.
It is as if an enormous soft charcoal
rubbed out the lines of the horizon’s arc.

The siesta of the tropics. The old cicada
tries out his senile, raucous guitar
and the cricket strikes up a monotonous solo
on the single string of his violin.

 

 
Rubén Darío (18 januari 1867 – 6 februari 1916)
Cover autobiografie

 

De Franse schrijver Paul Léautaud werd geboren op 18 januari 1872 in Parijs. Zie ook alle tags voor Paul Léautaud op dit blog.

Uit: Journal littéraire

« 11 mars 1938

Cet illuminé qui se croit un homme d’État, ce niais dans ses vues sociales, ce faible et pleurard, – comme Gide dans son illuminisme pour la Russie des Soviets, s’enthousiasmant sans rien savoir et quand il a vu la réalité, tombant de son haut. Et on voit tous ces coquins politiques se faire photographier en riant (il y a encore deux jours, dans un journal, Pierre Cot et Jean Zay).
Parlé aussi avec Gérin de l’abaissement de tout dans la société d’aujourd’hui. Très curieux, ce garçon de 23 ans, ancien ouvrier mineur, écrivant dans des journaux d’extrême gauche, me disant qu’il cesse peu à peu d’être républicain, démocrate, qu’il faut de l’ordre, de la hiérarchie, chacun à sa place et qu’il découvre peu à peu que la monarchie avait ses mérites et que, pour la liberté, il n’est pas si sûr qu’on ait gagné au change. Ce qui prouve bien que le milieu ne fait rien, mais le tempérament, le caractère, la sensibilité, et qu’on peut être aristocrate tout en étant un ancien ouvrier mineur.
Parlé des atteintes qu’a subies de tout cela la littérature, les moeurs littéraires, la profusion de la production, les éloges déme­surés à tout propos, les rapprochements à chaque instant avec tel écrivain célèbre : on est un nouveau Balzac à bon marché, la médiocrité de la critique, son manque de liberté d’ailleurs, tant par les petits échanges d’intérêts que par le veto des journaux. II arrive à dire qu’il manque un Sainte-Beuve, qui ne serait peut-être plus possible d’ailleurs. »

 

 
Paul Léautaud (18 januari 1872 – 22 februari 1956)
Portret van Léautaud met zijn katten door Henri Gabriel Ibels, z.j.

 

De Britse dichter en schrijver Alan Alexander Milne werd geboren op 18 januari 1882 in Londen. Zie ook alle tags voor Alan Alexander Milne op dit blog.

 

Vespers

Little Boy kneels at the foot of the bed,
Droops on the little hands little gold head.
Hush! Hush! Whisper who dares!
Christopher Robin is saying his prayers.

God bless Mummy. I know that’s right.
Wasn’t it fun in the bath to-night?
The cold’s so cold, and the hot’s so hot.
Oh! God bless Daddy – I quite forgot.

If I open my fingers a little bit more,
I can see Nanny’s dressing-gown on the door.
It’s a beautiful blue, but it hasn’t a hood.
Oh! God bless Nanny and make her good.

Mine has a hood, and I lie in bed,
And pull the hood right over my head,
And I shut my eyes, and I curl up small,
And nobody knows that I’m there at all.

Oh! Thank you, God, for a lovely day.
And what was the other I had to say?
I said ‘Bless Daddy,’ so what can it be?
Oh! Now I remember it. God bless Me.

Little Boy kneels at the foot of the bed,
Droops on the little hands little gold head.
Hush! Hush! Whisper who dares!
Christopher Robin is saying his prayers.

 

Solitude

I have a house where I go
When there’s too many people,
I have a house where I go
Where no one can be;
I have a house where I go,
Where nobody ever says ‘No’;
Where no one says anything- so
There is no one but me.

 

 
Alan Alexander Milne (18 januari 1882 – 31 januari 1956)
Cover biografie

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e januari ook mijn blog van 18 januari 2015 deel 2 en ook deel 3.