Alexander Anderson

De Schotse dichter Alexander Anderson werd geboren op 30 april 1845 in Kirkconnel, Dumfries and Galloway, Schotland, als zesde en jongste zoon van James Anderson,een steenhouwer. Toen hij drie was, verhuisde het gezin naar Crocketford in Kirkcudbrightshire. Anderson ging naar de plaatselijke school waar de leraar vond dat hij een gemiddelde leerling was. Het gebied rond Crocketford stond bekend om het martelaarschap en Anderson lijkt in zijn latere poëzie geïnspireerd door zijn wandelingen in de heuvels. Op zijn zestiende was hij terug in zijn geboortedorp in een steengroeve; ongeveer twee jaar later (1862) werd hij onderhoudsmonteur (surfaceman) van de Glasgow and South-western railway en publiceerde hij over het algemeen onder de naam Surfaceman. Door al zijn vrije tijd met zelfstudie door te brengen leerde hij voldoende Duits, Frans en Spaans om de belangrijkste meesterwerken in deze talen te kunnen lezen. Zijn poëtische ader, die hij wel degelijk had, zij het enigszins beperkt, manifesteerde zich al snel en in 1870 begon hij verzen te sturen naar het tijdschrift ‘The People’s Friend’ van Dundee, en vervolgens werd in 1873 zijn eerste bundel ‘A Song of Labour and other Poems’, in een oplage van 1000 stuks gepubliceerd. Dankzij de steun van The People’s Friend was deze uitgave binnen twee weken uitverkocht. Hij werd ook geholpen door de steun van Rev. George Gilfillan, een poëzierecensent in Dundee. Daarna volgden “Two Angels” (1875), “Songs of the Rail” (1878) en “Ballads and Sonnets” (1879). In het daarop volgende jaar werd hij assistent-bibliothecaris van de Universiteit van Edinburgh en na een interval als secretaris van de Filosofische instelling daar, keerde hij terug als hoofdbibliothecaris van de universiteit. Daarna schreef hij nog maar weinig. Een beroemd gedicht van hem is “Cuddle Doon”.

Cuddle Doon

The bairnies cuddle doon at nicht
Wi muckle faught and din.
“Oh try an’ sleep, ye waukrife rogues,
Your faither’s comin’ in.”
They niver heed a word I speak,
I try tae gie a froon,
But aye I hap’ them up an’ cry
“Oh, bairnies, cuddle doon!”

Wee Jamie wi’ the curly heid,
He aye sleeps next the wa’
Bangs up and cries, “I want a piece!”
The rascal starts them a’.
I rin and fetch them pieces, drinks,
They stop a wee the soun’,
Then draw the blankets up an’ cry,
“Noo, weanies, cuddle doon.”

But ere five minutes gang, wee Rab
Cries oot frae neath the claes,
“Mither, mak’ Tam gie ower at aince,
He’s kittlin’ wi’ his taes.”
The mischief in that Tam for tricks,
He’d bother half the toon,
But aye I hap them up an’ cry,
“Oh, bairnies, cuddle doon!”

At length they hear their faither’s fit
An’ as he steeks the door,
They turn their faces tae the wa’
An Tam pretends tae snore.
“Hae a’ the weans been gude?” he asks,
As he pits aff his shoon.
“The bairnies, John, are in their beds
An’ lang since cuddled doon!”

An’ just afore we bed oorsel’s
We look at oor wee lambs,
Tam has his airm roun’ wee Rab’s neck
An Rab his airm roun’ Tam’s.
I lift wee Jamie up the bed
An’ as I straik each croon,
I whisper till my heart fills up:
“Oh, bairnies, cuddle doon!”

The bairnies cuddle doon at nicht
Wi’ mirth that’s dear tae me.
But soon the big warl’s cark an’ care
Will quaten doon their glee.
Yet come what will to ilka ane,
May He who rules aboon,
Aye whisper, though their pows be bald:
“Oh, bairnies, cuddle doon!”

 
Alexander Anderson (30 april 1845 – 11 juli 1909)
Portret door Charles Martin Hardie, 1883