Peter Härtling, José Carlos Somoza, Nico Scheepmaker, Inez van Dullemen, Stanisław Barańczak, Dacia Maraini, Gérald Godin, Robert Louis Stevenson, Humayun Ahmed, Esaias Tegnér

De Duitse dichter en schrijver Peter Härtling is geboren op 13 november 1933 in Chemnitz. Zie ook mijn blog van 13 november 2006 en ook mijn blog van 13 november 2008.

 

Uit: Nachgetragene Liebe

 

Mein Vater hinterließ mir eine Nickelbrille, eine goldene Taschenuhr und ein Notizbuch, das er aus grauem Papier gefaltet und in das er nichts eingetragen hatte als ein Gedicht Eichendorffs, ein paar bissige Bemerkungen Nestroys und die Adressen von zwei mir Unbekannten. Er hinterließ mich mit einer Geschichte, die ich seit dreißig Jahren nicht zu Ende schreiben kann. Ich habe über ihn geschrieben, doch nie von ihm sprechen können.

Ich bin fünf und aufgebrochen zu einer großen Reise. Ich habe ein Ziel, wie ich es von den Erwachsenen kenne, die verreisen und schon wissen, wo sie ankommen werden. Sonst, wenn ich mit dem Dreirad unterwegs bin, folge ich Geräuschen, entdecke Gärten, Wege und Höfe, lasse mich von einem streunenden Hund führen und vergesse manchmal mein Vehikel, zwänge mich durch eine Hecke oder klettere über einen Zaun, um einen Truthahn zu reizen oder ein angepflocktes Lamm im Kreis zu treiben. Jetzt weiß ich, wohin ich will: Mit dem Dreirad nach Burgstädt, auf der Straße, die an unserem Haus vorbeiführt und von Pappeln gesäumt ist, die, so weit ich sehen kann und sie schon ausprobiert habe, gerade wie ein Lineal auf Burgstädt zeigt, das bei klarem Wetter am Horizont sichtbar wird, vielleicht auch nur, weil ich weiß, daß es dort sein soll, wie ein Name, den Tante Ella, die sich überall auskennt, an den Himmelsrand gesteckt hat. Ich sorge vor, stopfe eine Semmel und einen Apfel in die Provianttasche, hänge sie mir um und fahre mit dem Dreirad los. Kein Ruf hält mich auf. Mutter ist nicht da.

Es ist heiß. Die Straße wird zur Straße, wirft Buckel gegen die Räder, droht mit Löchern und Rinnen, wehrt sich mit Staub, kein leuchtendes Band mehr, sondern eine kahle, schrundige Landschaft, viel zu breit und immer zu nah. Der Staub verklebt die Nase, kitzelt im Hals. Wenn ein Auto mich überholt, halte ich an, stehe auf, hebe das Dreirad zwischen den gespreizten Beinen, weiche mit ein paar Schritten bis an den Rand des Straßengrabens aus, kneife die Augen, presse die Lippen zu, und wenn ich wieder atme, bäckt sich der Staub am Gaumen fest. Er schmeckt nicht nach Erde und nicht nach Luft. Ich schaue zu den Wipfeln der Pappeln hoch, wo der Wind die Blätter rauft, und wundere mich, daß hier unten sich nichts bewegt, der Wind nicht überall ist.

Bis zu der Abzweigung zum Gutshof und dem Ententeich in der Mulde sind wir an einem Sonntag zu Fuß gegangen, und es war mir schon zuviel gewesen. Hier könnte ich noch umkehren und auf der andern Straßenseite heimfahren.“

 

Haertling

Peter Härtling (Chemnitz, 13 november 1933)

 

 

De Spaanse schrijver José Carlos Somoza werd geboren in Havana, Cuba op 13 november 1959. Zie ook mijn blog van 13 november 2008.

Uit: The Athenian Murders (Vertaald door Sonia Soto)

 

The corpse lay on a fragile birch-wood litter. The torso and belly were a confusion of splits and tears crusted with congealed blood and dried mud, but the head and arms appeared unblemished. A soldier pulled aside the corpse’s robes for Aschilos to examine it. Onlookers gathered, slowly at first, then in great numbers, forming a circle around the macabre remains. A cold shiver ran over Night’s blue skin, and the golden manes of the torches, the dark edges of the chlamyses, and the thick horsehair crests on the soldiers’ helmets waved in the Boreas. Silence had open eyes: All gazes followed Aschilos’s movements as he performed the terrible examination. As gently as a midwife, he parted the lips of the wounds, then probed the horrific cavities with meticulous attention, like a reader sliding his finger over inscriptions on papyrus. His slave held a lamp over him, shielding it from the buffeting wind with his hand. All were silent save old Candaulus. When the soldiers had appeared with the corpse, he had started shouting in the middle of the street, waking the neighborhood, and there now remained a faint echo of his earlier raving. He limped around the circle of onlookers, apparently unaffected by the cold, though nearly naked, dragging his withered left foot ? a blackened satyr’s hoof. He held out reedy, emaciated arms, leaning on the others’ shoulders, crying, “Look at him! He must be a god! This is how the gods descend from Olympus! Don’t touch him! Didn’t you hear me? He’s a god . . . Swear your allegiance, Callimachus! You, too, Euphorbus!”

A great mane of white hair grew untidily on his angular head like an expression of his madness. It waved in the wind, half-covering his face. But the crowd paid him little attention ? people preferring to look upon the corpse rather than at the madman.

The captain of the border guard emerged with two of his men from the nearest house, replacing his long-maned helmet: He believed it appropriate that he should display his military insignia in public. He peered through his dark visor at the gathered crowd. Noticing Candaulus, he gestured dismissively, as if brushing away a bothersome fly.

“Silence him, by Zeus,” he said, not addressing any of the soldiers in particular.

One of them approached the old man and, raising his lance, with a single horizontal blow, struck the wrinkled papyrus of his abdomen. Candaulus gasped midsentence and doubled up soundlessly, like hair flattened in the wind. He lay writhing and whimpering on the ground. The crowd was grateful for the sudden quiet.“

 

jose-carlos-somoza

José Carlos Somoza (Havana, 13 november 1959)

 

 

De Nederlandse dichter, journalist en columnist Nico Scheepmaker werd geboren in Amsterdam op 13 november 1930. Zie ook mijn blog van 13 november 2006 en ook mijn blog van 13 november 2007 en ook mijn blog van 13 november 2008.

 

 

Ik ben het moe een mens te zijn

 

Ik ben het moe een mens te zijn.
Hoeveel eenvoudiger leeft steen,
of aarzelloos de tarwebloem,
ook zonder tranen, geloof ik.

De tarwebloem is nooit verliefd
op ’t onweer of de dageraad;
zij kent alleen het leven sec
en denkt er nauwelijks over na.

Kan iemand zo gelukkig zijn?
Ben je gelukkig, tarwebloem?
Je huilt niet, maar ik vraag me af
waar je het lachen hebt verleerd.

Misschien zijn tarwebloemen doof
en horen zo de nachtbij niet
die als een minnaar in haar slaap
en angst en vreugdevuur verwekt.

Misschien zijn tarwebloemen blind
en zien zij niet hoe schaamteloos
de wind in ’t volle licht der zon
haar rokken opwaait tot de bron…

Ik ben het moe een mens te zijn,
maar ook een steen is niet je dat,
en wat de tarwebloem betreft:
zij lapt de liefde aan haar laars

en staat rechtop alleen te zijn
ook als het warm is in april
en iedereen liever liggen wil.
Een bloem is niet mobiel genoeg…

Ik zoek iets met en zonder pijn:
een meisje om samen mens te zijn.

 

Scheepmaker

Nico Scheepmaker (13 november 1930 – 5 april 1990)

 

De Nederlandse schrijfster  Inez van Dullemen werd op 13 november 1925 geboren en groeide op in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 13 november 2006 en ook mijn blog van 13 november 2008.

 

Uit: Leven bloeit toch steeds weer op

 „Als schrijver steel je eigenlijk alles. Je steelt uit het leven, uit boeken, uit de natuur: overal haal je het vandaan. Dat gaat vervolgens allemaal die pot in, dat brein, waar het zich soms ook vermengt waardoor je niet precies meer weet waar je wat vandaan hebt gehaald. Ik heb het gevoel dat al die dingen een soort humuslaag vormen en dat daar tenslotte een eigen stem uit tevoorschijn komt. Men zegt dat ik van meet af aan herkenbaar ben geweest, al was ik vroeger overdadiger. Ik herinner me dat Greshoff in zijn recensie van mijn debuut schreef dat ik eens een bad Elsschot moest nemen. Ik ben opgegroeid met Couperus, Van Schendel. D.H. Lawrence was een van mijn grote leermeesters. Ik heb een tijd bij een van zijn minnaressen in Engeland gewoond, ze gaf mij alles van die man te lezen. Ik was zelf net begonnen met mijn eerste boek en dacht: ’Jee, die man gaat nóg verder, nóg dieper’. Niet zo aan de oppervlakte blijven, Van Dullemen! Dieper graven. Maar het zou belachelijk zijn te zeggen dat ik hem heb nageaapt; daarvoor was zijn talent veel te groot. Misschien heb ik iets van zijn bloemrijke stijl, die überschwänglichkeit, overgenomen, maar dat past ook in die tijd. Er werd, toen ik begon, nog niet zo kaal geschreven. Ik had bijzonder romantische gedachten over mijn toekomst als schrijfster.”

 

aui_dullemen_i_32396

Inez van Dullemen (Amsterdam, 13 november 1925)

 

 

De Poolse dichter, vertaler en literatuurwetenschapper Stanisław Barańczak werd geboren op 13 november 1946 in Poznań. Zie ook mijn blog van 13 november 2008.

 

Uit: Garden Of Amzing Delights

 

AT first sight, Czeslaw Milosz’s most recent collection seems to be a poet’s scrapbook rather than a book of poems. It reminds one of the silva rerum, a ”forest of things,” the 17th-century term for a fascicle containing loosely arranged notes, occasional poems, copies of letters and memorable quotations. In the same way, ”Unattainable Earth” consists only in part of Mr. Milosz’s own poems. The rest of the volume is filled with his prose notes or aphorisms, letters from his friends and what he calls ”inscripts” – fragments from sources as diverse as ”Corpus Hermeticum,” Casanova’s memoirs, Zen philosophy, the Russian emigre philosopher Lev Shestov, the poet Oscar Milosz and the French philosopher Simone Weil. There are even several poems by Walt Whitman and D. H. Lawrence, translated by the author into Polish in the book’s original edition and here restored to their English versions and included as ”an homage to tutelary spirits.”

A veritable mosaic, then; yet its diversity is carefully arranged. Unlike Mr. Milosz’s three previous collections in English, each of which offered a mix of his older and more recent poems, ”Unattainable Earth” is a faithful replica of his latest Polish book, published in 1984. A few minor omissions and additions are all that distinguish the translation (a splendid job done by Mr. Milosz himself with the help of one of his steady collaborators, the poet Robert Hass) from the original. This fact alone indicates that Mr. Milosz’s forest of things is not as wild as it seems to be; that, as the author’s preface puts it, ”under the surface of somewhat odd multiformity, the reader will recognize a deeper unity.”

What provides this unity is, first and foremost, Mr. Milosz’s basic philosophical problem, compressed in the two words that form the book’s title. In its Polish version, the meaning of the title is, more precisely, ”earth too huge to be grasped.” This notion is, indeed, the key to Mr. Milosz’s poetic philosophy. On the one hand, his is a poetry obsessed with the very fact of the world’s being. ”What use are you? In your writings there is nothing except immense amazement,” he addresses himself in one of his prose notes. Despite the ironic tone, there is much truth in this. Mr. Milosz’s constant, perpetually renewed ”amazement” with the richness of ”The Garden of Earthly Delights” (as he calls the world in a poem that borrows its title from Hieronymus Bosch’s triptych) can often reach the heights of an ecstatic hymn of praise and thankfulness: ”You watch what is, though it fades away, / And are grateful every moment for your being.”

 

baranczak

Stanisław Barańczak (Poznań, 13 november 1946)

 

 

De Italiaanse schrijfster Dacia Maraini werd geboren op 13 november 1936 in Fiesole. Zie ook mijn blog van 13 november 2008.

Uit: Die stumme Herzogin (Vertaald door Eva-Maria Wagner)

Filas Hände dort im Spiegel entwirren mit plumpen und raschen Bewegungen die Masse von Mariannas Haar. Die Herzogin beobachtet die Finger ihrer jungen Dienerin, die mit dem elfenbeinernen Kamm hantieren, als sei er ein Pflug. Bei jedem Knäuel ein Riß, bei jedem Widerstand ein Ziepen. Etwas Wütendes und Grausames liegt in diesen Fingerballen, die in ihre Haare fahren, als wollten sie Nester zerrupfen und Unkraut ausreißen.

Ganz plötzlich reißt die Herrin dem Mädchen das Instrument aus der Hand und zerbricht es in 2 Stücke; diese wirft sie aus dem Fenster. Die Dienerin steht da und sieht sie bestürzt an. Noch nie hat sie ihre Herrin so wütend gesehen. Zwar weiß sie, daß sie seit dem Tod ihres jüngsten Kindes oft die Geduld verliert, aber jetzt scheint sie es zu übertreiben: Was kann sie dafür, daß diese Haare so struppig und verfilzt sind?

Die Herrin betrachtet ihr eigenes verkrampftes Gesicht neben dem betroffenen der Magd. Mit einem Gurgeln, das aus tiefer Kehle kommt, scheint sich ein Wort aus ihrem zusammengeschrumpften Gedächtnis befreien zu wollen: Der Mund geht auf, doch die Zunge bleibt untätig, sie vibriert nicht, klingt nicht. Aus der verkrampften Kehle löst sich endlich ein schriller Schrei, der sich zum Fürchten anhört. Fila fährt sichtlich zusammen, und Marianna bedeutet ihr, sich zu entfernen.

Nun ist sie alleinund hebt den Blick zum Spiegel. Ein nacktes, ausgebranntes Gesicht mit verzweifelten Augen sieht sie aus dem Silberglas an. Soll sie das sein, diese von Verzweiflung getrübte Frau mit der Falte, die wie ein senkrechter Säbelhieb die großflächige Stirn durchschneidet? Wo ist die Sanftheit geblieben, in die sich der Intermassini verliebte? Wo die runde Weichheit der Wangen, die sanfte Farbe ihrer Augen, das ansteckende Lächeln?“

 

DACIA_MARAINI

Dacia Maraini (Fiesole, 13 november 1936)

 

 

 De Frans-Canadese dichter en politicus Gérald Godin werd geboren op 13 november 1938 in Trois-Rivières, Quebec. Zie ook mijn blog van 13 november 2008.

Ses mots

 

Quand je veux délasser mon

esprit, ce n’est pas l’honneur

que je cherche, c’est la liberté.

 

La langue de ma mère

a des mots pour tout

 

dans la grande famille des mots

je m’en choisis pour passer l’hiver

des mots en laine du pays

cette année j’ai choisi le mot guérison

le mot liberté

des mots qui tiennent bien au chaud

 

 

Pays

 

J’ai vu le soleil se lever

dans tant et tant de pays

je ne savais plus lequel

était le mien

le jour oscillait

lampe incertaine dans ma nuit

le rif le souk le môle

la vallée millénaire

bergers de l’Atlas

boutre coutre Seychelles

je l’ai vu se coucher

le jour passait comme une flèche

et chaque soir me frappait en plein coeur

comme le dernier

 

Godin,Gerald

Gérald Godin (13 november 1938 – 12 okrober 1994)

 

 

De Schotse schrijver Robert Louis Stevenson werd geboren in het Schotse Edinburgh op 13 november 1850. Zie ook mijn blog van 13 november 2006 en ook mijn blog van 13 november 2008.

Uit: The Strange Case of Dr Jekyll and Mr Hyde

 „MR. UTTERSON the lawyer was a man of a rugged countenance that was never lighted by a smile; cold, scanty and embarrassed in discourse; backward in sentiment; lean, long, dusty, dreary and yet somehow lovable. At friendly meetings, and when the wine was to his taste, something eminently human beaconed from his eye; something indeed which never found its way into his talk, but which spoke not only in these silent symbols of the after-dinner face, but more often and loudly in the acts of his life. He was austere with himself; drank gin when he was alone, to mortify a taste for vintages; and though he enjoyed the theater, had not crossed the doors of one for twenty years. But he had an approved tolerance for others; sometimes wondering, almost with envy, at the high pressure of spirits involved in their misdeeds; and in any extremity inclined to help rather than to reprove. “I incline to Cain’s heresy,” he used to say quaintly: “I let my brother go to the devil in his own way.” In this character, it was frequently his fortune to be the last reputable acquaintance and the last good influence in the lives of downgoing men. And to such as these, so long as they came about his chambers, he never marked a shade of change in his demeanour.
No doubt the feat was easy to Mr. Utterson; for he was undemonstrative at the best, and even his friendship seemed to be founded in a similar catholicity of good-nature. It is the mark of a modest man to accept his friendly circle ready-made from the hands of opportunity; and that was the lawyer’s way. His friends were those of his own blood or those whom he had known the longest; his affections, like ivy, were the growth of time, they implied no aptness in the object. Hence, no doubt, the bond that united him to Mr. Richard Enfield, his distant kinsman, the well-known man about town. It was a nut to crack for many, what these two could see in each other, or what subject they could find in common. It was reported by those who encountered them in their Sunday walks, that they said nothing, looked singularly dull, and would hail with obvious relief the appearance of a friend. For all that, the two men put the greatest store by these excursions, counted them the chief jewel of each week, and not only set aside occasions of pleasure, but even resisted the calls of business, that they might enjoy them uninterrupted.“

 

Robert_louis_stevenson

Robert Louis Stevenson (13 november 1850 – 3 december 1894)
Portret door Graaf Girolamo Nerli

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 13 november 2008.

 

De Bengaalse schrijver Humayun Ahmed werd geboren op 13 november 1948 in Kutubpur in het toenmalige Oost-Pakistan, nu Bangladesh.

 

De Zweedse dichter Esaias Tegnér werd geboren op 13 november 1782 in Kyrkerud.

 

Nico Scheepmaker, Robert Louis Stevenson, Inez van Dullemen, Peter Härtling, José Carlos Somoza

De Nederlandse dichter, journalist en columnist Nico Scheepmaker werd geboren in Amsterdam op 13 november 1930. Zie ook mijn blog van 13 november 2006 en ook mijn blog van 13 november 2007.

Vergeef de gelukkige man

Vergeef de gelukkige man
dat hij leeft in een niemandsland, dromend
van naakte ontbladerde herten

Hij loopt in de zevende luchtlaag
Zijn schoenen zijn zondoorweekt
en zijn voeten ontbolsteren minziek

De man is volkomen gelukkig
De ster op zijn borst klemt zich vast
als een zilveren spin in het najaar

een dons van de wolken legt
zijn lichaam in staat van een glimlach
Hij is aan het leven ontsnapt

Vergeef hem. Hij wentelt zich nader
Een hand draait zijn hart om en om
en binnen een week is hij beter:

een mens die de zwaartekracht voelt,
als een noot tussen hemel en aarde
gekraakt, en in vrijheid gesteld.

 

Roodborstje

Soms tikt een gedicht op het raam.
Ik sta op en laat hem erin.
Een enkele keer heeft dat zin:
ik voed hem en geef hem een naam.
Maar soms denk ik: ach, laat maar staan,
al regent het nog zo hard.
Vandaag ben ik moe, en geen bard.
Hij mag naar een ander toe gaan.
Dat doet hij dan ook na een tijd,
hij vliegt mijn gezichtsveld uit
en meteen daarop heb ik spijt:
geen nieuwe lente en geen nieuw geluid!
Zo ging al zo dikwijls de Mei
van Gorter mijn neus voorbij.

Scheepmaker1

Nico Scheepmaker (13 november 1930 – 5 april 1990)

 

De Schotse schrijver Robert Louis Stevenson werd geboren in het Schotse Edinburgh op 13 november 1850. Zie ook mijn blog van 13 november 2006.

 

Uit: Treasure Island

“Squire Trelawney, Dr. Livesey, and the rest of these gentlemen having asked me to write down the whole particulars about Treasure Island, from the beginning to the end, keeping nothing back but the bearings of the island, and that only because there is still treasure not yet lifted, I take up my pen in the year of grace 17-, and go back to the time when my father kept the “Admiral Benbow” inn, and the brown old seaman, with the sabre cut, first took up his lodging under our roof.

I remember him as if it were yesterday, as he came plodding to the inn door, his sea-chest following behind him in a hand-barrow; a tall, strong, heavy, nut-brown man; his tarry pigtail falling over the shoulders of his soiled blue coat; his hands ragged and scarred, with black, broken nails; and the sabre cut across one cheek, a dirty, livid white. I remember him looking round the cove and whistling to himself as he did so, and then breaking out in that old sea-song that he sang so often afterwards:-

“Fifteen men on the dead man’s chest-

Yo-ho-ho, and a bottle of rum!”

in the high, old tottering voice that seemed to have been tuned and broken at the capstan bars. Then he rapped on the door with a bit of stick like a handspike that he carried, and when my father appeared, called roughly for a glass of rum. This, when it was brought to him, he drank slowly, like a connoisseur, lingering on the taste, and still looking about him at the cliffs and up at our signboard.

“This is a handy cove,” says he, at length; “and a pleasant sittyated grog-shop. Much company, mate?”

My father told him no, very little company, the more was the pity.

“Well, then,” said he, “this is the berth for me. Here you, matey,” he cried to the man who trundled the barrow; “bring up alongside and help up my chest. I’ll stay here a bit,” he continued. “I’m a plain man; rum and bacon and eggs is what I want, and that head up there for to watch ships off. What you mought call me? You mought call me captain. Oh, I see what you’re at-there;” and he threw down three or four gold pieces on the threshold. “You can tell me when I’ve worked through that,” says he, looking as fierce as a commander.

And, indeed, bad as his clothes were, and coarsely as he spoke, he had none of the appearance of a man who sailed before the mast; but seemed like a mate or skipper, accustomed to be obeyed or to strike. The man who came with the barrow told us the mail had set him down the morning before at the “Royal George;” that he had inquired what inns there were along the coast, and hearing ours well spoken of, I suppose, and described as lonely, had chosen it from the others for his place of residence. And that was all we could learn of our guest.”

 

stevenson

Robert Louis Stevenson (13 november 1850 – 3 december 1894)
Geschilderd door John Singer Sargen

 

De Nederlandse schrijfster  Inez van Dullemen werd op 13 november 1925 geboren en groeide op in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 13 november 2006.

 

Uit: Logeren op een vulkaan, nieuwe reisbrieven uit Amerika

‘Ik ben terug in Amerika. Maar in het andere Amerika, in “Uncle Sam’s Other Pro­vince”, het Diepe Zuiden, ook wel ge­noemd: het achterlijke, het bittere Zuiden met de liefelijk en dreigend klinkende namen van Alabama en Mississippi, namen die lynchings bij ons oproepen en Little Rock en het bombarderen van de kerk in Birming­ham. Het Zuiden van de Freedom Ri­ders. Ik ben daar waar het allemaal begon. Ik rijd in een bus door het rode landschap van Georgia, langs de dam­pige aarde waarop de maïs begint te ontkiemen en de katoen, langs bossen waaruit lichtgroene wolken omhoog­stijgen in de aprillucht. – Vredig zoe­mend vervoert de bus zijn lading zwarte en witte mensen over de weg, een bus in het Diepe Zuiden, vijftien jaar nadat een negervrouw ging zit­ten en bleef zitten in de bus van Montgomery.’

 

inezvandullemen

Inez van Dullemen (Amsterdam, 13 november 1925)

 

De Duitse dichter en schrijver Peter Härtling is geboren op 13 november 1933 in Chemnitz. Zie ook mijn blog van 13 november 2006.

 

Wenn jeder eine Blume pflanzte

Wenn jeder eine Blume pflanzte,
jeder Mensch auf dieser Welt,
und, anstatt zu schießen, tanzte
und mit Lächeln zahlte, statt mit Geld –

wenn ein jeder einen andern wärmte,
keiner mehr von seiner Stärke schwärmte,
keiner mehr den andern schlüge,
keiner sich verstrickte in der Lüge –

wenn die Alten wie die Kinder würden,
sie sich teilten in den Bürden,
wenn dieses Wenn sich leben ließ,
wär’s noch lang kein Paradies –
bloß die Menschenzeit hätt angefangen,
die in Streit und Krieg uns beinah ist vergangen.

 

baiabong

baiabong –
die wiegenwaage
wiegt den reis und wiegt dich auf
singend wippt die bambustrage
an der seidenschnur der tage
zählt sie dir dein leben auf.

baiabong –
die schüttelstunde
schluckt den schatten wendet ihn
dieses mittags stete runde
reibt die heiße schulterwunde –
baiabong
ich bin ich bin

 

peter_haertling_

Peter Härtling (Chemnitz, 13 november 1933)

 

De Spaanse schrijver José Carlos Somoza werd geboren in Havana, Cuba op 13 november 1959. Zijn ouders verhuisden in 1960 om politieke redenen naar Spanje. Somoza was psychiater van beroep, tot hij zich in 1994 volledig op schrijven toelegde. Hij ontving verschillende literaire onderscheidingen. Zijn boek Silencio de Blanca werd in 1996 bekroond met de Premio La Sonrisa Vertical. Vier jaar later werd hem voor Dafne desvanecida de tweede prijs van de Premio Nadal verleend. Ook kreeg hij voor zijn roman Clara y la penumbra in 2001 de Premio Fernando Lara en een jaar later de Premio Hammett.

 

Uit: Das Rätsel des Philosophen (La caverna de las ideas, vertaald door Klaus Laabs und Joachim Meinert)

 

“Stille hielt die Augen aufgerissen: Alle Blicke starrten auf das schreckliche Untersuchungswerk des Aschylos, wie er mit Hebammengriffen die Wundlippen auseinander klappte und mit den Fingern in den grausigen Höhlungen wühlte – er glich darin einem Leser, der mit gespannter Aufmerksamkeit den Zeigefinger über die Schriftzeichen auf einem Papyrus gleiten läßt. Sein Sklave hielt ihm die Lampe und schirmte dabei die Flamme mit der Hand vor den Windstößen ab. Der Einzige, der

etwas sagte, war Kandalos der Alte: Als die Soldaten mit dem Toten kamen, hatte er laut durch die Straßen geschrien und die Nachbarn geweckt, und noch immer hallte sein Gezeter in ihm wider. Er hinkte um den Kreis der Gaffer, als ob die Kälte seinem halb nackten Körper nichts anhaben könnte, schleppte den linken, klumpigen Fuß nach, eine einzige schwärzliche Satyrkralle. Mit den schilfrohrdünnen Armen suchte er Halt an fremden Schultern und rief immerzu: »Es ist ein Gott … Schaut ihn an!

So steigen die Götter vom Olymp herab. Rührt ihn nicht an! Sagte ich es euch nicht? Es ist ein Gott … Beschwöre es, Kallimachos! Beschwöre es, Euphorbos!«

Seine gewaltige weiße Mähne, die sich wie ein Ausläufer seines Wahnsinns wirr auf dem kantigen Schädel sträubte, wehte im Wind und verdeckte ihm zur Hälfte das Gesicht. Doch niemand achtete groß auf ihn: Die Leute betrachteten lieber den Toten als den Irren.

Der Hauptmann der Grenzwachen war mit seinen Soldaten aus dem Nachbarhaus getreten und rückte sich abermals den mähnengeschmückten Helm zurecht: Es konnte nicht schaden, die Menge auf seine militärischen Rangabzeichen hinzuweisen. Aus dem dunklen Visier heraus fasste er die Umstehenden ins Auge, sein Blick blieb an Kandalos hängen, und gleichgültig zeigte er auf ihn,

als gälte es eine lästige Fliege zu verscheuchen. »Bei Zeus, bringt ihn zur Ruhe!«, befahl er in die Runde seiner Soldaten.

Einer von ihnen trat auf den Alten zu, hob seine Lanze und rammte den Schaft mit waagerechtem Stoß in den knittrigen Papyrus von Kandalos’ Unterleib. Der Alte schnappte mitten im Wort nach Luft und fiel dann wie ein Haar im Wind lautlos in sich zusammen. Wimmernd wand er sich am Boden. Die Menge war dankbar für die plötzliche Stille.”

 

Jose-Carlos-Somoza

José Carlos Somoza (Havana, 13 november 1959)

 

De Poolse dichter, vertaler en literatuurwetenschapper Stanisław Barańczak werd geboren op 13 november 1946 in Poznań. Hij schrijft ook onder diverse pseudoniemen. Barańczak studeerde Pools aan de Adam-Mickiewicz universiteit in Poznań. Tegelijkertijd werkte hij voor ondergronds verschijnende tijdschriften. Sinds 1981 doceert hij slavische talen aan de Harvard University in de VS. Van 1986 tot 1990 was hij hoofdredacteur van The Polish Review. Barańczak vertaalde werk van Ossip Mandelstam, Joseph Brodski, John Donne, William Shakespeare, Emily Dickinson, Andrew Marvell, Philip Larkin, James Merrill, Robert Frost, Charles Simic in het Pools. In 1999 kreeg hij voor zijn dichtbundel Chirurgiczna precyzja de Nike-Literatuurprijs, de belangrijkste literaire prijs in Polen.

THE THREE MAGI

To Leo Dymarski

 

They will probably come just after the New Year.

As usual, early in the morning.

The forceps of the doorbell will pull you out by the head

from under the bedclothes; dazed as a newborn baby,

you’ll open the door. The star of an ID

will flash before your eyes.

Three men. In one of them you’ll recognize

with sheepish amazement (isn’t this a small

world) your schoolmate of years ago.

Since that time he’ll hardly have changed,

only grown a moustache,

perhaps gained a little weight.

They’ll enter. The gold of their watches will glitter (isn’t

this a gray dawn), the smoke from their cigarettes

will fill the room with a fragrance like incense.

All that’s missing is myrrh, you’ll think half-unconsciously–

while with your heel you’re shoving under the couch the book they

mustn’t find–

what is this myrrh, anyway,

you’d have to finally look it up

someday. You’ll come

with us, sir. You’ll go

with them. Isn’t this a white snow.

Isn’t this a black Fiat.

Wasn’t this a vast world.

THAT MOZART ARIA

That Mozart aria up there, which floor? Ten?

which window, sixteenth from the left? Empires

were tumbling down and rising up again.

That “Non so piu,” that lucid lion’s den

that frail fortress’s flight, that friendly fire,

that anapestic pulsing from Floor Ten

had to be heard precisely there and then,

claiming its makeshift right not to expire,

though empires were rising up again

and our consent had mixed with their cement,

one Mozart tape may still salve the entire

globe’s pain–if played in time on some Floor Ten.

As if that long-dead hand still tried to lend 

us all its wealth–us, those cheats and rogues for hire,

rubble from whom empires rose again,

but who held, too, a prayer with no amen,

who hoped this aria will never tire

or err, the Mozart aria from Floor Ten.

Empires fell down and rose up again.

 

Vertaald door Stanislaw Baranczak and Clare Cavanagh

 

baranczak

Stanisław Barańczak (Poznań, 13 november 1946)

 

De Italiaanse schrijfster Dacia Maraini werd geboren op 13 november 1936 in Fiesole. Haar familie was in 1938 naar Japan gevlucht en keerde pas in 1946 naar Italië terug, door armoede gedwongen zich eerst op Sicilië te vestigen. De 13-jarige Dacia werd er geconfronteerd met de tradionele gedragswijzen in het zuiden van Italië, iets wat haar verwarde. In die tijd begon ze te schrijven. Na de scheiding van haar ouders trok zij uiteindelijk naar haar vader in Rome. Daar maakte zij de school af en begon zij korte verhalen in tijdschriften te publiceren. Zij trouwde, maar na twee jaar was het huwelijk weer voorbij. Ook leed zij onder een miskraam. Door haar ex-echtenoot, de schilder Lucio Pozzi, drong zij wel verder in de literaire wereld door en werd opgenomen in de Gruppo 63. Even later kreeg zij een relatie met de schrijver Alberto Moravia, waardoor zij zelf als schrijfster wat op de achtergrond raakte. Zij bleef echter talrijke verhalen, essays, gedichten en komedies publiceren en maakte zo tenslotte toch ook zelf een naam als schrijfster. Zij kan gezien worden als de eerste Italiaanse schrijfster die thema’s als verkrachting, incest, prostitutie en lesbische liefde in haar werk aan de orde stelt. . (De biografische data stammen van Edith Laudowicz: www.edilau.de)

 

Uit:Gefrorene Träume (Vertaald door Eva-Maria Wagner)

 

“Wenn die Frau mit den kurzen Haaren gefragt wird, wie nun eigentlich ein Roman bei ihr entsteht, dann antwortet sie, es fange immer alles damit an, daß jemand an ihre Tür klopft. Sie öffnet. Der Jemand tritt ein, setzt sich. Sie kocht Kaffee; manchmal gibt es sogar frisch gebackene Plätzchen dazu oder Brot mit Butter und etwas Salz, wenn einer lieber Salziges als Süßes mag. Der Besuch trinkt den angebotenen Kaffee, knabbert ein paar Kekse. Der eine oder andere erwähnt schüchtern, daß er nachmittags um diese Zeit einen Tee bevorzugen würde und furchtbar gern die Aprikosenmarmelade probieren möchte, für die sie bei ihren Freunden berühmt ist. Die Autorin bereitet dann entweder einen Pfefferminz- oder Jasmintee zu, mal mit Zitrone, mal mit Milch, ganz nach dem jeweiligen Geschmack. Sie macht ein Glas Aprikosenmarmelade auf und steckt einen Löffel hinein, damit der Besuch sich selbst bedienen kann. Während dieser seinen Tee trinkt, sieht er sich um, und dann erzählt er seine Geschichte. Manch einer muß sich dabei unbedingt eine Zigarette anzünden. Und um dem Gast gegenüber nicht unhöflich zu erscheinen, rückt die Frau mit den kurzen Haaren lediglich ihren Stuhl weiter weg oder öffnet das Fenster einen Spaltbreit.

Nachdem der Besuch getrunken, gegessen und seine Geschichte erzählt hat, verabschiedet er sich für gewöhnlich und geht wieder. Die Frau mit den kurzen Haaren betrachtet den entschwindenden Gast mit vorzeitiger Sehnsucht, weil dieser sich bereits von ihr entfernt hat. Aber irgend etwas an dieser Begegnung hat nicht gestimmt, und sie läßt es bei dem Gedanken bewenden: Schade, ich hätte ihn besser kennenlernen sollen. Doch zu tragisch will sie es auch wieder nicht nehmen.

Bittet der Besuch jedoch darum, noch etwas bleiben zu dürfen, nachdem er ihren Tee getrunken, ihr Brot mit Butter und Aprikosenmarmelade gegessen hat, verlangt er, wenn er sich, im Zimmer auf und ab laufend, die Beine vertreten hat, nach einem Sofa, auf dem er sich ausstrecken kann, und im Anschluß an eine halbstündige Ruhepause nach einem Glas Wasser und erzählt ihr dann weitere Einzelheiten seiner Geschichte, um gegen neun Uhr abends wie selbstverständlich zum Abendessen an ihrem Tisch Platz zu nehmen und mit ihr zusammen einen Teller Spaghetti mit Öl und Parmesankäse zu essen, ein Glas Rotwein zu trinken und einen geschälten Apfel zu teilen; und fragt er dann noch nach einem Bett zum Schlafen, nun, dann bedeutet das, daß er sich bereits häuslich in ihrem Phantasiegebäude niedergelassen hat und nicht beabsichtigt, wieder zu verschwinden.”

 

Dacia_Maraini

Dacia Maraini (Fiesole, 13 november 1936)

 

De Bengaalse schrijver Humayun Ahmed werd geboren op 13 november 1948 in Kutubpur in het toenmalige Oost-Pakistan, nu Bangladesh. Na zijn studie aan de universiteit van Dhaka kwam hij aan dezelfde universiteit te werken als lector op de faculteit scheikunde. In de literatuur rees zijn ster zeer snel. Zijn eerste roman, geschreven toen hij nog studeerde, Nondito Noroke (Eng:In blissful Hell) werd onmiddellijk populair en hetzelfde gold voor zijn tweede roman Shankhanil Karagar (Eng: The Conch-blue Prison), die later door Nasiruddin Yusuf werd verfilmd. Tegenwoordig heeft Ahmed meer dan honderdvijftig titels op zijn naam staan.

 

Uit: Love you all(Vertaald door Shafiqur Rahman)

 

“Everyone had arrived.

They were sitting silently on low chairs, arranged around a black table. They were so silent that you could not even hear them breathing.

A very important meeting was about to start. Everybody had received a red letter, labelled ‘Extremely Urgent’ on the envelope, saying ‘There is a meeting on the imminent critical situation. Your attendance is vital.’, signed by S. Mathur, the Administrator General of The Scientists’ Council. Fiha, known as ’the greatest mathematician ever born’, must surely be attending the meeting. It was not mentioned in the letter though, as it usually was. He had been invited many times to chair ‘The Scientists’ Conference’ but he always declined, saying ‘I feel sleepy, can’t go now. Sorry!’ But he had to attend today’s meeting. One didn’t face this type of crisis very often. It might happen once in a million years.

‘I think Mathur won’t take much time.’

Everyone turned and looked at the man who had spoken. Clearly, he uttered those irrelevant words only to break the deathly silence. One or two of the participants frowned at the speaker.

The speaker continued coughing nervously. ‘Did you happen to notice how fierce yesterday’s storm was? It broke one of my windowpanes.’ Not getting any response, he started cracking his knuckles nervously, looking to and fro and moving his head around.

It was a huge room, almost a hall. It could hold give or take two thousand scientists if needs be. However, there were only twenty-one participants attending today. They were seated in the free space beside the control room, separated from it by a curtain. It was an extraordinary room with a floor as smooth as a frozen lake, the walls were imitation black stone and the ceiling was so high you could not see it.

The computer, called CCD, next to which the scientists were sitting, was the outcome of a thousand years of research and constant effort by the scientists. Its neuron cells, for the first time, were the perfect imitation of a human being. It was constantly feeding information to the flying stations, probe units and expeditionary teams flying from one end of space to the other. The computer CCD would certainly attend today’s meeting, as there wouldn’t have been any point in arranging the meeting next to its room otherwise.”

 

humaynahmed

Humayun Ahmed (Kutubpur, 13 november 1948)

 

De Frans-Canadese dichter en politicus Gérald Godin werd geboren op 13 november 1938 in Trois-Rivières, Quebec. Hij werkte als journalist bij La Presse en andere kranten en tijdschriften en bevond zich onder degenen die in 1970 onder de War Measures Act gearresteerd werden. Later in zijn leven suggereerde hij in interviews nog terrorisme soms goed te keuren. Tijdens de verkiezingen in 1976 won hij een parlementszetel voor de Parti Québécois. Hij diende ook in verschillende kabinetten. Als dichter ontving hij in 1987 de Prix Québec-Paris voor Ils ne demandaient qu’à brûler.

 

Cantouque menteur

les Louis Riel du dimanche

les décapités de salon

les pendus de fin de semaine

les martyrs du café du coin

les révolutavernes

et les molsonnutionnaires

mes frères mes pareils

hâbleurs de fond de cour un jour

on en aura soupé

de faire dans nos culottes

debout sur les barricades

on tirera des tomates aux Anglais

des oeufs pourris des Lénine

avant d’avoir sur la gueule

la décharge de plombs du sergent Dubois

du royal Vanndouze

à l’angle des rues Peel et Saint’Cat

c’est une chanson de tristesse et d’aveu

fausse et menteuse comme une femme

et pleureuse itou avec un fond de vérité

je m’en confesse à dieu tout puissant

mon pays mon Québec

la chanson n’est pas vraie

mais la colère si

au nom du pays de la terre

et des seins de Pélagie

 

Cantouque sans recours

Comment pourrais-je coucher avec toi

m’allonger du long de ton flanc doux

t’embrasser les seins te mordiller les tétins

si je n’étais indépendantiste ô mon amour

comment pourrais-je porter mes chnolles

et m’en servir au besoin quand le désir me vient

être un homme et me tenir debout et droit

si je n’étais indépendantiste ô mon amour

comment pourrais-je parler français

comme mes voisins mes pareils

fouler la boue du pays l’appeler mienne

la traîner à mes semelles m’en targuer m’en vanter

m’en mettre plein la vue m’en ennuyer

me sentir chez moi sinon aujourd’hui du moins demain

si je n’étais indépendantiste ô mon amour

comment pourrais-je vivre oser respirer encore

l’air pollué de mon pays vaincu

l’avenir bouché de mon pays anglichié

supporter la brûlure des Plaines l’incendie des drapeaux

le bris des épées l’exil de trente-sept

comment pourrais-je oser t’aimer te toucher

même lever les yeux vers toi

connaître ne serait-ce que ton nom

si je n’avais à coeur qu’un jour sinon nous du moins nos fils

soient ici chez eux sur la terre que d’aïeul à petit-fils

nous aimons

 

Godin

Gérald Godin (13 november 1938 – 12 okrober 1994)

 

De Zweedse dichter Esaias Tegnér werd geboren op 13 november 1782 in Kyrkerud. Hij studeerde in Lund en werd in 1806 docent voor esthetica (filosofie) aan de universiteit daar.  In 1818 werd hij lid van de Zweedse Academie. In 1824 volgde de benoeming tot bisschop in Växjö. In deze tijd werd hij ook lid van het Zweedse parlement, waar hij conservatieve standpunten innam. Tegnérs Frithiofs saga is representatief voor de Zweedse romantiek en geldt als zijn hoofdwerk.

 

Charles XII:

on the centenary of his death 1818 (fragment)

King Carl, the youthful hero,

In smoke and dust he stood;

He drew his belted longsword

And into battle strode.

“Come, let us try its war-bite,

What Swedish steel may do:

Make way, you Muscoviters,

Fresh heart, the lads in blue!”

So one at ten was pitted

By Vasa’s angered son,

And all unfelled had fled when

Their lesson’s day was done.

Three hostile kings united:

The boy stood like a rod,

And calmly faced Europa,

A beardless thunder-god.

As grizzled statesmen plotted

With hasty craft their trap,

The lofty stripling uttered

One word their snare to snap.

Full-bosomed, slender, golden

Aurora came one day:

The warrior of twenty

Turned her unheard away.

 

TegnerLund

Esaias Tegnér (13 november 1782 – 2 november 1846)

Nico Scheepmaker, Robert Louis Stevenson, Inez van Dullemen, Peter Härtling

De Nederlandse dichter, journalist en columnist Nico Scheepmaker werd geboren in Amsterdam op 13 november 1930. Zie ook mijn blog van 13 november 2006.

 

 

   Lyriek

 

       Ik ben geen lyrisch dichter die zich mengt

       in het bestaan van heuvels en cypressen

       of in een verre horizon die wenkt,

       want dat is niet mijn eerste interesse.

 

       Ik zie ze heus wel, als ik in Toscane

       op weg ben naar Siena voor een krant:

       die rijzige cypressen langs de lanen

       die voeren naar een streng en statig pand,

 

       en als ik dan opeens twee salamanders

       al remmend voor mijn autobanden zie,

       dan voel ik mij beslist een beetje anders

       dan rijdend op het Weteringcircuit.

 

       Maar toch is dàt voor mij het randgebeuren,

       en dít de harde kern van mijn bestaan:

       wie zal men nu weer het gevang in sleuren,

       en hoe zou het vandaag met Ajax gaan?

 

   

        Mais

 

        Ik weet niet veel van graan en koren,

        het zou hetzelfde kunnen zijn.

        Maar gaat het op een dag verloren

        dan doet mij dat verdomde pijn.

 

        Ik had een huis, het Friese landschap

        was vlak tot aan de horizon.

        En ‘k voelde pas iets van verwantschap

        als ’t graan daar aan zijn groei begon.

 

        Het was niet goud, da’s overdreven,

        het was een zee van stroblond geel,

        maar als het woei kwam het tot leven

        binnen het uitgezet gareel.

 

        Dat is nu voorbij, het wiegend koren

        is opgevolgd door ’t stijve maïs.

        Zo ging iets Nederlands verloren

        terwille van iets groens en saais.

 

Scheepmaker

Nico Scheepmaker (13 november 1930 – 5 april 1990)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 13 november 2006.

 

De Schotse schrijver Robert Louis Stevenson werd geboren in het Schotse Edinburgh op 13 november 1850.

 

De Nederlandse schrijfster  Inez van Dullemen werd op 13 november 1925 geboren en groeide op in Amsterdam.

 

De Duitse auteur Peter Härtling is geboren op 13 november 1933 in Chemnitz.

Nico Scheepmaker, Robert Louis Stevenson, Inez van Dullemen, Peter Härtling

Dichter, journalist en columnist Nico Scheepmaker werd geboren in Amsterdam op 13 november 1930. Van huis uit kreeg hij zijn liefde voor voetbal mee, en tijdens zijn militaire dienst bij de Militaire Inlichtingendienst voor het Russisch. Hij studeerde Slavische taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Daarna werd hij vertaler; onder andere “Dokter Zjivago” van Boris Pasternak vertaalde hij in het Nederlands.In de jaren ’50 kreeg hij succes als dichter. Zijn debuut was de bundel “Poëtisch fietsen” (1955) en in 1958 kreeg hij de Anne Frank-prijs voor jeugdige schrijvers. Daarna ging Scheepmaker de journalistiek in. Hij schreef vanaf 1957 columns in achtereenvolgens Sport&Sportwereld, Algemeen Handelsblad, Het Parool, de Volkskrant, Hollands Maandblad, Vrij Nederland, Voetbal International en de GPD-bladen. Ook had hij een tijd een column op Radio Veronica in het sportprogramma “Sportief zijn en beter worden” van Henk van Dorp. Zijn meest bekende pseudoniemen waren Trijfel en Ivo Fettewinkel.

Libido

Het liefst wil ik in meubelwinkels neuken,
met kans dat iemand je van buiten ziet.
Of anders in zo’n demonstratiekeuken
half zittend op de gootsteen van graniet.

Ook hoop ik altijd dat de bioscoop
zo leeg is dat we rustig kunnen vrijen,
en als ik door het Rijksmuseum loop
kijk ik bij voorkeur naar Suzanna’s dijen.

En verder lijkt het mij een hele kick
om het een keer te doen tijdens het klunen
of met Viola op de perstribune
terwijl ik onderwijl mijn stukje tik.

Maar ’t liefst zou ik toch op de Bonkevaart,
door ’t volk en wat prinsessen aangestaard,
een nummer maken op de finishlijn,
al is-ie door de vrieskou nog zo klein.

Nico Scheepmaker

Nico Scheepmaker (13 november 1930 – 5 april 1990)

 

Robert Louis Stevenson werd geboren in het Schotse Edinburgh op 13 november 1850 als zoon van de ingenieur Thomas Stevenson en Margaret Balfour. Zijn ouders waren zeer religieus, maar tijdens zijn jaren op de universiteit liet hij het geloof los, hoewel het wel invloed op hem zou houden. Al sinds zijn jeugd leed hij aan tuberculose. Zijn vrij korte leven was echter vol van actie en avontuur. Stevenson schreef voor verschillende tijdschriften beschouwingen en korte verhalen. Hij maakte naam met het eerst als feuilleton en later als boek uitgegeven zeeroversverhaal Treasure island (Schateiland, 1883). Zowel zijn avonturenromans als de romantische en horrorverhalen vertonen een grote psychologische diepgang. Zijn werken zijn lange tijd populair gebleven en hebben de basis gevormd voor verschillende speelfilms. Zijn bekendste werken zijn Treasure Island en The Strange Case of Dr Jekyll and Mr Hyde.

Uit: The Strange Case of Dr Jekyll and Mr Hyde

“That evening Mr. Utterson came home to his bachelor house in sombre spirits and sat down to dinner without relish. It was his custom of a Sunday, when this meal was over, to sit close by the fire, a volume of some dry divinity on his reading desk, until the clock of the neighbouring church rang out the hour of twelve, when he would go soberly and gratefully to bed. On this night however, as soon as the cloth was taken away, he took up a candle and went into his business room. There he opened his safe, took from the most private part of it a document endorsed on the envelope as Dr. Jekyll’s Will and sat down with a clouded brow to study its contents. The will was holograph, for Mr. Utterson though he took charge of it now that it was made, had refused to lend the least assistance in the making of it; it provided not only that, in case of the decease of Henry Jekyll, M.D., D.C.L., L.L.D., F.R.S., etc., all his possessions were to pass into the hands of his “friend and benefactor Edward Hyde,” but that in case of Dr. Jekyll’s “disappearance or unexplained absence for any period exceeding three calendar months,” the said Edward Hyde should step into the said Henry Jekyll’s shoes without further delay and free from any burthen or obligation beyond the payment of a few small sums to the members of the doctor’s household. This document had long been the lawyer’s eyesore. It offended him both as a lawyer and as a lover of the sane and customary sides of life, to whom the fanciful was the immodest. And hitherto it was his ignorance of Mr. Hyde that had swelled his indignation; now, by a sudden turn, it was his knowledge. It was already bad enough when the name was but a name of which he could learn no more. It was worse when it began to be clothed upon with detestable attributes; and out of the shifting, insubstantial mists that had so long baffled his eye, there leaped up the sudden, definite presentment of a fiend.”

STEVENSON

Robert Louis Stevenson (13 november 1850 – 3 december 1894)

 

Inez van Dullemen werd op 13 november 1925 geboren en groeide op in Amsterdam. Haar vader was procureur-generaal. Haar moeder, Jo de Wit, genoot bekendheid als schrijfster en verkeerde in de kringen van Bloem en Nijhoff. Kort na de oorlog ging Van Dullemen als au pair naar Engeland. In Essex kwam ze terecht bij een voormalig minnares van de beroemde D.H. Lawrence. Hier wordt zij zich bewust van haar schrijverschap. Zij debuteert in
1949 met ‘Ontmoeting met de andere’  In 1976 verscheen ‘Vroeger is dood’, over de neergang en dood van haar ouders. Met dit boek brak Van Dullemen door naar een groter publiek. Zij ontving de Jan Campertprijs en enkele jaren later werd het boek door Ine Schenkkan verfilmd en bekroond met een Gouden Kalf.
In de jaren tachtig maakte de schrijfster reizen door Kenya, Alaska, Mexico, India, Nepal en Japan. Over die reizen schreef ze uitvoerige reportages, die gebundeld werden in o.a.: ‘Een zwarte hand op mijn borst’ (Kenya), ‘Eeuwig dag eeuwig nacht’ (Alaska). Mexico, dat centraal staat in ‘Viva Mexico!’ (1988) keert terug als plaats van handeling in de in 1994 voor de Librisprijs genomineerde roman ‘Het land van rood en zwart’, gebaseerd op het leven van Gertrude Blom, die al in de jaren ’70 streed voor behoud van de regenwouden. In 1996 werd dit boek bekroond met de Henriëtte Roland Holstprijs  Haar toneelstuk over incest, ‘Schrijf me in het zand’, werd in meer dan veertien landen gespeeld en in Duitsland verfilmd. In 1989 ontving Van Dullemen voor haar hele oeuvre de Anna Bijnsprijs. In 2004 verscheen de roman ‘De komst van de rustverstoorder’.

Uit: Jo van Dullemen-de Wit (een levensbericht)

Op 11 november 1973 stierf Jo de Wit, mijn moeder. Zij stierf in de vroege ochtend van een autoloze zondag. De oliecrisis, het gerommel in het Oosten, alles wat haar ontgaan was in haar laatste weken vol dromen – die crisis had een stilte geschapen zoals in geen twintig jaar was voorgekomen; je hoorde het ruisen van de bomen weer, wij passeerden een paard en wagentje en zagen twee figuurtjes bewegen onder de bomen van de Scheveningse weg. Je rook de zee. De politie eskorteerde onze auto naar de kliniek om te zien of wij wel werkelijk naar onze stervende moeder gingen; de bladeren, de gele esdoornbladeren, waarvan zij gemeend had dat het bloesems waren (haar ogen zagen niet goed meer), vielen op de grond: nee, het was geen lente, maar bijna winter.

dullemen

Inez van Dullemen (Amsterdam, 13 november 1925)

 

De Duitse auteur Peter Härtling is geboren op 13 november 1933 in Chemnitz en woonde in zijn jeugd een aantal jaren in het toenmalige Tsjechoslowakije. Hij werkte als journalist, was lektor bij Fischer Verlag, uitgever van het tijdschrift Der Monat, en is sinds 1974 fulltime schrijver.  Härtling schrijft voor kinderen en volwassenen. Zijn debuut als jeugdauteur was in 1970. Over de Tweede Wereldoorlog – waarover hij ook een autobiografisch boek voor volwassenen schreef – gaat De Kruk (1993). Thomas, een Duitse jongen, zwerft na de Tweede Wereldoorlog rond, op zoek naar zijn moeder. Hij ontmoet ´de Kruk´, een ex-soldaat, die door zijn handicap heeft geleerd te overleven. Het verhaal biedt de lezer inzicht in de moeilijke levensomstandigheden van die tijd. Bijzonder is ook zijn boek Goethe voor kinderen (1999), een bloemlezing uit het werk van de beroemde Duitse schrijver Johann Wolfgang Goethe (1749-1832). Härtlings boeken gaan vaak over maatschappelijke of persoonlijke problemen. Hij behandelt die serieus, zonder al te zwaar op de hand te worden. Hij wil realistisch zijn, maar houdt altijd rekening met zijn doelgroep. In zijn geboorteland kreeg hij een behoorlijk aantal belangrijke prijzen, waaronder de Duitse jeugdboekenprijs.

Uit: Niembsch oder Der Stillstand (1964)

 „Hätte ich trennen sollen? Wär’s gelungen? Wie? […] Sie hatten mich falsch eingeschätzt, Niembsch: ein grobschlächtiger, vom Geschäft aufgefressener Edelmann, seinen Besitz schlau ausdehnend, ein Pfeffersack, nicht sensibel, seine Intelligenz an Sachwerte wendend. In mich drang der Wille Merlins. Im Dunkel ausharrend, Ahnungslosigkeit vorschützend – würden meine Kräfte genügen, Lust und Vollzug dieser Begegnung in meinem Sichtbereich zu halten, ihn zu überschauen, zu überwachen? Ich brauchte nicht teilzunehmen, ihr spieltet vor mir, wo und wann immer ihr euch traft; meine Reisen, Vorwände nur, Spielräume zu schaffen, gewährten euch Sicherheit, Libertät. Die Entfernung – ich war in der Tat unterwgs – schützte euch nicht vor der uneingeschränkten Teilnahme meiner Gedanken. Ich sehe Sie erstaunt, Niembsch; Karoline, dich fassungslos, ekelt es dich? – schiere Perversion, dieser über Jahre währende Hinterhalt? (pag. 65 ev.)“

 

HAERTLING

Peter Härtling (Chemnitz, 13 november 1933)