Patrick Besson, John Masefield, Ferdinand Raimund, Peter de Mendelssohn, Colleen McCullough, Macedonio Fernández, Dennis Gaens, Jeroen Theunissen

 Zie voor de volgende schrijvers van de 1e juni mijn blog bij seniorennet.be

  

Patrick Besson, John Masefield, Ferdinand Raimund, Peter de Mendelssohn, Colleen McCullough

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 1e juni ook bij seniorennet.be mijn vorige blog van vandaag. 

 

 Macedonio Fernández, Dennis Gaens, Jeroen Theunissen

 

 

 

Patrick Besson, Colleen McCullough, John Masefield, Ferdinand Raimund, Peter de Mendelssohn

De Franse schrijver en journalist Patrick Besson werd geboren op 1 juni 1956 in Montreuil. Zijn vader was Russisch, zijn moeder Kroatisch. In 1974, op zeventienjarige leeftijd, publiceerde hij zijn eerste roman Les Petits maux d’amour. In 1985 ontving hij de Grand prix du roman de l’Académie française voor Dara en in 1995 de Prix Renaudot voor Les Braban. Tijdens de oorlog in Joegoslavië stond hij aan de kant van Servië. Hij schreef er een boek over, Contre les calomniateurs de la Serbie, dat hem polimieken opleverde met andere intelectuelen als Michel Polac, Romain Goupil et Didier Daeninckx.

Uit : Le deuxième couteau

 

« La dernière fois que Sandra Gamelin mit les pieds à la brasserie Lipp, ce fut le 21 novembre 1979. Un petit homme fluet vint à sa rencontre, précédant de peu le maître d’hôtel. C’était Jérôme Bernotte, conseiller littéraire chez un éditeur parisien. Elle lui serra la main. Serrer la main à tout propos était une habitude qu’elle avait prise à l’usine, où elle avait travaillé quelques années avant de devenir secrétaire, secrétaire de direction puis écrivain.
Elle dit quelques mots à l’oreille de Bernotte, qui lui indiqua obligeamment un escalier où elle s’engouffra. Elle ne devait plus jamais le remonter.
Quand Bernotte sortit du commissariat, il était 15 h 40. Un froid sec et lumineux régnait sur le boulevard Saint-Germain. Les cafés étaient pleins de gens et de fumée de cigarettes. Cela se mélangeait un peu dans les yeux de Bernotte, qui avait la tête ailleurs.
Il s’accouda à un comptoir et but deux petits blancs à la file.
Son bureau se trouvait au deuxième étage d’un immeuble de la rue des Saints-Pères, dans un appartement où s’entassaient tant bien que mal une comptable, une directrice commerciale, une attachée de presse et le P.-D. G. de la maison d’édition, Gaston Cooper.
En traversant le boulevard, Bernotte se demandait quelle tête ferait Gaston, quand il apprendrait la mort de la seule personne qui aurait pu le sauver de la faillite. Peut-être connaissait-il déjà la nouvelle. Les nouvelles vont vite, dans ce quartier de Paris où les choses ont à peine le temps d’arriver qu’on n’en parle déjà plus. »

 

Besson

Patrick Besson (Montreuil, 1 juni 1956)

 

De Australische schrijfster Colleen McCullough werd geboren op 1 juni 1937 in Wellington. Ze studeerde neurofysiologie, en werkte in verschillende ziekenhuizen in Sydney en in Engeland. Ze gaf later ook les aan Yale. Ze is lid van de New Yorkse Academy of Sciences en is een fellow van de Amerikaanse Association for the Advancement of Science. In de late jaren zeventig vestigde ze zich Norfolk, waar ze sindsdien met haar echtgenoot, Ric Robinson, woont. Zij schreef o.a. Tim, (waarvan een film werd gemaakt met Mel Gibson and Piper Laurie), De Doornvogels, Obsessie, Het lied van Troje. Voor haar onderzoek voor haar boek Macht & liefde. De mannen en vrouwen van Rome kreeg ze een doctoraat in de letteren van de Macquarie Universiteit in 1993.

 

Uit: The Thorn Birds

 

“On December 8th, 1915, Meggie Cleary had her fourth birthday. After the breakfast dishes were put away her mother silently thrust a brown paper parcel into her arms and ordered her outside. So Meggie squatted down behind the gorse bush next to the front gate and tugged impatiently. Her fingers were clumsy, the wrapping heavy; it smelled faintly of the Wahine general store, which told her that whatever lay inside the parcel had miraculously been bought, not homemade or donated.

Something fine and mistily gold began to poke through a corner; she attacked the paper faster, peeling it away in long, ragged strips.”Agnes! Oh, Agnes!” she said lovingly, blinking at the doll lying there in a tattered nest.

A miracle indeed. Only once in her life had Meggie been into Wahine; all the way back in May, because she had been a very good girl. So perched in the buggy beside her mother, on her best behavior, she had been too excited to see or remember much. Except for Agnes, the beautiful ‘doll sitting on the store counter, dressed in a crinoline of pink satin with cream lace frills all over it. Right then and there in her mind she had christened it Agnes, the only name she knew elegant enough for such a peerless creature.”

 

McCulloun

Colleen McCullough (Wellington, 1 juni 1937)

 

De Engelse dichter en schrijver John Edward Masefield  werd geboren op 1 juni 1878 in Ledbury, in Herefordshire. Zie ook mijn blog van 1 juni 2006.

Roadways

One road leads to London,

One road leads to Wales,

My road leads me seawards

To the white dipping sails.

 

One road leads to the river,

And it goes singing slow;

My road leads to shipping,

Where the bronzed sailors go.

 

Leads me, lures me, calls me

To salt green tossing sea;

A road without earth’s road-dust

Is the right road for me.

 

A wet road heaving, shining,

And wild with seagull’s cries,

A mad salt sea-wind blowing

The salt spray in my eyes.

 

My road calls me, lures me

West, east, south, and north;

Most roads lead men homewards,

My road leads me forth.

 

To add more miles to the tally

Of grey miles left behind,

In quest of that one beauty

God put me here to find.

 

 

Beauty

I have seen dawn and sunset on moors and windy hills

Coming in solemn beauty like slow old tunes of Spain:

I have seen the lady April bringing the daffodils,

Bringing the springing grass and the soft warm April rain.

 

I have heard the song of the blossoms and the old chant of the sea,

And seen strange lands from under the arched white sails of ships;

But the loveliest thing of beauty God ever has shown to me,

Are her voice, and her hair, and eyes, and the dear red curve of her lips.

 

Masefield

John Edward Masefield (1 juni 1878 – 12 mei 1967)

 

De Oostenrijkse schrijver en dichter Ferdinand Raimund werd geboren op 1 juni 1790 in Wenen In de zomer van 1828 schreef hij, in het besef dat hij rekening diende te houden met wat zijn publiek gewend was, Der Alpenkönig und der Menschenfeind. Dit werd zijn allergrootste succes; het stuk heeft meer psychologische diepgang dan Raimunds eerdere werk en toch kent het de sprookjesachtige sfeer van het Biedermeier-volkstheater. Het enthousiaste onthaal van de Alpenkönig was eveneens te danken aan de muziek van Wenzel Müller, in zijn tijd een razend populair componist en concurrent van Mozart, voor wie de muziek bij dit toneelstuk een laatste grote meesterwerk is geweest. De Alpenkönig was zodanig populair, dat het stuk in een Engelse vertaling in 1831 drie maand lang in het Adelphi-theater te Londen werd gespeeld. Raimund werd in die periode over heel Europa een gevierd auteur. Zie ook mijn blog van 1 juni 2006.

 

Uit: Der Alpenkönig und der Menschenfeind

Astragalus.

 

Wohl soll in der Geister Walten

Lieb und Großmut mächtig schalten,

Und ihr Wesen hoher Art,

Wo sich Kraft mit Freiheit paart,

Soll, befreit von irdschem Band,

Schwingen sich an Äthers Rand.

Doch, so wies im Menschenleben

Bös und gut Gesinnte gibt,

Jener haßt und dieser liebt:

So ists auch in Geistersphären,

Daß nicht all nach oben kehren

Ihr entkörpert Schattenhaupt,

Und, des liebten Sinns beraubt,

Auch der Böse schaut nach unten,

An die finstre Macht gebunden.

Und so wird der Krieg bedinget,

Der die Welt mit Leid umschlinget,

Der die Wolken jagt durch Lüfte,

Der auf Erden baut die Grüfte,

Der den Geist gen Geist entzweiet,

Der dem Hai die Kraft verleihet,

In des Meeres Flut zu wüten,

Der dem Nordhauch schenkt die Blüten,

Der den Sturm peitscht gegen Schiffe,

Daß zerschmettern sie am Riffe,

Der die Menschen reiht in Heere,

Daß sie zu des Hasses Ehre

Über ihrer Brüder Leichen

Sich des Sieges Lorbeer reichen –

Doch ich liebe Geisterfrieden,

Bin dem Menschen gut hienieden,

Hause nicht in Bergesschlünden,

Laß in freier Luft mich finden.

Hab auf Höhen, glänzend weiß,

Auf des Gletschers kühnstem Eis,

Mein kristallnes Schloß erbaut,

Das der Sterne Antlitz schaut.

Und dort blick aus klaren Räumen

Auf der Menschheit eitles Träumen

Mitleidsvoll ich oft herab.

Doch wenn ich am Pilgerstab

Manch Verirrten wandern sehe,

Steig von meiner wolkgen Höhe

Nieder ich zum Erdenrunde,

Reich ihm schnell die Hand zum Bunde

Und leit ihn mit Freundessinn

Zum Erkenntnistempel hin. (Ab.)

 

Raimund

Ferdinand Raimund (1 juni 1790 – 5 september 1836)
Geschilderd door Christoph Frank

 

De Duitse schrijver, essayist en journalist Peter de Mendelssohn werd op 1 juni 1908 in München geboren als zoon van een goudsmid. Hij groeide op in Dresden-Hellerau. Al tijdens zijn redacteurschap van het Berliner Tageblatt in de jaren twintig publiceerde hij eigen teksten. In 1933 emigreerde hij naar Engeland. Na WO II was hij perschef bij de Britse controlecommissie in Düsseldorf, was hij als verslaggever aanwezig bij de Neurenberger processen en werkte hij mee aan de opbouw van de Berliner Tagesspiegel en van Die Welt. In 1970 keerde hij naar München terug, waar hij tot aan zijn dood bleef wonen. Vooral als biograaf van Thomas Mann en als uitgever van diens dagboeken werd de Mendelssohn in de jaren zeventig bekend. Fertig mit Berlin?, zijn eerste roman. verscheen voor het eerst in 1930.

 

Uit: Fertig mit Berlin?

 

„Ich nahm ein Taxi und fuhr hinaus. Am Romanischen Café vorbei, an Schwanneke vorbei, an den Zeitungshändlern vorbei, an den kleinen Kokotten vorbei, an den Frierenden, am tauben Wurstwaren vorbei, Lietzenburger Ecke Uhland. Vorbei Berlin!
Tiefe Stille empfing mich. Felix saß lang ausgestreckt in seinem Fauteuil, rauchte englische Zigaretten, Manfred, ein wenig zur Lampe gerückt, las ihm vor. Hier gehörst du auch nicht mehr hin – dachte ich, als ich das dunkle, friedliche Bild der beiden Versunkenen sah. Leise hängte ich Hut und Mantel hinter die Tür, setzte mich behutsam auf meinen alten Platz, Felix schob wortlos Zigaretten hin, Manfred las, Felix lauschte ehrlich hingegeben, ich brauchte zwei Minuten, um die neue Stimmung aufzunehmen, dann lauschte auch ich. Der unvergeßliche Abend aus dieser ganzen verwickelten, schönen, traurigen, schwierigen Zeit.“

 

Medelssohn

Peter de Mendelssohn (1 juni 1908 – 10 augustus 1982)

 

 

 

 

John Masefield en Ferdinand Raimund

Zeekoorts

Ik moet weer op zee gaan, een goed schip en in ’t verschiet
een ster om op aan te sturen, anders verlang ik niet.
Het rukken van ’t wiel, ’t gekraak van het hout, het zeil ertegen,
als de dag aanbreekt over een grauwe zee, door een mist van regen.
Want de roep van de rollende branding, brekende op de kust,
dreunt diep in het land in mijn oren en laat mij nergens rust.
’t Is stil hier, ‘k verlang een stormdag, met witte jagende wolken
en hoog opspattend schuim en meeuwen om kronklende kolken.
Ik ben een gedoemde zwerver, waar moet ik anders heen?
Maar gelaten door de wind gaan, weg uit de stad van steen.
Geen vrouw, geen haard verwacht mij. Ik blijf ook liever zonder.
‘k Heb genoeg aan een pijp op wacht en een glas in het vooronder.

Zo luidr het gedicht “Zeekoorts” van John Masefield in de vertaling van J.J. Slauerhoff.

 

John Edward Masefield (geboren op 1 juni 1878) was een Engelse dichter en schrijver, en Poet Laureate vanaf 1930 tot aan zijn dood. Zijn moeder stierf toen hij 6 was, kort na de geboorte van zijn zuster. Veertien maanden later stierven zijn beide nog levende grootouders en in 1891 stierf zijn vader. Na zijn schooljaren in Warwick stuurde zijn tante hem voor een opleiding naar zee. Daar ontdekte hij dat hij veel van zijn tijd kon wijden aan lezen en schrijven. Aan boord van het schip, de HMS Conway, vatte hij zijn liefde op voor het vertellen van verhalen en besloot hij schrijver te worden.

Toen hij 24 was verschenen zijn gedichten in tijdschriften en werd zijn eerste bundel “Salt-Water Ballads” gepubliceerd. “Sea Fever” verscheen in dit boek. Masefield schreef twee romans, “Captain Margaret” (1908) en “Multitude and Solitude” (1909). In 1911, na een lange periode van dichten, stelde hij de bundel “The Everlasting Mercy” samen.

Tijdens  WO I hield Masefield lezingen in de Verenigde Staten waar hij ook informatie inwon omtrent de stemmingen en meningen van de Amerikanen ten opzichte van de oorlog in Europa. Aan de jaren 20 begon hij als een gevierd schrijver die in 1923 al 80.000 exemplaren van zijn Collected Poems over de toonbank zag gaan. Zijn taak als Poet Laureate vanaf 1930 nam hij zeer serieus en hij begon in die hoedanigheid met het toekennen van een prijs voor een eerste of tweede uitgave van poëzie door een dichter onder de 35 jaar.

Hij bleef zelf ook productief tot op hoge leeftijd. “In Glad Thanksgiving” verscheen toen hij 88 jaar was. Hij stierf op 12 mei 1967 tengevolge van gangreen.

 

Sea Fever

 

I MUST go down to the seas again, to the lonely sea and the sky,

And all I ask is a tall ship and a star to steer her by,

And the wheel’s kick and the wind’s song and the white sail’s shaking,

And a gray mist on the sea’s face, and a gray dawn breaking.

I must go down to the seas again, for the call of the running tide

Is a wild call and a clear call that may not be denied;

And all I ask is a windy day with the white clouds flying,

And the flung spray and the blown spume, and the sea-gulls crying.

I must go down to the seas again, to the vagrant gypsy life,

To the gull’s way and the whale’s way, where the wind’s like a whetted knife;

And all I ask is a merry yarn from a laughing fellow-rover,

And quiet sleep and a sweet dream when the long trick’s over.

 

 

Sonnet

 

FLESH, I have knocked at many a dusty door,

Gone down full many a midnight lane,

Probed in old walls and felt along the floor,

Pressed in blind hope the lighted window-pane,

But useless all, though sometimes when the moon

Was full in heaven
and the sea was full,

Along my body’s alleys came a tune

Played in the tavern by the Beautiful.

Then for an instant I have felt at point

To find and seize her, whosoe’er she be,

Whether some saint whose glory doth anoint

Those whom she loves, or but a part of me,

Or something that the things not understood

Make for their uses out of flesh and blood.

 

John Edward Masefield (1 juni 1878 – 12 mei 1967)

 

Ferdinand Raimund werd geboren op 1 juni 1790 in Wenen. Raimund volgde als zoon van meesterdraaier geen hogere opleiding. Na de dood van zijn ouders werd hij banketbakkersleerling en zocht toen zijn geluk als acteur in de provincie. In 1814 slaagde hij erin een aanstelling te krijgen bij het “Theater in der Josefstadt”. In 1817 verhuisde hij naar het “Theater in der Leopoldstadt”. Daar brak hij in 1823 met het stuk de Barometermacher auf der Zauberinsel ook als schrijver door.

Van 1823 tot 1834 schreef Raimund acht toneelstukken, die met het werk  van Nestroy werden vergeleken. In zijn werk komen de tradities van het volkstheater, de klucht, de parodie, het improvisatietoneel en het burgerlijke toneel samen. Toen hij het in1830 met ernstiger dramatisch werk probeerde liet het publiek het afweten. Daarna verliet hij het theater en trok hij zich steeds meer terug op zijn landgoed. Toen hij in de nacht van 29 op 30 augustus 1836 door een hond was gebeten – waarvan hij ten onrechte aannam dat hij aan hondsdolheid leed – deed Raimund een zelfmoordpoging. Kort daarna, op 5 september, overleed hij in Pottenstein bij Wenen.

 

 

An Schillers Nachruhm.

  

In stiller Nacht, beim düstern Lampenscheine
Hast du oft tief dein sinnend’ Haupt gesenkt;
Hoch wiegt dein Nachruhm nun mit Stolz das Seine,
Weil mit dem Höchsten du die Kunst beschenkt.
In fremden Sprachen deinen Geist verkündend,
Fragt er die Welt; ob je ein Dichter sang,
Der, seinen Ruf durch höheres Recht begründend,
Die Liebe seiner Nation errang?
Dir ist des Ruhmes seltner Doppelorden;
Bewunderung und Lieb’ zugleich geworden!

 

Wer hat wie du fürs deutsche Volk geschrieben?
Hat Jüngling, Mann und Greis gleich hoch entzückt?
Wer Völker lehrt, verdient, daß sie ihn lieben,
Wer Glück bereitet, sei auch selbst beglückt.
Warst du es auch? und konntest du es werden?
Ragt Sehnsucht nicht aus deinem Lied empor?
Lebt ein Gemüt, das rein beglückt auf Erden?
Der Weise lügt es oft, es wähnt’s der Tor;
Doch was das Leben auch an dir verbrochen,
Du hast dich durch Unsterblichkeit gerochen!

 

Dein Name lebt, dem frechen Tod zum Hohne,
Der stets der Welt zu früh das Beßre raubt.
Schon rüstet Deutschland sich, die Marmorkrone
Zu drücken auf dein ew’ges Dichterhaupt.
Ein Monument wird einst der Nachwelt lehren,
(Nicht wie du schriebst, dies kündet nur dein Lied,)
Daß Deutschland seltne Männer weiß zu ehren,
Und für der Dichtkunst Hoheit noch entglüht.
Der Himmel kann dir höhren Lohn noch bieten!
Die Erde tat, was sie vermag hienieden.   

     


Ferdinand Raimund (1 juni 1790 – 5 september 1836)