Taije Silverman

De Amerikaanse dichteres, vertaalster en hoogleraar Taije Silverman werd geboren in San Francisco op 13 augustus 1974. Zie ook alle tags voor Taije Silverman op dit blog.

 

Terezin

–a transfer camp in the Czech Republic

We rode the bus out, past fields of sunflowers
that sloped for miles, hill after hill of them blooming.

The bus was filled with old people.
Women held loaves of freshly baked bread on their laps.
Men slept in their seats wearing work clothes.

You stared out the window beside me.
Your eyes were so hard that you might have been watching the glass.

Fields and fields of sunflowers.

Arriving we slowed on the cobblestone walkway.
Graves looked like boxes, or houses from high up.

On a bench teenage lovers slouched in toward each other.
Their backs formed a shape like a seashell.
You didn’t want to go inside.

But the rooms sang. Song like breath, blown
through spaces in skin.

The beds were wide boards stacked up high on the walls.
The glass on the door to the toilet was broken.
I imagined nothing.

You wore your black sweater and those dark sunglasses.
You didn’t look at me.

The rooms were empty, and the courtyard was empty,
and the sunlight on cobblestone could have been water,
and I think even when we are here we are not here.

The courtyard was flooded with absence.
The tunnel was crowded with light.
Like a throat. Like a—

In a book I read how at its mouth they played music,
some last piece by Wagner or Mozart or Strauss.

I don’t know why. I don’t know
who walked through the tunnel or who played or what
finally they could have wanted. I don’t know where the soul goes.

Your hair looked like wheat. It was gleaming.

Nearby on the hillside a gallows leaned slightly.
What has time asked of it? Nights. Windstorms.

Your hair looked like fire, or honey.
You didn’t look at me.

Grass twisted up wild, lit gold all around us.
We could have been lost somewhere, in those funny hills.

And the ride back—I don’t remember.
Why was I alone? It was night, then. It was still morning.

But the fields were filled with dead sunflowers.
Blooms darkened to brown, the stalks bowed.
And the tips dried to husks that for miles kept reaching.
Those dreamless sloped fields of traveling husks.

 

De vorige winter

Mijn moeder klopte op de badkamerdeur
om me een gedicht voor te lezen. Haar geluk straalde.
Zelfs nu las ze van haar plaats op de pagina,
de Geliefde verzorgt zichzelf in jou.
Toen ik niet glimlachte, vroeg ze: is het niet mooi?
God is in ons. Ja. Duizend keer ja.
Zonder reden herinnerde ik me mijn droom
van de vorige avond, dat ik geen geld had
in een vreemde stad en elke mannelijke vriend die ik vroeg
naar een plek om te verblijven in ruil daarvoor seks wilde.
Zonder reden. Ik glimlachte. Ik liet haar geluk
mijn geluk zijn, wat soms gemakkelijk is,
maar toen ze zich omdraaide om terug te lopen
naar haar slaapkamer, wilde ik haar toeroepen:
Wacht. Al mijn dromen waren teruggekeerd.
Dromen om alleen te zijn in vreemde steden,
een man die volgt of gevolgd wordt – de dood
als de minnaar die we onverschillig groeten, op de trap.
Wacht. Ik wilde haar vragen: komt alles goed met ons?
Mijn vader sliep al in het bed
waar ze in zou stappen en de huid om hun lichamen
was het kostbaarste wat ik ooit zou kennen.
Ik zou het verliezen. Komt alles goed met ons? De deur
gesloten klik, dicht. Geesten vulden de gang.
In mij ergens begraven en lichtloos
snikte ik en stopte niet, maar in de spiegel
waren mijn ogen droog. Ik vroeg om te vergeten en om vergeving
hoewel ik het aan niemand vroeg, en niets.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Taije Silverman (San Francisco, 13 augustus 1974)

 

Zie voor de schrijvers van de 13e augustus ook mijn blog van 13 augustus 2019 en ook mijn blog van 13 augustus 2016 en ook mijn blog van 13 augustus 2011 deel 2.