Ingo Schulze, Klaus Rifbjerg, Jan Greshoff, Simone van der Vlugt, Edna O’Brien

De Duitse schrijver Ingo Schulze werd geboren in Dresden op 15 december 1962. Zie ook alle tags voor Ingo Schulze op dit blog.

Uit: Simple storys

„Es war einfach nicht die Zeit dafür. Fünf Tage mit dem Bus: Venedig, Florenz, Assisi. Für mich klang das alles wie Honolulu. Ich fragte Martin und Pit, wie sie denn darauf gekommen seien und woher überhaupt das Geld stamme und wie sie sich das vorstellten, eine illegale Reise zum zwanzigsten Hochzeitstag.
Ich hatte mich darauf verlassen, daß Ernst nicht mitmacht. Für ihn waren ja diese Monate die Hölle. Wir hatten wirklich anderes im Kopf als Italien. Aber er schwieg. Und Mitte Januar fragte er, ob wir nichts vorbereiten müßten – am 16. Februar, einem Freitag in den Schulferien, sollte es losgehen – und wie wir mit unseren DDR-Papieren über die italienische Grenze kämen und über die österreichische. Als ich ihm sagte, was ich von den Kindern wußte, daß wir von dem Reisebüro in München westdeutsche Ausweise erhalten würden, gefälschte wahrscheinlich, spätestens da dachte ich, jetzt ist Schluß, nicht mit Ernst Meurer. Aber er fragte nur, ob die beiden Paßbilder dafür gewesen seien. »Ja«, antwortete ich, »zwei Paßbilder, Geburtsdatum, Größe und Augenfarbe – mehr brauchen die nicht.«
Es war wie immer. In den dunkelgrünen Koffer packten wir unsere Sachen, in die schwarzrot karierte Tasche Besteck, Geschirr und Proviant: Wurst- und Fischkonserven, Brot, Eier, Butter, Käse, Salz, Pfeffer, Zwieback, Äpfel, Apfelsinen und je eine Thermoskanne Tee und Kaffee. Pit fuhr uns nach Bayreuth. An der Grenze fragten sie, wohin wir wollten, und Pit sagte Shopping.”

 

 
Ingo Schulze (Dresden, 15 december 1962

 

De Deense dichter en schrijver Klaus Rifbjerg werd geboren op 15 december 1931 in Kopenhagen. Zie ook alle tags voor Klaus Rifbjerg op dit blog.

 

Der schwebende Baum

Die meisten Bäume
wurzeln im Erdreich
mein Baum jedoch
wächst in Höhe des dritten Stocks
und neulich sagte mein Nachbar
der Baum muß fallen.

Sicherlich wurzelt er tief
unten im Erdreich
aber für mich wächst
er vor allem da draußen
vorm Fenster
in Höhe des dritten Stocks.

Lange zu lange stand
unbekleidet er da
und schon glaubt’ ich
niemals mehr würde er
grünen doch eines Tages
war es soweit.

Grüne Blätter und schwellende Knospen
lichtschattenspielend
ein erektives Schwindelgefühl
schwebend
vor meinem Fenster.
Der Baum in der Luft!

Meine Lungen öffneten sich
treibendes saftpralles Zweigwerk
Luftmyzelium Sauerstoff
überall
ich atme!

Der Nachbar meinte der Baum
nehme ihm Licht.
Sah er in ihm
wenn er ihn ansah
nicht auch eine Quelle
von Licht!

Die Axt liegt schon am
Fuße des Baumes
über dem Asphalt an
den wenigen Stellen
wo Bäume grünen
in ihren bescheidenen Löchern
inmitten der Stadt.

Schwebend da draußen mein
Atemzug
und meine grüne Seele
in Höhe des dritten Stocks
niemals sich beugend und unsterblich
wider alle Naturgesetze
im Namen
des Wachstums und der Natur.

Es werde Licht!

 

Vertaald door Lutz Volke

 

 
Klaus Rifbjerg (Kopenhagen, 15 december 1931)
Portret door Jørgen Boberg, z.j.

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jan Greshoff werd geboren op 15 december 1888 in Nieuw Helvoet. Zie ook alle tags voor Jan Greshoff op dit blog.

Uit: Afscheid van Europa

“Het begint altijd ergens mee, al is het maar met opstaan. Ook de gelukkigste mens, die volgens de volksmond geen geschiedenis heeft, doorleeft toch het gruwelijk drama waar niemand aan ontkomt: de geboorte. Op dat ogenblik ontstaat in hem de zekerheid dat hem een onrecht wordt aangedaan. Zonder mogelijkheid tot verweer moet hij verduren dat hij schuldeloos wordt uitgestoten. Hem wacht het bestaan op aarde, dat hij in angst, tekort en pijn moet doorworstelen, tot hij in een drama van geringer strekking, de dood, eindelijk bevrijding vindt. Ik ben overtuigd dat de vrees der stervenden voor het Onzekere minder nijpend is dan de doodsangst van die geboren worden voor wat wij (zelfbedriegers, die wij moeten zijn) het Zekere noemen. Maar dat wij, waar wij er maar gelegenheid toe zien, ontvluchten voor het verheven kansspel der kunsten. Hoe weinig de korte tijd op aarde biedt, blijkt uit de eenparigheid waarmee allen, die geloven aan een hiernamaals, dit ons aanprijzen als een beter of hoger leven. De eerste kreet van een kind kan niet anders zijn dan een protest tegen het leven. Het protest krijgt, naarmate het bewuster wordt, meer belang voor ons. Ons doen en laten wordt er meer en meer, tenslotte geheel, door bepaald. Het schept de drang welke ons aanzet tot overpeinzing of helaas tot daad. Het neemt bezit van ons. Zij die het wèl menen, worden het belichaamd protest. En als wij nieuw leven willen scheppen, worden wij gedwongen onze toevlucht te nemen tot de nagebootste moord in bed, die angstwekkende vereenzelviging van afwijzing met aanvaarding.
Zij die zich argeloos of doelbewust afsluiten tegen de stem uit hun diepste diepte, maken van hun verblijf op aarde een min of meer rooskleurig misverstand. Zij gaan daar prat op en dartelen er lustig op los. Bij de aanvankelijke leugen zinken alle latere leugens in het niet. Zij echter die er zich steeds bewust van blijven dat zij alleen onder krachtige tegenwerping de Donkere Last aanvaarden, blijven tot hun laatste snik in de gezegende contramine. Aan dat innerlijk verzet tegen de wereld ontlenen zij de voldoening en de waardigheid huns levens.”

 

 
Jan Greshoff (15 december 1888 – 19 maart 1971)

 

De Nederlandse schrijfster Simone van der Vlugt werd geboren in Hoorn op 15 december 1966. Zie ook alle tags voor Simone van der Vlugt op dit blog.

Uit: Schaduwzuster

“…Ik probeer uit alle macht niet aan Marjolein te denken, dan slaap ik helemaal niet meer. Mijn gedachten moet ik ergens anders op richten, maar op wat? Raoul. Wandelen door het Bergse Bos. Appeltaart met slagroom bij het restaurantje. De troostende wisselwerking tussen ons.
Maar dan voel ik zijn hand weer op de mijne en kijkt Marjoleins gezicht me verwijtend aan.
Ik kom overeind, neem een slokje water uit de beker die op mijn nachtkastje staat en ga weer liggen. Ik probeer het met een ontspanningsoefening. Daar heb ik eens over gelezen in een blad en meestal werkt dat erg goed. Ik draai op mijn rug, leg mijn armen naast mijn lichaam en adem rustig in en uit. Geconcentreerd denk ik aan mijn rechterarm, verbeeld me dat hij van lood is en dat hij steeds zwaarder en zwaarder wordt. Het merkwaardige is dat mijn arm na een tijdje inderdaad heel zwaar aanvoelt. Vervolgens denk ik aan mijn linkerarm, en aan mijn rechterbeen. Niet aan Marjolein.
Langzaam doezel ik weg, maar opeens is alle slaap verdwenen. Een geluid dat onverwacht en indringend opklinkt in de nacht doet me mijn ogen wijd opensperren. Mijn hersenen zijn even in de war, kunnen het geluid wel registreren maar niet begrijpen.
Er gaat heel langzaam, met luid gepiep, een deur open…”

 

 
Simone van der Vlugt (Hoorn,15 december 1966)

 

De Ierse schrijfster Edna O’Brien werd geboren op 15 december 1930 in Tuamgraney (County Clare). Zie ook alle tags voor Edna O’Brien op dit blog.

Uit: Wild Decembers

“Cloontha it is called-a locality within the bending of an arm. A few scattered houses, the old fort, lime-dank and jabbery and from the great whooshing belly of the lake between grassland and callow land a road, sluicing the little fortresses of ash and elder, a crooked road to the mouth of the mountain. Fields that mean more than fields, more than life and more than death too. In the summer months calves going suck suck suck, blue dribble threading from their black lips, their white faces stark as clowns. Hawthorn and whitethorn, boundaries of dreaming pink. Byroad and bog road. The bronze gold grasses in a tacit but unremitting sway. Listen. Shiver of wild grass and cluck of wild fowl. Quickening.
Fathoms deep the frail and rusted shards, the relics of battles of the long ago, and in the basins of limestone, quiet in death, the bone babes and the bone mothers, the fathers too. The sires. The buttee men and the long-legged men who hacked and hacked and into the torn breathing soil planted a first potato crop, the diced tubers that would be the bread of life until the fungus came.
According to the annals it happened on Our Lady’s Eve. The blight came in the night and wandered over the fields, so that by morning the upright stalks were black ribbons of rot. Slow death for man and beast. A putrid pall over the landscape, hungry marching people meek and mindless, believing it had not struck elsewhere. Except that it had. Death at every turn. The dead faces yellow as parchment, the lips a liquorice black from having gorged on the sweet poisonous stuff, the apples of death.
They say the enemy came in the night, but the enemy can come at any hour, be it dawn or twilight, because the enemy is always there and these people know it, locked in a tribal hunger that bubbles in the blood and hides out on the mountain, an old carcass waiting to rise again, waiting to roar again, to pit neighbour against neighbour and dog against dog in the crazed and phantom lust for a lip of land.”

 

 
Edna O’Brien (Tuamgraney, 15 december 1930)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e december ook mijn vorige blog van vandaag.