Menno ter Braak, Achim von Arnim, Rudolf Alexander Schröder, Gerrit Jan Zwier, Bhai, Jan van Hoogstraten, Eugène Sue

De Nederlandse schrijver Menno ter Braak werd geboren op 26 januari 1902 in Eibergen. Zie ook mijn blog van 26 januari 2007.

Uit: Politicus zonder partij

Een schrijver wordt brutaler, na zijn dertigste jaar, als hij ten minste op die leeftijd nog geen penny-a-liner is geworden, om met de pen het brood te verdienen, dat hij op geen andere manier verdienen kon. Hij heeft langzamerhand geleerd, niet te hoog meer op te zien tegen het handwerk, hij heeft te veel vrienden aan het handwerk verloren, om nog overmatig eerbied te hebben voor een vak, dat mensen verslindt om er ambachtslieden voor terug te geven. De ‘geheimen’ van het vak bespreekt hij niet meer met zoveel ijver als vroeger; de geheimen, waarover men zoveel spreekt, zijn gewoonlijk al lang trucs gebleken, en over de werkelijke geheimen kan men beter zwijgen, zelfs zonder een geheimzinnig gezicht.

Een schrijver wordt brutaler… als genieën, litteratuur en officiële wijsheid hem althans niet voor die tijd zulk een afkeer van het ‘vak’ bezorgden, dat hij verstomde en voorgoed opbrak uit een milieu, waaraan niets hem meer bond….

 

De verleiding om te zwijgen is mij soms te machtig.

Moet er weer een boek ontstaan? Moet er aan de ‘productie’ weer een exemplaar worden toegevoegd? Is het dan niet mogelijk afstand te doen van de schrijfdrang en een eerzaam burger te worden met hen, die brieven schrijven? Wat ‘eerzaam’! men behoeft niet eens eerzaam te worden, wanneer men leeft zonder schriftelijke stofwisseling, men kan dan zelfs royaal en zwijgend het zijne denken van de eerzame auteurs van het vak!… In die stemming heb ik mij dikwijls afgevraagd, waarom ik dit boek zou beginnen. Het kwam mij voor, dat alles, wat ik te zeggen had, zo vanzelf sprak, dat ik het rustig ongeschreven kon laten en er hoogstens over behoefde te spreken met een paar vertrouwde vrienden, die geen litteraire inkleding van node hebben en bij het eerste woord al vermoeden, wat het laatste zal inhouden. In die stemming liep ik onlangs te soezen, zonder enig verlangen naar schriftelijke klaarheid in mijn buitelende begrippen, toen ik bijna door een tram werd overreden.”

 

TerBraak

Menno ter Braak (26 januari 1902 –  14 mei 1940)

 

De Duitse schrijver Achim von Arnim werd geboren in Berlijn op 26 januari 1781. Zie ook mijn blog van 26 januari 2007.

Uit: Holländische Liebhabereien

 

Der Adel und die Städte der Provinz wünschten diese Aufopferung zu lohnen und ließen den Bürgern die Wahl zwischen Zollfreiheit und der Errichtung einer Universität, die dem Lande zum Bedürfnis wurde, weil der Krieg und die Glaubensverschiedenheit den Besuch vieler ausländischer Universitäten hinderte. Die Stadt blieb eingedenk des höheren Daseins, dem so viele Bürger geopfert worden, sie wählte die Errichtung einer Universität. So wurde diese jetzt mit großem Ruhme bestehende hohe Schule zu einer Zeit begründet, wo das Dasein Hollands und seines Staatenbundes so ungewiß bei jedem Wurfe der Kriegswürfel schwankte wie sein Boden bei dem Andrange hoher Flut und Flußströmung. Dem höheren gesellte sich bald der niedere Gewinn, so wenig er in voraus berechnet war, denn die Universität zog reiche Schüler des Inlands und Auslands herbei. Neben diesem Ruhme erscholl aber auch der Streit gelehrter Theologen, ergriff die Menge und verbreitete auch auf diesem Wege Einsicht in Geistestiefe, wo sonst die Gewöhnlichkeit den Blick gestumpft hatte, wogegen nicht zu leugnen ist, daß dieser Kampf zwischen Herrmann und Gomar viele ausgezeichnete Männer ins Verderben gestürzt hat. Wir stehen jetzt bei der Gegenwart, ehrenwerter Herr, bei diesem 1635 Jahre nach der Geburt des göttlichen Versöhners, wo Euer Kampf mit dem Kollegen Zahnebreker über griechische Lesarten nicht minder wie jene theologischen Wahrheiten sich aller Köpfe bemächtigt und unsre Universitäten gespalten hat. Dieses Übel zu mehren, hat der Krieg in Deutschland uns eine große Zahl hochdeutscher Studenten zugeführt, die sich nach dem Vorbilde der rauhen nordischen Krieger zu einer Art halber Kriegsknechte ausgebildet haben, welche di
e wilden Gewohnheiten ihres Landes in unsre wohlgeordnete Stadt übertragen. Diese waren es nun, wie die Untersuchung ergibt, welche Eure Fenster, ehrwürdiger Herr, mit aufgerissenen Pflastersteinen wie mit Belagerungsgeschütz angriffen und zerschmetterten, ja sie schämen sich dessen nicht, sondern rühmen sich, dadurch in geziemender Art die Störung bestraft zu haben, welche Eure Anhänger durch Pfeifen und Trommeln der Aufführung des ‘Gysbert’ zufügten, welche der große Dichter Vondel unter dem Schutze Zahnebrekers in der großen Dule veranstaltet hatte. Über diese Angabe Eure Aussage zu hören, ist der Gegenstand meines Besuches und meiner Rede, ja ich zweifle nicht, daß Ihr Euch wegen dieses Vorwurfs einer beabsichtigten Störung des öffentlichen Vergnügens am Schauspiele vollkommen rechtfertigen werdet.”

 

AchimvonArnimErzaehlungen

Achim von Arnim  (26 januari 1781 –  21 januari 1831)

 

De Duitse schrijver Rudolf Alexander Schröder werd geboren op 26 januari 1878 in Bremen. Zie ook mijn blog van 26 januari 2007.

Bremen

Uralte Stadt am grauen Strom,

Verwittert Giebelwerk und Zinnen;

Und blickst doch zum bewölkten Dom

Des Norderhimmels auf voll Minnen,

Als wärest du die junge Braut,

Die sich begibt der spröden Wehre,

Daß sie vom Gott, vor dem ihr graut,

Halbgöttliches Geschlecht gebäre.

 

Wohl bricht der Quell, der dich verjüngt,

Aus Deutschlands mittem Herzensgrunde,

Wo’s unterm Berg dem Alten dünkt,

Ihm schlage bald die neue Stunde,

Wo Eichen über dem Gebein

Erschlagner Überwinder rauschen

Und mit zerbröckelndem Gestein

Verschollenes Geheimnis tauschen.

 

Wohl raunt der Strom ohn Unterlaß

Und redet dir von Hermanns Mute,

Der seiner Welle nüchtern Naß

Wie Wein gefärbt mit welschem Blute,

Und raunt und redet Tag und Nacht

Vom Sachsenherzog und vom Kaiser,

Der ihn am Ende zahm gemacht,

Ein Dränger und ein Unterweiser.

 

Wohl wehn herein mit jeder Flut

Im salzigen Wind Tritonenchöre

Und murrn und murmeln von dem Gut,

Das in der Fremde dir gehöre,

Und singen mehr und sagen wahr

Von dem, das noch die Schriften weisen,

Da sie zu Zeiten dunkel-klar

Des Nordens Leuchte dich geheißen.

 

Oh, wohl verstehst du solche Mär,

Du, die noch stets den Nacken straffte,

Und ob dir auch durch Schild und Wehr

Bis in den Leib die Wunde klaffte.

Ja, ob um deinen alten Ruhm

Manch stolz’re Schwester aufbegehre,

Du stehst, der Freiheit Heiligtum,

Und herbergst Vaterlandes Ehre.

 

Ja, Vaterstadt, ja, sei gegrüßt

Und bleibe deinem Sohn gewogen,

Der keine Flur so selig wüßt,

Daß du ihn doch nicht heimgezogen.

Verging mit Leben und Gedicht

Der Dienst, drin ich dir, Mutter, fröne,

So sprich: er war der beste nicht,

Doch war er einer meiner Söhne.

 

Schroeder

Rudolf Alexander Schröder (26 januari 1878 – 22 augustus 1962)

 

De Nederlandse schrijver Gerrit Jan Zwier werd geboren in Leeuwarden op 26 januari 1947. Zie ook mijn blog van 26 januari 2007.

 

Uit: Slauerhoff bij kampvuur en traanlamp

 

In zijn eerste dichtbundel Archipel, waarin de zeeën tot aan Paaseiland worden bevaren, kon Slauerhoff nog niet putten uit veel reiservaringen – hij had slechts een paar kustreisjes achter de rug – naar Bretagne en Portugal – en was een paar keer met de postboot naar Vlieland gevaren. Jules Verne en De Aarde en Haar Volken hadden toen nog een groter realiteitsgehalte dan de échte rede van Semarang of de Bond van Sjanghai. Maar ook later zou hij zijn reële reiservaringen blijven aanvullen met documentatie en blijven vermengen met fantasie. Arthur Lehning vroeg hem eens of een bepaald gedicht, dat kort tevoren was gepubliceerd, de neerslag vormde van een exotisch avontuur dat hij had beleefd. Waarop Slauerhoff hem wantrouwig aankeek en kortaf antwoordde met: ‘Nee, het was andersom! Ik schreef eerst het gedicht.’ Zijn geest had het gebied in kwestie dus eerder bezocht dan zijn zeemansbenen. In een kritiek in Greshoffs Nieuwe Arnhemsche Courant merkte hij eens op dat ‘men naar den geest een land kan behooren zonder er lichamelijk ooit geweest te zijn. Maar men kan ook een land vreemd blijven en er driekwart van zijn leven doorbrengen. Zoo gaat het vele Hollanders in Indië.’

Net als de jonge Camoës uit Het verboden rijk, werd Slauerhoffs Fernweh niet gestild door het lezen van de Odyssee. Als de zoon zich bij zijn vader beklaagt dat hij al twintig jaar is en Portugal nog nooit heeft verlaten, vraagt de vader hem waarom hij in godsnaam weg wil: ‘Waarom wil je weg? Wij hebben een groot slot en uitgestrekte bezittingen. De bergen zijn ook niet ver. Waarom blijf je niet hier en ga je niet voort met je gedichten?

Denk je dat overwinningen die toch in nederlagen verkeren, handelsondernemingen di
e eerst winst, dan verlies afwerpen, roemvoller zijn? En al het reizen doet je alleen zien dat de aarde overal gelijk is. Tracht liever Homeros te evenaren. Portugal zal vergeten zijn en onze naam dan nog voortleven.’ Waarop Camoës antwoordt met: ‘Wat heb ik er aan wat later met mijn naam gebeurt? Ik zelf leef nu en wil de wereld!’ Net als Odysseus, zal Camoës de zeeën bevaren en van alles meemaken; net als de naam van Homerus, zal die van Camoës met een gouden pen in het logboek der letterkunde worden bijgeschreven.”

 

gerrit_zwier

Gerrit Jan Zwier (Leeuwarden, 26 januari 1947)

 

De Surinaamse dichter Bhai (eig.James Ramlall) werd geboren op 26 januari 1935 in het toenmalige district Suriname. Zie ook mijn blog van 26 januari 2007.

nivedan
(verzoek)

 

Broeder,

als ik ben gestorven,

wilt ge dan mijn moeder troosten?

 

Broeder,

als ik ben gestorven,

wilt ge dan

mijn lichaam bergen?

 

Weet Broeder weet….

dat ik zonder kreet

heb aanvaard dit bittere leven,

dat ik zonder zucht

ook sterven zal.

 

Broeder,

als ik ben gestorven,

wilt ge dan mijn moeder troosten?

 

jivan-sagar
(levenszee)

 

Het leven is een onzichtb’re zee

met vele duistere stromen,

waarop ons leven, als een wrak,

vaak weerloos ligt te drijven.

 

 

DichterBhai

Bhai (District Suriname, 26 januari 1935)

 

De Nederlandse dichter Jan van Hoogstraten werd geboren in Rotterdam op 26 januari 1662. Zijn vader was de uitgever, vertaler en dichter François van Hoogstraten en zijn moeders naam was  Hester de Koning. Van Hoogstraten was aanvankelijk boekverkoper in Dordrecht. Hij verhuisde in 1700 naar Breda en vestigde zich vervolgens in Gouda. In deze stad genoot hij bescherming van de voornaamste regentenfamilies. Zo was hij bevriend met de burgemeesters Govert Cincq en Arent van der Burgh. Hij verbleef dikwijls in het buitenverblijf Burghvliet van Van der Burgh, een trefpunt voor veel schrijvers en dichters. In zijn dichtwerk worden de bevriende Goudse patriciërs dan ook regelmatig genoemd en geprezen.

 

Op de TYTELPRENT.

DE blyde Zangkunst van een Heylig vuur geraakt,
Om Gode in ’t Eewig Ligt haar vaarzen toe te zingen,
Wyst met haar regte hand hoe zelf Gods Liefde blaakt,
Om op dat vreugdefeest ten Hemel in te dringen.
De Lauwer voegt haar hooft als overwinnares,
Van al wat Zang en Spel hanteert, en hier beneden,
Op de ydle klank verlieft der aardse Zangmeestres,
Aan de ontugt hangen blyft en de bedorve zeden.
De Linker, die ’t Gordyn voor ’t oog houd opgeschoven,
Vertoont de werrelt ver beneen haar spoor gedwaalt;
Waar boven
Liefde Gods, verheven zegepraalt,
En ’t Zangziek hart en oor verrukt, en lókt na boven.
Verschove deugd, die in haar Liefde, en lof verdrinkt,
En ’t heylig Pinxtervuur ziet op haar voorhooft blaken:
Wenst, om haar byzyn al het aardse te verzaken,
Daar zy in ’t Hemels Koor op Davids toonen zingt.
Dus hoog verheven, om de werrelt voor te ligten,
Wil zy geen zang als die vermaken kan, en stigten.

 

Hoogstraten

Jan van Hoogstraten  (26 januari 1662 – ? 1756)

 

De Franse schrijver Eugène Sue zou geboren zijn op 26 januari 1804. Zie voor meer informatie en een fragment mijn blog van 10 december 2006 en ook mijn blog van 26 januari 2007.

Menno ter Braak, Achim von Arnim, Rudolf Alexander Schröder, Gerrit Jan Zwier, Bhai, Eugène Sue

De Nederlandse schrijver Menno ter Braak werd geboren op 26 januari 1902 in Eibergen. Hij kwam tijdens zijn studie Nederlands en Geschiedenis in Amsterdam in contact met Joris Ivens, met wie hij “De Nederlandsche Filmliga” oprichtte. Met deze organisatie probeerden zij ervoor te zorgen dat experimentele films het grote publiek konden bereiken. Nadat Ter Braak leraar aan het Rotterdamsch Lyceum was geworden, schreef hij in 1930 Het Carnaval der Burgers. Hierin beschrijft hij de tegenstelling tussen de uitdrukking van gevoelens in de kunst en de maatschappij die deze gevoelens onderdrukt. In 1933 werd Ter Braak aangenomen als letterkundig redacteur van het dagblad Het Vaderland waardoor hij zijn baan als leraar kon opgeven. Zijn leraarschap zou hij later nog verwerken in het sterk autobiografische Dr. Dumay Verliest. Gedurende zijn loopbaan als redacteur maakte Ter Braak naam met kritieken waarin hij zich, behalve over de boeken die hij recenseerde, ook regelmatig uitliet over de actualiteit en de maatschappelijke problemen van zijn tijd. In deze wekelijkse ‘Kronieken’ vergeleek hij gewoonlijk diverse boeken met elkaar, zowel nieuwe uitgaven als herdrukken, waardoor zijn kritisch werk een spiegel is geworden van de Nederlandse literatuur tussen 1900 en 1940. Eind 1930 raakte Ter Braak bevriend met de uit Nederlands-Indië afkomstige schrijver Edgar du Perron. Uit die vriendschap is, behalve een omvangrijke briefwisseling, ook het vernieuwende literaire tijdschrift Forum voortgekomen. Ter Braak publiceerde daarin regelmatig essays, waaronder zijn Démasqué der Schoonheid, waaruit de discussie voortkwam die bekend werd als ‘Vorm of vent’: namelijk de vraag, inhoeverre in een kunstwerk de vorm (schoonheid of l’art pour l’art) of de persoonlijkheid van de kunstenaar de leidende kracht of het leidende principe is. Ter Braak was naar het schijnt al jaren vastbesloten, in geval van een Nazi-bezetting van Nederland uit het leven te stappen. Na het binnenvallen van het Duitse leger op 10 mei 1940 deed hij ee (mislukte) poging om via Scheveningen naar Engeland te vluchten. Op 14 mei 1940, toen het Nederlandse leger had gecapituleerd, pleegde Ter Braak in de woning van zijn broer, huisarts te Den Haag, zelfmoord door een combinatie van een slaapmiddel en een injectie, toegediend door zijn broer.

Uit: Démasqé der Schoonheid

“Er is nog een derde mogelijkheid in den strijd met den vorm; maar over die mogelijkheid kan men pas spreken, wanneer men aan den lijve de smadelijke nederlaag van het aesthetisme gevoeld heeft, wanneer men persoonlijk ervaren heeft, hoe de schoonheid, die u van de natuurlijkheid der natuur verloste, die u bevrijdde van de beklemming der gemeenplaatsen, een nieuw net van gemeenplaatsen over u heeft uitgespreid. Het is pas mogelijk, het démasqué der schoonheid onder oogen te zien, als men zoo lang de waarheden der aestheten heeft nagepraat, dat men van hun onweerlegbaarheid wee is geworden. Maar wie de schoonheid wil demaskeeren, zonder ooit geweten te hebben, wat schoonheid was, verschilt niet van dat bekende type vrouwenhaters, die door hun haat moeten verbergen, dat zij te linksch waren om met vrouwen om te gaan. De derde mogelijkheid, het démasqué der schoonheid, veronderstelt, dat men de schoonheid gekend heeft en liefgehad, toen zij bevrijding en verlies beteekende, en dat men haar daarom is gaan verachten, toen zij het devies eener côterie ging worden. Want heeft er ooit een démasqué plaats vóór het bal?”

TerBraak

Menno ter Braak (26 januari 1902 –  14 mei 1940)

 

De Duitse schrijver Achim von Arnim (eig. Ludwig Joachim von Arnim) werd geboren in Berlijn op 26 januari 1781. Arnim, uit een adellijke familie van diplomaten, studeerde in Halle an der Saale natuurwetenschappen, maar raakte in 1798 geïnteresseerd in de rechtenstudie. Hij had Ludwig Tieck leren kennen, en begon zelf schrijfselen uit te proberen, aanvankelijk geïnspireerd door Goethes Leiden des jungen Werthers, waaronder de roman Hollins Liebesleben. Toen hij in Göttingen verder ging studeren in 1801, ontmoette hij Clemens Brentano: met hem zou hij levenslang bevriend blijven. Arnim maakte tijdens zijn leven ontelbare reizen, schreef in Zwitserland nog een roman, en begon vanaf 1806, tezamen met Brentano, Des Knaben Wunderhorn uit te geven, de belangrijkste verzameling volksliederen uit de Romantiek. De Wunderhorn kreeg nog ruim een eeuw een grote belangstelling als een collectie opgetekende Duitse volkspoëzie, ofschoon men hem tegenwoordig vooral als romantische herbewerking van dit soort materiaal beschouwt. Goethe erkende de waarde van dit werk eveneens. Zijn belangrijkste novelle schreef Arnim in 1812, Isabella von Ägypten, over Keizer Karel die verliefd wordt op een zigeunerin. Dit verhaal zit vol mysterieuze en onheilspellende wendingen en illustreert hoezeer Arnim in de romantische beweging was ingebed. In 1813 en 1814 nam Arnim deel aan de veldtochten tegen Frankrijk. Nadat Napoleon verslagen was, kreeg hij de leiding over een politieke krant; hij kwam echter in aanvaring met de censuur. Noodgedwongen bracht hij zijn latere jaren in isolatie op zijn landgoed door: in 1817 schreef hij de eerste historische roman, Die Kronenwächter, over het middeleeuwse Duitsland.

 

Uit: Des Knaben Wunderhorn

 

Der traurige Garten

 

Ach Gott, wie weh thut Scheiden,
Hat mir mein Herz verwundt,
So trab ich über Helden,
Und traure zu aller Stund,
Der
Stunden der sind alsoviel,
Mein Herz trägt heimlich Leiden,
Wiewohl ich oft fröhlich bin.

Hät mir ein Gärtlein bauet,
Von Veil und grünem Klee,
Ist mir zu früh erfroren,
Thut meinem Herzen weh;
Ist mir erfrorn bei Sonnenschein
Ein Kraut je länger je lieber,
Ein Blümlein Vergiß nicht mein.

Das Blümlein, das ich meine,
Das ist von edler Art,
Ist aller Tugend reine,
Ihr Mündlein das ist zart,
Ihr Aeuglein die sind hübsch und fein,
Wann ich an sie gedenke,
So wollt ich gern bei ihr seyn.

Mich dünkt in all mein Sinnen,
Und wann ich bei ihr bin,
Sie sey ein Kaiserinne,
Kein lieber ich nimmer gewinn,
Hat mir mein junges Herz erfreut,
Wann ich an sie gedenke,
Verschwunden ist mir mein Leid
.

 

Arnim

Achim von Arnim  (26 januari 1781 –  21 januari 1831)

 

De Duitse schrijver Rudolf Alexander Schröder werd geboren op 26 januari 1878 in Bremen. Schröder was een veelzijdig man, actief als dichter en vertaler, essayist, bibliofiel uitgever, binnenhuisarchitect en schilder. In zijn vaderland groeide hij uit tot een nationale persoonlijkheid. Dat bleek vooral in 1953, toen hem ter gelegenheid van zijn vijfenzeventigste verjaardag een grootse hulde werd gebracht. In het voorgaande jaar waren voor deze gelegenheid zijn Gesammelte Werke begonnen te verschijnen. Het eerste deel bevat Schröders gedichten, het tweede en derde zijn vele opstellen en redevoeringen. In de volgende zijn (metrische) vertalingen van klassieke dichters opgenomen, respectievelijk van Homerus, van Vergilius en Horatius, van Corneille, Racine en Molière en van Shakespeare. In 1965 werd de reeks afgesloten met de achtste band, Predigten zum Kirchenjahr: vanaf 1941 was Schröder namelijk ook actief als Laienprediger.

 

Die Klage

Nun geht der Jammer
Die Not, die Schande
Durch Haus und Kammer,
Durch Markt und Lande;

Zerbricht die Städte,
Die klugerbauten,
Ruhm, Ränk und Räte,
Darauf, wir trauten.

In Graus und Aschen,
Vom Strahl getroffen,
Das frevle Haschen,
Das dreiste Hoffen.

Nun müsst ihr tragen,
Was andre litten,
Verlorne Klagen,
Verworfne Bitten,

Verfehltes Lieben,
Verwirkte Treue,
Der nichts geblieben
Als Schmach und Reue

Vergebnen Grämens,
Das keiner segnet,
Voll stummen Schämens,
Dem Zorn begegnet.

Wir wurden Meister
Und blieben Toren,
Die Höllengeister
Ans Licht beschworen;

Der Trotz wollt’s wenden
Mit Lug und Truge
Und muss doch enden
Nach Recht und Fuge.

Das freche Prahlen
Des Übermutes,
Geseufz und Qualen
Vergossnen Blutes,

Geschrei und Zähren,
Ihr müsst sie gelten;
Da frommt kein Wehren,
Da hilft kein Schelten.

Wo wollt ihr hausen?
Wo wollt ihr hinnen?
Habt Hasser draussen
Und Henker drinnen,

Da Burg und Bürger
Sich nichts mehr bürget,
Der Mord den Würger
Im Nacken würget.

Verstrickt im Knäuel
Der Schadenfrone,
Dir selbst zum Greuel,
Der Welt zum Hohne,

Sieh all das Deine
Ins Elend wandern.
Ja, Deutschland, weine,
Ja, lacht, ihr andern!

 

SCHROEDER

Rudolf Alexander Schröder (26 januari 1878 – 22 augustus 1962)

 

De Nederlandse schrijver Gerrit Jan Zwier werd geboren in Leeuwarden op 26 januari 1947. Zwier studeerde antropologie en geografie in Groningen. Hij heeft veel gereisd, onder anderen door Scandinavië, en heeft een speciale band met Terschelling. De ervaringen die hij bij zijn reizen heeft opgedaan verwerkte hij in zijn verhalen en romans. In zijn proza refereert hij vaak aan de wereld van de wetenschap; hij beschrijft de individuele drang om te verkennen.

Uit: Zilverig Licht

“Hoewel er een frisse wind opsteekt, die de geuren van de zee en de omringende bergen met zich meedraagt, heeft niemand zin om naar binnen te gaan. Het is tegen twaalven. Verspreid over bankjes en stoelen zitten we voor het Gemeenschapshuis, af en toe pratend en geregeld omhoogkijkend naar de met bleke sterren bezaaide hemelkoepel. Een vlaag noorderlicht zou een mooie afsluiting zijn van onze wandelreis door IJsland.
Twee weken zijn we nu op pad, een eindeloze tijd. Weliswaar vliegen de dagen voorbij, maar al na een week had ik het gevoel een maand van huis te zijn. De tijd verloopt zowel traag als snel; ik zou daar morgen in mijn tafelspeech aan het slotdiner een paar regeltjes aan kunnen wijden. En aan het feit dat de mens weliswaar een groepsdier is, maar dat hij ook graag op zichzelf is. Hoe knellender het sociale kader, hoe sterker het verlangen naar eenzaamheid.
‘Wil je een slokje?’ vraagt Agaath, een roodharige Brabantse, en ze houdt me een fles calvados voor. Onderweg heeft ze daar een klein vermogen voor neergeteld, alcohol wordt op IJsland duur betaald. De scherpe appeljenever bijt in mijn tong.
‘Jammer dat je niet verliefd op me bent,’ zegt ze met trage stem.”

Zwier

Gerrit Jan Zwier (Leeuwarden, 26 januari 1947)

 

Bhai (Hindi en Sarnami voor: Broeder) is het pseudoniem van de Surinaamse dichter James Ramlall. Hij werd geboren op 26 januari 1935 in het toenmalige district Suriname, studeerde in Nederland (Nederlandse taal- en letterkunde en pedagogiek) en India (wijsbegeerte en religie), en promoveerde op het proefschrift The problem of Being in Sankara and Heidegger. Hij werd onderdirecteur Cultuur en later directeur Cultuur van het Surinaamse Ministerie van Onderwijs en Cultuur, en betoonde zich zeer actief in de culturele wereld, onder andere als oprichter van het conferentiecentrum “Caribbean Centre” te Lelydorp. Hij schreef poëzie in het Hindi en Nederlands in het tijdschrift Soela, filosofisch en meditatief. Het Nederlandstalige werk werd gebundeld in Vindu (Hindi voor: Geheim, 1982) waaruit het concreet-afbeeldende van zijn vroegere poëzie geheel is verdwenen. Voor deze bundel ontving Bhai de Literatuurprijs van Suriname 1980-1982.

 

dhan ka dukhra
(Rijste-Smart)

 

Slechts zij, die uit rijst geboren zijn

Slechts zij, die in rijst zijn opgegroeid

Slechts zij, die door rijst gestorven zijn

Kennen alleen de jammerklacht der halmen.

Want weet, dat iedere groei

in wezen sterven is

en iedere bloei vergaan.

Zo weet dan ook, dat iedere oogst

zeer smart’lijk is.

 

 

 

khali pyala
(een leeg glas)

 

Ik ben een glas – leeg –

dat staat te wachten

op een tafel,

in een onbewoond vertrek.

Ik heb geen verlangen,

maar ben tevreden,

als ik ooit

iemand laven mag.

 

Bhai

Bhai (Suriname, 26 januari 1935)

 

Er bestaat onzekerheid over de geboortedatum van de Franse schrijver Eugène Sue. Verscheidene biografen geven meerdere data aan. Maurice Lachâtre noemt 17 januari 1804, Alexandre Dumas vernoemt 1 januari 1803, Eugène de Mirecourt 1 januari 1801, Paul Ginisty haalt 10 december 1804 aan en François Lacassin 8 februari 1804. De verwarring is ontstaan doordat Sue is geboren onder de Franse Republikeinse Kalender. Volgens Jean-Louis Bory is Sue geboren op V pluviôse van het jaar XII van de Republiek. Dit komt volgens Bory overeen met 26 januari 1804.  Zie voor meer informatie  en een fragment ook mijn blog van 10 december 2005.

 

Sue

Eugène Sue (26 januari 1804 – 3 augustus 1857)