De Amerikaanse dichter, schrijver, vertaler en bloemlezer X.J. Kennedy werd geboren in Dover, New Jersey op 21 augustus 1929. Zie ook alle tags voor X. J. Kennedy op dit blog.
ANT TRAP
Innocuous as a dock, giving off whiffs Of roast beef, rare, and bathtubfuls of gin Free to the rank-and-file of working stiffs, This tin-canned Siren lures the suckers in. A skull and crossbones on her lid warns men— As if they’d overhear!—to watch for reefs, But how could that turn back an ant, his skin Already bone, to whom death’s head is life’s?
Out through her punctured doors, down winding roads, Each totes home his own and his kinsmen’s doom In trust. Recall those fourteen-year-old broads Who’d stand across the street from Napoleon’s Tomb, Beckoning not with fingers but perfume The tired GI in quest of other wars And kinder arms than guns to come home from, Remember how they stretched forth open pores.
Not that the gift he brought home was the clap, Although he might have, no, nor just the can Of Spanish fly our good Rotarian Smuggled back home to storm the girl friend’s lap, No dirtybook nor head cut from a Jap Scrubbed to a whitened skull in some latrine, Nothing to shove a pin through on a map, But wider than La Belle France’s belle poitrine.
And now, kcmpt creature moving in his files, Social, in press, with jawbone razored sleek, Hopping the shuttle daily, vaulting miles To and from Scarsdale, listening to the click Of the same rails, back to his Blessed Isles Delivered nightly—do his nerves go slack, Eyes empty, does he sip with frozen smile His scotch-and-water in a state of shock,
Or find, perhaps, his death so slow to come, And slow death a far cry from what he needs, That his sons hold him someone to turn from And, drop-outs, seek some anarchy or creed Of their own brew to live by? Growing numb, His sunken livingroom erupting weeds, He sees them blow their minds apart like bombs, And, sooner than believe him, die from speed.
Then, too, the failure’s failure: grooved and scarred The hands that planted dreams, but never plucked. You see him in most bars if you look hard. Thrashing the day’s war rumors. You’d suspect Him of one long decline from having warred With someone not himself. His stares extract Invisible bayonets—he’d show the world, Clean out the bastards. So his beers reflect.
By those soft weakening lights, you’d guess how all That army shuttling through it in a train With nothing but its sweetness on the brain Must feel when, home, their pulsebeats falter and stall And, clutching sides, they double up in pain, Their footholds loosen, and they start to fall, Reach forth slow feelers, grope, catch fast again, Stiffening columns in behind a wall.
GEOMETRY
They say who play at blindman’s buff And strive to fathom space That a straight line drawn long enough Regains its starting place And that two lines laid parallel Which neither stop nor swerve At last will meet, for, strange to tell, Space throws them both a curve.
Such guesswork lets my hopes abide, For though today you spurn My heart and cast me from your side One day I shall return; And though at present we may go Our lonely ways, a tether Shall bind our paths till time be through And we two come together.
Talen die ik het niet versta woorden die ik niet ken gezichten die vreemde uitdrukkingen hebben kom ik tegen in de tram bij de supermarktkassa’s en kinderen die zwijgend het vreemde vergezellen kijken me aan omdat ik net zo vreemd voor ze ben en ik denk erover na of deze mensen graag in dit land zijn en ik zou ze graag hebben gevraagd wat ze denken als ze het nieuws zien of de politici horen praten maar eigenlijk weet ik het bijna zeker dat niemand van ons ze zou missen als ze op een dag uit het stadsbeeld van mijn woonplaats en van die van de andere Duitsers weg zouden blijven.
Vertaald door Frans Roumen
Elisabeth Alexander (21 augustus 1922 – 17 januari 2009)
De Amerikaanse dichter, schrijver, vertaler en bloemlezer X.J. Kennedy werd geboren in Dover, New Jersey op 21 augustus 1929. Zie ook alle tags voor X. J. Kennedy op dit blog.
THE PURPOSE OF TIME IS TO PREVENT EVERYTHING FROM HAPPENING AT ONCE
Suppose your life a folded telescope Durationless, collapsed in just a flash As from your mother’s womb you, bawling, drop Into a nursing home. Suppose you crash Your car, your marriage—toddler laying waste A field of daisies, schoolkid, zit-faced teen With lover zipping up your pants in haste Hearing your parents’ tread downstairs—all one.
Einstein was right. That would be too intense. You need a chance to preen, to give a dull Recital before an indifferent audience Equally slow in jeering you and clapping. Time takes its time unraveling. But, still, You’ll wonder when your life ends: Huh? What happened?
How It Happens
Yes, poems can write themselves — that happens when The poet feels picked up, used like a pen. In my whole life that’s happened — when? ten times? Far oftener, a poem suggests its rhymes, Grants me a word with which a word might mate, A seed to plant and carefully cultivate. Hard work runs head-first up against resistance, For who can will a poem into existence? You have to wait with patience and believe, Camp by your keyboard, ready to receive, Letting no option prematurely shut. The moral may well be Sit on your butt.
Crusader
for Carry A. Nation (1846-1911)
Oh, Carry Nation, she’s the one I love. Her kisses—man, what killers! Ax fits her fingers like a glove To chop down Satan’s pillars.
When booze starts oozing through the land And beer, that belching dragon, Our Carry lifts her hatchet hand And wham! we’re on the wagon.
She empties kegs down to the dregs. With gaze ablaze and flashing, She chops and chops up bucket shops- I tell you, boys, she’s smashing.
No drink but water she abides. She quaffs with laughter hearty, Though something of a sobersides When at a cocktail party.
Mijn vader droeg zijn oude grijze hoed als een kroon op zijn hoofd hij droeg hem in de zomer hij droeg hem in de winter voor mij, als kind was de hoed op vaders hoofd vanzelfsprekend zoals moeders schort hij droeg zijn hoed mijn vader wanneer hij in zijn werkplaats zat en werkte wanneer hij in het veld werkte wanneer hij in de tuin werkte bij het eten zette hij hem af en voor zijn wandelingen naar de stad naar de kerk gebruikte hij een andere soms zit ik ook met een of ander hoofddeksel aan de typemachine stofzuig ik met een kapje op het hoofd was af met een hoedje en slaap ook graag met een muts op mijn hoofd. Misschien wilde vader en nu ik gewoon met een warm hoofd rondlopen misschien ook nooit de gedachten koud laten worden.
Vertaald door Frans Roumen
Elisabeth Alexander (21 augustus 1922 – 17 januari 2009)
De Nederlandse schrijver en dichter Rogi Wieg werd geboren op 21 augustus 1962 in Delft. Zie ook alle tags voor Rogi Wieg op dit blog.
Poëzie
Nu is het dus dat ik niet meer weet hoe bang zijn was. Ik zal niet langer vijand zijn van zoveel vormen goedheid. Maar vergeet niet wat je was: ogen, haar, een hand
om mee te schrijven. En wat moet ik zeggen, de stadsweg waarover je naar huis toe gaat, mijn huis zelfs is zo liefdevol voor mij. Verleggen van dit leven is gewichtig. dat je hier bestaat
alsof je altijd zal bestaan lijkt eigenaardig – en al die mooie dingen dan – om alles weg te gooien voor wat poëzie is te lichtvaardig.
Er is te weinig taal in mij om zaken te omschrijven zoals dit gebrek aan angst; dus noem ik maar wat afgebroken wordt, om nog iets goed te maken.
U bent
Toen U wegging brak U mijn hart. Als U terug kon keren zou ik Uw nek breken. Maar U heeft geen nek, alleen een onsterfelijke, denkbeeldige lange hals, als van een fles van dun glas die zich uitstrekt over het water van de zee, glas met daarin de geschiedenis van alles.
Als U terug kon keren zou ik de tafel dekken, het brood breken en de wijn drinken. Ik zou mijzelf aan het kruis slaan van Uw bestaan.
U bent niet meer De Zoon en niet meer De Vader U bent het onbezielde veld en de ruimtetijd. U bent de onbezielde zwaartekracht en het verloop van de lichtstraal bij nacht, U bent de wiskunde zonder zachte geest, U bent r nu en bent er altijd al geweest. U bent de symbolen die men leest.
Maar niet De Zoon en niet De Vader. Niet De Geest.
Toen U wegging brak U mijn hart. Als U terug kon keren zou ik U hardhandig wurgen.
U bent ooit toen ik kind was in mijn huis geweest.
In alle dingen
Nu dan, die verschrikte vogel in je handpalm is maar lijnenspel, want uitje huid vloog niets meer op, zo was mijn verveling: kalm verwachten hoe het middag werd. Hoe je niets besluit,
ook niet dat je slapen wilt, of dichter bij mijn lichaam wilt. En zoals je zei de middag viel; alleen wat helder ogenlicht. Geef mij dit terug, een tijd die zonder angstval in mij lag.
Er komt weer regen over de rivier, koude stedenlucht. Men leeft, beweging is alom en verder gaan de dingen weer als lang geleden.
Je weet, ik ben een beetje angstig voor mijn leven. Ik denk steeds vaker dat de som van alles zinvol is. Misschien om wat wij deden.
Rogi Wieg (21 augustus 1962 – 15 juli 2015) In 1980
De Amerikaanse dichter, schrijver, vertaler en bloemlezer X.J. Kennedy werd geboren in Dover, New Jersey op 21 augustus 1929. Zie ook alle tags voor X. J. Kennedy op dit blog.
Uit: A Hoarse Half-Human Cheer
“Open up in the name of the law,” Knox said. The tube delivered a laugh. “Oh, the cops again? Always welcome.” The
door buzzed and unlatched and they stepped into a long narrow hall
heavy with stale tobacco smoke. It led to a parlor that had three
loveseats and two big mohair couches. Red velvet wallpaper, a painting
of a nymph pursued by a satyr, and perched in the middle of a coffee
table, a punchboard from the Children’s Crusade. A
friz-haired blonde in an abbreviated purple dress occupied one of the
loveseats with a patron, a plump sixtyish man in a striped business
suit, dangling a gold watch chain, resting an affectionate hand on her
nearer knee. They were sharing a drink out of a lipsticked glass. On a
couch a kid Moon’s age and a middle-aged man in a lumberjack shirt were
sitting. The kid was scrawny with pipe-stem arms and legs and a cap that
said CAPTAIN MARVEL. A young woman, wearing short shorts and a
rabbit-fur vest that hung open over her breasts, stood leaning against a
wall, smoking sullenly. An
imposing matron with prominent jowls, double chins, handsome once, in a
gold evening gown and a necklace with a facsimile of the Star of India,
cruised up to them and greeted the cop like a long lost brother. “Why,
Officer Branigan, where you been keeping yourself? Getting it at home
for a change? Say, I got you a new Latina named Dolores—” Branigan’s
face turned a darker red. With a toss of his head he indicated Knox.
“Listen, Diane,” he said under his breath, “you don’t know me. This is
an official call.” “What
you giving me?” the Madame shrilled. “I don’t need any more official
calls. I already gave to Sergeant Fitzroy for the Police Social Fund.
Who’s your friends?” Moon
stood gazing at the young woman against the wall. She looked sulky,
resentful. His thumb revolved in his secret gesture of tribute, drawing
an imaginary circle around her face. Knox poked him with an elbow. “Don’t get any ideas.” Looking at Aisling, the madam said to Knox, “My God, that’s a beautiful woman you’ve got with you.” “Thanks,” Aisling said. She turned on a winning smile. “Suppose I wanted a job with you. What’s the salary like?
“She supposed that she had meant it to. “Please,” Gerald said quickly. Jody looked uncertain. “I don’t know. Would it go?” “I think we should have a drink,” Gerald said. Marge moved the backpack with the pistols in it to the far edge of the bed and brought Gerald the bottle of Wild Turkey. “I’m afraid there aren’t any glasses.” “That’s all right,” Gerald said. He held the bottle toward the light, examining the texture of the whiskey. “Very fine stuff.” He took three large swallows and passed the bottle to his wife. Jody drank from it grimly. “Do you?” she asked Marge inclining the bottle. Marge took it and drank. For some reason it tasted sweet to her, like sherry. “Are you an addict?” Jody asked. “Certainly,” Marge said. Jody smiled intelligently. “No. Really.” “I don’t know if I am or not.” “Doesn’t that usually mean you are?” Marge shrugged. “How about him,” Gerald asked. “Is he?” “No.” “Aren’t there some funny moral areas there?” Jody asked. “I guess it depends on your sense of humor,” Marge said. Gerald had another drink. “We’re not here to judge,” he said. “There’s such a thing as personal necessity. Maybe it’s beyond moral areas.” Marge found that the liquor made her eyes ache. She closed them against the light, and leaned back on the pil-lows. She had already been told to shut up. “You must be a terrific writer,” she said. Hicks and Eddie Peace huddled against the dark wall of the last bungalow. Eddie hugged his shoulders, his back to the wind. “Ridiculous,” Hicks said. “Ridiculous bullshit.” “I thought you’d be amused for Christ’s sake.” “Amused?” Hicks shivered. “You got a lot of nerve. What happened to the Englishman?” “I got news for you,” Eddie said, “your shit has a bad rap.” “Then there’s a misunderstanding.” “I don’t think so,” Eddie said. Hicks ran a hand over his hair. “Then get those assholes out of here.” Eddie shook his head in impatience. “You don’t understand, Raymond, that’s the misunder-standing. You don’t know how things work here. This guy has just been paid an absurd figure. His wife is an heiresS. I tell you these people have no conception of money.” “You’re the con man,” Hicks said, “not me. I’ve got qual-ity shit to sell — why do I want this insanity?” “Raymond,” Eddie said, “Raymond, try and learn some-thing. I deliver this goof into your hands.” He reached out, took Hicks’ right hand and squeezed it. “He’s a nice fella. He’s very polite.” “I don’t know what you’re talking about.” “Then you’re stupid, Raymond. I tell you your shit is a no-no around here. I’ll give you six thousand for what you can give me. And with a little imagination you can screw Gerald for a lot more. Listen, it would wipe you out what I’ve got working with those two. The guy is scared shit-less — even if he doesn’t know it yet. He’s gotta be dis-creet.” “You’ll give me what?” Hicks said. “What’s that figure again?” He put his hand on Eddie’s shoulder. “You just take it easy,” Eddie said.
“This clear, unemotional intellect, emotional only in the perhaps highest sense, where emotion almost ceases to be recognisable, in the abstract, for ideas, for lines, left him, with all his interests in life, with all his sociability, of a sort, essentially very lonely. Many people were devoted to him, but he had, I think, scarcely a friend, in the fullest sense of the word ; and I doubt if there were more than one or two people for whom he felt any real affection. In spite of constant ill-health, he had an astonishing tranquillity of nerves ; and it was doubtless that rare quality which kept him, after all, alive so long. How far he had deliberately acquired command over his nerves and his emotions, as he deliberately acquired command over his brain and hand, I do not know. But there it certainly was, one of the bewildering characteristics of so contradictory a temperament. One of his poses, as people say, one of those things, that is, in which he was most sincere, was his care in outwardly conforming to the conventions which make for elegance and restraint ; his necessity of dressing well, of showing no sign of the professional artist. ; He had a great contempt for, what seemed to inferior craftsmen, inspiration, for what I have elsewhere called the plenary inspiration of first thoughts; and he hated the outward and visible signs of an inward yeastiness and incoherency. It amused him to denounce everything, certainly, which Baudelaire would have denounced ; and, along with some mere ganiinerie, there was a very serious and adequate theory of art at the back of all his destructive criticisms. It was a profound thing which he said to a friend of mine who asked him whether he ever saw visions : ” No,” he replied, *’ I do not allow myself to see them except on paper.” All his art is in that phrase. And he attained, to the full, one certainly of his many desires, and that one, perhaps, of which he was most keenly or most continuously conscious : contemporary fame, the fame of a popular singer or a professional beauty, the fame of Yvette Guilbert or of Cleo de Mdrode. . And there was logic in his insistence on this point, in his eagerness after immediate and clamorous success. Others might have waited ; he knew that he had not the time to wait._ After all, posthumous fame is not a very cheering prospect to look forward to, on the part of those who have worked without recompense, if the pleasure or the relief of work is not enough in itself. Every artist has his own secret, beyond the obvious one, of why he works.”
Aubrey Beardsley (21 augustus 1872 – 16 maart 1898) Zelfpotret
„Mama
stahl sich ausgerechnet in der Nacht aus unserem Leben, in der ich mit
meinem Freund Agi durchs Bahnhofs-viertel streifte, eine Nacht wie ein
Traum, der sich lautlos heranschleicht, aufregend und fiebrig, eine
Nacht, die man nie vergisst, weil sie nie endet, die längste, die
dunkelste Nacht meines Lebens. Wenn ich die Augen schließe, sehe ich
als erstes den Schnee. Flocken, die zu Boden schweben, die herum-wirbeln
und miteinander verschmelzen, die aufleuchten und verblassen, die vor
dem grauen Himmel tanzen und vor dem Weiß der Fassaden verschwinden. Der
Platz vor unserem Hochhaus, die Straßen, die Vorgärten, die Büsche und
Bäume, die parkenden Autos, der Müll — alles lag unter einer dicken,
weißen Decke begraben. Auf der Wiese zwi-schen unseren Häusern thronte
ein gigantischer Schnee-mann, dem irgendein Witzbold einen ebenso
gigantischen Ständer verpasst hatte. Am Rande der Gehwege warfen die
Räumfahrzeuge meterhohe Schneegebirge auf. Einen abseits gelegenen Hügel
hatten die Zwillinge aus dem drit-ten Stock festgestampft und
ausgehöhlt — seitdem krochen sie jeden Abend in ihre Höhle, um sich vor
ihrem besoffe-nen Alten zu verstecken. Es war die Nacht vor
Heiligabend. Seit fünf Tagen schon schneite es ohne Unterlass. Die
Zeitungen würden später von einem Jahrhundertwinter schreiben, dabei
waren vom Jahrhundert erst zwei Jahrzehnte vergangen. Ich stand am
Küchenfenster und sah hinunter und überlegte, über die weiße Wiese zu
stapfen, um einmal im Leben der erste zu sein. Wie lange würde es
dauern, bis meine Spur unter neuem Schnee verschwand? Gegen
Winterromantik und weiße Weihnacht und die Schwermut der Verlierer am
Ende eines Jahres bin ich im-mun. Aber in dieser Nacht … Ich sah
hinaus und hoffte, dass irgendetwas geschah. Ein Wunder oder ein
Unglück, ein Anfang oder ein Ende, gleich was, Hauptsache, wir würden
auch morgen noch darüber sprechen oder besser sogar noch im nächsten
Jahr. Die Stille wuchs, eine eisige Kälte breitete sich in mir aus und
mit ihr das dumpfe Gefühl einer Bedrohung, ich hielt die Luft an,
wartete, doch nichts geschah.“
« Quand
l’un des serveurs vient leur glisser à l’oreille qu’ils ont été
choisis, ils cochent une petite case sur un tableau avant de se diriger
vers le bar d’un air parfaitement dégagé et les autres garçons se
gardent poliment de commenter la transaction qui s’ébauche. La direction
relève sans doute le carnet de notes mural avant la fermeture. Une fois
que la réservation a été confirmée, après une présentation qui
s’éternise rarement, le garçon se rhabille prestement en coulisses, et
revient ; il n’y a plus qu’à régler les consommations, la commission au
club due par le client et à sortir au milieu des courbettes, des
marionnettes grimaçantes qui font office de loufiats et lancent d’une
voix suraiguë : Good night sire, see you again. On peut prendre deux
garçons, ou même plusieurs, aucune objection puisque la réponse est
toujours : I want you happy. Contrairement à une assertion généralement
colportée il y a peu de ruines sexuelles occidentales parmi le public,
la clientèle est en majorité locale, d’âge moyen, bien convenable et
sort en bande légèrement arrosée au whisky-Coca. Les quelques naufragés à
peau blanche du Spartacus font plutôt tache dans l’ensemble mais il est
vrai aussi qu’on leur propose les meilleures tables. Evidemment,
j’ai lu ce qu’on a pu écrire sur le commerce des garçons d’ici et vu
quantité de films et de reportages ; malgré ma méfiance à l’égard de la
duplicité des médias je sais ce qu’il y a de vrai dans leurs enquêtes à
sensation ; l’inconscience ou l’âpreté de la plupart des familles, la
misère ambiante, le maquereautage généralisé où crapahutent la pègre et
les ripoux, les montagnes de dollars que cela rapporte quand les gosses
n’en retirent que des miettes, la drogue qui fait des ravages et les
enchaîne, les maladies, les détails sordides de tout ce trafic. Je
m’arrange avec une bonne dose de lâcheté ordinaire, je casse le marché
pour étouffer mes scrupules, je me fais des romans, je mets du sentiment
partout ; je n’arrête pas d’y penser mais cela ne m’empêche pas d’y
retourner. Tous ces rituels de foire aux éphèbes, de marché aux esclaves
m’excitent énormément. La lumière est moche, la musique tape sur les
nerfs, les shows sont sinistres et on pourrait juger qu’un tel
spectacle, abominable d’un point de vue moral, est aussi d’une vulgarité
repoussante. Mais il me plaît au-delà du raisonnable. La profusion de
garçons très attrayants, et immédiatement disponibles, me met dans un
état de désir que je n’ai plus besoin de refréner ou d’occulter.
L’argent et le sexe, je suis au cœur de mon système ; celui qui
fonctionne enfin car je sais qu’on ne me refusera pas. Je peux évaluer,
imaginer, me raconter des histoires en fonction de chaque garçon ; ils
sont là pour ça et moi aussi. Je peux enfin choisir. J’ai ce que je n’ai
jamais eu, j’ai le choix ; la seule chose que l’on attend de moi, sans
me brusquer, sans m’imposer quoi que ce soit, c’est de choisir. Je n’ai
pas d’autre compte à régler que d’aligner mes bahts, et je suis libre,
absolument libre de jouer avec mon désir et de choisir.”
Die
Drahtspange mit dem Gummibelag streift unaufhörlich das Wasser vom
Glas. Zwei solche Spangen sind es, die sich an gegenüberliegenden
Stellen um ihre Endpunkte drehen und mit den äußeren Spitzen Halbkreise
beschreiben. Nur die Flächen innerhalb der Halbkreise werden vom Wasser
befreit, und diese Flächen überschneiden sich. Abwechselnd fahren die
Scheibenwischer durch die Schnittmenge, spritzen das mitgebrachte Wasser
ins Revier des Nachbarn, der es, um eigenes Wasser ergänzt,
zurückwirft. So winken beide nach links und nach rechts und spielen sich
jedes Mal den Regen zu, zerstören jedes Mal den Halbkreis des Partners.
Das Wimmern des Gummis ist im Wageninnern nur abgeschwächt zu hören.
Kupplung, Cas-und Bremspedal tragen den Schmutz von Wanderschuhen. Auf
dem Rücksitz eine Hundedecke. Alle Fenster-scheiben sind hochgekurbelt,
die Knöpfe auf den geschlossenen Türflügeln heruntergedrückt. Der offene
Aschenbecher wartet auf Asche. Der Geschwindigkeitszeiger liegt unter
der Null. Nur die Scheibenwischer streiten weiter, schieben das
Regenwasser hin und her und der Regenschauer wird grob, trommelt aufs
Karosseriedach. Die Außenwelt verschwimmt. Die Wischer verlieren die
Herrschaft über ihre Halbkreise, zerhacken sich trotzdem weiterhin die
Grenzlinien. Die Schritte meines Vaters nähern sich über dem Kies. Seine
Gestalt verdunkelt das Wageninnere, beugt sich über die Fahrertür,
reißt sie auf. Der Regen wird echt. Viel zu viel Wind drängelt sich
durch die offene Fahrertür, das Wasser erreicht den Rücksitz, meine
Beine. Der Motor startet, die Scheinwerfer blenden das fallende Wasser.
Mein Vater erwischt mich im Rückspiegel und die Scheibenwischer turnen
zwei Stufen schneller““ .
Het allerbelangrijkste is de nagel bij ontbreken valt de kunst.
Sekt
Ook Duitse prikkelt is niet zo duur en tenslotte kun je achteraf immers vrijen op zijn Frans
Vertaald door Frans Roumen
Elisabeth Alexander (21 augustus 1922 – 17 januari 2009) Linz
De Russische dichter Gennadi Ajgi werd geboren op 21 augustus 1934 in het dorpje Sjajmoerzjino in de Tsjoewasjische republiek, aan de Wolga, 400 km ten oosten van Moskou. Zie ook alle tags voor Gennadi Aigi op dit blog.
Dag
en weer die dromen in asfaltglans nu eens van heuvels in gloed dan uitholling in zwart als een vonkende vloedgolf enormgrote kringen in een oeverloze zee kikkerdril
en overdag verandert de asfaltarena in iets dat veel lijkt op toneelstellages uit Shakespeare’s tijden
en achter elke lantaarnpaal schemeren bergen en rivieren – en vuurtorens
en reeds wordt stad tot zee en sneeuwhopen, ijspegels, smeltwaterplassen zijn niet anders dan de kammen van een onzichtbare zee
en die zee is onstuimig door sporen van auto’s – sleetjes – overschoenen en de jaarlijkse vervlechting van al die sporen, van alle tekens wordt tot de deining van een Stad-Zee
Mijn eigen
Ik moet met mijn lippen de grenzeloosheid van haar ogen bereiken en mij dan verbazen over de nauw merkbare klop in de aderen van het onderste ooglid en begrijpen dat dit door hun doorzichtigheid komt en hun onlichamelijkheid zo licht en zo smartelijk zijn die ogen die bijna niet trillen
en ik zal van haar houden met handen en lippen en met mijn zwijgen en droom en de straten van mijn gedichten en met de leugen – voor staten en met de waarheid – voor leven
en met de perrons van alle spoorwegstations waar ik eens voor het laatst zal verwijlen voor een blik op de hete en zwarte ruggen van locomotieven op rangeerterreinen
en haar laat ik over aan in de rij staande mensen, aan toevluchtsoorden in Siberië van kleine vreselijke steden en van haar ga ik weg en voor goed
naar het slachthuis der mensen van de eeuw ook die van mij…
Vertaald door Charles B. Timmer
Gennadi Ajgi (21 augustus 1934 – 21 februari 2006)
De Nederlandse schrijver en dichter Rogi Wieg werd geboren op 21 augustus 1962 in Delft. Zie ook alle tags voor Rogi Wieg op dit blog.
Het rode leven regent
Aan de ene kant is er nog een kant. Aan de andere kant is er geen kant meer. Ik kan niet heen en weer, al zou tijd mij dat wel toestaan. De schepping wil het niet.
De dood is de langste hoogte, voor- en zijkant van het hout. Driedimensionaal niets waarin ik liggen zal. Ik schrijf toch weer een vers over wat er komen gaat. Komt dit door het weer vandaag?
Er valt rode regen* op de wereld. Het regent leven. Misschien zonder DNA. Onwereldlijke maat die niet naar niets toegaat als ik, maar komt vanuit het universum, slingert door Het Al. Rode regen valt uit rode ogen die wenen om de staat van zijn van lijf en stof.
En niets is een oud verhaal dat met lege handen rooddoorweekt door de regen nooit meer thuiskomt.
Dit niets spoelt ook de rode regen niet naar huis en niet meer weg. Zie: ik ben het, ik ben het maar.
In de ochtend
Verwondering over de matte lichtval van deze ochtend, vol kersen en kleine regen. Aangekleed, gekamd, maar wat ik doen zal is mij nog niet gezegd. Dan zacht bewegen;
muziek die neerdaalt uit een instrument waarop ik lang geleden heb gespeeld. De klank verstoort mijn evenwicht. Het is mij onbekend wat men hier speelt, de compositie lijkt verdeeld
in toen en nu; mijn vingervlugheid is gelijk. De vleugel glanst, haar draagkracht even sterk, zoals de lichte Arabesque die ik ontwijk als ik mij tot herinnering beperk.
Zie, mijn vader prijst mijn spel, geeft richtlijnen, streelt nu mijn moeders hand. Tijd valt uit elkaar in onverdraaglijk getel.
Een verleden
Werkelijk voorbij kan niets ooit zijn; de pijn waait voort als lucht tussen de steden, draagt de lussen van de tijd waarbinnen ik verschijn
in een ander zelf. Ik ben pas zesentwintig maar meervoudig in mijn wezen, in elke lus een ander leven, een andere kus om mee weg te gaan.
En alleen de pijn gaat voort; zij stapt zomaar, zij leeft voor zo weinig, hapt nog naar vrede, maar wordt dan mij.
Misschien is er langzaam iets gebleven: de lucht tussen de steden neemt al mijn lussen op uit een verleden.
Rogi Wieg (21 augustus 1962 – 15 juli 2015) In 1988
De Nederlandse schrijver en dichter Rogi Wieg werd geboren op 21 augustus 1962 in Delft. Zie ook alle tags voor Rogi Wieg op dit blog.
U bent
Toen U wegging brak U mijn hart. Als U terug kon keren zou ik Uw nek breken.
Maar U heeft geen nek, alleen een onsterfelijke, denkbeeldige lange hals, als van een fles van dun glas die zich uitrekt over het water van de zee, glas met daarin de geschiedenis van alles.
Als U terug kon keren zou ik de tafel dekken, het brood breken en de wijn drinken. Ik zou mijzelf aan het kruis slaan voor Uw bestaan.
U bent niet meer De Zoon en niet meer De Vader. U bent het onbezielde veld en de ruimtetijd.
U bent de onbezielde zwaartekracht en het verloop van de lichtstraal bij nacht, U bent de wiskunde zonder zachte geest, U bent er nu en bent er altijd al geweest. U bent de symbolen die men leest.
Maar niet De Zoon en niet De Vader. Niet De Geest.
Toen U wegging brak U mijn hart. Als U terug kon keren zou ik U hardhandig wurgen.
U bent ooit toen ik kind was in mijn huis geweest.
Een huilend, sidderend blad
De fysicus zegt dat ik niet echt ben, een hologram.Toch zoekt God mijn gezelschap om niet alleen te zijn.
God zoeken is een ding, maar door God worden gezocht is heel iets anders. Het is groter.
De natuurkunde sluit Hem uit het universum, multiversum, uit het holisme en het veld van quantumwaarschijnlijkheden.
Het hiernamaals is zo een huilend, sidderend blad aan een boom, het valt tussen de bladen van een woordenboek.
Iets anders
Hier is het verhaal uit, het was geen oefening in doodmaken, maar iets anders. Ik wacht op haar, eet dan iets met haar en slaap, later in de nacht, met haar. Ze leest op bed, in de woonkamer doe ik Taak.
Zij wacht daar op mij, is bij mij, zoals haar en mijn uitgestrekte God op ons wacht en bij ons is, hoog en laag. Ik schrijf vandaag
al 32 jaar mijn verzen. Dat is 64% van tijd die ik tot aan deze avond toe besta. Zij weet hiervan, kent procenten, volgemaakt getal.
En ik heb geen verbrijzeld, gekapt, of afgebroken werk gemaakt. Niet over haar, of onze God. En ook niet over al dat andere.
‘Voor geluk ben jij niet geboren,’
zei de oude man tegen mij.
Hij was het ook niet, maar speelde
goed. Dat kon hij al duizenden jaren.
Mijn verzen schrijf ik, als ik al
iets opschrijf. Hoe kan iemand
van zoveel materie niets maken?
Luchtgoochelaar met regenachtige
wolkjes lucht, strakke lucht, blauwe lucht.
Nee, niets is iets bij mij, niet niets, en
iets is aan het einde toch iets. Weinig.
Ik bezit twee cd’s van Buddy Rich
en ze zijn haast hetzelfde.
Opname: oktober 19, 1977, New York City.
Maar twee nummers verschillen.
Ik ben voor weinig verschil geboren,
laat ik het daar maar op houden.
Datering 2013
Eind april, of aan het begin van (pijnloos?) mei, is het na meer dan dertig jaar niet voldoende. Het zal nooit genoeg zijn, zoals de zwarte moorden en de witte handkussen doorgaan in de werelden.
Het is het meest echt als het ’t minst echt is, op het hoogste punt van de abstractie, zoals vandaag wanneer ik een Heilige Geest ben die niets lijkt te betekenen, maar alles vertelt met vleesloze lippen.
Op een lege tafel ligt een stuk brood en staat Een beker rode wijn. Dit is allemaal niet concreet, geen voedsel en drank, geen goedheid, geen brandwonden, geen gekromde, vuile vinger die wijst naar een kruis.
Op een lege tafel ligt de hele wereld die mij zo bekend en onbekend is.
Het schijnt dat ik de tijd verteken
Het schijnt dat ik de tijd verteken
maar vandaag maakt zoveel uit. Toch valt boomblad
ergens anders neer dan ik bereken
en vormt mij, in alle engten van de stad.
En deze stad, met in haar soberheid
de kleine openingen naar wat is
en wat geweest is, maakt mij wijd. Ik benijd
mijn uitvergrote voorgeschiedenis.
De autobruggen zijn verlicht.
Een binnenplaats met weggeschoven sneeuw
laat niemand toe. Het voetspoor
van ouders dat ik opnieuw hoor
als dove slagen uit een oude eeuw
bestaat niet meer. Ik ben tot eigen hart verdicht
Zij was ooit mijn toverdraad, ik was jong,
een halve meter literatuur verder
ben ik al jarenlang niet meer de herder
van schaap poëzie. Men zegt dat ik echt zong.
Het zingen is mij goed vergaan door niets; louter dagtaken, scheren, ouder worden. De blauwe stad hangt als een baard aan iets dat ik ‘ik’ noem. Ben half-veertig geworden.
Een blauwe namiddag maakt niet meer een barst – uit- in mij. De taal is wit en mistig. Ik ben door bijna niets tot bot geharst.
Zij was ooit mijn dagverdrijf, maar verging als de Titanic en later de kleurenfilm. Het is in scheef proza waarin ik zing.
Zonder Twijfel
Eerst vond men het wiel uit en toen het zwaard van Damocles en de hoed en de appel van het kwaad tot erger, en daarna
drong de punt van het genoemde zwaard naar binnen door mijn schedeldak: ik trouwde. De wereld is techniek, het trouwen
is belofte, zo had het moeten zijn, maar zo was het niet. Opstaan, liefhebben, nachtrust, het werd een wiel
dat het oude zwaard liet zakken, dieper, diepst, tot in het hart. Waarom heb ik je gemaakt? Waarom me niet omgekeerd en weggelopen?
Er zit soms diepte in de wereld van de vlakte, lijnen die elkaar kruisen op een snijpunt, zwart dat lichter wordt en afneemt
tot wit. Noem het perspectief, of bedrog, een valse belofte, of techniek. Maar jij bestaat. Jij, zonder twijfel.
Mijn huis is eenvoud
Mijn huis is mijn hoofd,
mijn geslacht en mijn hart.
Nee, mijn huis is een cel en de jood zonder tafel of brood, zonder drank, of bed. Zonder bloed dat ontroert.
Nee, ik lieg. Ik heb zoveel gelogen. En dit is de waarheid. Tot slot! Mijn huis is bij jou, in je hoofd!
Ondanks alles bij jou. De laatste kamer in de natuur, tussen je gelegen bloemen, je gesloten ogen. Ik zou willen, de laatste cel in mijn grond.
Toen ik eindelijk huilde, barstte er onweer los boven de stad, het
is bijna te gemakkelijk, zo’n beeld, maar het is gebeurd; veel was bijna
te gemakkelijk, maar gebeurde eveneens: vrouwen, een soort liefde die ik voelde.
weggaan bij iemand, alle menselijkheid
vertrappen, snel en zonder al te veel overwegingen, gedreven door iets dat valt
onder de psychiatrie, of onder de dierlijkheid. Ik brak het manke been van mijn vader,
nam hem het lopen af, brak het zieke hart van mijn moeder, nam haar het kloppen af,
en wilde toen plotseling leven en niet meer hangen aan een gekromde boom langs het water.
Uit: Dagen in Budapest
Een kettingbrug tussen twee rivieroevers; aan beide zijden zonverlichte huizen. Ik wandel met mijn vader, maar midden op de brug moet hij even stilstaan. Zijn hartslag doet mij schrikken; wij spreken niet van doodgaan maar van een afgebroken kinderziekenhuis, een etherslaap die langer dan het leven duurde.
Winter
De vogels in de stad verkolen: avondlicht daalt neer over de tuinen waarin zij geluidloos zullen overnachten.
Vroeger heb ik ook in tuinen willen slapen, met mijn vader kijken naar de sterren van een wintermaand.
In de stad opent de nacht als een oude vrouwenmond; lantarens geven amper licht, mijn vader zwijgt. De tuinen van de stad vriezen opnieuw dicht.
Niets te maken met wie ik tien jaar
geleden was, ik heb me nu. ‘Toen, toen’,
sinds die tijd ben ik mijzelf zoveel een ander
dat ik misschien leef voor Judith. Ja.
Een dichter die gekkenhuizen kent, de bajes,
handboeien, isoleer; ik lijk wel een verdoemde
dichter. Had een vak geleerd. ‘Had, had’,
sinds die tijd is mijzelf zoveel een ander.
Het dorre gras, de enige bloem in het veld
is donker met rode randen, als
een uitgehuild oog, donker als de nacht
waarop Judith voor altijd plaatsnam
in het ‘ik’ van mijzelf, donker als de inkt
van een vergelijking, terwijl niets met niets
valt te vergelijken.
Niets te maken met wie ik tien jaar
geleden was, laat het vergelijken, zoek
geen metafoor voor een cel waarvan
men de deur dichtslaat. En vraag ook
nooit hoe het kan dat IK binnen zit.
Want het zij zo, en het is zo, en zo is het. Ja.
Als je net slaapt
Waar dingen eindigen beginnen nieuwe dingen, wanneer de avond is gevallen, en eveneens de wind, als je net slaapt, keert de hand die je liefste bedekt zich om, en vliegt er tederheid uit de handpalm op die ruist over de stad, over donkere akkers, wegen, rivieren, over de dorpen en je droomt dat je op reis bent, dat je op weg bent naar iets dat heel ver van je is, je komt aan bij de zee, maar daar is al het eerste licht van de morgen, en je weet dat het snel erg licht zal worden, dat de tederheid terug moet keren naar de hand die je liefste moet strelen, die moet dragen en bouwen; in de vroege ochtend zie je de hand, de kamer is open, de wind staat op, nieuwe dingen beginnen en iemand vraagt of je haar liefhebt.
Ik wilde je iets geven
Ik stelde je de eerste vraag, en later de laatste,
maar toen ik eenmaal alles had bestudeerd
zag ik dat de vragen en de antwoorden
niet goed op elkaar aansloten, dat ik
zoveel door elkaar zou moeten halen
om een verband te krijgen, de vraag over de maan
werd de eerste, die over nevels schoof ik
een heel eind op, alle vragen over de hemelboog
moest ik laten vervallen, omdat ze geen mooie plaats
konden krijgen, bij de vragen over de liefde heb ik
iets verzonnen over de positie van lichamen,
toen ik uiteindelijk alles aan elkaar had aangepast,
toen ik eindelijk iets helders had gemaakt,
zag ik een heelal dat ik niet kende, maar
ik wilde je iets geven waar je gelukkig mee zou zijn.
Rogi Wieg (Delft, 21 augustus 1962)
Tijdens een interview met Theo van Gogh, november 1992
Mein Vater trug seinen alten grauen Hut wie eine Krone auf dem Kopf er trug ihn im Sommer er trug ihn im Winter für mich, das Kind war der Hut auf Vaters Kopf ein Selbstverständnis so wie die Schürze der Mutter er trug seinen Hut der Vater wenn er in seiner Werkstatt saß und arbeitete wenn er auf dem Feld arbeitete wenn er im Garten arbeitete beim Essen setzte er ihn ab und für seine Gänge in die Stadt in die Kirche benutzte er einen anderen manchmal sitze auch ich mit irgendeiner Kopfbedeckung an der Schreibmaschine sauge Staub mit einem Käppchen auf dem Kopf spüle mit einem Hütchen und schlafe auch gern mit einer Mütze auf dem Kopf. Vielleicht wollte Vater und jetzt ich nur mit einem warmen Kopf herumlaufen vielleicht auch nie die Gedanken kalt werden lassen.
Elisabeth Alexander (21 augustus 1922 – 17 januari 2009)
“Le garçon marche dans la nuit à quelques pas devant moi. Pantalon de teinte sombre ajusté sur les hanches, étroit le long des jambes ; tee-shirt blanc qui colle au contour des épaules et à la ligne du dos ; bras nus, une Swatch au poignet, cheveux noirs avec des reflets brillants, dégagés sur la nuque. Démarche souple, allure tranquille, tout est beau, net, irréprochable. Il ne se retourne pas, il sait que je le suis et il devine sans doute que cet instant où je le regarde en profil perdu, de près et sans le toucher, me procure un plaisir violent. Il a l’habitude. C’est le quatrième depuis hier soir, j’ai voulu passer par un club que je ne connaissais pas encore avant de rentrer à l’hôtel et je l’ai aussitôt remarqué. Il n’y a que pour ceux qui ne les désirent pas qu’ils se ressemblent tous. Il se tenait comme les autres sur la petite scène, les mains croisées en arrière pour bien marquer le corps dans la lumière, en boxer short immaculé, le côté saint Jean-Baptiste qu’ils retrouvent instinctivement et que les pédés adorent, mais le visage fermement dessiné, l’expression avec du caractère, regard sans mièvrerie et sourire sans retape, un charme immédiat qui le détachait du groupe des enjôleurs professionnels. J’imaginais Tony Leung à vingt ans. Il a ri comme s’il avait gagné à la loterie quand j’ai fait appeler son numéro et lorsqu’il est venu près de moi, j’ai deviné brièvement l’odeur de sa peau, eau de Cologne légère et savon bon marché ; pas de ces parfums de duty free dont ils raffolent en général. Il avait l’air vraiment content d’aller avec moi ; j’ai senti qu’il serait vif et fraternel. Les rats qui grouillent dans la ruelle détalent à notre passage, les néons disparaissent derrière nous dans la pénombre, les remugles des poubelles s’estompent dans la chaleur poisseuse, et le vacarme assourdissant de la techno qui dégorge par les portes ouvertes de tous les autres clubs accentue cette impression de privation sensorielle où je concentre toute mon attention uniquement sur lui et sur ce que j’en attends.”
„When she showed up in California again it was in San Francisco. I got a call from her up there and this time I didn’t bother to erase it. Jennifer and I were in trouble. I had a bit of a drug problem. I was drinking a lot. I suspected her of having an affair with some washed up Bosnian ballet dancer she had hired down at UCSD. The fellow was supposed to be gay but I was suspicious. Jennifer was a well-bred, well-spoken East Texas hardass a couple of generations past sharecropping. Amazingly, the more I drank and used, the more she lost respect for me. At the same time I was selling scripts like crazy, rewriting them, sometimes going out on locations to work them through. Jennifer was largely unimpressed. Everything was stressful.
I was full of anger and junkie righteousness and I went up to see Lucy, hardly bothering to cover my tracks. She had rented an apartment there that belonged to her stockbroker sister, not a bad one at all though it was in the dreary Haight. I guess I had wanted a look at who Lucy’s latest friends were.
Her live-in friend was Scott and she introduced us. I had expected a repellent creep. Scott surpassed my grisliest expectations. He had watery eyes, of a blue so pale that his irises seemed at the point of turning white. He had very thin trembly red lips that crawled up his teeth at one corner to form a kind of tentative sneer. He had what my mother would have called a weak chin, which she believed was characteristic of non-Anglo Saxons. There were no other features I recall.“
…and some people
have been trying to tell
the black from the white
since the very first moment
they saw the daylight…
they succeed at long last
and go into raptures
and hasten to
bring to our notice:
this is white
and that is black
Our Way
When nobody likes us
we learn
how to love our mothers
When nobody writes to us
we call to mind
old friends
And we utter a few words – simply because
we are scared of silence
and deem any movement dangerous
And in the end we find ourselves
in a park overgrown with shrubs –
and we sob as we hear the pitiable trumpets
of a pitiable brass band
Vertaald door Anatoly Kudryavitsky
Gennadi Ajgi (21 augustus 1934 – 21 februari 2006)
Uit: Palast der Winde (The Far Pavillons, vertaald door Emil Bastuk)
„Sita war zur Stelle, und Hira Lal enttäuschte ihn nicht. Im Schatten, wo Sita angstvoll wartet, sah Ash ein kräftiges Pferd aus heimischer Zucht. Sita hatte am Nachmittag im Basar Kleidung und Nahrung gekauft und zu einem schweren Bündel verschnürt. Das Pferd wurde von einem Fremden gehalten, der Ash jetzt das Päckchen in die Hand drückte und sagte: ?Das schickt dir Hilra Lal. Er meint, du könntest auf deiner Reise Geld brauchen.
Das Tier ist wertvoller als es aussieht?, fuhr er fort und zog den Sattelgurt fest. ?Es schafft viele Meilen an einem Tag und du kannst es zwei, drei Stunden hintereinander traben lassen, denn es ist gewöhnt einen leichten Wagen zu ziehen und ermüdet nicht leicht. Am besten nimmst du diesen Weg-? er kniete hin und zeichnete mit dem Zeigefinger eine Landkarte in den Staub. ?Über den Fluss führt keine Brücke, und die Fähre zu benutzen, ist für dich nicht ratsam. Aber hier, weiter im Süden, setzt eine kleine Fähre über, die nur die Einheimischen kennen. Auch am anderen Ufer musst du noch vorsichtig sein, denn Hira Lal sagt, die Rani wird dich auch über die Grenzen von Golkote hinaus verfolgen lassen. Die Götter mögen euch schützen, reitet rasch.? Als Ash die Zügel nahm, gab der Fremde dem Tier einen Klaps auf das Hinterteil.“
“He had the fatal speed of those who are to die young; that disquieting completeness and extent of knowledge, that absorption of a lifetime in an hour, which we find in those who hasten to have done their work before noon, knowing that they will not see the evening. He had played the piano in drawing-rooms as an infant prodigy, before, I suppose, he had ever drawn a line.
“Famous at twenty as a draughtsman, he found time, in those incredibly busy years which remained to him, to deliberately train himself as a writer of prose, which was in its way as original as his draughtsmanship, and into a writer of verse which had at least ingenious and original movements. He seemed to have read everything, and had his preferences as adroitly in order, as wittily in evidence, as almost any man of letters; indeed, he seemed to know more, and was a sounder critic, of books than of pictures; with perhaps a deeper feeling for music that for either.
“His conversation had a peculiar kind of brilliance, different in order, but scarce inferior in quality to that of any other contemporary master of that art; a salt, whimsical dogmatism, equally full of convinced egoism and of imperturbable keen-sightedness. Generally choosing to be paradoxical, and vehement on behalf of any enthusiasm of the mind, he was the dupe of none of his own statements, or indeed of his own enthusiasms, and, really, very coldly impartial.
“He thought, and was right in thinking, very highly of himself; he admired himself enormously; but his intellect would never allow itself to be deceived even about his own accomplishments.”
Aubrey Beardsley (21 augustus 1872 – 16 maart 1898)
‚Aubrey Beardsley, 19th Century’ door Aubrey Beardsley
Uit: Typen, wie wir sie kennen (Bespreking van Explodierende Pottwale door Robert Schröpfer in Theaterbuffet)
„Paranoia, Identitätsverlust und Selbstentfremdung sind die Themen in Lukas Holligers “Explodierenden Pottwalen”, mit dem das Schauspiel Leipzig auf die Generation der Mitte 30-jährigen zielt. Denn das Stück des Schweizer Autors – zwischen Boulevard, Groteske und Traumspiel angesiedelt – lässt nicht bloß den Lebensentwurf seines Protagonisten wie den gestrandeten Pottwal der Titel gebenden Metapher platzen. Indem er Marcel im Epilog mit Haus, Frau und fünf Kindern die Eingangsszene wiederholen lässt und dessen Alp so in die Endlosschleife führt, hebt Holliger den Fall ins Allgemeine: Gibt es einen Ausweg zwischen beruflichem und familiären Leistungsdruck? Könnte Tom nicht ebenso in Marcels Lage stecken?
Die Herausforderung für die Uraufführungsinszenierung: die tatsächliche Spielbarkeit der vertrackt-verstiegenen Vorlage beweisen, die beim Heidelberger Stückemarkt und den Autorentheatertagen des Hamburger Thalia Theaters mit viel Vorschusslorbeeren ausgestattet wurde. Regisseur Wulf Twiehaus und das Ensemble schaffen dies zunächst recht unterhaltsam, wenn sie auf der großen Bühne hinterm Eisernen, die die Fassaden von Schuppen und Wohnhaus unter der Schwärze des Schnürbodens andeutet (Volker Thiele), das Farcenhafte der Szenen forcieren und den Abend im zweiten Teil dann gedimmt ins Surreale driften lassen.“
„Ihr eigenes Zuhause hatten Mama und Sina einige Tage später verloren. Nach der Schrei-Nacht waren sie ausgezogen. Hals über Kopf. Im Morgengrauen. Sie waren erst zu Oma gezogen, dann, vor zwei Wochen, in die kleine Dachwohnung am Rande der Stadt. Dabei war Sina in ihrem Haus glücklich gewesen. Papa lebte jetzt allein da. Möllemann und sein Halstuch waren das letzte, was Sina von Papa geblieben war. Sie ließ ihn sogar in ihrem Bett schlafen. Und er? Sah einfach weg, wenn sie weinte. Ärgerte sie sogar noch. Sagte Sachen wie: Dein Vater weiß schon, warum er ausgezogen ist. Wahrscheinlich hat er ’ne Neue. Die ist bestimmt viel schöner als deine Mutter. Und vermissen tut er euch schon gar nicht.
Irgendwann war Sina wütend geworden. „Kannst von Glück sagen, dass Papa nicht den Roller genommen hat. Für 300 Punkte hätte er sogar ein Radio gekriegt. Da kommt wenigstens Musik raus.“ Das saß! Zwei Tage lang hatte Möllemann die beleidigte Leberwurst gespielt. Aber jetzt wurde er schon wieder frech.
„Und? Was für ein Tag ist denn heute?“ Sina sah ihre Riesengiraffe gelangweilt an.“
Out walking ties left over from a track
Where nothing travels now but rust and grass,
I could take stock in something that would pass
Bearing down Hell-bent from behind my back:
A thing to sidestep or go down before,
Far off, indifferent as that curfew’s wail
The evening wind flings like a sack of mail
Or close up as the moon whose headbeam stirs
A flock of cloud to make tracks. Down to strafe
Bristle-backed grass a hawk falls—there’s a screech
Of steel wrenched taut till severed. Out of reach
Or else beneath desiring, I go safe,
Walk on, tensed for a leap, unreconciled
To a dark void all kindness.
When I spill
The salt I throw the Devil some and, still,
I let them sprinkle water on my child.
X.J. Kennedy (Dover, 21 augustus 1929)
De Duitse schrijfster Elisabeth Alexander werd geboren op 21 augustus 1922 in Linz am Rhein. Zij bezocht een huishoudschool in een klooster in Bad Honnef en werkte daarna als hulp in de huishouding en als kindermeisje. Na wat cursussen werkte zij later als boekhoudster. In 1946 werd zij in Heidelberg secretaresse bij het Amerikaanse leger. ‚s Avonds bezocht zij het gymnasium, nam acteerlessen en begon met schrijven. In 1963 begon zij met het publiceren van haar werk en sinds 1970 werkte zij als zelfstandig schrijfster. Elisabeth Alexander overleed op 17 januari van dit jaar.
Traum und Realität
Ich miete mir ein Auto und fahre in die Welt. Das wollte ich schon immer, in die Welt fahren. Mit dem Flugzeug ginge das schneller, aber ich kann mir kein Flugzeug mieten. Ich habe keinen Führerschein für ein Flugzeug, ich habe auch keinen für ein Auto. Da ich aber mehr im Auto als im Flugzeug gesessen habe, geht es gut, das Autofahren.
Ich habe mir das Auto nicht gemietet, weil ich es selber nicht hätte fahren können. Und hätte ich zuerst an den Mann, den passenden, gedacht, hätte ich mir das Mieten des Autos überlegt. Der Traum war schneller von hinnen gezogen als ich wollte, und ich stand mit meinem wunderschönen kleinen Koffer aus Rosenholz auf der Brücke, die hinunterführte zum Schiff. An einer Kreuzfahrt war ich nicht interessiert, und die Frachtkähne haben ebenfalls ihren Reiz verloren.
Der Koffer war ein handlicher, und ich hielt ihn in der Hand, umklammerte den Griff und ging langsam zurück. Ich wollte nicht weitergehen. Ich wollte mich in aller Beschaulichkeit hinsetzen und den Koffer öffnen. Mein Rock war nicht schmutzig, und ich fürchtete auch die feuchte Bank nicht. Gleichgültigkeit lag über dem frühen Morgen und die Sonne war noch fern, sich noch nicht einig darüber, ob sie lieber dem Regen den Vortritt lassen wollte.
Elisabeth Alexander (21 augustus 1922 – 17 januari 2009)
De Franse schrijver, scenarioschrijver, documentairemaker, filmer en politicus Frédéric Mitterrand werd geboren op 21 augustus 1947 in Parijs.
Uit: Lettres d’amour en Somalie
« Je veux être près de toi au moment de ton départ, je veux que tu me tiennes contre toi lorsque ce sera ma fin, je veux qu’il y ait un adieu, un au revoir, un à bientôt, je veux une pression de la main qui dise « n’aies pas peur, je suis encore là ». A l’instant du passage, je veux que la tendresse se brise sur la seule vraie frontière que franchit le corps en partance, je veux que les battements du cœur qui reste disent « je t’accompagne » à ceux du cœur qui flanche, je veux des réponses sans appel, des élans sans demande, je veux des cadeaux et des bagages, je veux qu’un même poids nous écrase alors qu’il nous déchire, je veux des yeux qui se perdent de droite et de gauche, des téléphones qui sonnent, des escaliers que l’on dévale tandis qu’on s’accroche au temps qui va, je veux la peur, l’effroi, le désespoir, dès lors qu’ils seront les nôtres, je veux qu’il n’y ait plus de regrets quand il n’y aura plus d’avenir, je veux que les années perdues nous reviennent soudain reconquises lorsqu’il n’y aura plus que des secondes, je veux que le dernier regard de l’un soit uniquement pour l’autre.»
Frédéric Mitterrand (Parijs, 21 augustus 1947)
De Amerikaanse schrijver Robert Stone wed geboren op 21 augustus 1937 in New York.
Uit: Dog Soldiers
„In the course of being fragmentation-bombed by the South Vietnamese Air Force, Converse experienced several thoughts; he did not welcome them although they came as no surprise.
One insight was that the ordinary physical world through which one shuffled heedless and half-assed toward nonentity was capable of composing itself, at any time and without notice, into a massive instrument of agonizing death. Existence was a trap; the testy patience of things as they are might be exhausted at any moment.
Another was that in the single moment when the breathing world had hurled itself screeching and murderous at his throat, he had recognized the absolute correctness of its move. In those seconds, it seemed absurd that he had been allowed
to go his foolish way, pursuing notions and small joys. He was ashamed of the casual arrogance with which he had presumed to scurry about creation. From the bottom of his heart, he concurred in the moral necessity of his annihilation.
He had lain there — a funny little fucker — a little stingless quiver on the earth. That was all there was of him, and all there had ever been… He was the celebrated living dog, preferred over dead lions.“
Robert Stone (New York, 21 augustus 1937)
De Russische dichter Gennadi Ajgi werd geboren op 21 augustus 1934 in het dorpje Sjajmoerzjino in de Tsjoewasjische republiek, aan de Wolga, 400 km ten oosten van Moskou.
AGAIN: IN THE INTERVALS OF SLEEP
what is watching
always comes to an end:
and the day! and the world! . .
it is the unique
the unceasing –
is it over its features
that the soul glides:
like dust! –
and light is not revealed
of the always watching! –
and dust unstable:
not lit! –
is scattered
WORK: MORNING: PAPERS
to V. S.
but you are not the surrounding of such a one
but a stair in yourself where poverty is like skyglow:
oh ice-holes of illness! as if by someone
they were always directed:
with meaning! –
oh in everyone their distribution! –
and they are led in – to tear to pieces:
and so that in the tearing
as if in some manuscript:
what is more important than us
like a certain soul:
not ours – but in our name! –
as through gleams of light would rise:
to disappear
in a shining! –
and “all you all” I think more often:
“oh how can you bear till the end
all that happens
with backs and with clothes?”
I tear the paper: “for I too am not different”:
and the ice-holes glimmer. . .
now here now there on the stair
only the cold glimmers – brighter than sunlessness
Vertaald door Peter France
Gennadi Ajgi (21 augustus 1934 – 21 februari 2006)
De Britse schrijfster Mary Margaret (‘Mollie’) Kaye werd geboren op 21 augustus 1908 in Shimla, India. Zij trouwde met een militair met wie zij later samen in Kenia, Zanzibar, Egypte, Duitsland en op Cyprus terecht kwam. De band met het land van haar jeugd en haar eerste huwelijksjaren bleef echter sterk. Wereldberoemd werd zij met haar bestseller The Far Pavilions die in 1978 gepubliceerd werd. Dit boek werd gevolgd door Shadow of the Moon en Trade Wind, allebei herziene uitgaven van eerder werk.
Uit: Palast der Winde (The Far Pavillons, vertaald door Emil Bastuk)
„Vom Fuß der Mauer bis hinunter zum Plateau waren es nicht mehr als zweihundert Meter, doch brauchte Ash beinahe eine ganze Stunde, um diese Entfernung zu bewältigen. Einmal geriet er auf glatten Schiefer und brauchte eine Weile, bis er Halt fand und wieder sicheren Grund unter den Füßen spürte. Danach bewegte er sich noch vorsichtiger und kam endlich, wenn auch außer Atem und zerkratzt, samt seinem Bündel auf ebenes Gelände.
Über sich erblickte er die steil aufragende Burgmauer und die dunkle Masse des Pfauenturmes. Der Balkon war nicht mehr sichtbar, er lag im Schatten, und Ash wusste, dass jetzt niemand mehr dort war. Möglich, dass fortan keiner mehr hingehen würde, ausgenommen vielleicht Juli, einer sentimentalen Regung folgend. Doch glaubte er nicht, dass sie es oft tun würde. Schließlich war sie ein Kind, sie würde bald vergessen, und keiner würde mehr den Weg zum Balkon kennen, wie ja auch vor ihm und Juli niemand von dem Balkon gewusst hatte.
Alles würde sich verändern. Lalyi würde zum Manne heranreifen, das Tanzmädchen alt und feist werden, ihre Reize und damit ihre Macht verlieren, Koda Dad würde sich zur Ruhe setzen und jemand anderer sein Amt übernehmen. Auch Hira Lal würde alt werden, der Radscha eines Tages sterben und Lalji Herrscher über Gulkote werden. Einzig der Palast der Winde würde unverändert bleiben, Monate, Jahre, Jahrhunderte mochten vergehen, und wenn die Stadt und die Festung längst zerfallen waren, würde der Palast der Winde immer noch stehen, unverändert, unveränderlich.
Ash kniete auf dem felsigen Grund hin und neigte sich ein letztes Mal vor dem Gipfelkranz, berührte mit der Stirn den Boden, wie Koda Dad, wenn er zu Alah betete. Dann erhob er sich, warf sein Bündel über die Schulter und wanderte durch das vom Mond erhellte Land zu dem Hain außerhalb der Stadt.“