Nezahualcóyotl, Karl Kraus, Auguste Barbier, Ğabdulla Tuqay, Alistair MacLean, Bruno Apitz

De Azteekse dichter en filosoof Nezahualcóyotl werd geboren in Texcoco op 28 april 1402. Hij was koning van Acolhuacan, een deelstaat van het Azteekse Rijk. Onder zijn bestuur bloeide de hoofdstad Texcoco op. Het werd de belangrijkste stad, op Tenochtitlan na, binnen het Azteekse rijk. Nezahualcóyotl was ook vaardig in technische zaken. Er werd van hem gezegd dat hij persoonlijk de dijk door het Texcocomeer heeft ontworpen. Hij liet bovendien een botanische en dierentuin aanleggen. Hij liet de wetten van Texcoco opschrijven en bewaren in een bibliotheek, de eerste in Amerika. De Spaanse veroveraars zouden Texcoco later “het Athene van het westelijk halfrond” noemen. Nezahualcóyotl was de zoon van koning Ixtlilxochitl I en zijn vrouw Matlalcihuatzin, een dochter van de Azteekse keizer Huitzilihuitl. Nezahuatlcoyotl was er vanuit een boom getuige van hoe zijn vader in 1418 of 1419 door koning Tezozomoc van Atzcapotzalco werd vermoord. Nezahualcóyotl werd gevangen genomen. Met behulp van een vriend van zijn vader wist hij te overleven. Deze verkleedde zich als Nezahualcóyotl zodat de soldaten van Tezozomoc hem doodden, in de veronderstelling dat ze Nezahualcóyotl te pakken hadden. De echte Nezahualcóyotl wist te ontvluchten naar Tenochtitlan, en hij zwoer de dood van zijn vader te wreken. Nezahuatlcoyotl wordt in Mexico beschouwd als symbool van verzet tegen onderdrukking en tirannie. Hij was een aanhanger van de monotheïstische religie omtrent de godheid Tloque Nahuaque, terwijl het grootste deel van zijn bevolking aanhanger was van de polytheïstische Azteekse religie. Om zijn onderdanen niet te kwetsen besteedde Nezahualcóyotl ook aandacht aan de reguliere Azteekse goden. Nezahualcóyotl probeerde de zelfstandigheid van Texcoco ten opzichte van de Azteken uit Mexico-Tenochtitlan te bewaren. Hij voerde een politiek die haast pacifistisch is te noemen. Hij verwierp de Azteekse oorlogszuchtigheid en was fervent tegenstander van de bloemenoorlogen. Er zijn ongeveer 30 gedichten van Nezahualcóyotl bewaard gebleven. Nezahualcóyotl stierf in 1472 op 70-jarige leeftijd. Hij liet 110 kinderen na, van talloze vrouwen en bijvrouwen. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Nezahualpilli.

SONG OF THE FLIGHT

In vain I was born. Ayahue.

 

In vain I left the house of god and came to earth. I am so wretched! Ohuaya, Ohuaya!

 

I wish I’d never been born, truly that I’d never come to earth. That’s what I say. But what is there to do? Do I have to live among the people? What then? Princes, tell me! Aya. Ohuaya, Ohuaya!

 

Do I have to stand on earth? What is my destiny? My heart suffers. I am unfortunate. You were hardly my friend here on earth, Life Giver. Ohuaya, Ohuaya!

 

How to live among the people? Does He who sustains and lifts men have no discretion? Go, friends, live in peace, pass your life in calm! While I have to live stooped, with my head bent down when I am among the people. Ohuaya, Ohuaya!

 

For this I cry – Yeehuya!- feeling desolate, abandoned among men on the earth. How do you decide your heart – Yeehuya! – Life Giver? Already your anger is vanishing, your compassion welling! Aya! I am at your side, God. Do you plan my death? Ohuaya, Ohuaya!

 

Is it true we take pleasure, we who live on earth? Is it certain that we live to enjoy ourselves on earth? But we are all so filled with grief. Are bitterness and anguish the destiny of the people of earth? Ohuaya, Ohuaya!

 

But do not anguish, my heart! Recall nothing now. In truth it hardly gains compassion on this earth. Truly you have come to increase bitterness at your side, next to you, Oh Life Giver. Yyao yyahue auhuayye oo huiya.

 

I only look for, I remember my friends. Perhaps they will come one more time, perhaps they will return to life? Or only once do we perish, only one time here on earth? If only our hearts did not suffer! next to, at your side, Life Giver. Yyao yyahue auhuayye oo huiya.

 

 

Vertaald door John Curl

 

Nezahualcoyotl

Nezahualcóyotl (28 april 1402 – 4 juni 1472)

 

De Joods-Oostenrijkse dichter, schrijver en journalist Karl Kraus werd geboren in Jičin, Bohemen, Oostenrijk-Hongarije (thans Tsjechië) op 28 april 1874. Zie ook mijn blog van 28 april 2007.

In diesem Land

In diesem Land wird niemand lächerlich,
als der die Wahrheit sagte. Völig wehrlos
zieht er den grinsend flachen Hohn auf sich.
Nichts macht in diesem Lande ehrlos.

In diesem Land münzt jede Schlechtigkeit,
die anderswo der Haft verfallen wäre,
das purste Gold und wirkt ein Würdenkleid
und scheffelt immer neue Ehre.

In diesem Land gehst du durch ein Spalier
von Beutelschneidern, die dich tief verachten
und mindestens nach deinem Beutel dir,
wenn nicht nach deinem Gruße trachten.

In diesem Land schließt du dich nicht aus,
fliehst du gleich ängstlich die verseuchten Räume.
Es kommt die Pest dir auch per Post ins Haus
und sie erwürgt dir deine Träume.

In diesem Land triffst du in leer Luft,
willst treffen du die ausgefeimte Bande,
und es begrinst gemütlich jeder Schuft
als Landsmann dich in diesem Lande.

 

Vergleichende Erotik

So wird das Wunderbild der Venus fertig:
Ich nehme hier ein Aug, dort einen Mund,
hier eine Nase, dort der Brauen Rund.
Es wird Vergangenes mir gegenwärtig.

Hier weht ein Duft, der längst verweht und weit,
hier klingt ein Ton, der längst im Grab verklungen.
Und leben wird durch meine Lebenszeit
das Venusbild, das meinem Kopf entsprungen.

 

Und liebst doch alle, liebt dich einer so

So brauchst du niemand außer dir zu lieben
und liebst doch alle, liebt dich einer so.
Und länger weilt der Augenblick, wo hüben
dein
Auge blickt, der Ewigkeiten froh.

Und Freudenfeuer brannten lichterloh,
als ich aus jenes Zweikampfs Kräftemessen
in deine unbesiegte Ohnmacht floh,
und Wissen sank in seliges Vergessnen.

Sag mir die Landschaft, die dein Auge sah,
da du dir nichts und alles ließt gefallen,
und welcher Himmelskörper war dir nah?

Und welche Sphäre hörtest du erschallen?
Denn außer dir war nichts zur Liebe da,
und sie war nicht von einem, nur von allen.

kraus2

Karl Kraus (28 april 1874 – 12 juni 1936)

 

De Franse dichter Auguste Barbier werd geboren op 28 april 1805 in Parijs. Hij werd op slag bekend door zijn bundel Iambes uit 1830, een serie heftige gedichten, geïnspireerd door de Julirevolutie. Het bekendst is het gedicht La Curée. Latere bundels, zoals Lazare uit 1837, behaalden hetzelfde niveau niet meer. Andere werken van Barbier waren onder meer Les Mauvais Garçons, een satirische roman in samenwerking met Alphonse Royer, en Benvenuto Cellini, een operalibretto in samenwerking met Léon de Wailly (op muziek gezet door Hector Berlioz). Zijn benoeming tot lid van de Académie française in 1869 was vooral een politieke daad: Barbier was een uitgesproken tegenstander van het keizerrijk van Napoleon III.

 

Les Victimes

Une nuit je rêvais… et dans mon rêve sombre,
Autour d’un ténébreux autel,
Passaient, passaient toujours des victimes sans nombre,
Les bras tendus vers l’éternel.
Toutes avaient au front une trace luisante ;
Toutes, comme un maigre troupeau
Qui laisse à l’écorcheur sa tunique pesante,
Portaient du rouge sur la peau.
Et toutes, ce n’étaient que vieillards à grand âge,
Le bâton d’ivoire à la main,
Comme ceux que la mort, en un jour de carnage
Trouva sur le fauteuil romain ;
Que jeunes gens amis, à la vaste poitrine,
Au coeur solide et bien planté,
Frappés, la bouche ouverte, et d’une voix divine
Chantant la belle liberté ;
Ce n’étaient que des corps meurtris et noirs de fange,
Du sable encor dans les cheveux,
Et battus bien longtemps, sur une rive étrange,
Des vents et des flots écumeux ;
Ce n’étaient que des flancs consumés par les flammes
Dans le creux des taureaux d’airain,
Que membres déchirés sous mille dents infâmes
Devant le peuple souverain ;
Que des porteurs divins de blessures infimes,
Des sages couronnés d’affront,
Des orateurs sacrés, des poètes sublimes,
Tombés en se touchant le front ;
Puis des couples d’amants, puis la foule des mères
Traînant leurs enfants par le bras,
Et les petits enfants pleins de larmes amères
Et soupirant à chaque pas
Et ces ombres, hélas ! Avides de justice,
Plaintives, les mains dans les airs,
Demandaient vainement le prix du sacrifice
Au dieu puissant de l’univers.

 

Barbier1

Auguste Barbier (28 april 1805 – 14 februari 1882)

 

De Tataarse dichter Ğabdulla Tuqay werd geboren op 28 april 1886 in Qoşlawıç in Kazan, Rusland (tegenwoordig Tatarstan). Zie ook mijn blog van 28 april 2007.

Uit: Oh My Mother Tongue!

 

Oh, beloved native language

Oh, enchanting mother tongue!

You enabled my search for knowledge

Of the world, since I was young

As a child, when I was sleepless

Mother sung me lullabies

And my grandma told me stories

Through the night, to shut my eyes

Oh, my tongue! You have been always

My support in grief and joy

Understood and cherished fondly

Since I was a little boy

In my tongue, I learned with patience

To express my faith and say:

“Oh, Creator! Bless my parents

Take, Allah, my sins away!”

 

Tuqay

Ğabdulla Tuqay (28 april 1886 – 15 april 1913)

 

De Schotse schrijver Alistair Stuart MacLean werd geboren op 28 april 1922 in Glasgow. Zie ook mijn blog van 28 april 2007.

Uit: Fear Is the Key

“Gangsters and hoodlums are notoriously the world’s worst marksmen, their usual method being to come within a couple of yards before firing or spraying the landscape with a sufficient hail of bullets to make the law of averages work for them and I had heard a hundred times that those boys couldn’t hit a barn door at ten paces. But maybe Larry had never heard of this, or maybe the rule applied only to barn doors.”

alistairmaclean

Alistair MacLean (28 april 1922 – 2 februari 1987)

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 28 april 2007.

De Duitse schrijver Bruno Apitz werd geboren in Leipzig op 29 april 1900.

Alistair MacLean, Ğabdulla Tuqay, Bruno Apitz, Karl Kraus

De Schotse schrijver Alistair Stuart MacLean werd geboren op 28 april 1922 in Glasgow. Hij schreef vele spannende avonturenverhalen en succesvolle thrillers, waarvan The Guns of Navarone en Where Eagles Dare de meest bekende zijn. Van 1941 tot 1946 diende MacLean in de Koninklijke Marine. Daarna ging hij Engels studeren aan de Universiteit van Glasgow, slaagde in 1953, en ging daarna werken als leraar. Tijdens zijn studie aan de universiteit begon MacLean met het schrijven van korte verhalen, om wat extra inkomsten te verdienen. Hij won een schrijfwedstrijd in 1954 met het zeevaardersverhaal Dileas. De uitgeverij Collins vroeg hem een novelle te schrijven en hij gaf hun Zr.MS. Ulysses, een verhaal gebaseerd op zijn eigen oorlogservaringen én die van zijn broer Ian, een Meester Marinier. De novelle was een groot succes en MacLean kon zich al vrij snel geheel wijden aan het schrijven van oorlogsverhalen, spionnenverhalen en andere avonturen.

 

Uit: Circus

 

“A pair of giant hands reached under [the driver’s] armpits, plucked him from his seat as if he were a puppet and deposited him on the floor of the van.

Manuelo applied adhesive to the unfortunate driver’s mouth and then set about fixing a blindfold. He said: ‘I am grieved that we should have to treat an innocent citizen in this manner.’

‘Agreed, agreed.’ Kan Dahn shook his head sadly and tightened the last knot on their victim’s wrists. ‘But the greatest good of the greatest number. Besides,’ he said hopefully, he may not be an innocent citizen’

 

ALISTAIR

Alistair MacLean (28 april 1922 – 2 februari 1987)

 

De Tataarse dichter Ğabdulla Tuqay werd geboren op 28 april 1886 in Qoşlawıç in Kazan, Rusland (tegenwoordig Tatarstan). Zijn vader stierf toen hij vijf maanden oud was. Nadat enkele jaren later ook zijn moeder overleed groeide hij op bij zijn grootvader. In 1895 kwam hij bij een tante en kreeg hij een opleiding aan een Russische school. Hij kwam in contact met de wereldliteratuur en begon gedichten te schrijven. In de herfst van 1907 kwam hij naar Kazan, waar hij kennis maakte met andere Tataarse dichters en schrijvers. Zijn gedichten worden gekenmerkt door de liefde voor zijn vaderland. Tuqay stierf op de jonge leeftijd van zevenentwintig jaar aan tbc.

 

The Shuraleh

(A mythical horned demon,

which inhabits the forests of Qazan.)

 

Past Qazan into the country

There’s a village called Qirlay.

In that village even hens cluck.

God alone could tell you why.

 

Even though I was not born there,

For a while it was my home.

There in spring I tilled and harrowed,

In the autumn reaped the loam.

 

I recall in all directions

Lay the backwood’s broad delight.

Grasslands there of glossy velvet

Dazzled everybody’s sight.

 

And is the village large? О no!

It’s just a hamlet in a ring.

All its daily drinking water

Comes from one, lone tiny spring.

 

Neither cold nor hot, its water

Mild and soft will ever please;

At times it rains, at times it snows,

And sometimes comes a gentle breeze

 

Strawberries red and raspberries redder

Thrive in plenty in the woods.

In a trice you’ll fill your bucket

Brim-full with these earthy goods.

 

Marvellously lined in rows

Stand pines and fir-trees, warriors proud;

Amidst their roots I used to lie

While gazing at a passing cloud.

 

Under birches, under limes grow

Sorrel, mushrooms in a glade;

Lovely flowers bloom and flourish

In the dappled light and shade.

 

Red and scarlet, blue and yellow

Blossoming in sunlit bowers;

All the world is fragrant from

The heady perfume of those flowers.

 

Butterflies which love the blooms

Return to find out now and then

How they fare; then flit and flutter,

Off once more and back again.

 

All at once the birds of Allah

Fill the woods with their sweet song.

Ah, those tunes! They tear my heart-strings;

Up into the sky they throng.

 

Bird-song outstrips dancing parties,

Orchestras and sidewalk clubs;

Circuses, theatres, concerts –

All replaced by trees and shrubs.

 

Like the ocean, vast and boundless

Stretch the woodlands in their breadth;

Like the hordes of Chingiz Khan

No limit to their awesome depth.

 

In an instant old men’s stories

Are forgotten; names, domains –

All those glories of the past!

At present nothing much remains

 

Then the curtain slowly rises

And our present lot we see.

Alas! Alas! What happened to us?

Slaves of God we too must be.

 

I’ve talked a little of the summer,

Autumn, winter – that’s my style.

What of girls red-cheeked and black-eyed?

Dusky brows can wait a while!

 

I’ll forgot my recollections

Of the Plough-Day, Harvest-Day.

If I mused too long on those things,

I should surely lose my way.

 

But wait! I dwell on pleasant things

And I may easily go astray.

How could I forget the title

Of this poem is Shuraleh?

 

You will have the tale, my reader.

Have some patience. Be so kind.

When I think about my village,

I quite often lose my mind.

 

You might guess that in those thickets

Many birds and beasts reside:

Bears and wolves, and then the fox

For villainy known far and wide.

 

Hare and squirrel, moose and mink

And other sorts are often met

By the huntsman who dares roam

The wide, broad woodland with his net.

 

In those woods, so thick and gloomy

There live demons – so they say:

Ghostly forms like albasti

And ub’r and even shuraleh !

 

This is the most likely reason

Why those woods are broad and wide.

In this world devised by God

Can any wonder be denied?

 

About such wonders I shall utter

A word or two, If that I may;

Sing a little, lilt a little –

That’s my custom, that’s my way.

 

Once a fellow from the village

Harnessed up and took his horse.

In the moonlight, all alone,

Through the woods he steered his course.

 

Soon he drove into a thicket,

Heaved his axe and set to work,

Feeling trees and chopping branches,

Chipping trunks of bark and cork.

 

The air was silent and quite chilly,

Usual for a summer’s night;

Birds were sleeping in the forest,

Hushed beneath the pale moonlight.

 

With such calm and clement weather

There in good and cheerful mood,

See our fellow working bravely

In the darkness of the wood.

 

Axe in hand, he stopped awhile

To wipe his brow, then jerked his head.

A piercing cry within the forest

Filled him with a sudden dread.

 

Chilled and startled, our poor fellow

Looks and sees a dread sight.

Something strange and eerie greets him,

Comes towards him from the night.

 

What can this be? Ghost or demon?

Fugitive? He could not tell.

Such a foul and ugly creature

As might live this side of hell!

 

See its nose, hooked like a moose’s.

See how from its face it shoots.

Arms and legs all curved and crooked,

Looking more like twins and roots.

 

Eyes deep set in burning sockets,

Sparkling in the moon;

In broadest daylight, even here,

A beast like that would make you swoon

 

Its feet are bare with bony toes;

Its form like man of woman born.

From its forehead of the size

Of a middle finger sticks a horn.

 

Then the fingers, thin and narrow

From its hands stretch straight and long;

Ugly fingers like the devil’s,

Each of them six inches long.

 

Both began to eye each other;

Then our man courageously

Asked the ugly creature, saying:

“What is it you want of me?”

 

The beast replied to him: “Please trust me.

I’m no robber in this wood.

I don’t bar the road to people,

Though to some I bring no good.”

 

“I am fond of tickling humans.

That’s the practice I employ.

When I saw you in my thicket,

I could only jump for joy.”

 

“Come to me; come closer, fellow!

Let me brighten your sad eyes.

Let us play a game of tickling.

Let us laugh till someone dies.”

 

“I’ll not argue”, said the fellow.

“Gladly I shall play, but see

Let me make my own condition.

“I’ve no doubt that you’ll agree.”

 

“Your condition?” said the beast.

“Well, make it now, without delay.

“I shall do whatever’s needed.

But for God’s sake, let us play!”

 

“Listen”, said the man, “I’ll tell you

What is needed right away.

Over there I want to move

That heavy trunk that blocks my way.’

 

“I shall help you”, said the beast.

The work is hard, but I’ll agree.

First we’ll load it on the carriage,

Then we’ll trust in destiny.”

 

The woodsman said: “The work’s begun.

I’ve split the end of the trunk already.

Now can you put your hand inside,

My forest ram, to hold it steady?”

 

The Shuraleh made no objection,

And obedient as a dog,

Clumsily and awkwardly

He hobbled over to the log.

 

Into the cleft he slipped his fingers.

Now, dear reader, can you find

The answer to this simple question:

What did the woodsman have in mind?

 

With the butt-end of his axe

He rammed a wedge beside the hand.

Step by step and knock by knock

His ruse was working as he planned.

 

The Shuraleh sat by the log

His fingers stuffed into the end.

What the forester was up to

He could just not comprehend.

 

Finally the wedge dropped out

And then the heavy log at once,

As the forester had plotted,

Squeezed the fingers of the dunce!

 

The Shuraleh began to howl,

Tried to escape and break away

But how to get of his trap?

He simply could not find the way.

 

Then finally he understood

The nature of this clever hoax

Forced to give up all his efforts,

He began to plead and coax.

 

“Have pity on me. Let me go,

Dear human. Please be kind and fair.

In the future I’ll not worry

Your dear kinsmen. This I swear!

 

“Nor shall I allow the others

To molest your family.

All the other shuralehs will hear me:

“He’s my brother! Let him be!

 

“Ah what awful pain I suffer!

Set me free I beg and pray.

Do you really find such joy

In torturing a Shuraleh?

 

The Shuraleh was squirming, swearing

That one he’d his part.

In the meantime our brave woodsman

Made all ready to depart.

 

He checked the bridle and the harness

Placed his axe upon his mare.

What happened to the Shuraleh

He did not have slightest care.

 

“You are so ruthless. Set me free.

Where do you go? This is no game!

But if you are so hard of heart,

At least tell me your own good name.”

 

“Well then, listen and remember.

I am called “A Year Ago”.

Learn it carefully for the future.

As for me I ought to go!”

 

The Shureleh, all writhing, groaning

Tried to tear himself away,

As he pondered in the future

How he’d make this man his prey.

 

He yelled: “A Year Ago! He squeezed

My fingers with a log. What pain!

Now who will rescue me from here?

And who will save me from this bane?

 

Next morning all the forest cursed him,

Beasts of every shape and kind.

“You’re insane”, they said. “You’re crazy.

Have you gone out of our mind?

 

Why disturb the sleep of others,

Howling, yelling, shouting so?

What’s the point of telling us

That you were squeezed a year ago?”

 

Tuqay

Ğabdulla Tuqay (28 april 1886 – 15 april 1913)

 

De Duitse schrijver Bruno Apitz werd geboren in Leipzig op 29 april 1900. Tijdens WO I was hij een enthousiaste aanhanger van Karl Liebknecht. Toen hij 19 jaar was hield hij een toespraak tot de stakende werknemers van een munitiefabriek waarvoor hij 19 maanden gevangenis kreeg. In 1924 schreef hij zijn eerste toneelstuk Der Mensch im Nacken. In 1927 werd hij lid van de KPD. Na WO I werd hij diverse keren wegens anti-oorlogspropaganda veroordeeld en door de nazi’s in concentratiekampen vastgezet. Na 1945 was hij een van de oprichters van de SED. Als zelfstandig schrijver publiceerde hij in 1958 zijn roman Nackt unter Wölfen, die hem, vertaald in dertig talen, wereldroem opleverde. In 1963 werd het boek door de DEFA verfilmd onder de regie van Frank Beyer. Apitz werkte zelf als acteur en draaiboekauteur aan de film mee. In 1976 verscheen de autobiografische roman Der Regenbogen.

Uit: Nackt unter Wölfen

“Die Bäume auf dem Gipfel des Etterberges troffen vor Nässe und ragten reglos in das Schweigen hinein, das den Berg umhüllte und ihn absonderte von der Landschaft ringsum. Laub, vom Winter ausgelaugt und verbraucht, moderte nassglänzend am Boden. Hier kam der Frühling nur zögernd herauf. Schilder, zwischen den Bäumen aufgestellt, schienen ihn zu warnen. “Kommandaturbereich des Konzentrationslagers Buchenwald, Achtung, Lebensgefahr! Beim weitergehen wird ohne Anruf scharf geschossen.” Darunter ein Totenkopf und zwei sich kreuzende Knochen als Signum. Der ewige Nebelregen klebte auch an den Mänteln der fünfzig SS-Leute, die an diesem Spätnachmittag des März 1945 auf der betonierten Plattform standen, die von einem Regendach geschützt wurde. Diese Plattform, Bahnhof Buchenwald genannt, war das Ende des Eisenbahngleises, das von Weimar nach dem Gipfel des Berges führte. In der Nähe befand sich das Lager. Auf seinem weitgestreckten, nach Norden hin abfallenden Appellplatz waren die Häftlinge zum Abendappell angetreten. Block neben Block, Deutsche, Russen, Polen, Franzosen, Juden, Holländer, Österreicher, Tscheschen, Bibelforscher, Kriminelle…, eine unübersehbare Masse, zu einem exakt ausgerichteteten Riesenquadrat zusammenkommandiert. Heute gab es unter den angetretenden Häftlingen ein heimliches Geflüster. Irgendwer hatte die Nachricht mit ins Lager gebracht, die Amerikaner hatten bei Remagen den Rhein überschritten…… .”

 

Apitz

Bruno Apitz (28 april 1900 – 7 april 1979)

 

De Joods-Oostenrijkse dichter, schrijver en journalist Karl Kraus werd geboren in Jičin, Bohemen, Oostenrijk-Hongarije (thans Tsjechië) op 28 april 1874. In 1899 stichtte hij het eenmanstijdschrift Die Fackel, dat hem in het Wenen voor en na de Eerste Wereldoorlog grote faam bezorgde als ‘opiniemaker’. Hij was links en democratisch, maar bovenal stelde hij zich op als een scherp cultuurcriticus die boven de partijen stond. De Eerste Wereldoorlog maakte hem tot een van de felste tegenstanders van het (toen nog) Oostenrijks-Hongaarse rijk en een onverzoenlijk bestrijder van ‘oorlog en domheid’. Hiervan getuigt zijn toneelwerk Die letzten Tage der Menschheit (1919), een gigantische satire op Oostenrijk en het verloop van de oorlog. Centraal in het stuk staat de Nörgler (mopperaar), een alter ego van Kraus, die voortdurend commentaar levert op de corruptie en de oorlogshetze, veelal in dialoog met de Optimist. Het stuk bevat meer dan 500 personages en zou, indien integraal uitgevoerd, 10 avonden beslaan; reden waarom het lang als leesdrama gold. Hitlers machtsovername in 1933 sloeg Kraus bijna letterlijk met stomheid; wel schreef hij nog een scherpe kritiek tegen het nationaalsocialisme, maar hij zag er geen heil in het uit te geven en staakte zijn uitgave van Die Fackel.

 

Die Lage der Deutschen in Österreich

Sie war, man denke an die Friedenszeiten,

halt immer eine rechte Menschheitsplage.

Nichts hörte man als täglich Zank und Klage,

Vereinskrakeel und Zeitungsstreitigkeiten.

 

Ob Schande! man, ob Hanba! dazu sage,

blieb ein Problem, und einmal zu entscheiden

wer recht wohl hätte von den beiden: beiden

erst recht war eine nationale Frage.

 

Und dies zumal erbitterte die Böhmen:

die Deutschen hatten wahrlich alle Tage

in Östreich ihre ganz besondre Lage,

und jene wollten sich nicht anbequemen.

 

Um endlich auf des Krieges Völkerwage

das Hochgelegene zu Fall zu bringen,

konnt’ ihnen doch der große Wurf gelingen:

die Deutschen hatten nun die Niederlage.

 

Es war geglückt, den Sieger zu besiegen,

und ob er an dem deutschen Gott verzage,

er kam in jene fürchterliche Lage,

in Österreich einmal allein zu liegen.

 

Doch daß dem andern der Triumph behage,

und daß die Katze munter weitermause,

behielt er einen Teil von ihm im Hause,

und daß geteiltes Leid sich leichter trage.

 

Sich selbst bestimmend, hat er’s eingerichtet,

damit kein Zweifel am Gewissen nage

und er mit jenem dieses gleich erschlage;

und also ward der alte Streit geschlichtet:

 

Der Antwort folgt die nationale Frage.

Denn um sich ganz an Österreich zu rächen,

bestimmten sie, die konsequenten Czechen,

den Deutschen selbst nun eine neue Lage.

 

Die liegt nun gut in Tschechien gebettet;

und daß die Qual in alle Neuzeit rage,

die alte Klage, Frage, Menschheitsplage,

sie werden österreichisch fortgefrettet.

 

Und klingts nicht anders doch mit einem Schlage?

Ists nicht die Umkehr aller bösen Geister?

Der Arrestant versperrt den Kerkermeister,

Tag ward aus Nacht und diese folgt dem Tage.

 

Nur offen bleibt die nationale Frage,

ob denn die Katze nicht bei ihrer Jause

sich und der Maus gönnt eine Atempause,

damit die Katze halt, in solcher Lage,

nicht mehr die Maus, doch sich mit ihr vertrage.

 

kkraus

Karl Kraus (28 april 1874 – 12 juni 1936)
Portret door Oskar Kokoschka