Wiel Kusters, Ralf Thenior

De Nederlandse dichter, schrijver en letterkundige Wiel Kusters werd geboren in Spekholzerheide op 1 juni 1947. Zie ook alle tags voor Wiel Kusters op dit blog.

 

Zelfportret in as

‘freilich ist es wieder lyrik geworden’ – webern

Hij staat geheel tevreden
in het gat van de deur
met een hoge noot in zijn keel

de grens lijkt bereikt
de waanzin op zinnige wijze
in vegen as op witte muren
achter hem uitgedrukt

de wolkjes van zijn sigaar
zet hij in namen om, kreeftsomkering
van de allereerste
en laatste

een vaste baan
van ingewijde taal

nietsvermoedend vult hij
een kinderkamer met as en de tijd
van zijn krimpende corona

happend naar lucht
terwijl hij terugloopt,
naar binnen strompelt

 

Zout

Schapevlees, zout en een houweel.
Onthul mij mijn geheimen niet, gebroken tak van goud.
Ik schenk je beker vol en vul je broden. Maar ik ken je niet.
De zon draait zich nog eenmaal om, voor zij haar trap
opgaat. Een knipoog naar wie daalt. Ontken me niet.
Verbannen en vermand, met al mijn accenten. Houwelen.
Ik bleef onschuldig, maar ik was het niet. Verbrande brieven.
Ik ging mijn gangen na.
Geef mij mijn beker en dien op. Schapevlees en zout.
Gesmolten beeld van dit geheel: houwelen in een wond.

 

Trakls koper

Opgedolven bossen, losgeslagen bladeren, bomen aan touwen
omhoog gehesen.
Mijn gang door de struiken: lage takken, kale gewelven.
Najaarsdraden en de haas.

 

Wiel Kusters (Spekholzerheide, 1 juni 1947)

 

De Duitse dichter en schrijver Ralf Thenior werd geboren op 4 juni 1945 in Bad Kudowa. Zie ook alle tags voor Ralf Thenior op dit blog.

 

Volle maan boven Balkonia

De klimopripper uit het Rombergpark is weer als een waanzinnige de klimop aan het hakken. Maar dat stoort niemand op Balkonia. Men zit en drinkt Sangria con mucho alegria. Zojuist waren de wolken zalmrood van zonsondergang, nu is het al donker, schemerblauw met een violette gloed, en de vleermuis vliegt door het vierkant van de lucht in de achtertuin. Godzijdank mogen de buren niet meer barbecueën. Zou hij vandaag weer gaan hakken – De klimopripper? Goed mogelijk. Aan de overkant staat een eenzame vrouw en rookt. De maan is opgekomen. Een baby huilt. Dat is de maan! De baby schreeuwt harder. Dan snikt hij alleen nog maar, wordt het stil. De geur van de zomersering die uit het schuurdak groeit, stijgt op en zweeft door de achtertuin. Iedereen praat gedempt, lacht zachtjes, alleen op de derde verdieping gromt er één: altijd dat geklungel met dat weerwolvengebit!

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ralf Thenior (Bad Kudowa, 4 juni 1945)

 

Zie voor de schrijvers van de 1e juni ook mijn blog van 1 juni 2020 en eveneens mijn blog van 1 juni 2019 en ook mijn blog van 1 juni 2018.

Connie Wanek

De Amerikaanse dichteres Connie Wanek werd geboren op 1 juni 1952 in Madison, Wisconsin, en groeide op in Las Cruces, New Mexico. In 1989 verhuisde ze met haar gezin naar Duluth, Minnesota. Ze verdeelt nu haar tijd tussen Minnesota en New Mexico. Haar werk verscheen in Poetry, The Atlantic Monthly, The Virginia Quarterly Review, Quarterly West, Poetry East, Prairie Schooner, en Missouri Review. Ze heeft vier dichtbundels gepubliceerd, één boek met kort proza, en was co-editor (met Joyce Sutphen en Thom Tammaro) van de uitgebreide historische bloemlezing van vrouwelijke dichters uit Minnesota, genaamd “To Sing Along the Way” (New Rivers Press, 2006). ). Ted Kooser, Poet Laureate of the United States (2004-2006), benoemde haar in 2006 tot Witter Bynner Fellow van de Library of Congress.

 

Monopoly

We used to play, long before we bought real houses.
A roll of the dice could send a girl to jail.
The money was pink, blue, gold, as well as green,
and we could own a whole railroad
or speculate in hotels where others dreaded staying:
the cost was extortionary.

At last one person would own everything,
every teaspoon in the dining car, every spike
driven into the planks by immigrants,
every crooked mayor.
But then, with only the clothes on our backs,
we ran outside, laughing.

 

After Us

I don’t know if we’re in the beginning
or in the final stage.
— Tomas Tranströmer

Rain is falling through the roof.
And all that prospered under the sun,
the books that opened in the morning
and closed at night, and all day
turned their pages to the light;

the sketches of boats and strong forearms
and clever faces, and of fields
and barns, and of a bowl of eggs,
and lying across the piano
the silver stick of a flute; everything

invented and imagined,
everything whispered and sung,
all silenced by cold rain.

The sky is the color of gravestones.
The rain tastes like salt, and rises
in the streets like a ruinous tide.
We spoke of millions, of billions of years.
We talked and talked.

Then a drop of rain fell
into the sound hole of the guitar, another
onto the unmade bed. And after us,
the rain will cease or it will go on falling,
even upon itself.

 

Connie Wanek (Madison, 1 juni 1952)