Alfred Birney

De Nederlandse schrijver, essayist en columnist Alfred Alexander Birney werd geboren in Den Haag op 20 augustus 1951 als zoon van een Indisch-Nederlandse vader en een Nederlandse moeder. De Nederlandse voorouders van zijn vader waren uit het achttiende-eeuwse Schotland afkomstig, vandaar de Engelse achternaam. Alfred Birney groeide op in Den Haag tot zijn dertiende bij zijn ouders, daarna tot zijn achttiende in internaten in Voorschoten, Arnhem en Scheveningen. Hij leidde een bohemien bestaan tot zijn vijfentwintigste, zette zijn eerste verhalen op papier maar gooide ze weg. Hij werd gitaarleraar en introduceerde in tijdschriftpublicaties het gecombineerde noten- en tabulatuurschrift voor gitaristen, dat later grote navolging kreeg. Toen hij rond zijn dertigste zijn loopbaan als musicus moest opgeven door een onherstelbare beschadiging aan zijn linkerhand, ging hij serieus verder met schrijven. Hij debuteerde in 1987 met de roman “Tamara’s lunapark”. In 1991 kreeg hij voor zijn oeuvre (1987-1991) de literaire G.W.J. Paagman-prijs uitgereikt onder een commissie voorgezeten door Aad Nuis. Zijn bloemlezing “Oost-Indische inkt. 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren” (1998) veroorzaakte veel beroering en polemiek binnen kringen van de Indische literatuur. Twee van zijn belangrijkste romans, “Vogels rond een vrouw” (1991) en “De onschuld van een vis” (1995), werden respectievelijk in 2000 en 2002 in vertaling in Indonesië uitgebracht. Van 2002 tot 2005 was Alfred Birney verbonden als columnist bij de Haagsche Courant, een baan die hij moeilijk kon combineren met zijn literaire werk. Zijn onaflatende verdediging van de multiculturele samenleving werd hem niet altijd in dank afgenomen. Na acht jaar afwezigheid op het literaire podium kwam Alfred Birney terug met zijn zogenaamde Rivieren-trilogie, waarin de echo van de koloniale geschiedenis van Nederland doorklinkt. De trilogie omspant een periode van omstreeks 1750 tot 250 jaar later. Drie landen spelen een rol in de zoektocht van de hoofdpersoon naar sporen uit het verleden: Schotland in “Rivier de Lossie”(2009), Nederland in “Rivier de IJssel’ (2010) en Indonesië in “Rivier de Brantas” (2011). In 2012 verscheen zijn essay, “De dubieuzen”, als vervolg op de bloemlezing “Oost-Indische inkt. 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren” (1998) en “Yournael van Cyberney” (2001). Birney stelt hierin onder meer het gebrek aan kennis van Nederland van de eigen koloniale geschiedenis aan de kaak via voorbeelden uit boeken van vergeten schrijvers uit de koloniale letteren.

Uit: Rivier de Lossie

“Een clandestiene folkclub lag ergens boven in een hoekhuis in het Renbaankwartier, waar je de zee kon ruiken. Er was geen alcohol of marihuana, wel hete soep. Schaakborden, gedempte conversaties. Op een barkruk zat een jongen met een bebrild vollemaansgezicht, varkenslijf en worstvingers geweldig gitaar te spelen. De jongen zong in het Gaelic. Ik verstond hem niet maar begon een land te missen waar ik nog nooit geweest was.
(…)

Wíe met een Indonesisch-Schots-Nederlandse achtergrond als de mijne zou níet hebben gedacht dat die benen op die ketjapfles de benen van het wapenschild van zijn zeer verre voorouders waren? Drie benen die in het jaar 838 na Christus geamputeerd waren achtergelaten voor de finale strijd van de Scoten tegen de Picten ergens op een slagveld van modder, winden en regen.
(…)

Er was een lied dat sluimerde in mijn herinnering, maar dat niet aan de oppervlakte wilde komen. Het hinderde me, terwijl de trein voortsnelde naar Elgin, een klein stadje in Moray, een provincie in de Highlands, waar mijn zeer verre voorouders duizend jaar eerder dood en verderf hadden gezaaid, waarvan uiteraard niets meer te zien was toen ik de trein uitstapte.
(…)

Er was iets merkwaardigs, als ik mocht geloven wat ik zag. Niet aan de roeiboot maar aan de roeiers. Had elk van die roeiers maar één been?Ik draaide me in het voorbijgaan om, wreef mijn vermoeide ogen uit en stelde vast dat het werkelijk zo was. Ik tuurde door het raampje van de treincoupé de boot na, die op het ogenblik dat ik aan mijn waarneming begon te twijfelen uit het zicht verdween.”

 
Alfred Birney (Den Haag, 20 augustus 1951)