Amos Oz, Christiaan Weijts, Monika van Paemel, Graham Swift, David Guterson, Werner Fritsch, Jan Mulder, Olia Lialina

De Israëlische schrijver Amos Oz, (eig. Amos Klausner) werd geboren in Jeruzalem op 4 mei 1939.

 

Uit: Een verhaal van liefde en duisternis (Vertaald door Hilde Pach)

 

Ik ben geboren en opgegroeid in een heel kleine woning op de begane grond, van zo’n dertig vierkante meter, met een laag plafond. Mijn ouders sliepen op een slaapbank die ’s avonds als hij uitgeschoven werd, de kamer bijna van wand tot wand besloeg. Vroeg in de ochtend duwden ze de bank diep weg in zichzelf, verborgen het beddengoed in het duister van de kist eronder, draaiden de matras om, sloten de zaak af, spreidden over het geheel een lichtgrijs kleed uit, legden er hier en daar een paar geborduurde oosterse kussentjes op, en zorgden daarmee dat elk teken van hun nachtelijke slaap verdwenen was. Zo diende de kamer hun niet alleen tot slaapkamer, maar ook tot werkkamer, bibliotheek, eetkamer en ook nog eens tot zitkamer.

Tegenover deze kamer was mijn kamertje, groenig van kleur, waarvan de helft in beslag genomen werd door een dikbuikige kleerkast. Een lange, nauwe, duistere, enigszins kronkelige gang, net een tunnel waardoor boeven uit de gevangenis ontsnappen, verbond het keukentje en de wc met de twee kamertjes. Een zwakke gloeilamp, gevangen in een ijzeren kooi, wierp over deze gang ook overdag een troebel licht dat die naam nauwelijks verdiende. Aan de voorkant hadden beide kamers slechts één raam, allebei beschermd door ijzeren tralies, allebei ingespannen met hun luiken knipperend om een blik op het oosten te werpen, maar wat ze zagen was niet meer dan een stoffige cipres en een muur van ruwe natuursteen. Door een getralied bovenlicht gluurden onze keuken en wc naar een kleine gevangenisluchtplaats, omgeven door hoge muren en geplaveid met beton, een binnenplaats waar een bleke geranium in een roestig olijvenblik door gebrek aan zonlicht stond weg te kwijnen. Op de vensterbanken van de raampjes stonden altijd weckpotten met ingelegde augurken, en verder een cactus die een zwaar leven had en zich had ingegraven in de aarde van een gebarsten vaas die nu dienstdeed als bloempot.”

 

AmosOz

Amos Oz (Jeruzalem, 4 mei 1939)

 

 

De Nederlandse schrijver Christiaan Weijts werd geboren in Leiden op 4 mei 1976. Zie ook mijn blog van 18 oktober 2006

 

Uit: De etaleur

 

‘Hebben ze je vrijgelaten?’ vraagt hij. In het parterrerestaurantheeft hij een kop thee voor haar ge-maakt. Zelf schenkt hij een glas vruchtensap in, die hij in een teug achteroverslaat. Blijkbaar heeft hij al eentijdlang ongemerkt ontiegelijke dorst gehad. ‘Heb je een proces gehad? Ben je veroordeeld? Vrijgesproken?’‘Ik heb gezwegen.’‘Gezwegen? En toen?’‘Toen hebben ze me laten gaan. Gebrek aan bewijs.’Door het raam scheren d elichten van een passerende vrachtauto. Victor loopt naar de bar om zichzelf bij te schenken uit de glazen kan met sap. Het parterrerestaurant is zijn eigen keuken. De meubelafdeling beschouwt hij als zijn woonkamer, de boekenafdeling zijn privé-bibliotheek, enzovoorts. Hij heeft de ExtraLarge-variant van een huis. Je kunt zelfs stellen dat hij alle mogelijke huizen tegelijk bewoont. Hij is daar al zo aan gewend dat hij vreest voor het moment dat de etalages af zijn, zijn opdracht volbracht is en hij terug de gewone wereld in moet.‘Sinds wanneer ben je al te-rug?’ vraagt hij, als hij weer tegenoverhaar zit en zijn stoel aanschuift.‘Uit de gevangenis? Of hier in de stad?’‘Allebei. Vertel me alles Vita.’Hij buigt zich naar haar toe, wil haar handen vastgrijpen, maar legt uiteindelijk zijn onderarmen vlak op tafel neer.Vita staart hem onderzoekend aan en vraagt wat ze de hele tijd al heeft willen vragen: ‘Zou je die hoeden niet eens afzetten?”

 

Weijts

Christiaan Weijts (Leiden, 4 mei 1976)

 

De Vlaamse schrijfster Monika van Paemel werd geboren op 4 mei 1945 in Poesele in Oost-Vlaanderen.

 

Uit: De vermaledijde vaders

“Hij steekt zo gunstig af bij de moeder, die vader, dat we met hem leren ons voor haar te schamen. Vrouwen zijn goed voor de ergernis en de minachting. Vrouwen zijn goed voor de afkeer van de eigen geilheid. Vrouwen zijn dom. Heel slim worden we attent gemaakt op moeders dwaasheid. Haar liegen. Haar luiheid (…) En als we hem nodig hebben, als het erop aan komt, hebben we geen vader meer. Gelukkig. Want in werkelijkheid maakt hij ons bang. We kunnen geen zoon worden, en geen vrouw om hem te behagen. En we weten dat hij dat niet zal pikken. In het diepste van zijn gedachten heeft hij ons gemaakt, een mislukking die hij zichzelf niet kan vergeven. We lijken op zijn moeder, waar hij niet onderuit komt. Arme vader.”

(…)

 

“Toch ben ik nog lang bereid die man te verdedigen, ook al heeft hij ongelijk. Want al heb ik geen moeder, dan wil ik wel een vader hebben. En omdat ik niet aanwijsbaar uit hem ben voortgekomen, is het een verhouding waarvan ik me voorstel dat ik er een eigen inbreng in heb.”

 

monica_paemel

Monika van Paemel (Poesele, 4 mei 1945)

 

Zie voor de drie bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 4 mei 2007 en ook mijn blog van 4 mei 2008 en ook mijn blog van 4 mei 2009.

 

 

De Engelse schrijver Graham Swift werd geboren op 4 mei 1949 in Londen.

 

Uit: Making an Elephant

 

“The death of a father is, in most cases, an inevitable passage of life. If you’re a novelist, however open-mindedly or unwittingly you start out, you know that certain big personal events must one day be accommodated into your work. There will, for example, be the novel you write after your father’s death. It won’t be about his death or even about him, but it can’t help but be informed by his death.

He had a battery of first names: Lionel Allan Stanley. Fortunately, he liked to be known as Allan or simply Al. I never heard the word Lionel pass his lips. He was born in London in the early 1920s and brought up in Lower Sydenham, SE26, in a street optimistically called Fairlawn Park. I’d never been there, but after he died I went, on a sort of a pilgrimage, to see where he’d come from. A little, squat, terraced house, like thousands of others, but distinguished by its standing at an odd slight angle to the house next door and by the fact that, though occupied, it was spectacularly neglected. The tiny front garden was a seethe of creeping ivy, and seated on or sinking, rather, into the vegetation were two immobilized, rusting cars. They filled the cramped space between front window and street. The ivy had taken hold and was creeping up into the wheel arches.

I was strangely relieved — elated even — by this conspicuous dereliction. The place wasn’t just ordinary and anonymous. It was singled out, even by that crooked angle, from its unremarkable neighbours, and that ivy and wreckage (I’ll never know the story) were like some mock-portentous, tongue-in-cheek acknowledgement of mortality and the grave.”

 

Graham-Swift

Graham Swift (Londen, 4 mei 1949)

 

 De Amerikaanse schrijver David Guterson werd geboren op 4 mei 1956 in Seattle.

 

Uit: Snow Falling on Cedars

 

„At the intersection of Center Valley Road and South Beach Drive Ishmael spied, ahead of him in the bend, a car that had failed to negotiate the grade as it coiled around a grove of snow-hung cedars. Ishmael recognized it as the Willys station wagon that belonged to Fujiko and Hisao Imada; in fact, Hisao was working with a shovel at its rear right wheel, which had dropped into the roadside drainage ditch.
Hisao Imada was small enough most of the time, but he looked even smaller bundled up in his winter clothes, his hat pulled low and his scarf across his chin so that only his mouth, nose, and eyes showed. Ishmael knew he would not ask for help, in part because San Piedro people never did, in part because such was his character. Ishmael decided to park at the bottom of the grade beside Gordon Ostrom’s mailbox and walk the fifty yards up South Beach Drive, keeping his DeSoto well out of the road while he convinced Hisao Imada to accept a ride from him.
Ishmael had known Hisao a long time. When he was eight years old he’d seen the Japanese man trudging along behind his swaybacked white plow horse: a Japanese man who carried a machete at his belt in order to cut down vine maples. His family lived in two canvas tents while they cleared their newly purchased property. They drew water from a feeder creek and warmed themselves at a slash pile kept burning by his children–girls in rubber boots, including Hatsue–who dragged branches and brought armfuls of brush to it. Hisao was lean and tough and worked methodically, never altering his pace. He wore a shoulder strap T-shirt, and this, coupled with the sharp-honed weapon at his belt, put Is
hmael in mind of the pirates he’d read about in illustrated books his father had brought him from the Amity Harbor Public Library. But all of this was more than twenty years ago now, so that as he approached Hisao Imada in the South Beach Drive, Ishmael saw the man in another light: hapless, small in the storm, numb with the cold and ineffective with his shovel while the trees threatened to come down around him.“

 

guterson

David Guterson (Seattle, 4 mei 1956)

 

De Duitse schrijver Werner Fritsch werd op 4 mei 1960 in Waldsassen geboren.

 

Uit: Das sind die Gewitter in der Natur

 

In der Basilika von Waldsassen. Vor einem Seitenaltar.

In Brokat gekleidete Totengerippe hinter Glasschreinen.

Hier in der Kirche bin ich zur Kommunion gekommen.

Zur Firmung gekommen. Und da sind überall früher. Vor ein paar tausend Jahren, wie sie das Kloster so gebaut gehabt haben. Sind die Römer gekommen. Haben die Heiligen all umgebracht. Da hinunter in die Gruft sind die Heiligen begraben worden. Und sind da noch sehr viele Geliebte da oder Gerippe?

Gelübde da.

Haben sie sich versteckt drunten. Dann haben sie sie überall verfolgt. Und heroben überall. Wo sie sie haben haben können, haben sie die Toten überall. Die Heiligen all umgebracht.

 Aufschwenk ins Astgewirr einer winterkalten Eiche.

 Mein Vater stammt von Hundsbach ab.

Und da haben sie ein kleines Anwesen gehabt, wo er raus ist. Aber die sind wieder weitschichtig gewesen. Das kann in Asch auch gewesen sein. Und da ist ein alter Vater gewesen. Der war früher einmal auf der Regierung.

Die andere Generation schon. Das hat der durchgesetzt, daß es erlaubt worden ist. Was ich gehört hab allemal. Ich weiß auch nicht. Oder weiß ichs?

Daß das Volk nicht ausstirbt. Daß sie Kinder erzeugen dürfen. Das ist da nicht erlaubt gewesen. Hat er gesagt gehabt, er geht jetzt. Und ist gegangen und ist nimmer kommen.”

 

Fritsch

Werner Fritsch (Waldsassen 4, mei 1960)

 

Zie voor de drie bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 4 mei 2008 en ook mijn blog van 4 mei 2009.

 

 

De Nederlandse columnist, schrijver, ex-voetballer, en televisiepersoonlijkheid Jan Mulder werd geboren in Bellingwolde op 4 mei 1945. Jan Mulder viert vandaag zijn 65e verjaardag.  Zie ook mijn blog van 4 mei 2009.

 

Uit: Gastcolumn (Persmuseum)

 

Ja, ze hebben je het goed verteld: ik ben een zure columnist van een progressief dagblad, ik geef het toe ik ben in principe niet voor de monarchie maar voor de democratie, maar nu jij er bent, twijfel ik weer aan alles’. Zo sprak ik wel eens in mijn gedachten tegen haar, zij die ons bestaan zo ingrijpend heeft veranderd. En wanneer prins Willem-Alexander komt, is het niet ondenkbaar dat hij Máxima meeneemt, waar of niet, Willem? Waar ís ze?
Inburgeren is een lelijk woord, maar met Máxima is het opeens feest. Inburgeren! Vrolijk klinkt het door stad en land. De zon staat hoog aan de hemel, de vensters en deuren gaan open, de mensen hebben er weer zin in nadat ze zo lang hebben gewacht: het is weer Máxima, de jaarlijkse inburgertijd! De roemers zijn vol en de korenschoven rijp, straks gaan we dansen en openen we het inburgerseizoen met vuurwerk, siersmeden en een optreden van een groep confronterende columnisten op een plein. Alles wat ik van Máxima dacht, is waar. Ik heb haar zojuist de hand gedrukt. Hartveroverende vrouw. Zij toonde zich dan ook spontaan bereid om samen met mij een confronterende dialoog uit te spreken over de pers en de bijdrage die het Persmuseum aan onze samenleving kan leveren, dit als extra verrassing bij de zo reeds feestelijke opening. U moet weten dat een columnist niet per se de waarheid schrijft en dat ik deze column geschreven heb in de veronderstelling dat Máxima hier níet zou zijn. Dat zij er plotseling wél is maakt het allemaal wat ingewikkelder. Aan de ene kant raakt mijn confronterende column kant noch wal meer, aan de andere kant ben ik dolgelukkig dat Máxima er is. U begrijpt dat ik dit heb opgeschreven voor het geval zij inderdaad met Willem-Alexander zou meekomen. Gelukkig, zij is er niet. Ik bedoel dit goed, koninklijke hoogheid. Veel liever had ik Máxima gezien natuurlijk, laten we het maar bekennen: een columnist is geen haar beter dan de gemiddelde Gelderlander.”

 

Jan_Mulder

Jan Mulder (Bellingwolde, 4 mei 1945)

 

De Russische netkunstenares Olia Lialina werd geboren op 4 mei 1971 in Moskou. Zie ook mijn blog van 4 mei 2007 en ook mijn blog van 4 mei 2009.

 

Ga naar http://www.c3.hu/collection/agatha  

 

Of naar: http://art.teleportacia.org  

 

OliaLialina

Olia Lialina (Moskou, 4 mei 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Amos Oz, Monika van Paemel, Christiaan Weijts, Graham Swift, Werner Fritsch, David Guterson, Olia Lialina, Jan Mulder, Gerlind Reinshagen, Ishita Bhaduri, Jacques Lanzmann, Maxence Van derMeersch, Wilhelm Lehmann

De Israëlische schrijver Amos Oz, (eig. Amos Klausner) werd geboren in Jeruzalem op 4 mei 1939. Zie ook mijn blog van 4 mei 2007 en ook mijn blog van 4 mei 2008.

Uit: A Tale of Love and Darkness

“I WAS BORN and bred in a tiny, low-ceilinged ground-floor apartment. My parents slept on a sofa bed that filled their room almost from wall to wall when it was opened up each evening. Early every morning they used to shut away this bed deep into itself, hide the bedclothes in the chest underneath, turn the mattress over, press it all tight shut, and conceal the whole under a light gray cover, then scatter a few embroidered oriental cushions on top, so that all evidence of their night’s sleep disappeared. In this way their bedroom also served as study, library, dining room, and living room.

Opposite this room was my little green room, half taken up with a big-bellied wardrobe. A narrow, low passage, dark and slightly curved, like an escape tunnel from a prison, linked the little kitchenette and toilet to these two small rooms. A lightbulb imprisoned in an iron cage cast a gloomy half-light on this passage even during the daytime. At the front both rooms had just a single window, guarded by metal blinds, squinting to catch a glimpse of the view to the east but seeing only a dusty cypress tree and a low wall of roughly dressed stones. Through a tiny opening high up in their back walls the kitchenette and toilet peered out into a little prison yard surrounded by high walls and paved with concrete, where a pale geranium planted in a rusty olive can was gradually dying for want of a single ray of sunlight. On the sills of these tiny openings we always kept jars of pickles and a stubborn cactus in a cracked vase that served as a flowerpot.

It was actually a basement apartment, as the ground floor of the building had been hollowed out of the rocky hillside. This hill was our next-door neighbor, a heavy, introverted, silent neighbor, an old, sad hill with the regular habits of a bachelor, a drowsy, still wintry hill, which never scraped the furniture or entertained guests, never made a noise or disturbed us, but through the walls there seeped constantly toward us, like a faint yet persistent musty smell, the cold, dark silence and dampness of this melancholy neighbor.“

 

oz

Amos Oz (Jeruzalem, 4 mei 1939)

 

De Vlaamse schrijfster Monika van Paemel werd geboren op 4 mei 1945 in Poesele in Oost-Vlaanderen. Zie ook mijn blog van 4 mei 2007 en ook mijn blog van 4 mei 2008.

 

Uit: De eerste steen

 

„ Alle voeten van de stad lopen voorbij de betraliede vensters van het souterrain. ‘Waarom woon je niet in de heuvels?’ vraagt May. Een minachtend gesnuif is het antwoord. Hagar leunt achterover in de relaxfauteuil waarin ze het grootste deel van haar dagen doorbrengt. Woest zwart haar, het figuur van een Russische boerin. Misnoegdheid omhul
t haar als een onweerswolk, alleen de notebruine ogen kijken de wereld teder aan. Met die ogen verleidt ze, zonder te weten wat ze doet, zegt ze, een en al slachtoffer en geladen met wraak. Ze is niet teder maar bijziend. Het verleden is haar aangedaan en de toekomst zal haar overkomen. Lastig leven.“

 

VanPaemel

Monika van Paemel (Poesele, 4 mei 1945)

 

De Nederlandse schrijver Christiaan Weijts werd geboren in Leiden op 4 mei 1976. Zie ook mijn blog van 4 mei 2007 en mijn blog van 18 oktober 2006  en ook mijn blog van 4 mei 2008.

Uit: Personagenamen (column)

“Hebben kinderrijke schrijvers als Thomas Mann of Jan Wolkers zich ook ooit over deze problematiek het hoofd gebroken? Wolkers gebruikte de naam Eric zowel voor zijn eerste zoon als voor zijn personage Eric van Poelgeest. Dat zou ik dus niet kunnen. Vroeg of laat gaat je nageslacht jouw werk lezen, en als hij of zij de hoofdpersoon lijkt, schept dat toch verwarring. Personagenamen dien je zodanig te kiezen dat je ze nooit later voor eventuele kinderen wilt gebruiken.

Ik ging terug achter mijn computer zitten, om de hele naamgevingsprocedure opnieuw te doorlopen, Google, Hyves… Ineens begreep ik waarom het universum van Frans Kellendonk bevolkt wordt door typen als Frits Goudvis, Latour van Uffel en Felix Mandaat. Alhoewel, op het acht uur journaal, zie ik vaak de meest onwaarschijnlijke namen onder de geïnterviewde in beeld verschijnen, die rechtstreeks een roman in zouden kunnen.

En waar haalde Bordewijk zijn achternamen vandaan? Whimpysinger, De Moraatz, Van der Karbargenbok, Surdie Finnis, Schattenkeinder: allemaal gewoon uit het telefoonboek. Een groep van zestien Amerikaanse auteurs, onder wie Stephen King, Amy Tan en John Grisham, hield een paar jaar terug op eBay een veiling, waarbij mensen zichzelf als personagenaam in hun volgende boeken konden inkopen. De omgekeerde wereld: alsof Harry Bekkering zou willen betálen voor een plaatsje aan Bernlefs raampje, waar hij voor eeuwig naar die maandag buiten moet turen. Nee, een veiling organiseren leek me onzinnig.”

Weijts

Christiaan Weijts (Leiden, 4 mei 1976)

 

De Engelse schrijver Graham Swift werd geboren op 4 mei 1949 in Londen. Zie ook mijn blog van 4 mei 2008.

Uit: Last Orders

„It aint like your regular sort of day.
Bernie pulls me a pint and puts it in front of me. He looks at me, puzzled, with his loose, doggy face but he can tell I don’t want no chit-chat. That’s why I’m here, five minutes after opening, for a little silent pow-wow with a pint glass. He can see the black tie, though it’s four days since the funeral. I hand him a fiver and he takes it to the till and brings back my change. He puts the coins, extra gently, eyeing me, on the bar beside my pint.
‘Won’t be the same, will it?’ he says, shaking his head and looking a little way along the bar, like at unoccupied space. ‘Won’t be the same.’
I say, ‘You aint seen the last of him yet.’
He says, ‘You what?’
I sip the froth off my beer. ‘I said you aint seen the last of him yet.’
He frowns, scratching his cheek, looking at me. ‘Course, Ray,’ he says and moves off down the bar.
I never meant to make no joke of it.
I suck an inch off my pint and light up a snout. There’s maybe three or four other early-birds apart from me, and the place don’t look its best. Chilly, a whiff of disinfectant, too much empty space. There’s a shaft of sunlight coming through the window, full of specks. Makes you think of a church.
I sit there, watching the old clock, up behind the bar. Thos. Slattery, Clockmaker, Southwark. The bottles racked up like organ pipes.“

GRAHAM_SWIFT

Graham Swift (Londen, 4 mei 1949)

 

 

De Duitse schrijver Werner Fritsch werd op 4 mei 1960 in Waldsassen geboren. Zie ook mijn blog van 4 mei 2008.

 

Uit: SCHWEJK? 

 

„II. 2. An einem Feuer:

DER HILTLER

Hilf mir halt, der Krieg ist in Nullkommanix vergeigt.

Rück ein, Kerl! Rück ein!

WENZEL

Ich hab doch keine Montur und keine. Keine rechte Lust nicht!

Was will ich da auch im Krieg ohne Lust. Nicht einmal ein Gewehr hab ich!

DER HILTLER

Wir sind doch verwandt zueinand!

Durch das Blut von der Mutter. Durch ästreich!

Durch das Urmutterzeug ineinander!

WENZEL

Du hast die Lungenkranken sterisieren lassen!

Und den alten Frauen die Stöck weggenommen!

DER HILTLER

Ja, wenns sonst nix ist! Ja, warum sagst das nicht gleich?!

Das kann man doch ausräumen! Mit mir kann man doch reden!

Über Deutschland! Über alles!

WENZEL

Du warst doch die gesamte Zeit besetzt. Da hat niemand zuhingedurft zu dir.

Da hätten mich deine, meine eigenen Leut hätten mich da derschossen!

Und die Besetzung nicht. Da hat allen Augenblick eine Granate eingeschlagen. Oder ein Geschütz. Alles weggekämpft gewesen bereits. Geschossen haben sie so Zeug. Wie Schwefel. Und Bomben geschmissen. Alles demoliert gewesen auch und Rauch. Und Aschenhaufen haben geraucht.

Und da bin ich nicht zuhinkommen mehr zu dir!

Und da hast nur du fest weitergekämpft mords! Wies alle bombardiert haben ineinander.“

 

Fritsch

Werner Fritsch (Waldsassen 4, mei 1960)

 

De Amerikaanse schrijver David Guterson werd geboren op 4 mei 1956 in Seattle. Zie ook mijn blog van 4 mei 2008.

 

Uit: Our Lady of The Forest

 

The girl’s errand in the forest that day was to gather chanterelle mushrooms in a bucket to sell in town at dusk. According to her own account and th
e accounts of others in the North Fork Campground who would later be questioned by the diocesan committee, by Father Collins of Saint Joseph’s of North Fork, by the bishop’s representative, and by reporters covering the purported apparitions–including tabloid journalists who treated the story like a visitation by Martians or the birth of a two-headed infant–the girl left her camp before eight o’clock and walked alone into the woods. She wore a sweatshirt with its hood drawn tight. She didn’t speak to others of her intentions. Setting out with no direction in mind, she crossed a maple bottom and a copse of alders, traversed a creek on a rotten log, then climbed a ridge into deep rain forest and began searching for mushrooms in earnest.

As she went the girl ate potato chips and knelt beside rivulets to drink. She swallowed the antihistamine that kept her allergies at bay. Other than looking for mushrooms, she listened for the lonely music of birds and–she confessed this later to Father Collins–stopped twice to masturbate. It was a still day with no rain or fog and no wind stirring branches in the trees, the kind of stillness that stops time, or seems to, for a hiker.“

 

Guterson

David Guterson (Seattle, 4 mei 1956)

 

De Russische netkunstenares Olia Lialina werd geboren op 4 mei 1971 in Moskou. Zie ook mijn blog van 4 mei 2007.

 

Ga naar http://www.c3.hu/collection/agatha  

 

OliaLialina

Olia Lialina (Moskou, 4 mei 1971)

 

De Nederlandse columnist, schrijver, ex-voetballer, en televisieman Jan Mulder werd geboren in Bellingwolde op 4 mei 1945. Mulder groeide op in Winschoten en volgde de HBS die hij niet afmaakte. Mulder begon zijn carrière bij WVV in Winschoten tegen VV Zwaagwesteinde. Daar werd hij ontdekt door RSC Anderlecht, waar hij zeven jaar zou spelen. Als columnist heeft hij onder andere voor de weekbladen HP/De Tijd en Elsevier gewerkt. Voor Humo is hij nu (2007) nog altijd actief. In de Volkskrant schreef hij tot juli 2006 samen met Remco Campert de column CAMU op de voorpagina. Samen met Remco Campert trok hij enkele jaren van theater naar theater met een literair programma (“De Teen” (1993) en “Herinneringen” (1995)). In 2004 waren beide heren verantwoordelijk voor de tekst van het Groot Dictee der Nederlandse Taal, die zij samen voordroegen.Tot en met april 2006, toen het programma stopte, was hij verbonden aan het praatprogramma Barend & Van Dorp.

 

Uit: De vrouw als karretje

Ik zat aan de keukentafel met mij herinneringen en leed aan met liefde en verlangen vermengde verontwaardiging. Over de manier waarop het afscheid gekomen was zogenaamd, maar ik wist dat het iets anders was.
Ik miste haar.
Waarom heeft de evolutie dit zo bekokstoofd? Waarom heb ik geen chip (tussen de niertjes is nog plaats genoeg) die me in staat stelt geen verdriet te hebben, integendeel, me een goed gevoel geeft: dolblij dat we d’r kwijt zijn, op naar de volgende!’

mulder

Jan Mulder (Bellingwolde, 4 mei 1945)

 

De Duitse schrijfster Gerlind Reinshagen werd geboren op 4 mei 1926 in Königsberg. Zij volgde een apothekersopleiding. Van 1953 tot 1956 studeerde zij aan de Hogeschool voor de Kunsten in Berlijn, waar zij vanaf 1956 als zelfstandig schrijfster woont. Reinshagen begon haar loopbaan met het schrijven van jeugdboeken en hoorspelen. Vanaf 1968 begon zij maatschappijkritische theaterstukkken te schrijven. Zij ontving diverse prijzen waaronder in 1974 de Fördergabe des Schiller-Gedächtnispreises des Landes Baden-Württemberg, 1977 de Mülheimer Dramatikerpreis, 1982 de Ehrengabe des Andreas-Gryphius-Preises.

Uit: Vom Feuer

 “Was liegt dort, Freunde, so weit erstreckt zu unseren Füßen, so unberührt, dass wirs nicht wagen anzugreifen? Ist es ein Meer, schön grau und silberfarben, das in der Ferne dunkler wird und tiefer? Wer sind am Ufer diese winzigen Figuren, zitternd vor Lust, sich da hineinzustürzen, wie jeden Sommer in die heimatlichen Flüsse?
Sind wirs, die dort – o Schande – die dort noch immer unbeweglich sitzen und ziehen, wie eben noch im Krieg, im Frieden jetzt die Köpfe ein?
Sieht uns die Stunde Null noch immer schläfrig. Der Kinderkrankheit, dem Koma unserer Jugendzeit noch nicht entwischt?”

Reishagen

Gerlind Reinshagen (Königsberg, 4 mei 1926)

 

De Indiase dichteres Ishita Bhaduri werd geboren op 4 mei 1961 in Kolkata in West-Bengalen. Zij begon haar loopbaan bij het Thungri magazine in de jaren tachtig. Een gedichtenverzameling verscheen in 2006 onder de titel Prem O Biraher Kabita in Dhaka, Bangladesh. Een verzameling korte gedichten verscheen in het Engels als “Marigold Moments”.

 

Gold-Laced Evening of Mine

 

Your aroma fills the skies.

Dreams on you adorn deodar trees

I see you as a planet

I see you as sunlight

You are my golden halo

You are my golden love

You can be rain

You can be cloud also

When you are a firefly

When you are the sunlight

I will give you a floral-perfumed twilight

I will shower you poems the whole night

 

The rains have drenched the room

In that room moonlight hued love exists

I see you as sun

I see you as waves

You are my blue horizon

You are my incessant waterfall

You may be the sea

You can be the river also

When you become mountain

When you become forest

I will give you storms of expectations

I will give you turbulent springs

 

I will let you be fire

I will let you be a Doel bird

With you I will float in the mountain-clouds

With you is the gold-laced evening of mine

 

 

Vertaald door Soma Roy

 

Bhaduri

Ishita Bhaduri (Kolkata 4 mei, 1961)

 

De Franse schrijver, journalist en tekstschrijver Jacques Lanzmann werd geboren op 4 mei 1927 in Bois-Colombes. Lanzmann schreef tientallen boeken en een honderdtal chansons, waaronder veel liedjes voor de zanger en acteur Jacques Dutronc. Lanzmann schreef onder meer Il est cinq heures, Paris s’éveille, J`aime les filles en Les play-boys. Zijn eerste boek, Rat d’Amérique, werd in 1954 gepubliceerd, als eerste opgemerkt door Simone de Beauvoir. Lanzmann was ook verslaggever op Cuba tentijde van de Cuba crisis. Hij kreeg het zelfs voor elkaar om een interview te hebben met Fidel Castro. Als fervent wandelaar schreef hij bovendien veel reisverhalen. Tussen 1963 en 1968 was hij hoofdredacteur van het Franse mannentijdschrift Lui. Lanzmanns laatse werk, Une vie de famille, verscheen in januari 2006.

 

Uit: Une histoire d’hommes

 

« Au fil des jours,j’en avais fait mon amoureuse.

Jaloux, Bisson ne me parlait plus. Je me donnais tout entier à elle. Mon sang, ma chaleur, ma peau ne m’appartenaient plus.J’avais greffé mon coeur sur le sien, et, à force, elle avait repris espoir.

Sarah, ils l’avaient cueillie le jour de ses quinze ans, dans un petit restaurant de Clermont où ses parents fêtaient son anniversaire. Ils avaient attendu, cachés dans l’office, que le petite toute émue soufflât les bougies de son gâteau. Elle s’y était reprise à trois fois, et soudain elle avait vu devant elle surgir les musiciens. Ils avaient bâfré le gâteau à la crème, raflé la famille et les amis.

Cela faisait une semaine qu’elle était là, sans nouvelles des siens.

Les siens, nous le savions, étaient partis dans un convoi précédent. Elle semblait l’ignorer. Elle ne parlait jamais d’eux, pas même à moi, ou alors, par bribes, la nuit, quand elle s’abandonnait dans mes bras. »

 

Lanzmann

Jacques Lanzmann (4 mei 1927 – 21 juni 2006)

 

De Franse schrijver van Vlaamse afkomst Maxence Van der Meersch werd geboren op 4 mei 1907 in Roubaix. Hij studeerde rechten en werd in 1934 advocaat. Zijn eerste boek La Maison dans la Dune verscheen in 1932. Er volgden nog zeventien boeken en talrijke artikelen. In 1937 kreeg hij de Prix Goncourt voor l’Empreinte de Dieux. Maxence Van der Meersch was tijdens het interbellum een populaire schrijver. Nord-Pas-de-Calais, de regio in het noorden van Frankrijk, vormde de achtergrond in veel van zijn werk.

 

Uit: La maison dans la dune

 

Quand Sylvain, le lendemain à midi, arriva chez son ami, il trouva César en maillot blanc, occupé à boxer, dans sa cuisine, avec le grand Jules, l’agent de police.

Un gentil garçon, ce Jules. Il demeurait trois maisons plus loin. Et bien qu’il connût le trafic suspect de César et de Sylvain, il était cependant demeuré leur ami. César et lui s’étaient liés d’amitié par un commun amour de la boxe et des sports. Jules avait pratiqué le «noble art», dans sa jeunesse, en amateur. Et César, quand il était repris par une de ses crises d’entraînement, allait régulièrement le chercher pour quelques rounds.

Grand, massif, raide de torse et de membres, totalement dépourvu de souplesse et d’agilité, le grand Jules, grâce à son poids et à sa résistance, finissait toujours cependant par mettre hors de combat son camarade César, plus vieux, et fatigué surtout par une vie déréglée. César en rageait, trouvait chaque fois des excuses à sa défaite, affirmait qu’il prendrait sa revanche la fois d’après. Si grande était son humiliation, qu’il lui arrivait, après ces rudes leçons, de se remettre à l’entraînement, de vouloir à toute force retrouver «sa forme». Et, pendant quelques jours, on le voyait, tôt le matin, courir sur la route, tenter des quatre cents et des huit cents mètres, soulever des poids de fonte, sauter à la corde, et lancer de longs bâtons en guise de javelots. Il ne buvait plus que de l’eau, il ne fumait plus. Sa femme en était émerveillée et ravie. »

 

Maxence

Maxence Van der Meersch (4 mei 1907 – 14 januari 1951)

 

De Duitse schrijver en dichter Wilhelm Lehmann werd geboren op 4 mei 1882 in Puerto Cabello. Zie ook mijn blog van 4 mei 2008.

Uit: Bukolisches Tagebuchaus den Jahren 1927 – 1932

 „Als junger Student machte ich, der Philologie über-drüssig, Exkursionen mit einem Botaniker. Er ist berühmt geworden durch seine Erforschung einiger Wasserpflanzen. Ich sah einen Käfer über eine Blu-menbinse laufen und fragte, wie er wohl hieße. Wie er das auch noch wissen sollte? schalt der Botaniker mich. Die Kenntnis des einzelnen kann heute nicht mehr aristotelisch die Welt umspannen. Ich wollte ja aber auch nur den Namen erfragen. Was man »Al-les« heißt, ist dem »Nichts« sehr nahe. In der Mitte schwebt das »Etwas« – im »Etwas« schwebt das Ganze, wie die ganze Natur in einer einzigen Pflanze, in einem einzigen Tier gegenwärtig ist. Das Etwas trägt wie jene Schildkröte der Inder das Weltall. Der Name aber eines solchen Etwas ist nach uraltem Glauben seine tatsächliche Existenz. Was nicht benannt war, konnte nicht sein.Und darum bin ich namengierig und freute mich, als ich erfuhr, daß die Pflanze, die jetzt auf über-schwemmt gewesenem Boden und in flachem Wasser an Ufern, auf Feldern und Wegen reichlich blüht, der »verbrecherische Hahnenfuß« ist. Er ist sehr giftig — aber mag er Mensch und Vieh schaden, die Erde, den Himmel vergiftet er nicht. Der Mensch ist das Maß aller Dinge, dachten die Griechen. Es gibt aber auch Übermenschliches als Maß. Wie aus gedüngtem Boden der Kürbis, wächst aus dem Genie des echten Namens das Genie des Daseins.“

 

lehmann__WilhelmBueste

Wilhelm Lehmann (4 mei 1882 – 17 november 1968)
Wilhelm Lehmann-Büste in Eckernförd

Christiaan Weijts, Monika van Paemel, Amos Oz, Graham Swift, David Guterson, Wilhelm Lehmann, Werner Fritsch, Olia Lialina

De Nederlandse schrijver Christiaan Weijts werd geboren in Leiden op 4 mei 1976. Zie ook mijn blog van 4 mei 2007 en mijn blog van 18 oktober 2006.

 

Uit: ART. 285b

 

‘Ik geef je een tramkaart,’ zei Victoria, toen ik haar een paar uur kende. ‘Voor naar het station.’ Uit haar lange suède jas met witte slierten aan de mouwen haalde ze er een tevoorschijn die aan twee kanten was te bestempelen.

‘Ik heb er nog maar één ritje mee gemaakt dus you go boy, all the way to Manhattan!’

            We stonden bij de tramhalte naast het Concertgebouw. Het was half zes ’s ochtends, het tijdstip van krantenjongens, hondenbezitters en bezemwagens.

            Ze vroeg: ‘Kun je me vingeren?’

Later zou ze op dezelfde hebberige toon vaak dingen vragen als: ‘Zullen we pannenkoeken gaan eten met perenlikeur?’ Of: ‘Hebben jullie ook autodrop?’(in een tapasrestaurant aan de Rozengracht). Victoria was grillig in haar onvoorspelbare verlangens. Ik heb regelmatig in avondwinkels gestaan om te vragen naar dadels, lychees of een auberginewortelquiche.

            ‘Nu? Hier?’

            ‘Om het te vieren. Om te vieren dat we elkaar hebben ontmoet.’

Ik kon me niet herinneren ooit een ontmoeting te hebben gevierd, laat staan op zo’n onorthodoxe manier.

Na afloop trok ze haar schoenen uit en klom ze het bankje op. Ze droeg sokken met gele en roze strepen.

‘Je belt me toch wel?’ vroeg ik.

Als je in Amsterdam iemand ontmoette, moest je onmiddellijk telefoonnummers uitwisselen omdat de kans dat je elkaar zomaar toevallig weer tegenkwam even groot was als de kans dat je fiets ergens na twee maanden nog stond. Vingeren gaf geen garanties. Op mijn simkaart slingerden al genoeg namen en nummers rond van mensen die ik nooit zou terugzien, kleine grafzerkjes van twintig digits. Haar wilde ik niet verliezen. Het toeval, hetzelfde toeval dat ons in dit tramhokje had gebracht, wilde echter dat mijn batterij leeg was, zodat zij wel mijn nummer had maar ik dat van haar niet. Pijnlijk helder raakte ik ervan doordrongen dat onze glanzende toekomst in haar handen lag.

‘Ik moet wel,’ zei ze. ‘Je hebt m’n tramkaart nu.’

‘Ah, het is een onderpand…’

Het meisje dat ik zojuist gevingerd had schoot in de lach.

‘Ónderpand? Wat gebruik jij toch woorden jongen.’

Toen ik op het treeplankje van de tram stapte zei ze: ‘Kijk eens naar me.’

Ik draaide me om en keek naar haar.

‘Ik wil dat je goed naar me kijkt.’

Haar ogen stonden nu vrij ernstig, als van iemand die van plan was een verschrikkelijke mededeling te doen.

‘Het is heel gek. Ik ken je nu pas een paar uur…’ zei ze. ‘Maar ik heb echt het gevoel dat ik je beter ken dan wie dan ook.”

 

weijts

Christiaan Weijts (Leiden, 4 mei 1976)

 

De Vlaamse schrijfster Monika van Paemel werd geboren op 4 mei 1945 in Poesele in Oost-Vlaanderen. Zie ook mijn blog van 4 mei 2007.

Uit: Het voordeel van het verschil

De Doctor Faustus van Thomas Mann die ik twintig jaar geleden las is een ander boek dan de Doctor Faustus die ik nu lees, het zal over ik-weet-niet-hoeveel-jaar weer een andere Doctor Faustus zijn.

Het is onzinnig zowel van het boek als van de lezer onveranderlijkheid te verwachten en daarop de herkenning te baseren. Net zo vreemd als één keer naar een geliefd schilderij kijken en het verder voor gezien houden, of een muziekstuk maar één keer beluisteren. De herkenning is een herhaling met oneindig veel nuances.

‘Ik schilder niet het ding, maar wat zich tussen het ding en mij afspeelt’, zei Claude Monet, de schilder die achter het licht van het moment aanzat. En die met de reeksen Nymphéas hetzelfde altijd weer anders schilderde. Traditie en vernieuwing vulden elkaar aan als kunde en verbeelding.

Bij de eerste tentoonstellingen van de Impressionisten ging er een kreet van afschuw door het publiek. Maar de negentiende eeuw was voorbij, en de dingen hadden een ander aanzien gekregen.

Omdat ik van klassieke muziek hou hoef ik toch de jazz en de popmuziek niet af te wijzen? Het bepalen van een standpunt hoeft toch niet het beperken van de mogelijkheden te betekenen? We hebben het niet over geloven maar over genieten. Vroeger was niet beter dan vandaag, alleen in de toekomst kan datgene wat is gebleven ook daardoor zijn waarde bewijzen.

‘Er was, eens…’ is een scheppingsverhaal, het woord benoemt de dingen. Van het onbewuste naar het bewuste, van de ethiek naar de esthetiek. Wie schrijft blijft, maar dan wel als de som van zijn of haar onzekerheden. Wie de woorden eigenzinnig gebruikt, met het verhaal een nieuw beeld schept, het verborgene tracht te verwoorden en de werkelijkheid ontmaskert maakt onzeker. De schone letteren zijn ook de kritische letteren.

Maar de schrijver schrijft ook omdat het moet, niet om geliefd te zijn, of zichzelf te verkopen. Het gaat hem of haar niet om het herhalen, maar om het achterhalen, niet om de les te spellen, maar om te voorspellen. De schrijver onderzoekt niets anders dan het bestaan in al zijn facetten en het onbekende is daarbij van groter belang dan het bekende.

Literatuur is er niet om het bestaande te bevestigen, rust te verschaffen, van geweld liefde te maken. Het boek moet even geliefd als gevaarlijk zijn. Wie literatuur gebruikt om te onderdrukken, wie macht boven medeleven stelt, moet er zich niet van kunnen bedienen.

Wil ik de schoonheid in een moreel keurslijf dwingen? Nee, ik beweer dat de schoonheid gevaarlijk is, de lust verplicht. Wat er staat geschreven en goed is geschreven, is niet meer ongedaan te maken.”

paemel

Monika van Paemel (Poesele, 4 mei 1945)

 

De Israëlische schrijver Amos Oz, (eig. Amos Klausner) werd geboren in Jeruzalem op 4 mei 1939. Zie ook mijn blog van 4 mei 2007.

Uit: My Michael

 

I AM WRITING this because people I loved have died. I am writing this because when I was young I was full of the power of loving, and now that power of loving is dying. I do not want to die.

I am thirty years of age and a married woman. My husband is Dr. Michael Gonen, a geologist, a good-natured man. I loved him. We met in Terra Sancta College ten years ago. I was a first-year student at the Hebrew University, in the days when lectures were still given in Terra Sancta College.

This is how we met:

One winter’s day at nine o’clock in the morning I slipped coming downstairs. A young stranger caught me by the elbow. His hand was strong and full of restraint. I saw short fingers with flat nails. Pale fingers with soft black down on the knuckles. He hurried to stop me falling, and I leaned on his arm until the pain passed. I felt at a loss, because it is disconcerting to slip suddenly in front of strangers: searching, inquisitive eyes and malicious smiles. And I was embarrassed because the young stranger’s hand was broad and warm. As he held me I could feel the warmth of his fingers through the sleeve of the blue woolen dress my mother had knitted me. It was winter in Jerusalem.

He asked me whether I had hurt myself.

I said I thought I had twisted my ankle.

He said he had always liked the word “ankle.” He smiled. His smile was embarrassed and embarrassing. I blushed. Nor did I refuse when he asked if he could take me to the cafeteria on the ground floor. My leg hurt. Terra Sancta College is a Christian convent which was loaned to the Hebrew University after the 1948 war when the buildings on Mount Scopus were cut off. It is a coldbuilding; the corridors are tall and wide. I felt distracted as I followed this young stranger who was holding on to me. I was happy to respond to his voice. I was unable to look straight at him and examine his face. I sensed, rather than saw, that his face was long and lean and dark.”

 

amos_oz

Amos Oz (Jeruzalem, 4 mei 1939)

 

De Engelse schrijver Graham Swift werd geboren op 4 mei 1949 in Londen. Zie ook mijn blog van 4 mei 2007.

Uit: Last Orders

It aint like your regular sort of day.

Bernie pulls me a pint and puts it in front of me. He looks at me, puzzled, with his loose, doggy face but he can tell I don’t want no chit-chat. That’s why I’m here, five minutes after opening, for a little silent pow-wow with a pint glass. He can see the black tie, though it’s four days since the funeral. I hand him a fiver and he takes it to the till and brings back my change. He puts the coins, extra gently, eyeing me, on the bar beside my pint.

‘Won’t be the same, will it?’ he says, shaking his head and looking a little way along the bar, like at unoccupied space. ‘Won’t be the same.’

I say, ‘You aint seen the last of him yet.’

He says, ‘You what?’

I sip the froth off my beer. ‘I said you aint seen the last of him yet.’

He frowns, scratching his cheek, looking at me. ‘Course, Ray,’ he says and moves off down the bar.

I never meant to make no joke of it.

I suck an inch off my pint and light up a snout. There’s maybe three or four other early-birds apart from me, and the place don’t look its best. Chilly, a whiff of disinfectant, too much empty space. There’s a shaft of sunlight coming through the window, full of specks. Makes you think of a church.

I sit there, watching the old clock, up behind the bar. Thos. Slattery, Clockmaker, Southwark. The bottles racked up like organ pipes.

Lenny’s next to arrive. He’s not wearing a black tie, he’s not wearing a tie at all. He takes a quick shufty at what I’m wearing and we both feel we gauged it wrong.”

 

swift

Graham Swift (Londen, 4 mei 1949)

 

 

De Amerikaanse schrijver David Guterson werd geboren op 4 mei 1956 in Seattle. Zie ook mijn blog van 4 mei 2007.

 

Uit: Our Lady of The Forest

 

The girl’s errand in the forest that day was to gather chanterelle mushrooms in a bucket to sell in town at dusk. According to her own account and the accounts of others in the North Fork Campground who would later be questioned by the diocesan committee, by Father Collins of Saint Joseph’s of North Fork, by the bishop’s representative, and by reporters covering the purported apparitions–including tabloid journalists who treated the story like a visitation by Martians or the birth of a two-headed infant–the girl left her camp before eight o’clock and walked alone into the woods. She wore a sweatshirt with its hood drawn tight. She didn’t speak to others of her intentions. Setting out with no direction in mind, she crossed a maple bottom and a copse of alders, traversed a creek on a rotten log, then climbed a ridge into deep rain forest and began searching for mushrooms in earnest.

As she went the girl ate potato chips and knelt beside rivulets to drink. She swallowed the antihistamine that kept her allergies at bay. Other than looking for mushrooms, she listened for the lonely music of birds and–she confessed this later to Father Collins–stopped twice to masturbate. It was a still day with no rain or fog and no wind stirring branches in the trees, the kind of stillness that stops time, or seems to, for a hiker. The girl paused often to consider it and to acknowledge her aloneness. She prayed the rosary on her knees–it was Wednesday, November tenth, so she said the Glorious Mysteries–before following an elk trail into country she hadn’t visited or perhaps didn’t recall, a flat grown up with Douglas firs, choked by blowdowns and vine maple draped with witches’-hair. Here she lay in a bed of moss and was seized by a dream that she lay in moss while a shape, a form–a bird of prey, a luminous man–bore down on her from above.”

DavidGuterson

David Guterson (Seattle, 4 mei 1956)

 

De Duitse schrijver en dichter Wilhelm Lehmann werd geboren op 4 mei 1882 in Puerto Cabello, Venezuela.Zie ook mijn blog van 4 mei 2007.

Fahrt über den Plöner See

Es schieben sich wie Traumkulissen
Bauminseln stets erneut vorbei,
Als ob ein blaues Fest uns rufe,
Die Landschaft eine Bühne sei.

Sich wandelnd mit des Bootes Gleiten

Erfrischt den Blick Laub, Schilf und See:

Hier könnte Händels Oper spielen,

Vielleicht Acis und Galathee.

 

Die Finger schleifen durch die Wasser,

Ein Gurgeln quillt um Bordes Wand,

Die Ufer ziehn wie Melodieen,

Und meine sucht nach deiner Hand.

 

Wenn alle nun das Schifflein räumen,

Wir endigen noch nicht das Spiel.

Fährmann, die runde Fahrt noch einmal!

Sie selbst, ihr Ende nicht, das Ziel.

 

Es schieben sich wie Traumkulissen

Bauminseln stets erneut vorbei,

Als ob ein blaues Fest uns rufe,

Die Landschaft eine Bühne sei.

 

Sich wandelnd mit des Bootes Gleiten

Erfrischt den Blick Laub, Schilf und See:

Wir dürfen Händels Oper hören,

Man gibt Acis und Galathee.

 

Wir sehen, was wir hören, fühlen,
Die Ufer sind die Melodien;
Bei ihrem Nahen, ihrem Schwinden,
Wie gern mag uns das Schifflein ziehn!

Dort schwimmt bebuscht die Prinzeninsel,

Hier steigt die Kirche von Bosau

Wir fahren durch den Schreck der Zeiten,

Beisammen noch, geliebte Frau.

 

Heißt solcher Übermut vermessen?

Rächt sich am Traum der harte Tag?

Muß seine Eifersucht uns treffen,

Wie den Acis des Riesen Schlag?

 

Die Götter sind nicht liebeleer –

Was ihr den beiden tatet, tut!

Die Nymphe flüchtete ins Meer,

Acis zerrann zu Bachesflut.

 

lehmann1_250px
Wilhelm Lehmann (4 mei 1882 – 17 november 1968)
Tekening door Ludwig Meidner

 

 

De Duitse schrijver Werner Fritsch werd op 4 mei 1960 in Waldsassen geboren. Zie ook mijn blog van 4 mei 2007.

 

Uit: Der letzte Film (Werner Fritsch in gesprek met Stephanie Junge)

 

„In CHROMA spiele ich die Möglichkeiten des Lebensrückblicks mit „verzerrten Optiken” durch. Also die Episoden des „letzten Films” werden nicht authentisch rekonstruiert: so könnte es gewesen sein: Gründgens und Göring, Gründgens und Hitler etc., sondern Episoden dieses Lebens und Erlebens werden verdichtet, deformiert, verschoben unter den Vorzeichen des Alptraums, der Todesangst oder des Horrortrips: Ein großer Schauspieler, der Jahrhundert-Mephisto, stirbt. Er hat die Bühne für immer verlassen und sich auf Weltreise begeben. Die erste Station jedoch ist gleich der Tod. Dort, auf den Philippinen, wo er endlich leben und wohl auch sich ausleben wollte, wird er, der katholisch erzogene, jedoch kaum religiöse Schauspieler, mit echtem, nicht gespieltem Schmerz konfrontiert: in Gestalt von jungen Männern, die sich den Rücken blutig geißeln und sich kreuzigen lassen. Diese Bilderstellen sich in seinem Kopf beim Sterben in Manila ein. Am Karfreitag 2000 filmte ich eine Kreuzigung, der Schmerz war nicht gemalt oder gespielt wie im Passionsspiel oder im Hollywoodfilm, sondern echt: Die Nägel fahren wirklich ins Fleisch. Diese Bilder, dieser echte Schmerz ist der Kontrapunkt zum Schauspieler, der Schmerz und Tod darstellt. So ist Christus der größte Kontrapunkt zum Schauspieler, dessen Inbegriff für uns Deutsche in diesem Jahrhundert der Mephisto Gründgens’ ist. Aber ich will nicht zum wiederholten Male über Gründgens reden, sondern durch ihn hindurch: Gründgens ist nur die Grundlage, das Sprungbrett, der Schnittpunkt, um über Deutschland, den Fauststoff und über Tod/Schlaf und Leben/Traum nachzudenken.”

 

Fritsch

Werner Fritsch (Waldsassen 4, mei 1960)

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 4 mei 2007.

De Russische netkunstenares Olia Lialina werd geboren op 4 mei 1971 in Moskou.

Christiaan Weijts, Raymond Brulez, Heinrich von Kleist, Pierre Ambroise François Choderlos de Laclos

Op vrijdag 10 november maakt juryvoorzitter H.K.H. Prinses Laurentien bekend welk boek bekroond is met de AKO Literatuurprijs 2006. Hier schenk ik de komende tijd al wat aandacht aan de kandidaten op de shortlist. De tweede is Christiaan Weijts.

 

Christiaan Weijts (Leiden, 1976) studeerde Nederlands en Literatuurwetenschap in Leiden, en werkt als journalist voor het Leids universitair weekblad Mare. Eerder publiceerde hij Sluitingstijd (2003), een bundeling van zijn comlumns die hij wekelijks op de achterpagina van Mare schijft. Verder schreef hij columns voor het studentenmagazine Sum. Met Art. 285b maakt hij zijn romandebuut.

 

Uit: ART. 285b

Welkomstkorting

Laat je niks wijsmaken, het begint allemaal heel onschuldig. Met vingeroefeningen en post bijvoorbeeld. Ik heb geleerd die twee karweitjes gelijktijdig af te handelen, om er zo snel mogelijk vanaf te zijn. Je opent alle brieven, zet ze achterelkaar op de lessenaar en leest ze aandachtig door, terwijl je vingers ondertussen iets voor zichzelf mogen doen. Als je het vel omdraait, schuiven ze één toonsoort op. De post als schijnpartituur. Het is een oude truc van Clara Schumann, die overigens veel spannendere brieven kreeg dan ik.

 In de portiek scheidde ik vanmorgen de post van de reclame. Er was een Thaise bezorgdienst in mijn wijk gekomen, ik had een halve ton in een loterij gewonnen, de vissticks waren in de aanbieding. Dat waren op zich vrij gunstige ontwikkelingen, maar één brieflogo beloofde minder beste tijdingen: Politie Amsterdam-Amstelland, district vijf.

 Ik wist waar het om ging. Het kwam niet helemaal uit de lucht vallen. Het had natuurlijk met een vrouw te maken, zoals nagenoeg alle problemen die mannen zich op de hals halen.

 Ik zette de brief op de lessenaar en ging op het krukje zitten. Beethoven staarde me vermoeid en een tikkeltje bezorgd aan vanaf de litho boven de piano. Het schijnt dat Beethoven altijd ritueel met zijn handpalmen over de toetsen wreef voor hij begon, en daar is wel wat voor te zeggen. Zoals: het klavier ligt voor je, languit, als een vrouw, onder het dunste zijde. Met je palmen glijd je over het landschap van haar ribben en wrijf je de naakte huid tevoorschijn. Je voelt de randen van de toetsen, je hoort het doffe geratel waarmee ze terugvallen, een voor een.

 En langzaam wordt ze wakker. Je ziet het aan haar ademhaling, voelt het aan toetsen die tot leven komen. Ze draait zich om, nog slaperig eerst, en gloeit dan, naakt, warm op je palmen. Je voelt en weet hoe ze vraagt naar meer, hoe ze vingers vraagt, die je optilt in gevechtshouding, terwijl de lucht zich laadt tussen je vingertoppen en haar, die oor en stem ineen is.

‘Ik geef je een tramkaart,’ zei Victoria, toen ik haar een paar uur kende. ‘Voor naar het station.’ Uit haar lange suède jas met witte slierten aan de mouwen haalde ze er een tevoorschijn die aan twee kanten was te bestempelen.

‘Ik heb er nog maar één ritje mee gemaakt dus you go boy, all the way to Manhattan!’

We stonden bij de tramhalte naast het Concertgebouw. Het was half zes ’s ochtends, het tijdstip van krantenjongens, hondenbezitters en bezemwagens.

Ze vroeg: ‘Kun je me vingeren?’

Weijts

Christiaan Weijts (Leiden, 1976)

 

Raymond Brulez werd geboren te Blankenberge op 18 oktober 1895. Hij studeerde wijsbegeerte en letteren aan de Vrije Universiteit te Brussel. Van 1936 tot 1938 was hij werkzaam bij de nationale radio-omroep te Brussel als literair adviseur. Van 1945 tot 1960 vervulde hij bij dezelfde instelling de functie van directeur van de Vlaamse gesproken uitzendingen. Raymond Brulez debuteerde in 1930 met “André Terval”, een psychologische roman, gevolgd door o.a. “Sheherazade of De literatuur als losprijs” (1933), een bundel met fantastisch-wijsgerige verhalen. Zijn bekendste werk is de tetralogie “Mijn woningen” (1950-1954), bestaande uit “Het huis te Borgen”, “Het pact der Triumviren”, “De haven” en “Het mirakel der rozen”. Het is geromantiseerde autobiografie. Voor “Het huis te Borgen” ontving hij de driejaarlijkse Staatsprijs voor verhalend proza. Raymond Brulez stierf te Brussel op 17 augustus 1972.

Uit: Mémoires van een Borgenaar

“Vóór den oorlog (van 1914-1918), hielden mijn ouders een hotel te Borgen, een badstadje der Vlaamsche kust. Nu nog schemeren enkele letters van onzen naam ‘Van den Brande’ doorheen het dun geschilderde en banale ‘Hôtel Central’ waarin de nieuwe eigenaar het omdoopte.

Het meervoud ‘ouders’ geeft de werkelijkheid niet nauwkeurig weer. Vader bleek steeds uithuizig, ergens op het strand of in herbergen. Niet uit vadsigheid of drankzucht. Hij was de ideale politieker: trok zich de belangen der badkarhouders en visschers inniger ter harte dan de profijtelijke uitbating van zijn eigen onderneming. Hierover ergerde moeder zich niet. Zij was ‘mans’ genoeg om de zaak alleen te beheeren en vaders altruïstische bedrijvigheid had hem de waardigheid van schepen en provincieraadslid bezorgd. Ook mijn opvoeding was moeders monopolie. Zij omringde mij met de gestadige zorg van verbod en bevel; achtte mijn gezondheid maar volkomen gevrijwaard wanneer ik in onze duistere keuken zat, warmpjes beschut tegen de vochtigheid van het strand en de tochtgaten der dijktrappen. Moeder had een hekel aan de school: van daar bracht ik roodvonk mee alsook kameraadjes die op vrije namiddagen ongenood kwamen spelen. Niet dat zij mij wat pret zou misgund hebben. Maar die jongens bleven tot na koffietijd en aten lijk dijkdelvers, alhoewel hun boterhammen met een affronteerende zuinigheid gespreid werden.”

Brulez

Raymond Brulez (18 oktober 1895 – 17 augustus 1972)

 

Heinrich von Kleist werd geboren op 18 oktober 1777 in Frankfurt an der Oder.Het leven van Kleist, die reeds van nature uit een weinig stabiele persoonlijkheid had, werd volledig overhoop gegooid toen hij in 1801 de werken van Immanuel Kant las: deze periode staat bekend als Kleists Kant-crisis. De ideeën van deze filosoof deden hem grondig twijfelen aan het vooruitgangsoptimisme waaraan hij tot dan toe vastgehouden had; gecombineerd met een toenemende verbolgenheid omtrent de absolutistische staatsstructuur van Pruisen, brak hij zijn studies af en begon rond te reizen. Hij hoopte zijn oude idealen in Parijs terug te vinden, maar raakte er diep ontgoocheld door de wantoestanden van na de Franse Revolutie. Het bekendste werk van Kleist is de komedie Der zerbrochne Krug, ofschoon de première, in 1808 door Goethe geregisseerd, een mislukking was. Met Goethe had Kleist ook sterke meningsverschillen omtrent de keuzes die een mens ter beschikking staan: in tegenstelling tot Goethe geloofde Kleist niet meer aan het bestaan van waarheid en rechtvaardigheid, en het leven is voor hem intrinsiek onzeker. Dit ziet men reeds in zijn Familie Schroffenstein: het is een bloedige, haast cynische tragedie, waarin twee families gelijktijdig elkaars kinderen vermoorden. Ook de novelle Michael Kohlhaas heeft een misdadiger als hoofdpersonage, en het is moeilijk uit te maken of hij een goed of een slecht mens is. Daarnaast is de taal vaak nogal verwrongen: Kleist straalt iets opzettelijk kunstmatigs uit, dat de onechtheid van de wereld weerspiegelt. De karige steun van Goethe zorgde mede ervoor dat Kleist tijdens zijn leven niet de roem verwierf die hem na zijn dood te beurt zou vallen. Desalniettemin dient opgemerkt te worden, dat Kleist steeds een buitenstaander in zijn tijdsgeest was; pas in de 20ste eeuw werd zijn oeuvre, onder andere door Thomas Mann, werkelijk ‘ontdekt’.

Uit: Michael Kohlhaas

„An den Ufern der Havel lebte, um die Mitte des sechzehnten Jahrhunderts, ein Roßhändler, namens Michael Kohlhaas, Sohn eines Schulmeisters, einer der rechtschaffensten zugleich und entsetzlichsten Menschen seiner Zeit. – Dieser außerordentliche Mann würde, bis in sein dreißigstes Jahr für das Muster eines guten Staatsbürgers haben gelten können. Er besaß in einem Dorfe, das noch von ihm den Namen führt, einen Meierhof, auf welchem er sich durch sein Gewerbe ruhig ernährte; die Kinder, die ihm sein Weib schenkte, erzog er, in der Furcht Gottes, zur Arbeitsamkeit und Treue; nicht einer war unter seinen Nachbarn, der sich nicht seiner Wohltätigkeit, oder seiner Gerechtigkeit erfreut hätte; kurz, die Welt würde sein Andenken haben segnen müssen, wenn er in einer Tugend nicht ausgeschweift hätte. Das Rec
htgefühl aber machte ihn zum Räuber und Mörder.“

kleist

Heinrich von Kleist (18 oktober 17777 – 21 november 1811)

 

Pierre Ambroise François Choderlos de Laclos werd geboren in Amiens op 18 oktober 1741. Hij was een Franse legergeneraal en werd beroemd om zijn briefroman, Les liasons dangereuses, een klassiek meesterwerk dat verhaalt over verleiding, wraak en menselijke meedogenloosheid. De auteur had echter de bedoeling om met deze roman zijn tijdgenoten een spiegel voor te houden van de corruptheid en morele gedegenereerdheid van het Ancien Régime. Het boek is meermaals verfilmd, waarvan Dangerous Liaisons, de versie van Stephen Fears uit 1988, het bekendste is. In 1989 bracht Milos Forman Valmont uit.

Uit: Les liasons dangereuses

« Comme tu vas te moquer de la pauvre Cécile! Oh! j’ai été bien honteuse! Mais tu y aurais été attrapée comme moi. En entrant chez Maman, j’ai vu un Monsieur en noir, debout auprès d’elle. Je l’ai salué du mieux que j’ai pu, et suis restée sans pouvoir bouger de ma place. Tu juges combien je l’examinais! ” Madame ” , a-t-il dit à ma mère, en me saluant, ” voilà une charmante Demoiselle, et je sens mieux que jamais le prix de vos bontés. ” A ce propos si positif, il m’a pris un tremblement tel, que je ne pouvais me soutenir; j’ai trouvé un fauteuil, et je m’y suis assise, bien rouge et bien déconcertée. J’y étais à peine, que voilà cet homme à mes genoux. Ta pauvre Cécile alors a perdu la tête; j’étais, comme a dit Maman, tout effarouchée. Je me suis levée en jetant un cri perçant, … tiens, comme ce jour du tonnerre. Maman est partie d’un éclat de rire, en me disant: ” Eh bien! qu’avez-vous? Asseyez-vous et donnez votre pied à Monsieur. ” En effet, ma chère amie, le Monsieur était un Cordonnier. Je ne peux te rendre combien j’ai été honteuse: par bonheur il n’y avait que Maman. Je crois que, quand je serai mariée, je ne me servirai plus de ce Cordonnier-là. Conviens que nous voilà bien savantes! Adieu. Il est près de six heures, et ma Femme de chambre dit qu’il faut que je m’habille. Adieu, ma chère Sophie; je t’aime comme si j’étais encore au Couvent. »

 

CHODERLOS

Choderlos de Laclos (18 oktober 1741 –  5 september 1803)