Jacques Hamelink, Cees van der Pluijm, Haruki Murakami, Jakob M. R. Lenz, Charles Perrault

De Nederlandse dichter en schrijver Jacques Hamelink werd geboren op 12 januari 1939 in Driewegen, bij Terneuzen. Zie ook mijn blog van 12 januari 2007.

Grijsaard

Een koel masker van water
heeft hij opgezet en hij schaterlacht als dorre blaren
in november

heuvels zijn heksachtige schaduw
legenden zijn meest barse reservebronnen

zijn onontgonnen
gevoelens doen hem huiveren

zelfs als hij zich voor zijn kinderen vermomt
hoort hij hun beenetende bekken
het vlees wegrukken dat rest van zijn lachwekkende valleien

alleen als beneveling opkomt uit de diepte des avonds
en zijn struisvogelzonen weeklagend hun kop in het zand verstoppen
trekt hij oudere registers open

bast hij boosaardig en slapeloos
van gedwongen onthouding
naar de blote kikvorskwakende maan

die hem onder reusachtig gegrinnik van aardgeesten en eliksers
tenslotte haar aars toedraait waarop hij als de bliksem
zijn dorre winderig geworden voetstappen in de struiken wegbergt.

 

De bomen werden sinds eeuwen

De bomen werden sinds eeuwen terneergedrukt.
De lucht is te dun voor vuur. Geen stad
Tornt als onweer tegen de hellingen op.
Geen vleugel, geen vin verroert zich hier. Niemand
Graaft zich in, niets vermenigvuldigt.

Zilverkoud spat soms schitterende regen uiteen.
Kontinenten schaven onafgebroken aan de schaal van het water
Dat inscheurt als bij het baren.
In de holle stapelplaatsen van kelp en witkalk
Vreten dodende planten elkaar aan.

Het enige dier is de mens, in zijn teken –
Een breekbare regenboog – bedrijft hij vogelvlug liefde
En huist in zichzelf verdeeld in vliesdun geworden kathedralen en schelpen.
De stilte hangt ademloos in ontbinding.
De aarde klinkt steeds verder in.

hamelink

Jacques Hamelink (Terneuzen, 12 januari 1939)

 

De Nederlandse dichter, schrijver en columnist Cees van der Pluijm werd geboren op 12 januari 1954 te Radio Kootwijk (Gld.). Zie ook mijn blog van 12 januari 2007.

II  Saudade

Er loopt hier elke dag een jongen door mijn uitzicht
Hij wandelt door het klare noorderlicht, rechtop
Het kerkhof over naar het bos toe, zijn gezicht
Staat ernstig, bijna streng, hij heeft een haakse kop

Met stugge Beekse, bijna boerse stoere trekken
Ik zie hem ook wanneer ik in de Plusmarkt ben
Dan duwt hij winkelwagens weg of vult hij rekken
Hij wandelt in zijn pauze
– ’t is of ik hem ken

Soms knikt hij als ik schielijk langs hem heen loop
Met een pak melk of een fles wijn of een stuk kaas
Hij heeft het altijd zichtbaar druk, rent als een haas

Zichzelf en mij voorbij, een stormwolk aan de lucht…
Hij is mijn jeugd: niet meer te leen, te huur, te koop
Maar uitzichtloos voorbij, voorbij en op de vlucht

 

Uit: BEEK-UBBERGSE TANGO’S


O taaie januaridagen
Die traag in duisternis vergaan
Terwijl de bomen roerloos staan
En kaal geen blad of vrucht meer dragen

Je paden zijn zo vet als traan:
Door zware mist, die neergeslagen
Weer water wordt, en regenvlagen
Tot modderpoelen aangedaan

Je bos een boek – ik lees erin
Met tegenzin. Steeds stokt mijn hand
Zodat ik nog maar eens begin

Die bladzij die niet om wil slaan
Zij wijst het allerlaatste land
Vol taaie januaridagen

 

Uit: WINTER & HET WYLERBERGMEER

DE WATERVAL

Zo eindeloos als schaterlachend water
Is weinig in dit brekelijke leven:
Ononderbroken stroom, alleen gestold
Op foto’s van toeristen die voor later

Dit ene ogenblik gestalte geven
Waarin de tijd niet haastig verder holt
Maar stremt in dit voorgoed gekiekt geklater
Voor eeuwig stil, maar eeuwig duurt slechts even

Zo lang als de beschouwer is vergund
De eeuwigheid in water te ervaren
En kinderstemmen in de val te horen

Niets kan dit ruisend glaswerk evenaren:
Attractie door de jaren heen gemunt
Die iedere seconde wordt herboren

Cees_vd_Pluijm

Cees van der Pluijm (Radio Kootwijk, 12 januari 1954)

 

De Japanse schrijver en vertaler Haruki Murakami werd geboren op 12 januari 1949 in Kioto en groeide op in Kobe. Zijn vader was de zoon van een Boeddhistische priester. Zijn moeder was de dochter van een koopman uit Osaka. Beiden gaven les in Japanse literatuur. Murakami was echter altijd meer geïnteresseerd in de Amerikaanse literatuur, waardoor hij zich een westerse schrijfstijl eigen maakte, waarmee hij zich onderscheidde van zijn Japanse tijdgenoten. Murakami schreef geen fictie tot na zijn dertigste. In 1987 kwam zijn echte doorbraak bij de publicatie van Norwegian Wood, een nostalgisch verhaal over verlies en seksueel opgroeien. Van dit boek werden miljoenen exemplaren gekocht door Japanse jongeren, waarmee hij een nationale beroemdheid werd. In 1986 verliet hij Japan en reisde door Europa, waarna hij zich vestigde in de Verenigde Staten. Hij gaf daar onderwijs aan de universiteit van Princeton (New Jersey) en daarna aan de William Howard Taft University in Santa Ana, Cal. In deze periode schreef hij Dance, Dance, Dance en South of the Border, West of the Sun. Zie ook mijn blog van 1 maart 2007. 

Uit: Norwegian Wood

“Folding her arms and closing her eyes, Hatsumi sank back into the corner of the seat. Her small gold earrings caught the light as the taxi swayed. Her midnight blue dress seemed to have been made to match the darkness of the cab. Every now and then her thinly daubed, beautifully formed lips would quiver slightly as if she had caught herself on the verge of talking to herself. Watching her, I could see why Nagasawa had chosen her as his special companion. There were any number of women more beautiful than Hatsumi, and Nagasawa could have made any of them his. But Hatsumi had some quality that could send a tremor through your heart. It was nothing forceful. The power she exerted was a subtle thing, but it called forth deep resonances. I watched her all the way to Shibuya, and wondered, without ever finding an answer, what this emotional reverberation that I was feeling could be.
It finally hit me some dozen or so years later. I had come to Santa Fe to interview a painter and was sitting in a local pizza parlor, drinking beer and eating pizza and watching a miraculously beautiful sunset. Everything was soaked in brilliant red—my hand, the plate, the table, the world—as if some special kind of fruit juice had splashed down on everything. In the midst of this overwhelming sunset, the image of Hatsumi flashed into my mind, and in that moment I understood what that tremor of the heart had been. It was a kind of childhood longing that had always remained—and would forever remain—unfulfilled. I had forgotten the existence of such innocent, all-but-seared-in longing: forgotten for years to remember what such feelings had ever existed inside of me. What Hatsumi had stirred in me was a part of my very self that had long lain dormant. And when the realization struck me, it aroused such sorrow I almost burst into tears. She had been an absolutely special woman. Someone should have done something—anything—to save her.”

Murakami

Haruki Murakami (Kioto, 12 januari 1949)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 12 januari 2007.

 

De Duitse schrijver Jakob Michael Reinhold Lenz werd geboren op 12 januari 1751 in Seßwegen.

 
De Franse schrijver Charles Perrault werd geboren op 12 januari 1628 in Parijs.

 

Jacques Hamelink, Cees van der Pluijm, Jakob Michael Reinhold Lenz, Charles Perrault

Jacques Hamelink werd geboren op 12 januari 1939 in Driewegen, Terneuzen. Hij studeerde Nederlandse taal- en letterkunde te Tilburg en gaf les, maar leeft sinds 1963 van zijn pen. Trok met zijn poëzie en proza de aandacht van de groep rond Merlijn, waarin hij regelmatig publiceerde. Voor de verhalenbundel Het plantaardig bewind (1964) onving hij zowel de Vijverbergprijs als de Van der Hoogtprijs. Hamelinks verhalen spelen beschaving en techniek uit tegen de primitieve natuur. In Ranonkel of de geschiedenis van een verzelving (1969) maakt hij gebruik van bijbelse en marxistische thema’s om een apocalyptische sfeer op te roepen van een naar de ondergang neigende beschaving, waarin slechts door de jeugd nog plaats is voor hoop. Hamelinks gedichten vertonen dezelfde thematiek als zijn proza: de mens als vluchtig verschijnsel tegenover een geologisch tijdsbesef dat de eeuwigheid en de natuur omvat (bijv. De eeuwige dag, 1964; Een koude onrust, 1967). Oudere gronden (1969) en Geest van spraak en tegenspraak (1971) voegen daar de thema’s van lediggang en onthechting aan toe.

Equilibrium

Nacht roert geheimtaal aan.

Mijn slijmmond heeft de smaak van pepermunt.

Hees bloedgroepgevoel: ik ben mijn eigen kind.

 

De huid sluit nauw om het vlees.

Ononderbroken klokken uren met droge keel.

In holten van kalmoes tovert de wind.

 

Ik ben geheel één met mijn lichaam,

Een koortsvrome gezindte. Ergens in huis is schik

Omdat de kerkdienst nog niet begint.

 

Bivak

Herfst. Wij huizen in schuilkelders.

Egelstellingen werden betrokken. Wij zijn

Roestende legers, nevelbruiden.

 

Middeleeuws liggen de akkers bekleed

Met bossen en steden. Onze lichamen

Raken verkleefd aan meeldraden, dicht.

 

Ontheemd zijn wij weerom,

Aangewezen op droogkruiden,

Duizelingen, wervelgaten, lichtekooien.

 

Mompelen in onze keel, mompelen

Beweert veel meer dan wij weten

Aan warme kleinsteedse geheimenissen,

Mompelen en zich vergissen in wegen.

 

Wij zitten stil, witbezweet opeens,

Onbekend in slaapwandelende winterkwartieren:

 

Kilte en vroege koningsveren van kinderen.

 

Hamelink

Jacques Hamelink (Terneuzen, 12 januari 1939)

 

Cees van der Pluijm werd geboren op 12 januari 1954 te Radio Kootwijk (Gld.). Hij studeerde Nederlands, Algemene Literatuurwetenschap en Zuid-Afrikaanse taal- en letterkunde. Hij publiceert sinds 1980 poëzie, proza, essays, drama, liedteksten en light verse. Daarnaast presenteert hij theatertalkshows, is hij dagvoorzitter bij conferenties, treedt hij op als trainer en acteur in communicatietrainingen, is hij uitgever en doceert hij aan de Schrijfopleiding van de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht o.a. poëzieschrijven, beschouwend schrijven en literatuurbeschouwing. Cees van der Pluijm werkte samen en publiceerde met Robert Long, Drs. P en Jules de Corte, voor wie hij ook als tekstbezorger optrad. Tot 1990 publiceerde hij ook onder de namen Peter Coret en Paul Lemmens. Werk van hem werd opgenomen in meer dan vijftig bloemlezingen en essaybundels en in tientallen dag- en weekbladen

 

Oude liefde hoeft niet

Weet nu je weggaat dat veel ongezegd blijft
Weet dat er veel is, dat met je vertrekt
Dat je herinnering zuiver en echt blijft
En dat die toch nog vertedering wekt

Liefde kan overgaan, maar niet volledig
Want de geschiedenis kan niet gestopt
Maar het verschil was te onevenredig
Wat moet je doen, als het hart niet meer klopt?

Zie deze ingreep als levenverlengend
Niet voor ons samen – voor ieder apart
Liefde moet nieuw blijven, fel en verzengend
Zonder dat vuur wordt het kil en benard

Tracht wat gebeurd is te relativeren
En houd in ere wat jou en mij bond
Al zal ik straks weer een ander begeren
Nooit zoek ik meer wat ik ooit in jou vond

 

Roemeense reisbrief

Een restaurant in zomers Boekarest
We zitten in de zwoele open lucht
Er is geen zuchtje wind. Dan, plotseling
Weerklinkt het spelen van een klein orkest

De muzikanten weren zich geducht
De violisten, in een halve kring,
Zijn in de snelle stukken op hun best
Ze lijken voor hun weemoed op de vlucht

Maar ’t is niet hun muziek die ik bezing
Het is het beeld dat niet meer van mij wijkt
Van ’t jongste violistje van de acht:

Terwijl hij in vervoering verderstrijkt
Wendt hij zijn blik naar mij. En zie: hij lacht!
Hij kijkt en lacht en kijkt en lacht en kijkt

 

2004 – 3

Je weet dat alles kan nu niets meer hoeft
Je hebt geen woorden nodig om te zeggen
Dat je aan niemand iets hoeft uit te leggen
De stilte is vooroorlogs en beproefd

Soms dringt er iets van vroeger tot je door
Een voetstap die nabijkomt en verdwijnt
Een flits van hoe de zon een huis beschijnt
Een flard van een gezicht, een mond, een oor

Dan zak je weg, een zinken zonder water
Waarin het licht almaar diffuser wordt
Je zweeft een zachte bodem tegemoet

En landt wanneer je zelfs niet meer vermoedt
Dat dit de aankomst is die lang of kort
De route vormt naar tussen nu en later

cees2004

Cees van der Pluijm (Radio Kootwijk, 12 januari 1954)

 

De Duitse schrijver Jakob Michael Reinhold Lenz werd geboren op 12 januari 1751 in Seßwegen. Lenz was de zoon van een dominee. Op zijn achtste verhuisde hij met het gezin naar Dorpat in Estland. In 1768 ging hij in Königsberg, het huidige Kaliningrad, theologie studeren (deze studie zou hij echter nooit voltooien); hij kreeg tevens les van Immanuel Kant, en schreef zijn eerste gedichten, waaronder Die Landplagen, dat hij aan Tsarin Katharina II opdroeg. Zijn literaire activiteiten kwamen volop op gang nadat hij in 1771 in Straatsburg, waar hij verder studeerde, Goethe had ontmoet. Lenz was er werkzaam als een soort kamergeleerde of mentor voor twee adellijke broers die in het Franse leger werkzaam waren; nadat hij in 1774 door hen verlaten was en als freelancer aan de bak poogde te komen, publiceerde hij zijn beroemde komedie Der Hofmeister, over zijn ervaringen als privéleraar in 1769. Lenz las vele werken van andere schrijvers en hield zich met vertalingen van toneelwerk bezig. Lenz’ verering voor Goethe nam welhaast obsessieve proporties aan: Friederike Brion, die door Goethe was verlaten, werd zijn volgende ongelukkige liefde, gevolgd door Goethes zuster Cornelia en de schrijfster Sophie La Roche, die eveneens een vriendin van Goethe was. Ten langen leste bezocht hij Goethe onaangekondigd in Weimar. In Tantalus. Ein Dramolet, auf dem Olymp stelt hij, weliswaar ironisch, Weimar als de Olympus voor, het hof van oppergod Goethe. Het duurde niet lang meer vooraleer Goethe, die zich langzaam aan van de Sturm und Drang aan het afkeren was, genoeg kreeg van Lenz — het kwam tot een definitieve breuk, en Lenz werd het land uitgezet. Vanaf die tijd begonnen zijn wispelturige gedragingen problematisch te worden. In 1777 verbleef hij eerst een tijdje bij Goethes zwager in Emmendingen, om vervolgens door Zwitserland rond te trekken, steeds vaker last krijgend van waanzinsaanvallen.

 

Uit: Der Hofmeister

Zu Insterburg in Preussen.

Läuffer.
Mein Vater sagt: ich sey nicht tauglich zum Adjunkt. Ich glaube, der Fehler liegt in seinem Beutel; er will keinen bezahlen. Zum Pfaffen bin ich auch zu jung, zu gut gewachsen, habe zu viel Welt gesehn und bey der Stadtschule hat mich der geheime Rath nicht annehmen wollen. Mag’s! er ist ein Pedant und dem ist freylich der Teufel selber nicht gelehrt genug. Im halben Jahr hätt’ ich doch wieder eingeholt, was ich von der Schule mitgebracht, und dann wär’ ich für einen Klassenpräceptor noch immer viel zu gelehrt gewesen, aber der Herr geheime Rath muß das Ding besser verstehen. Er nennt mich immer nur Monsieur Läuffer, und wenn wir von Leipzig sprechen, fragt er nach Händels Kuchengarten und Richters Kaffehaus, ich weiß nicht: soll das Satyre seyn, oder – Ich hab’ ihn doch mit unserm Konrektor bisweilen tiefsinnig genug diskuriren hören; er sieht mich vermuthlich nicht für voll an. – Da kommt er eben mit dem Major; ich weiß nicht, ich scheu ihn ärger als den Teufel. Der Kerl hat etwas in seinem Gesicht, das mir unerträglich ist. (geht dem geheimen Rath und dem Major mit viel freundlichen Scharrfüssen vorbey.)”

Lenz_298

Jakob Michael Reinhold Lenz (12 januari 1751- 24 mei 1792)

 

De Franse schrijver Charles Perrault werd geboren op 12 januari 1628 in Parijs uit een rijke familie. Hij studeerde rechten, en begon een carrière als ambtenaar. Hij was lid van de Académie française, en een belangrijk intellectueel. In 1683 publiceerde hij zijn bekendste werk, Histoires ou contes du temps passé, avec des moralités: Contes de ma mère l’Oye. Het is een verzameling volksverhalen en sprookjes. Het werd een internationaal beroemd boek onder zijn ondertitel, en de verhalen zijn bekend als De sprookjes van Moeder de Gans. Meteen was een nieuw literair genre geboren: het sprookje. Bekende sprookjes uit de verzameling van Perrault: Assepoester, Roodkapje, Kleinduimpje, De gelaarsde kat, De schone slaapster in het bos.

 

Uit: Cendrillon (Assepoester)

 

« Il était une fois un gentilhomme qui épousa en secondes noces une femme, la plus hautaine et la plus fière qu’on eût jamais vue. Elle avait deux filles de son humeur, et qui lui ressemblaient en toutes choses. Le mari avait de son côté une jeune fille, mais d’une douceur et d’une bonté sans exemple; elle tenait cela de sa mère, qui était la meilleure femme du monde. Les noces ne furent pas plus tôt faites, que la belle-mère fit éclater sa mauvaise humeur; elle ne put souffrir les bonnes qualités de cette jeune enfant, qui rendaient ses filles encore plus haïssables. Elle la chargea des plus viles occupations de la maison : c’était elle qui nettoyait la vaisselle et les montées, qui frottait la chambre de madame, et celles de mesdemoiselles ses filles. Elle couchait tout en haut de la maison, dans un grenier, sur une méchante paillasse, pendant que ses sœ urs étaient dans des chambres parquetées, où elles avaient des lits des plus à la mode, et des miroirs où elles se voyaient depuis les pieds jusqu’à la tête. La pauvre fille souffrait tout avec patience, et n’osait s’en plaindre à son père qui l’aurait grondée, parce que sa femme le gouvernait entièrement. Lorsqu’elle avait fait son ouvrage, elle s’en allait au coin de la cheminée, et s’asseoir dans les cendres, ce qui faisait qu’on l’appelait communément dans le logis Cucendron. La cadette, qui n’était pas si malhonnête que son aînée, l’appelait Cendrillon; cependant Cendrillon, avec ses méchants habits, ne laissait pas d’être cent fois plus belle que ses sœ urs, quoique vêtues très magnifiquement. »

 

Perrault

Charles Perrault (12 januari 1628 – 16 mei 1703)