Oek de Jong, Matthieu Gosztola, Charles Frazier, Gabriel Loidolt, Cynthia Mc Leod, Herbert Kranz, Roy Alton Blount Jr, Hugh McCrae, Jacky Collins, André Salmon, Juliette Adam, Eugène Pottier

De Nederlandse schrijver Oek de Jong werd geboren in Breda op 4 oktober 1952. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2007 en ook mijn blog van 4 oktober 2008 en ook mijn blog van 4 oktober 2009.

Uit: Opwaaiende zomerjurken

 ‘Hij had zich vastgeklemd en niet begrepen wat hen bezielde. Maar toen hield opeens het zenuwslopende geratel van het stokje langs de spaken op, was er alleen nog het suizen van de wind, het fladderen van hun jurken en leek het of hij zich na een lange aanloop in de lucht verhief en in plotselinge stilte wegzweefde. Een onbeschrijflijk licht en ruim gevoel. Hij zat nog gewoon op die wiebelende bagagedrager. Hij voelde de heupen van zijn moeder bewegen onder zijn handen. Hij zag de gespierde benen van mevrouw Koelman. En die zomerjurken, nu eens klevend aan hun benen, dan weer opbollend als kleine parachutes. Alles was gewoon zoals het was. Maar hij hoorde bij alles en zweefde.’

(…)

‘Hij buigt zich naar voren en kust haar mond, zo zacht als hij kan, om een nieuw gevoel in haar over te laten stromen. Vanavond zal ik haar het vlinderkusje leren. En dan heeft ze hem al tussen haar benen getrokken, kust ze zijn vingers, stopt die in haar mond.’

(…)

‘Je hebt iemand ontmoet die je al jaren lijkt te kennen. Ga met hem mee, hij zal je een kamer in zijn huis geven… Hij zal je volgen in je eindeloze redeneringen, hij zal je gevoelens peilen. Waar anderen afhaken, je alleen laten in je extremiteiten, zal hij je volgen… Hij overtreft je in alles. Hij kan je platpraten, je zelfbeheersing breken, je buiten jezelf brengen. Met zijn hulp zullen de regels en de theorieën en datgene wat zich daaraan onttrekt tot een eenheid worden. Je zult die vervloekte gespletenheid te boven komen. Geen angst meer, geen schuilplaatsen. Twee jaar zal ik zijn leerling zijn. Daarna schrijf ik mijn encyclopedie van het geluk.’

dejong

Oek de Jong (Breda, 4 oktober 1952)
In 1980 bij de uitreiking van de Bordewijkprijs, met Andreas Burnier

 

De Franse dichter en schrijver Matthieu Gosztola werd geboren op 4 oktober 1981 in Le Mans (Sarthe). Zie ook mijn blog van 4 oktober 2009.

Uit: Traveling

Chaque matin
La veuve emplit deux tasses

Chaque matin
Elle vide le contenu d’une tasse
Dans l’évier

*

Le corps debout dans la cuisine
Elle égrène un chapelet de groseilles

*

Il y a quelques jours encore
Tout était à sa place

Au réveil
J’ai assisté impuissant à
La dispersion des feuilles de mon arbre
Dans le vent jaune

gosztola

Matthieu Gosztola (Le Mans, 4 oktober 1981)

 

De Amerikaanse schrijver Charles Frazier werd geboren op 4 oktober 1950 in Asheville, North Carolina. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2009.

Uit: Thirteen Moons

„There is no scatheless rapture. Love and time put me in this condition. I am leaving soon for the Nightland, where all the ghosts of men and animals yearn to travel. We’re called to it. I feel it pulling at me, same as everyone else. It is the last unmapped country, and a dark way getting there. A sorrowful path. And maybe not exactly Paradise at the end. The belief I’ve acquired over a generous and nevertheless inadequate time on earth is that we arrive in the afterlife as broken as when we departed from the world. But, on the other hand, I’ve always enjoyed a journey.

Cloudy days, I sit by the fire and talk nothing but Cherokee. Or else I sit silent with pen and paper, rendering the language into Sequoyah’s syllabary, the characters forming under my hand like hen-scratch hieroglyphs. On sunny days, I usually rock on the porch wrapped in a blanket and read and admire the vista. Many decades ago, when I built my farm out of raw land, I oriented the front of the house to aim west toward the highest range of mountains. It is a grand long view. The river and valley, and then the coves and blue ridges heaved up and ragged to the limits of eyesight.

Bear and I once owned all the landscape visible from my porch and a great deal more. People claimed that in Old Europe our holdings would have been enough land to make a minor country. Now I have just the one little cove opening onto the river. The hideous new railroad, of which I own quite a few shares, runs through my front yard. The black trains come smoking along twice a day, and in the summer when the house windows are open, the help wipes the soot off the horizontal faces of furniture at least three times a week. On the other side of the river is a road that has been there as some form of passway since the time of elk and buffalo, both long since extinguished. Now, mules drawing wagons flare sideways in the traces when automobiles pass.“

frazier

Charles Frazier (Asheville, 4 oktober 1950)

 

De Oostenrijkse schrijver Gabriel Loidolt werd geboren op 4 oktober 1953 in Eibiswald. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2009.

Uit: Hurensohn

„Eigentlich wollte ich meine Hurenmutter gar nicht umbringen. Nicht, als ich sie die Treppe hinunterstürzte. Trotzdem bin ich ein Mutterverbrecher geworden, das ist eine Tragödie. In meiner Wut habe ich natürlich oft gedacht: Ich bringe sie um! Denn stets mußte ich nach ihrer Pfeife tanzen. Trotzdem konnte ich ihr nie etwas recht machen. Auch sie wollte mich oft umbringen: “Picka ti materina!” fluchte sie bei jeder Gelegenheit. “Man sollte dich wie eine Laus erschlagen, du undankbarer Idiot!”

Wir verstanden einander nie gut, das stimmt. Doch richtig schlimm wurde es erst, als ich erfuhr, was meine Mutter tatsächlich trieb. Damals besuchte ich bereits die zweite Klasse der normalen Schule, ganz in meiner Nähe. Ich hatte keine guten Noten, aber ich war nicht sitzengeblieben. Ich verstand und sprach gut Deutsch und liebte diese Sprache sogar. “Deutsch ist nur so schwer, weil die Österreicher es nicht beherrschen!” sagte Onkel Ante. “Laß einen Politiker bis drei zählen, und du weißt, aus welchem Stall er kommt!” Die meisten Schüler in der Schule allerdings sprachen nicht das schöne Deutsch von Jakov, ja auch nicht das meines Onkels, der fast so perfekt wie Jakov sprach. Deshalb wurde ich bald als unechter Österreicher erkannt, obwohl ich doch ein Eingeborener war wie die meisten meiner Mitschüler. Aber eben kein echter Eingeborener, weil meine Mutter noch den roten Paß hatte, nicht den grünen. So war ich zuerst ein Balkanier, dann ein Jugo und schließlich ein Tschusch. Ich wagte immer seltener, meinen Mund aufzumachen, ich begann mich vor der Schule zu fürchten. Ich schwitzte, wenn ich aufstehen und zur Strafe bis hundert zählen sollte. Bevor ich den Mund aufmachte, hörte ich Onkel Ante zählen, ich hörte Jakov, Tante Ljiljana, meine Mutter und in abwechselndem Echo meine Mitschüler aus meiner Lebensstadt und den todesgefährlichen Zeckendörfern der echten Eingeborenen. Ich begann zu zählen, die halbe Klasse kicherte. Da schlug der Herr Lehrer mit seinem Lineal auf den Tisch, und ich durfte mich setzen.“

loidolt

Gabriel Loidolt (Eibiswald, 4 oktober 1953)

 

De Surinaamse schrijfster Cynthia Henri Mc Leod werd geboren op 4 oktober 1936 in Paramaribo als Cynthia Ferrier. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2006 en ook mijn blog van 4 oktober 2008 en ook mijn blog van 4 oktober 2009.

Uit: Hoe duur was de suiker?

„Als de Basya de jongens hun zweepslagen had gegeven, kon de groep vertrekken. En nadat de zweep was neergeknald op de magere blote ruggen van Tenu en Kobi en beide jongens huilend naar hun werkterrein waren gestrompeld, kon de ongeveer 60 man sterke groep zich opsplitsen. De veldgroep, ± 40 man, vertrok het eerst; zwijgend, de meesten op een ‘alanga tiki’1 kauwend, zette de groep zich in beweging; 2 droegen een bos bananen op het hoofd, en een ander weer een bundel tajer, dat was voor de maaltijd die in het veld gekookt werd in 2 grote ijzeren kookpotten. De basya met een zweep in de ene hand en een houwer in de andere, liep helemaal achteraan. Een ander zestal ging naar de suikermolen, een paar naar het suiker kookhuis, weer een stel ging naar de timmerloods, 2 naar het botenhuis en 2 ouderen naar de omgeving van het plantagehuis om met hark, tjap en gieter te zorgen dat daar alles mooi en schoon was. Ook een vijftal vrouwen en meisjes, de huisslavinnen en 2 futuboi’s, evenals Sydni, de lijfslaaf van de masra, gingen naar het witte huis dat er nog slapend uitzag door alle gesloten vensters en deuren. Opzichter Mekers ging eerst naar zijn eigen woning waar zijn slavin het ontbijt al had klaargemaakt.

Van de gedekte tafel kwam hem al een heerlijke geur tegemoet van gebakken eieren en vers gezette koffie. Een nieuwe dag was begonnen. Voor de slaven, een nieuwe dag van hard werken, een nieuwe dag in de reeks van eindeloze dagen zonder vooruitzicht.“

mcleod

Cynthia Mc Leod (Paramaribo, 4 oktober 1936)

 

De Amerikaanse schrijver, journalist, musicus en acteur  Roy Alton Blount Jr. werd geboren op 4 oktober 1941 in Indianapolis, Indiana. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2008 en ook mijn blog van 4 oktober 2009.

Uit: Feet on the Street

„Since the Mississippi flows generally south from its origin in Minnesota to the Gulf of Mexico, you expect a town on the river to be on the east bank or the west. But at New Orleans the river flows eastwardly, sort of, so New Orleans is on the north bank, sort of. On the other side of the river is an area known, to be sure, as West Bank, but most of it lies either south or east of the river. On a map you can see: if the river were straight, New Orleans would be almost horizontal, right to left, east to west, between the river to the south and Lake Pontchartrain (as big as Rhode Island) to the north. But the river is crooked. The best known parts of New Orleans form a sort of tipped-forward S along bends in the river, from Uptown and the Garden District through Downtown, the French Quarter, and on around eastward into Fauxborg Marigny and the Bywater. Within this S, Uptown is south (upriver) and Downtown north (downriver), because the river takes a northerly hitch. However, the part of the Quarter that is farthest downtown is referred to as the upper Quarter, though I have heard it called the lower.

So when I tell you that I am pretty damn sure that in 1998, during Hurricane Georges, I saw the river, at least the topmost layer of it, flowing backward (because the wind was blowing so hard southerly along that northerly hitch), you can see why I might not be absolutely sure.

It was late and I was by myself at the time, nobody else was around. And I was feeling let down, because although the wind was blowing hard, and half the population had been evacuated, and thousands who’d stayed had been herded into the Superdome for their safety, and my friend Greg Jaynes and I had taken refuge in the shuttered-up Burgundy Street home of my friend Curtis Wilkie, it was clear that this was not going to be the Big One: the full force of Georges was going to miss us.“

blount

Roy Alton Blount Jr. (Indianapolis,  4 oktober 1941)

 

De Duitse schrijver Herbert Kranz werd geboren op 4 oktober 1891 in Nordhausen. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2008 en ook mijn blog van 4 oktober 2009.

Uit: Flucht zu den Eishai-Jägern

„Die drei Herren von der ‚kanadischen Kommission’ waren aufs beste aufgenommen worden. Sie hatten im Flughafengebäude die Zimmer bekommen, die für Ehrengäste vorgesehen waren.

Sie waren durch alle Räume geführt worden. Sie hatten sich im Dispatch-Center, der Herzkammer des Flugbetriebs gründlich aufgehalten. Sie hatten zugesehen, wie für jede Maschine, die von Kopenhagen aus ihre weite Reise antrat, je nach Typ und Wetterlage, genau errechnet wurde, wie viel Brennstoff sie mitnehmen musste, wie viel davon der Captain der Maschine von Funkfeuer zu Funkfeuer der Strecke verbrauchen durfte, welche Höhen er einhalten, wie er die Flugzeit einteilen musste, was für Wind er zu erwarten, welche Nebelbänke er zu vermeiden hatte – wie die Wetterlage jetzt war, wie sie voraussichtlich nach fünf Flugstunden sein würde. Sie sahen, wie die Flugkapitäne vor ihrem Abflug die Flugpläne in die Hand bekamen, in denen über siebenhundert Rubriken mit Zahlen ausgefüllt waren, an denen das Schicksal ihres Fluges hing. Sie sahen, wie die schweigsamen

Männer mit den ernsten, kühnen Gesichtern diese Papierblätter überflogen und dann den inhaltsschweren Satz unterschrieben, mit dem sie darüber quittierten: „Hierdurch bestätige ich, dass

ich alle Unterlagen erhalten habe, die ich gemäß den Vorschriften für meinen Flug bekommen muss, und dass ich nach bestem Wissen und Gewissen für die Sicherheit des Fluges einstehe.

Dann tippten sie mit dem Finger an den Rand ihrer Mütze, zündeten sich eine letzte Zigarette an und gingen in ihrer Fliegerkleidung langsam zu den Maschinen, wahrhafte Ritter des 20. Jahrhunderts.“

kranz

Herbert Kranz (4 oktober 1991 – 30 augustus 1973)

 

De Australische dichter en schrijver Hugh Raymond McCrae werd geboren op 4 oktober 1876 in Melbourne. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2008 en ook mijn blog van 4 oktober 2009.

A Bridal Song

SHE is more sparkling beautiful
Than dawn-light seen thro’ tears
The weeping worlds of Paradise
Shed down upon the spheres.

Her eyes are bright and passionate
With love’s immortal flame—
The flowers of a wildwood tree
In petals write her name.

Her breath of life ’s so wondrous sweet
The bees halt, in amaze,
Their streaming honey-laden fleet
Above the meadow ways;

And every little singing thing
Atween the breasted hill
And God’s high-vaulted cloistering
Upraises with a will

Paeans of laud, and cheery chaunts
Of her, who now is mine—
Queen-Angel of angelic haunts
Thro’ months of mead and wine.

mccrae

 Hugh McCrae (4 oktober – 1876 – 17 februari 1958)

 

De Britse schrijfster Jacky Collins werd geboren in Londen op 4 oktober 1937. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2009.

Uit: Drop Dead Beautiful

 „Drop Dead Beautiful. The three little words were scrawled on the Cartier card Lucky Santangelo had just opened. Hand-delivered, the note had been brought up to the house in Bel Air by Philippe, her houseman, who’d discovered it in the mailbox at the end of the driveway.

Drop Dead Beautiful. No signature, no return address.

Was it an invitation to an upcoming event too clever for its own good?

Whatever. One quick glance at the card, and Lucky tossed it in the trash.

Lucky Santangelo. A dangerously seductive woman with blacker-than-night eyes, full sensuous lips, a tangle of long jet-black hair, deep olive skin, and a lithe body. Wherever she went, Lucky still brought a room to a standstill, for not only was she wildly beautiful, she was also a powerhouse — a woman to be reckoned with, a force of nature. Street-smart and forever savvy — Lucky Santangelo had it all.

In her past, she’d built hotels in Vegas, owned a major movie studio, and been married three times. She’d also survived much heartache. Her mother, Maria, had been murdered when she was five years old. Her brother, Dario, was shot to death and tossed from a moving car. Then finally her fiancé, Marco, was gunned down in the parking lot of her Vegas hotel.“

 collins

Jacky Collins (Londen, 4 oktober 1937)

 

De Franse dichter en criticus André Salmon werd geboren op 4 oktober 1881 in Parijs. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2009.

La Marchande d’Images

C’est la vieille qui fume la pipe,
Elle est de Bruxelles en Brabant
Et vend l’Histoire du Juif-Errant,
La légende tendre et terrible
Du Petit-Poucet qui semait des cailloux
Sur son chemin ainsi que font les fous
Et les poètes qui vont semant des étoiles
Sans se douter qu’ils sont sur des vaissseaux sans voiles ;
Elle vend des chansons bleues et des romans noirs,
Elle a le Messager Boiteux de Strasbourg et l’Histoire
De la Dame du Lac et du beau Lancelot,
Elle vend du tumulte, du rire et des sanglots,
Des contes très pervers parfumés de morale
Et l’Histoire en couleurs du Petit Caporal.
Dans son vieux sac, il y a de petites choses qui brillent,
Elle porte, dit-on, des messages aux filles,
Mais je crois qu’on la calomnie.
Je l’ai vue souvent dans les champs,
Elle n’avait pas l’air méchant,
Sa jupe rouge dans l’herbe verte
Semblait flamber sur son échine
Et dans sa bouche entrouverte
Deux dents souillées de nicotine
Frémissaient comme ses narines.
Je crois qu’elle a toujours vécu
Et le Juif-Errant la connaît
Et peut-être a-t-elle tenu
Sur les marches du palais
Le beau manteau d’or sur fond blanc
De Geneviève de Brabant.
Vieux poète en jupon! viens donc, lorsqu’il fait soir
Dans mon cœur, m’enseigner tes plus belles histoires
Pour que mon âme épouse l’âme des amoureuses
Qu’emporte la fumée de ta pipe crasseuse.

salmon

André Salmon (4 oktober 1881 – 12 maart 1969)

 

De Franse schrijfster, polemiste en feministe Juliette Adam werd als Juliette Lamber geboren op 4 oktober 1836 in Verberie. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2008 en ook mijn blog van 4 oktober 2009.

Uit My Literary Life

More friends one fine day who should come to see me but Arles-Dufour and Lambert-Bey, delegated by the Pere Enfantin, to ask me to preside at a banquet which the heads of the Saint-Simonian School proposed to give in my honour. I hesitated to accept it in spite of the spontaneous sympathy with which Arles-Dufour inspired me. I have never met any one for whom I felt such a sudden filial inclination. The first time he called me ” my child,” I wished to answer him ” Father.” He had a noble and beautiful face. Very simple in his speech and manner, he impressed one as possessing great kindness and much dignity. This came, perhaps, from the fact that he had always thought and acted with perfect freedom. His dominant passion, he said, ” was liberty under all its forms, even eccentric ones.” Arles-Dufour was one of the rare Saint-Simo- nians who had remained convinced of the integral truth of the school’s principles. All his life he had felt an intense desire to raise woman from the state of inferiority in which he found her in France. It was through him, at Lyons, that the first woman was made a Bachelor of Letters; he took great interest in governesses and women doctors. He was very generous. He devoted a certain portion of his earnings to gifts under the form of loans. It was the bank that lent, not himself. When a debtor reimbursed his loan, it went to the bank. When there were good returns, it lent a great deal; when the bank was exhausted, nothing was given. Arles-Dufour insisted upon my accepting his ” brothers’ ” and friends’ banquet. Lambert-Bey invited me especially in the Pere Enfantin’s name, who saw in me, as Saint-Simon had seen in Madame de Stael—fancy, how flattering it was!—the woman hoped for since the school’s foundation,“[…]“

 adam

Juliette Adam (4 oktober 1836 – 23 augustus 1936)

 

De Franse dichter Eugène Edine Pottier werd geboren op 4 oktober 1816 in Parijs. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2009.

L’internationale

Debout ! les damnés de la terre !
Debout ! les forçats de la faim !
La raison tonne en son cratère,
C’est l’éruption de la fin.
Du passé faisons table rase,
Foule esclave, debout ! debout !
Le monde va changer de base :
Nous ne sommes rien, soyons tout !

Refrain : (2 fois sur deux airs différents)

C’est la lutte finale
Groupons-nous, et demain,
L’Internationale,
Sera le genre humain.

Il n’est pas de sauveurs suprêmes,
Ni Dieu, ni César, ni tribun,
Producteurs sauvons-nous nous-mêmes !
Décrétons le salut commun !
Pour que le voleur rende gorge,
Pour tirer l’esprit du cachot,
Soufflons nous-mêmes notre forge,
Battons le fer tant qu’il est chaud !

Refrain

L’État comprime et la loi triche,
L’impôt saigne le malheureux ;
Nul devoir ne s’impose au riche,
Le droit du pauvre est un mot creux.
C’est assez languir en tutelle,
L’égalité veut d’autres lois :
« Pas de droits sans devoirs, dit-elle,
Égaux, pas de devoirs sans droits ! »

Refrain

Hideux dans leur apothéose,
Les rois de la mine et du rail,
Ont-ils jamais fait autre chose,
Que dévaliser le travail ?
Dans les coffres-forts de la bande,
Ce qu’il a créé s’est fondu.
En décrétant qu’on le lui rende,
Le peuple ne veut que son dû.

Refrain

Les Rois nous saoulaient de fumées,
Paix entre nous, guerre aux tyrans !
Appliquons la grève aux armées,
Crosse en l’air et rompons les rangs !
S’ils s’obstinent, ces cannibales,
A faire de nous des héros,
Ils sauront bientôt que nos balles
Sont pour nos propres généraux.

Refrain

Ouvriers, Paysans, nous sommes
Le grand parti des travailleurs ;
La terre n’appartient qu’aux hommes,
L’oisif ira loger ailleurs.
Combien de nos chairs se repaissent !
Mais si les corbeaux, les vautours,
Un de ces matins disparaissent,
Le soleil brillera toujours !

pottier

Eugène Pottier (4 oktober 1816 – 6 november 1887)

Oek de Jong, Willem Jan Otten, Gabriel Loidolt, Matthieu Gosztola, Cynthia Mc Leod, Herbert Kranz, Roy Alton Blount Jr, Hugh McCrae, Jacky Collins, André Salmon, Juliette Adam, Eugène Pottier

De Nederlandse schrijver Oek de Jong werd geboren in Breda op 4 oktober 1952. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2007 en ook mijn blog van 4 oktober 2008.

Uit: Brief aan een jonge Atlas

„Vriend, je schijnt de Verzengde Luchtstreek te naderen. Wat een gloedvolle brief. Met name de laatste bladzijde is vrijwel onleesbaar. Viel het licht in de hotelkamer uit? Heb je die golvende zinnen in duisternis geschreven? Waarom kon je niet op het daglicht wachten? Met veel geduld heb ik dat Arabische handschrift bestudeerd. Nu eens leek die laatste bladzijde me een visioen, dan weer verward geklets. Hoe het ook zij: ik maak me zorgen.
Dat het lijden je heeft aangetrokken sedert je aan loszittende melktandjes wrikte – dat wist ik. Dat seksualiteit voor jou, ondanks alle affaires, vooral een zaak van de geest is – dat zie ik in je schilderijen. Dat je bij het schrijven van brieven graag verschillende talen dooreen gebruikt en de spraakkunst naar je hand zet – daaraan was ik gewend geraakt. Maar dit, deze regel: bind mij op uw altaar. Zo lees ik in je hanepoten. Bind mij op uw altaar en tref mij met een zonnesteek.
Neem me niet kwalijk, maar waarschijnlijk is de zon je al in je kop geslagen, voordat je, daar in Zagora, de rand van de woestijn bereikte.
Je beschrijvingen van Marokko stemmen me weemoedig. De medina’s. Die geur van stof, zweet en rottend fruit ruik ik tijdens de heetste zomerdagen ook wel eens op de Dappermarkt. Je torst de hitte als een loden mantel. Daar doe je het toch voor? Sommige moskeeën zijn toegankelijk – geld!
In de moskeeën breng je de heetste uren van de dag het prettigste door. Het lawaai van de stad verdwijnt, nadat je je schoenen hebt achtergelaten bij de zwakzinnig geworden bedelaars in de poort. Koel en schoon marmer. Je wast hoofd en handen bij het fonteintje op de binnenplaats. Liggend op de rieten matten onder de arcades, volg je de zwaluwen, die langs de gewelven scheren. Je luistert naar het reutelen van het water, naar het gemummel van oude mannen, en je zet het mes in de meloen.
De eindeloze busritten vind jij dus ook het beste onderdeel van de reis. En je hebt dezelfde fout gemaakt als ik: water drinken in de bus. Zodra je daar mee begint, krijg je steeds meer dorst en zit je na enkele uren als een klotsende waterzak in die hobbelende bus. Kijk naar de edele Berbers. Urenlang bewegen zij zich niet. Overigens bestaat er voor je dromerigheid in de bussen een simpele verklaring. Dromerigheid ontstaat door het onophoudelijk waarnemen van voorbijglijdende dingen. Als bij het staren naar het water van een rivier. De geest raakt in verstrooiing. Wonderlijk is het dat juist daar, in het vage, in de monotonie, dikwijls ideeën ontstaan.“

Oek_de_Jong

Oek de Jong (Breda, 4 oktober 1952)

 

De Nederlandse schrijver en dichter Willem Jan Otten werd geboren in Amsterdam op 4 oktober 1951. Otten schrijft poëzie, verhalend proza, toneel, kritieken, artikelen, beschouwingen en essays. Hij groeide op in de Amsterdamse Rivierenbuurt en in Laren (NH). In 1973 debuteerde hij als dichter met de bundel Een zwaluw vol zaagsel. Van 1989 tot 1996 was hij redacteur van Tirade. Na het verschijnen van zijn roman Ons mankeert niets in 1994 raakte Otten betrokken in de discussie over het euthanasie-vraagstuk. Naar aanleiding van zijn bekering tot het katholieke geloof (enige tijd nadat zijn echtgenote hetzelfde had gedaan) publiceerde hij in 1999 Het wonder van de losse olifan
ten, een
rede tot de ontwikkelden onder de verachters van de christelijke religie. In 2004 verscheen zijn roman Specht en zoon die op 2 mei 2005 bekroond werd met de Libris Literatuur Prijs. In deze roman vertelt Willem Jan Otten het verhaal van portretschilder Felix Vincent die van de rijke industrieel Valéry Specht de opdracht krijgt zijn gestorven zoon te schilderen.

 

De winter uit

 

Je hebt op schoot

een baby, van de buren,

niet van ons.

 

Is het gebeurd

wat ik vanmorgen

heb bespeurd?

 

Het bad liep vol

vanmorgen vroeg.

 

Ik dorst te weten dat

wat jij als een gedicht

nog net verzweeg:

 

ze is er weer,

bij ons, bij ons.

Ik hield mijn mond.

 

Het bad liep vol

vanmorgen vroeg.

 

Jij neuriede.

Daarop gorgelden

de graven leeg.

 

Je hebt op schoot

de babybuur, plons plons

en ach, hou nu mijn mond.

 

 

Korte toespraak tot mijn zonen wanneer zij op kamers gaan wonen

Zonen, tweemaal heb ik heel de mensheid voortgebracht zien zijn.

Allebei de keren kwam zij naakt en kledder voort uit Von,

hangend aan haar poten als gestroopt als een konijn

tussen duim en vingers van een stoïcijn die haar een lel

verkocht en zij bleek jullie, telkens één, een dubbelklappend,

krijtend, alles vergend dier met, wisten wij meteen, een ziel.

 

Er is een ja dat alle nee omvaamt en in zich draagt,

het is gekreten voor je weet wat krijten is, het klinkt als nee,

maar krijt van ja, het is, jawel, het is als alle amens samen,

de laatste zucht is het te baren door he
t onuitsprekelijkst gebed.

 

We hebben ja gezegd, ons eerste naakte amen was er eerder zelfs

dan onze naam, en steevast zal de kwestie zijn: waar hebben wij

ons ja vandaan, wie heeft ons opgescheept met meer dan wij?

 

Vraag waar je mee begonnen bent, vrees in de weeënstorm

van zeker nee, wanneer je alles weet wat zeker wordt geweten,

vrees daar je ja en zeg haar nieuw geboren en ten einde na.

 

Otten

Willem Jan Otten (Amsterdam, 4 oktober 1951)

 

De Oostenrijkse schrijver Gabriel Loidolt werd geboren op 4 oktober 1953 in Eibiswald. Hij studeerde electrotechniek en filologie in in München en Graz. Na jarenlang gewerkt te hebben als lector aan een universiteit in het buitenland werd hij actief in verschillende culturele verengingen. In 1988 debuteerde hij met de roman Der Leuchtturm. Sinds enkele jaren is hij zelfstandig schrijver.

 

Uit: Yakuza

 

„Als ich von der Zeitung aufsah, um meinen Augen eine Pause zu gönnen, bemerkte ich eine Frau, die mit halb suchenden, halb irrenden Blicken zwischen die runden Marmortische in meine Richtung schlenderte. Ich war versucht, ihren zögerlichen Weg zu verfolgen, um zu sehen, wen sie wohl ansprechen würde, denn mir war nicht entgangen, dass sie eine kalte Zigarette zwischen den Fingern hielt. Verbat mir das jedoch bald. Das Kapitel Frauenbekanntschaften hatte ich längst abgehakt, und die Frau hätte meine Tochter sein können.

Zu meiner Verwunderung tauchte sie an meinem Tisch auf, beugte sich, die Zigarette vor ihre Lippen haltend, zu   mir herab und sagte in bestem Deutsch, aber mit slawischem Akzent: – Verzeihung, ich habe gehört, Sie sind ein Meister Ihres Fachs. Könnten Sie sich vorstellen, Ihre Kunst auch mir angedeihen zu lassen?

Obwohl die Frage harmlos, ja fast peinlich logisch war, bedachte man meinen Beruf, hatte ich für Momente ein Gefühl, das ich bald als lächerlich abtat: Mir schien, diese Frau könne mein Leben, das seit vielen Jahren in der schönen Sinnlosigkeit meiner Kunst verrann, in eine bestimmte Richtung treiben und mich, dessen einziges Verdienst wohl nur die Unbescholtenheit war, obwohl ich einmal die Gelegenheit gehabt hatte, straflos zum Henker, nein, Mörder, zu werden, am Ende ins Gefängnis bringen.

Ich legte die Zeitung auf dem Tisch ab, ohne die Pfeife aus dem Mund zu nehmen, und griff nach den Streichhölzern: Der Flammenschein holte ein Gesicht aus dem Halbdunkel, das auch im Winter den Teint von Honig beibehalten würde, und es war eine Haut, wie sie Weiße selten haben – der großzügige Ausschnitt ließ keinen Zweifel offen.

Die Frau bedankte sich und nahm mir gegenüber Platz. Alles an ihr, das herbstgrüne Kostüm, die Uhr, das Armband die Perlenkette, wirkte teuer, zum Teil sogar protzig, sodass ich sie, wäre sie mir in einer Hotelbar begegnet, vielleicht mit einer bestimmten Sorte Frau verwechselt hätte. Gleichzeitig war sie immerhin so schön, dass ich sogar aus den Augenwinkeln merkte, wie die Gäste, vornehmlich Studenten ohne Geldsorgen und deren weibliche Begleitung, tuschelten.”

loidilt

Gabriel Loidolt (Eibiswald, 4 oktober 1953)

 

De Franse dichter en schrijver Matthieu Gosztola werd geboren op 4 oktober 1981 in Mans (Sarthe). Hij studeerde piano en compositie, literatuur en menswetenschappen. In 2007 kreeg hij voor zijn essay Sur la musicalité du vide de Prix des découvreurs als jongste schrijver die deze prijs ooit in ontvangst mocht nemen. Zijn gedichten werden gepubliceerd in diverse literaire tijdschriften en bloemlezingen. Ook werkt hij als criticus voor Histoires Littéraires en als fotograaf.

 

 

aujourd’hui
Une fille a posé son sourire
Sur une épaule
Sur mon épaule

 

est-ce qu’on hérite notre sourire
de quelqu’un

 

Je n’ai pas pu m’abstenir de suivre Lydé

 

le bouton de la chemise de nuit
comme obstacle du désir

 

Quand je me suis déshabillé
Des ombres
de son corps et de l’arbre

 

Les coqs riaient déjà.

 

           

                  *

 

Sarajevo
le bleu d’azur du ciel

 

Une balle qui se perd
Dans le corps d’un enfant

 

Il tombe
la couleur du cinabre sur le sol
Il n’a pas eu le temps de tomber amoureux
Il est resté enfant

 

c’est peut-être préférable

 

Il n’a pas eu à chercher chez tous les êtres
Le regard d’une fille rencontrée par hasard
Et puis laissée dans le cours de la vie
Comme l’eau
qui goutte du robinet

 

M_Gosztola

Matthieu Gosztola (Mans, 4 oktober 1981)

 

De Surinaamse schrijfster Cynthia Henri Mc Leod werd geboren op 4 oktober 1936 in Paramaribo als Cynthia Ferrier. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2006 en ook mijn blog van 4 oktober 2008.

 

Uit: Herinneringen aan Mariënburg

Lila Gobardhan-Rambocus

De bij Vaco aan de Domineestraat uitgegeven roman Herinneringen aan Mariënburg
beschrijft de levensgeschiedenis van Sita. Zij werd geboren als oudste dochter van Susila Sahaldeo. Susila was beslist geen gewone koeliemeid: in haar eigen land behoorde ze tot een schatrijke familie. Haar vader was grootgrondbezitter, de belangrijkste man in een dorp niet ver van Bombay in het voormalige Brits-Indië. In 1888 kwam Susila naar Suriname en werd tewerkgesteld in het huis van de directeur van de suikeronderneming Mariënburg. Deze directeur, de Schot Mavor, begon een buitenechtelijke verhouding met haar en hieruit werden twee dochters geboren. In 1902 werd Mavor vermoord tijdens een opstand op de plantage als gevolg van de zoveelste loonsverlaging. De opstand werd bloedig onderdrukt: er vielen rond de twintig doden, de lijken werden op een geheimgehouden plek in een massagraf gedeponeerd tussen twee lagen ongebluste kalk.

Susila werd na de dood van Mavor als kindermeisje tewerkgesteld op plantage Peperpot. Haar kinderen werden haar afgenomen en werden ondergebracht in een weeshuis van de r.-k.-missie. Het jongste meisje Damayanti werd geadopteerd door een echtpaar dat kort daarop naar Engeland terugkeerde. Sita bleef bij de nonnen tot ze op eigen benen kon staan.

Net als haar moeder kreeg Sita een relatie met haar werkgever, die twee (buitenechtelijke) kinderen bij haar verwekte. Na de dood van deze werkgever trouwde Sita met een creoolse oppasser en ze ging terug naar Mariënburg toen haar man daar een baan aangeboden kreeg. Op Mariënburg hoorde ze hoe het de plantage verging en dat er van tijd tot tijd allerlei onverklaarbare ongelukken gebeurden. De bevolking fluisterde dat het te maken had met schuldaflossing (paiman/kwalat), omdat de nabestaanden geen afscheid hadden kunnen nemen van de doden die tijdens de ongeregeldheden (in 1902) gevallen waren. Omdat ze niet wisten waar het massagraf lag.

Sita’s dochter stierf kort na de geboorte de zogenoemde wiegendood (ook een paiman?) en vanaf toen was het leven op Mariënburg een kwelling voor haar.”

Mc Leod

Cynthia Mc Leod (Paramaribo, 4 oktober 1936)

 

De Duitse schrijver Herbert Kranz werd geboren op 4 oktober 1891 in Nordhausen. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2008.

Uit: Ubique Terrarum. Im Stich gelassen

GG wachte auf. Vom Zelteingang her schimmerte Morgenlicht. Er sah auf seine Armbanduhr. Der leuchtende Zeiger stand genau auf der leuchtenden Fünf. Jeden Morgen wachte GG um fünf Uhr auf, weil die Träger lärmten. Jeden Morgen ärgerte er sich darüber, dass sie sich nicht daran gewöhnen konnten, leise zu sein. Aber jetzt vernahm er nichts. Er war aufgewacht, weil es so still war.
Er freute sich, dass sie endlich auf ihn gehört hatten. Es war eben doch gut mit diesen dunkelbraunen Männern der Mahori Berge auszukommen, die sie in Tschitral angeworben hatten. Man musste nur Geduld haben. Es dauerte lange, bis sie begriffen hatten, was die weißen Sahibs wollten, weil ihnen deren Gedanken und Wünsche im Grunde unbegreiflich waren. Warum sollten sie leise sein, wo es doch so herrlich war, beim Wasserholen, beim Feuermachen zu singen, dass es von den Bergen widerhallte?
Aber er hörte ja überhaupt keinen Laut! Jetzt horchte GG angespannt – wahrhaftig, es war totenstill draußen, und mit einem Male überkam es ihn: Gefahr!
Er streifte den Schlafsack ab. Er fuhr in die Sandalen, Buschhemd und kurze Hose hatte er an. Hinaus aus dem Zelt – aber vorher noch rasch den Griff zu seiner Pistole. Er schob sie in die rechte Hosentasche. Jetzt stand er draußen in der Morgendämmerung.
Ein Blick, und er sah, weshalb es so still war: die Träger waren fort. Heimlich hatten sie sich in der Nacht davongemacht. Mitten in den Bergen hatten sie die Sahibs im Stich gelassen.
Er weckte die Kameraden nicht. Er dachte überhaupt nicht daran.
Er fragte sich auch nicht, was denn nun weiter werden solle, wo sie ohne Träger so gut wie hilflos waren. Er hatte nur einen Gedanken. Er stürzte zu den Kisten, in denen ihr Gepäck verstaut war.
Da lagen sie, sorgfältig aufgestapelt, wie die Londoner Firma Fortnum & Mason sie unübertrefflich geliefert hatte, aus gut getrocknetem Holz, sorgfältig zusammengefügt, mit Zink beschlagen, wasser- und luftdicht imprägniert. Einzeln konnten sie als Sitz dienen. Zu vieren in einer Reihe gaben sie eine Bettstelle, drei waren als Stuhl und Tisch verwendbar, und vier, auf kunstvolle Art verbunden, gaben ein Boot, in dem man einen Fluss überqueren konnte. Sie waren als Wasserfass, ja als Badewanne zu verwenden, und keine wog mehr als 25 Seers (23 Kilo), denn das war das höchste Gewicht, das ein Träger schleppte.”

 

Kranz2

Herbert Kranz (4 oktober 1991 – 30 augustus 1973)

 

 

De Amerikaanse schrijver, journalist, musicus en acteur  Roy Alton Blount Jr. werd geboren op 4 oktober 1941 in Indianapolis, Indiana. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2008.

 

Uit: Long Time Leaving: Dispatches from Up South

 

„This was written before the midterm elections of 2006, in which, as we now know, America-even as far South as Virginia-began to take my advice. Much remains to be seen.

Down South recently I read a letter to the editor that sought a middle ground on glossolalia. Apparently controversy has been high among Southern Baptists as to whether speaking in tongues should be embraced doctrinally. The writer began as follows:

“I have never, as far as I am aware, been inspired to speak in tongues myself, but …”

As far as I am aware.

Aw, man, I miss that stuff.

Best I recollect, I have not personally been swallowed by a whale, as such, but …

I moved to the Northeast thirty-eight years ago. By now, you’d think I would have left the South. But I keep needing to get back down there. As long as I can get back out again.

In October 2001, an American flag was stolen in Massachusetts and another one in North Carolina. I know of the first from a photograph in the Berkshire Eagle, of Pittsfield, Massachusetts, in which a reproachful-looking elderly couple are holding up a hand-lettered cardboard sign that says PLEASE RETURN OUR FLAG. SHAME ON YOU. I know of the second from a photograph in the Independent Weekly of Chapel Hill, North Carolina, in which an angry-looking middle-aged man is standing beneath professional plastic-letter signage, bolted onto the front of his house and floodlit, that says, I HOPE THE SORRY PIECE OF [—-] WHO STOLE MY U.S. FLAG DISPLAYS IT WITH PRIDE.

The thinking is clearer in the Northern sign. There is more going on in the Southern one. And it’s more flagrant. “Her lyricism can be flagrant,” writes Margo Jefferson (about Carson McCullers), in The New York Times. “But what Southern writer isn’t flagrant about something?”

Generalizations about the South, unless I am making them, usually put me off, but that one is mannerly enough, for one thing, to be couched as a question. And I don’t know where Margo Jefferson grew up, but I know she is African American and a Jefferson, therefore at least somewhat Southern rooted, therefore not a writer whom I suspect of retaining, autonomically, as a chicken does a piece of gizzard grit, this calcified given: “My cultural hegemony may be pretty well played out [or on the verge of succumbing to barbarism], but at least I’m not Southern.”

 

Roy_blount_2007

Roy Alton Blount Jr. (Indianapolis,  4 oktober 1941)

 

 

De Australische dichter en schrijver Hugh Raymond McCrae werd geboren op 4 oktober 1876 in Melbourne. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2008.

 

Never Again 

 

She looked on me with sadder eyes than Death,

And, moving through the large, autumnal trees,

Failed like a phantom on the bitter breath

Of midnight; and the unillumined seas

Roared in the darkness out of centuries.

 

Never on earth, or in the holy sky,

Beyond the limits of the secret ring

God walls about His Kingdom jealously,

Has ever been a fairer, sweeter thing

Than she: more fair than all imagining.

 

Never again! though I should waste the hours

To search the galleries of angels thro’,

Or, in the exhalation of the flowers,

Gaze for her spirit, tremulous as dew,

To reascend the unfathomable blue.

 

McCrae

Hugh McCrae (4 oktober – 1876 – 17 februari 1958)
Portret door F. Monteath

 

De Britse schrijfster Jacky Collins werd geboren in Londen op 4 oktober 1937.  Jackie Collins heeft zesentwintig romans op haar naam staan, waarvan er wereldwijd meer dan 400 miljoen zijn verkocht. Haar boeken beschrijven voornamelijk het leven van rijke en beroemde personages uit de rijke Hollywoodse filmsterrenscène. Hoewel ze aanvankelijk graag actrice wilde worden, net als haar zus Joan, stortte ze zich uiteindelijk toch op het schrijverschap. Ze had direct succes met haar eerste boek, The World is Full of Married Men, uit 1968. Dit boek werd meteen een bestseller. Nadien schreef Collins de ene bestseller na de andere. Met Hollywood Wives brak ze in 1983 internationaal door. Een aantal romans is verfilmd of bewerkt tot miniseries op televisie. In 1998 had Collins zelfs een eigen televisieshow, Jackie Collins Hollywood, een programma dat dagelijks werd uitgezonden en waarin beroemde acteurs te gast waren.

 

Uit: Married Lovers

 

Anya Anastaskia was an exquisite child. From the moment she was born in a small village outside the city of Grozny, in the Republic of Chechnya, people commented on her fair looks. Her mother – a former Russian ballerina – was not surprised, for she had fallen in love and left Moscow to spend her life with Vlad Anastaskia – a farmer – and the most handsome man she had ever laid eyes on. Anya was born on 1 August 1985, a home birth with no complications. Not only was she beautiful, she was also a sunny-dispositioned and extraordinarily sweet child. The Anastaskia family lived a peaceful life, that is until the Chechen-Russian war, which started in 1994 when Anya was just nine years old. At first it seemed as if the fierce fighting between the Chechens and the Russians would not affect the Anastaskia family. But that was not to be; Anya’s father was called to the city to fight and never returned.

Anya’s mother was heartbroken. She seemed to lose all will to live, and before the war ended in 1996 she went to sleep one night and never woke up. Anya was eleven, alone and petrified. A neighboring family took her in, but they were not kindly people and treated her harshly. It did not help that Anya’s ethereal and somewhat delicate beauty – inherited from her mother – upset Svetlana, the daughter of the family – a stocky, darkly vicious girl with a cruel tongue. Although Svetlana was only a few years older than Anya, she treated the younger girl as if she were her personal slave.“

 

Collins

Jacky Collins (Londen, 4 oktober 1937)

 

De Franse dichter en criticus André Salmon werd geboren op 4 oktober 1881 in Parijs. Samen met Apollinaire en Maurice Raynal was hij een promotor van het kubisme. Salmon stamde uit een kunstenaarsfamilie. Zijn grootvader was schilder, zijn vader beeldhouwer. In de jaren 1897 – 1902 leefde hij met zijn ouders in Sint Petersburg. In 1904 nam hij zijn intrek in het atelierhuis Bateau-Lavoir waarin Picasso, Max Jacob, Kees van Dongen, Apollinaire en andere kunstenaars woonden.

 

 

L’Aube Rue Saint-Vincent

 

Le jour doré s’accroche à l’aile

D’un moulin qui ne tourne plus

Et l’on sent bouillonner le zèle

De Paris, moi je suis perclus.

 

Voici, beautés d’apothéose,

Merveilles du soleil levant,

Traînés par un jument rose

Des choux bleus et des coucous blancs. 

 

La fontaine laborieuse

Redit, inutile leçon,

Une chanson d’esclave heureuse

Au ruisseau libre et vagabond.

 

On ouvre et l’on ferme des portes

Et des mains lèvent des miroirs

Lourds de lumière, que m’importe

Si je suis parfumé de soir ? 

 

La lune a bu toutes mes larmes ;

Partageant mon vin, des filous

M’ont laissé caresser leur armes ;

Ma nuit fut belle.  Couchons-nous.

 

Salmon_portrait

André Salmon (4 oktober 1881 – 12 maart 1969)

 

De Franse schrijfster, polemiste en feministe Juliette Adam werd geboren op 4 oktober 1836 in Verberie. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2008.

 

Uit: The Schemes Of The Kaiser (Vertaald door J.O.P. Bland)

 April 12, 1890.

What an all-pervading nuisance is William!

To think of the burden that this one man has imposed upon the intelligence of humanity and the world’s Press!  The machiavelism of Bismarck was bad enough, with its constant demands on our vigilance, but this new omniscient German Emperor is worse; he reminds one of some infant prodigy, the pride of the family.  Yet his ways are anything but kingly; they resemble rather those of a shopkeeper.  He literally fills the earth with his circulars on the art of government, spreads before us the wealth of his intentions, and puffs his own magnanimity.  He struggles to get the widest possible market for his ideas: ’tis a petty dealer in imperial sovereignty.

There is nothing fresh about his wares, but he does his best to persuade us that they are new; one feels instinctively that some day he will throw the whole lot at our heads.  I am quite prepared to admit that, if he had any rare or really superior goods to offer, his advertising methods might be profitable, but William’s stock-in-trade has for many years been imported, and exported under two labels, namely the principles of ’89 and Christian Socialism.

Rushing headlong on the path of reform–full steam ahead, as he puts it–he is prepared to change the past, present and future in order to give happiness to his own subjects.  But France is likely to pay for all this; sooner or later some new rescript will tell us that the valley of tribulation is our portion and inheritance.“

 

Julietteadam

Juliette Adam (4 oktober 1836 – 23 augustus 1936)

 

De Franse dichter Eugène Edine Pottier werd geboren op 4 oktober 1816 in Parijs. Hij was transportarbeider, communist en lid van de Parijse Commune. Vanuit zijn commune-ervaringen schreef hij de tekst van de internationale hymne van de arbeidersbeweging: De Internationale. Toen de commune met geweld werd neergeslagen lukte het hem te vluchten. Hij emigreerde naar de VS. In 1880 werd hem gratie verleend en kon hij naar Frankrijk terugkeren.

 

 

J’ai faim

 

Au citoyen Fauvety.

 

     J’ai faim! j’ai faim! dit le corps,

Je n’ai pas le nécessaire;

Le ver ronge moins les morts

Que les vivants, la misère.

Quand donc aurais-je du pain?

J’ai faim, dit le corps, j’ai faim!

 

J’ai faim! j’ai faim! dit l’esprit,

Je ne vais pas à l’école;

En vain la nature écrit,

On croit l’erreur sur parole.

Quand donc aurai-je du pain?

J’ai faim, dit l’esprit, j’ai faim!

 

J’ai faim! j’ai faim! dit le coeur,

Et je n’ai pas de famille;

Mon fils est un escroqueur

Et ma fille est une fille.

Quand donc aurai-je du pain?

J’ai faim, dit le coeur, j’ai faim!

 

J’ai faim! j’ai faim! dit le tout,

Faim d’amour et de justice;

Sème ton grain, que partout

La triple moisson jaunisse.

Alors l’homme aura du pain,

Nature n’aura plus faim!

 

eugenepotier

Eugène Pottier (4 oktober 1816 – 6 november 1887)

Oek de Jong, Cynthia Mc Leod, Herbert Kranz, Roy Alton Blount Jr, Hugh McCrae, Juliette Adam

De Nederlandse schrijver Oek de Jong werd geboren in Breda op 4 oktober 1952. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2007.

Uit: Dronken van taal

 „Zich in bochten wringen noem ik het. Toen ik Kellendonk op een avond in 1986, in Theater De Balie, deze inmiddels bekende paradox hoorde uitspreken, vond ik het meteen een onding, ondanks de verrassende woordkeus, ondanks zijn meesterlijke beknoptheid. Om te beginnen lijkt ‘veinzen’ me verkeerd gekozen: het woord heeft immers een negatieve bijklank – veinzerij is een vorm van onoprechtheid. Dat bedoelde hij er niet mee. Hij zag ‘veinzen’ als ‘voorwenden’ (dat in Van Dale als derde en laatste betekenis gegeven wordt). Maar veinzen heeft nu eenmaal die negatieve bijklank. Werd hij hier het slachtoffer van zijn voorliefde voor dubbelzinnigheid? Of speelde zijn vertrouwdheid met het werk van Shakespeare hem parten en werd hij door diens ‘for the truest poetry is the most feigning’ op het verkeerde spoor gezet? Hoe het ook zij, deze paradox is een onding.

In al zijn bochtigheid geeft deze formulering van Kellendonk wel aan waar de schoen wringt: er is geen overgave mogelijk, geen onvoorwaardelijke beleving van het religieus verlangen. Dat is begrijpelijk, want voor hem bood alleen de katholieke leer een vorm voor dat verlangen, en van die leer had hij afstand genomen. Dus kon alleen een intellectuele constructie nog uitkomst bieden, een paradox die zowel de verlangde overgave als het voorbehoud inhield. Maar op een ironische manier geloven in een God die verzinsel is, dat is onzin.

Een religieus ritueel is, zo men wil, gebaseerd op een fictie: een aantal afspraken over vorm en betekenis, een stilzwijgende overeenkomst tussen mensen. Het is ‘maar’ een ritueel, een hulpmiddel. Gelóven in een ritueel is onzin. Van belang is alleen maar het deelnemen. Je doet mee of je doet niet mee, je beleeft er iets aan of niet. Zo is ook geloven in God onzin. Er is een ervaring van het goddelijke, van het mysterie, van het numineuze, het heilige – hoe men het ook maar noemen wil – of niet. Er is vervoering, er is extase, er is een onverklaarbare en alles overspoelende bezieling of niet. Met geloof heeft het niets te maken. Religie is ervaring – bevinding, om een term uit het piëtisme te gebruiken – en de rest is vormendienst. Zo is het door mystici, die men religieuze empiristen zou kunnen noemen, altijd gezien.

Wallace Stevens stelde de poëzie in de plaats van de religie, zoals veel modernistische schrijvers hebben gedaan: de esthetische ordening verving de goddelijke, de esthetische ervaring was het substituut voor de religieuze. Maar Kellendonk was een postmodernist: voor hem werkte deze oplossing niet meer, hij had hem doorzien, en hij keerde terug naar de idee van een Kerk, een gemeenschap van gelovigen, die een kathedraal van liefde bouwt.

‘Bouw uit die ribben en knoken van jullie, op deze matras, maar eens een kerk!’, zo klinkt het streng en belerend in Mystiek lichaam, en op honderden andere plaatsen in deze roman wordt gebruik gemaakt van de taal en de beelden van de katholieke leer, alles parodie, maar even zo goed aanwezig. Kellendonk was misschien vooral of zelfs uitsluitend gehecht aan de beeldspraak van de Kerk, die schepping van duizenden sublieme geesten, zonder twijfel het grootste kunstwerk van het oude Europa. Dat hij het, zelfs als hij plaatsnam in de achterste banken, nooit langer dan tien minuten uithield in een katholiek kerkgebouw, bewijst dat de menselijke werkelijkheid van een geloofsgemeenschap voor hem onverdraaglijk was – hij kon er zich niet mee verbinden. De Kerk, de Moederkerk die ‘gemeenschap sticht’ in saecula saeculorum – die Kerk was voor Kellendonk een idee, een literaire werkelijkheid, een bouwsel van denkbeelden. Het verklaart ook hoe hij op het idee van oprecht veinzen kon komen; immers, tot een literaire werkelijkheid, een werkelijkheid van taal, kun je je ironisch verhouden. Met denkbeelden kun je op een ironische manier omgaan. Maar niet met de overgave aan het magische, die het essentiële gegeven van alle religie is. Op die overgave volgt eventueel de ironie of humor om er afstand van te nemen. Maar eerst is er dat moment van ondubbelzinnigheid, van gaan, doen en zijn. Overgave lijkt zo zacht en willig. Maar het begin ervan is niet zelden hard en splijtend. Je gaat open of niet.“

 

Oek_de_Jong

Oek de Jong (Breda, oktober 1952)

 

De Surinaamse schrijfster Cynthia Henri Mc Leod werd geboren op 4 oktober 1936 in Paramaribo als Cynthia Ferrier. Zie ook mijn blog van 4 oktober 2006.

 

Uit: Hoe duur was de suiker?

De dag brak aan op plantage Hébron en terwijl de hemel aan de oostelijke zijde zich rood kleurde door de opkomende zon, gingen één voor één deurtjes open van de slavenhutten en kon men kleine vuurtjes zien onder de afdakjes daarnaast. Faya watra werd gemaakt. Heet water waarin een scheutje melasse werd geroerd. Hier en daar steeg een heerlijke damp uit een kookpot, omdat er in het water een anijsblad was gedaan of een paar beirumbladeren.

Bij alle hutjes kon men nu mannen, vrouwen en kinderen zien staan, soms pratend, sommige rondkijkend. Vervolgens liepen de meesten naar de zuidzijde van de plantage, waar er haaks op de rivier een kanaal was gegraven, dat diende voor de toe- en afvoer van water. Naast het botenhuis, waar de rivieroever ondiep was, gingen ze in het water om een bad te nemen; de groten meer ernstig, de kinderen soms vrolijk lachend en elkaar nat spetterend. Met een lendedoek om het natte lichaam geslagen gingen ze daarna terug naar de hutjes, meest in kleine groepjes, voorafgegaan en gevolgd door naakte grotere en kleine kinderen. Het was dan tijd om de faya watra te drinken en als ontbijt wat overgebleven restjes van het vorige avondmaal te eten.

In de hut waar de 15-jarige Amimba met haar moeder, broertjes en zusjes woonde, deed ma Leida in een grote kalebas een handvol gedroogde bitabladeren en schonk daar kokend water op. De bita was voor Amimba; zoals elke maand het geval was, had ze erge buikpijn.

Kermend had ze de hele nacht op haar matje gelegen, draaiende van de ene op de andere zijde, nu eens liggend, dan weer zittend. Nu sliep ze wat, gelukkig. Maar ook ma Leida zelf had de afgelopen nacht haast geen oog dicht gedaan. Na faya watra en ontbijt ging men in de richting van het magazijn, een enkele vrouw met een kind aan de borst, weer een andere had de baby al op de rug gebonden. Bij het magazijn waren de deuren nog gesloten, maar het duurde niet lang of daar kwam de blanke opzichter, masra Mekers, al met de sleutels. Aan ieder gezinshoofd werd nu het rantsoen voedsel voor het avondeten uitgedeeld, en men hoorde wat er moest gebeuren.

  Eerst de presentie. Waar was Kofi? O ja, die had een verstuikte enkel, en ging dus niet ’t veld in, maar moest werken in de timmerloods. Amimba buikpijn? Alweer! Geen onzin! Hier komen ofze werd met de zweep gehaald. Waarom had Afi haar baby niet bij zich? Die was ziek, de hele nacht koorts. Afi liet hem vandaag liever thuis bij de dresi mama, die zou hem een bad geven met korsu wiri. Tenu? Waar was Tenu. Hier komen! Basya, 5 zweepslagen voor de 13-jarige Tenu, die voor de kippen zorgde. Hij had eieren gestolen, er waren wel 6 te min gisteren, de lege doppen lagen nog naast het hok. Tenu maakte veel misbaar! Gelogen, hij had geen eieren gestolen. Wist masra dan niet dat er een grote sapakara op de loer lag en dat die de eieren stal? Als hij, Tenu eieren zou hebben gestolen zou hij heus niet zo stom zijn geweest om de lege doppen naast het hok achter te laten. Evengoed, 5 zweepslagen voor Tenu! Want het was toch zijn taak om voor de kippen te zorgen. Hoe had een sapakara de kans gezien om 6 eieren te stelen als Tenu daar was? Wel, omdat Tenu daar niet was geweest. Had hij gisteren niet de halve dag aan de kreek zitten hengelen? 5 zweepslagen! En vanavond mocht er geen enkel ei ontbreken en moest Tenu de dode sapakara laten zien! Ook 5 zweepslagen voor Kobi, die een jaar ouder was dan Tenu en hulpje was in de stal bij Felix die voor de paarden en muilezels en de koeien zorgde. Kobi had gisteren veel te weinig gras gesneden voor de beesten. Geen wonder! Had hij niet samen met Tenu aan de waterkant zitten hengelen! 5 zweepslagen en vanavond moest er een dubbele portie gras zijn gesneden. Dat was alles.

 

cynthia

Cynthia Mc Leod (Paramaribo, 4 oktober 1936)

 

De Duitse schrijver Herbert Kranz werd geboren op 4 oktober 1891 in Nordhausen. Hij volgde het gymnasium in Berlijn en studeerde daarna in Berlijn en Leipzig germanistiek, filosofie en geschiedenis. Aan het begin van WO I meldde hij zich aan als vrijwilliger, maar twee jaar later werd hij wegens ziekte ontslagen. Er volgde een wisselvallige loopbaan met redacteurschappen bij verschillende kranten, publicaties als schrijver, aanstellingen als regiseur en als docent Duits. In 1933 raakte hij in conflict met het nazi regime wegens zijn liberale opvattingen en verloor hij zijn werk. Na WO II vestigde hij zich als zelfstandig schrijver. Zijn bekendste werk is de romancyclus Ubique Terrarum die uit tien delen bestaat en de avonturen vertelt van tien mannen uit diverse landen.

 

Uit: Schuldlos unter Schuldigen

 

„Zur selben Stunde, in welc
her der Graf mit Neunauge und Plumpudding das Burgschloss betrat, wurden der Chef, GG und Figur im langen Zuge der Sträflinge von den Bewaffneten zum Lager

geführt, und wie die Schlossgäste, so beobachteten auch diese drei jeden Schritt ihres Weges. Denn ehe sie an Befreiung und Flucht denken konnten, mussten sie genau wissen, wie die Insel

beschaffen war. Was sie jetzt noch bei Tageslicht sahen, das mussten sie vielleicht einmal im Dunkel der Nacht durchhasten.

Der Zug umging die Höhe, auf der die Schlossburg lag, und schritt in der Richtung auf die mächtige Felswand zu, welche die Insel zum Land hin abschloss. Mit dem Scharfblick des erfahrenen Bergsteigers schätzte der Chef sie ab. Er hatte den isolierten, scharfkantigen Gneisobelisk des Matterhorns von der gefährlichen Nordseite aus bezwungen – aber er sah, an der glatten Steinwand da vor ihm kam niemand hinauf. Oder ging es doch mit Mauerhaken? Aber wie sollte man sie einschlagen, ohne dabei gesehen zu werden? Die Spitze des Zuges stockte. Alle mussten stehen bleiben.

Die Männer sahen sich um. Im Sattel zwischen den beiden Erhebungen war fruchtbares Land. Hier wuchsen Palmen, dichte Rhododendrenbüsche, und in üppigem Gras weideten einige gelbbraune, kurzhornige Zebus. Die Insel war schmal. Zu beiden Seiten konnten sie den weißen Gischt der Brandung sehen; mehr als drei Kilometer betrug die Inselbreite nicht.

Jetzt ging es weiter. Sie hörten wüstes Hundegebell. Dann sahen sie, warum sie hatten warten müssen: vor ihnen wurde eine Zugbrücke langsam heruntergelassen. Sie mussten zwischen

zwei Wachhäusern durch, die so eng nebeneinander standen, dass sie nur im Gänsemarsch vorbeikamen. Dann kamen sie auf die Zugbrücke. Sie ging über einen Graben, der an die zehn

Meter breit und gut das Doppelte tief war. In ihm tobte ein starkes Rudel mittelgroßer, rötlicher Doggen, die wie von einem Pinselklatsch von der Schnauze bis zu den Augen schwarz waren.

GG warf nur einen Blick auf sie, dann wusste er Bescheid.

„Kuba-Doggen“, sagte er halblaut zum Chef. „Sie wurden früher auf entlaufene Sklaven gehetzt. Sie reißen wilde Ochsen nieder.“

Rasend vor Wut bellten die Bestien vom Grund des Grabens zu ihnen hinauf. Die Brücke hallte von den Schritten der Gehenden, und das Geräusch brachte die Tiere offenbar außer sich.

„Nicht schlecht ausgedacht“, sagte der Chef.

Als die letzten des Zuges die Brücke passiert hatten, ging der Laufsteg wieder hoch. Sein Angelpunkt lag, von ihnen aus gesehen, jenseits des Grabens, so dass das Lager nun völlig abgeschieden war. Eine hohe Mauer umschloss es. Der Eingang lag zwischen zwei ebenerdigen Steinhäusern. Sie waren mit Schießscharten versehen und standen auch einander so nahe, dass sie wieder nur im Gänsemarsch zu passieren waren. Eiserne Harmonikagitter schlossen den Zugang auf beiden Seiten ab, und jetzt rasselten und schnappten sie zu. Der Transport war da angelangt, wo die Gefangenen Jahre, manche von ihnen ihr ganzes Leben zubringen sollten.”

 

Kranz

Herbert Kranz (4 oktober 1991 – 30 augustus 1973)

 

 

 

De Amerikaanse schrijver, journalist, musicus en acteur  Roy Alton Blount Jr. werd geboren op 4 oktober 1941 in Indianapolis, Indiana. Hij maakte o.a. een documentaire over de rivier de Mississippi, treedt frequent op in nieuws/comedies/quiz shows en schrijft (veelal humoristische) boeken.

 

Uit: Alphabet Juice

 

“Have you ever tried to spell any of the various sounds that pigs make? It isn’t easy. It’s damn well worth trying, but eventually you have to settle on something close. (Chickens being more articulate, you’ll find their noises to be pretty similar the world round. Baby chicks go peep peep in English, pío pío in Spanish, piyo piyo in Japanese.)

And I’m not sure Pinker is playing fair with that chrjo. It’s not Russian letters. How am I supposed to know how Russian people or pigs pronounce it? Fortunately, by Googling “Russian pigs go,” I have obtained the input of an online chatperson (at ask.metafilter.com) named “MrAnonymous,” who sounds like he knows what he is talking about:

In Russian, pigs go hroo, hroo. Note that these are rolled r’s and the h is more of a hk sound, like when you try to build a loogie. (Don’t try and pronounce the K, just flem up the H.)

That, although it should be “try to pronounce” and phlegm, is not bad.Over the years and around the world, generation building upon generation, people have put much mimetic effort into the spelling of pig utterance.

For that matter, grunt works for me, and I resent any insinuation that I have been programmed by random convention. Dictionaries in their grudging way call grunt “probably imitative.” The word is a distinct refinement, or counterrefinement, of the Old English grunettan, and although the parallel Greek gry, in comparison, looks less than fully swinish, you can see the resemblance. The French for “to grunt” is grogner. You know what the French for the growl of a car is? Vroum!

That car is running on alphabet juice. So, less obviously, are spice and tang and strength (do you think that word fits its meaning no better than would, say, delicacy?) and, excuse me, sphincter, which shares a root, incidentally, with the Sphinx.

Marshall McLuhan, whom we celebrate for coming up with such memes as “the global village” and “the medium is the message,” played fast and loose with the roots of words, according to his biographer, Philip Marchand: he “pored over etymologies in the OED as if they were mystic runes,” and irritated colleagues at Cambridge by making up fanciful derivations to support his theories. I prefer a firmer grip on etymology—”the wheel-ruts of modern English,” as etymonline.com puts it.”

 

Blount

Roy Alton Blount Jr. (Indianapolis,  4 oktober 1941)

 

 

De Australische dichter en schrijver Hugh Raymond McCrae werd geboren op 4 oktober 1876 in Melbourne. Oorspronkelijk wilde hijarchitect worden, maar uiteindelijk begon hij met schrijven en acteren. McCrae was onder andere bevriend met de beeldhouwer en kunstenaar Norman Lindsey en de dichters Kenneth Slessor, John Neilson en Christopher Brennan.

 

Australian Spring

 

The bleak faced Winter, with his braggart winds
(Coiled to his scrawny throat in tattered black),
Posts down the highway of his late domain,
His spurs like leeches in his bleeding hack.

He rides to reach the huge embattled hills
Where all the brooding summer he may lie
Engulfed in Kosciusko’s silent snow,
His shadow waving o’er the lofty sky.

And jolly Spring, with love and laughter gay
Full fountaining, lets loose her tide of bees
Upon the waking ember-flame of bloom
New kindled in the honey-scented trees.

The old, old man forsakes the chimney-hole,
Where erst he warmed his bones and lazy blood,
And, clasping Molly to his wheezing breast,
Triumphant floats, cock-whoop, upon the flood.

 

 

Song of the Rain

 

Night,
and the yellow pleasure of candle-light….
old brown books and the kind, fine face of the clock
fogged in the veils of the fire – it’s cuddling tock.

The cat,
greening her eyes on the flame-litten mat;
wickedly, wakeful she yawns at the rain
bending the roses over the pane,
and a bird in my heart begins to sing
over and over the same sweet thing–

Safe in the house with my boyhood’s love
and our children asleep in the attic above.

 

McCrae

Hugh McCrae (4 oktober – 1876 – 17 februari 1958)

 

De Franse schrijfster, polemiste en feministe Juliette Adam werd geboren op 4 oktober 1836 in Verberie. In 1858 publiceerde zij haar Idees antiproudhoniennes sur l’amour, la femme et le marriage,  waarin zij Daniel Stern (Marie d’Agoult) en haar vriendin George Sand verdedigde. In de jaren 1870 opende zij in Parijs een salon die o.a. door republikeinse en liberale politici en schrijvers werd bezocht, die zich verzetten tegen de conservatieve reactie van de Derde Republiek. Hetzelfde doel diende ook het tijdschrift Nouvelle Revue dat zij in 1879 oprichtte, de eerste acht jaar ook zelf uitgaf en waaraan zij tot 1899 ook mede leiding gaf. Zij publiceerde o.a. werk van Paul Bourget, Pierre Loti en Guy de Maupassant. In 1896 publiceerde zij Octave Mirbeaus roman Le Calvaire. Zij schreef ook artikelen over buitenlandse politiek, waarin zij vaak en zonder ophouden Bismarck aanviel en een revanche eiste voor de nederlaag in de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871.

 

Uit: THE SCHEMES OF THE KAISER

 

„William II appeals to the higher ranks of officers, who are tradition personified, to put an end to tradition.  It is really wonderful what a genius he has for exciting cupidity in one class and resistance in the other.  And he has done the same thing with the working class as with the army.

 

What a strange riddle his character presents–this quietist, this worshipper of an angry and a jealous God, with a mania for achieving the happiness of his people in the twinkling of an eye!  A strange figure, this Emperor of country squires, who despises the bourgeois and who threatens to despoil the aristocracy of the very privileges which have been the safeguard of the Hohenzollerns’ throne for centuries.

 

These peculiarities are due to an occult influence which weighs on the mind of William II, an influence which, while it points the way to action, blinds him to its consequences.  The dead hand is upon him!

 

Frederick III, that liberal, bourgeois monarch, compels his reactionary, Old-Prussian-school son, to do those things which he would have done himself, had he not been victimised by Bismarck and his pupil.

 

I wonder whether the ever-mystical William II sometimes reflects on the ways by which God leads men into His appointed ways?  Such thoughts might do more to enlighten him than his way of gazing at the heavens in the belief that all the stars are his.“

 

juliette_adam

Juliette Adam (4 oktober 1836 – 23 augustus 1936)

Oek de Jong, Cynthia Mc Leod, George Cosbuc, Jurek Becker

De Nederlandse schrijver Oek de Jong werd geboren in Breda op 4 oktober 1952. Zijn jeugd bracht hij onder meer door in Dokkum en Goes, verhuizingen die hem het gehele land deden doorkruisen en een gevoel van vervreemding achterlieten. Hij studeerde kunstgeschiedenis in Amsterdam. Hij debuteerde in 1976 met De hemelvaart van Massimo, een verzameling korte verhalen waarvoor hij de Reina Prinsen Geerligsprijs kreeg. Destijds zat hij al in de redactie van De Revisor, een stroming waar hij lang deel van uitmaakte. In 1979 volgde zijn doorbraak met Opwaaiende zomerjurken, een roman die overwegend positief ontvangen werd en ook met de F. Bordewijkprijs beloond werd. Daarna volgden er zes jaren waarin De Jong geen boeken publiceerde, tot 1985 waarin Cirkel in het Gras uitkwam. Dit boek was in vergelijking met de Bildungsroman Opwaaiende zomerjurken van een heel ander slag, veeleer een Ideeënroman, dit boek werd desalniettemin ook goed ontvangen.

Daarna bleef het weer geruime tijd stil rond De Jong tot 1993, toen hij een bundel novellen publiceerde. Zijn productie bleef niet hoog, en het duurde ook tot 2002 totdat er weer een roman van zijn hand verscheen, namelijk Hokwerda’s kind, een boek dat hem weer terug in de belangstelling bracht.

 

Uit: Hokwerda’s kind

 

Toen had ze zich de vijgenboom herinnerd die ze in Spanje had gezien. Hij was in een holte van een rotswand gegroeid, half boven een ravijn. Een koude en ongunstige plek. Daar stond hij toch of liever, hing hij. Zijn wortels waren in de rots gedrongen. Ze had niet kunnen ontdekken waar ze een spleet gevonden hadden, zelfs niet toen ze haar vingertoppen er langs had laten glijden. Ergens moest hij toch een opening gevonden hebben. Marcus had er een foto van gemaakt: zij in die rotsholte bij de wortels van de vijgenboom, met haar vingertoppen op zoek naar de opening in de steen. Er waren meer bomen die indruk op haar hadden gemaakt, maar deze was haar het meest bijgebleven. Ze had zijn bladeren geteld, niet meer dan zestien waren het er, toch leefde hij.’

 

oek-dejong

Oek de Jong (Breda, oktober 1952)

 

Voor onderstaande schrijvers zie ook mijn blog van 4 oktober 2006.

 

De Surinaamse schrijfster Cynthia Henri Mc Leod werd geboren op 4 oktober 1936 in Paramaribo als Cynthia Ferrier.

 

De Roemeense schrijver, dichter en vertaler George Cosbuc werd geboren op 20 september 1866 in Hordou, Bistriþa-Nãsãud.

 

De Duitse schrijver, draaiboekauteur en DDR-dissident Jurek Becker werd geboren op 30 september 1937 in  £ódŸ, Polen.