Jan Telouw, Wolf Biermann, J. G. Ballard, Gerhart Hauptmann, Lucien Rebatet

De Nederlandse schrijver, fysicus en voormalig politicus voor Democraten 66 Jan Terlouw werd geboren in Kamperveen op 15 november 1931. Zie ook alle tags voor Jan Terlouw op dit blog.

 

Uit: De koning van Katoren

‘Eindelijk, na weken, als blijkt dat ze het toch niet eens worden, besluiten ze te loten. Ze bellen om Gervaas. ‘Breng een dobbelsteen,’beveelt minister de Seer. Gervaas, die voelt dat het om Stach gaat, brengt bezorgd een dobbelsteen in een leren beker. ‘Een een of een twee is zijn hoofd er af,’zegt de Seer. ‘Drie of vier is verbanning. Vijf of zes is opdrachten. Gervaas, werp de dobbelsteen!’ Bevend schudt de oude man de steen in het bekertje. Dan zet hij de beker omgekeerd op tafel. Het ontbreekt hem aan moed hem op te lichten. Het duurt minister Pardoes allemaal veel te lang. Driftig licht hij de beker op. ‘Een zes,’zegt hij. ‘Dat betekent dat de jongen zijn zeven opdrachten krijgt.’

(…)

 

“Daar zit hij. De stenen zijn hard en koud, maar wie zou daar op letten? Even nog blijft het doodstil, alsof de mensen niet kunnen geloven dat hij rustig in leven blijft. Dan maakt hij een lange neus tegen de ministers en een oorverdovend gejuich breekt los. Vijfhonderd maal zwaaien de mensen hun armen omhoog en roepen hoera, nadat de burgemeester van Decibel heeft geschreeuwd: ‘’LEVE DE KONING VAN KATOREN!” Bij de tweehonderdste maal beginnen de lippen van minister Broeder zachtjes mee te trillen. Bij de tweehonderdvijftigste maal gaat een arm van minister Pardoes voorzichtig meedoen. Bij de driehonderdste maal staat geen van de ministers meer helemaal stil en klinkt er een soort ondergronds gebrom uit hun gelederen. Bij de driehondervijftigste maal komen hun handen al ter hoogte van hun oren en de laatste honderd maal hoerahen ze mee, net als gewonen Katorenen.”

 

 

Jan Terlouw (Kamperveen, 15 november 1931)

 

Lees verder “Jan Telouw, Wolf Biermann, J. G. Ballard, Gerhart Hauptmann, Lucien Rebatet”

Clemens J. Setz

De Oostenrijkse schrijver en vertaler Clemens J. Setz werd geboren op 15 november 1982 in Graz, waar hij nog steeds woont . In 2001 begon hij met een opleiding voor docent wiskunde en Duits aan de Karl-Franzens Universiteit in Graz. Naast de studie werkte hij als vertaler en publiceerde hij gedichten en korte verhalen in tijdschriften en bloemlezingen. Zijn debuutroman “Söhne und Planeten”, gepubliceerd in 2007 haalde de shortlist van de aspekte-literatuurprijs. In 2008 werd hij uitgenodigd voor de Ingeborg Bachmann-prijs, en won hij de Ernst-Willner-Prijs met de novelle “Die Waage” . In 2009 werd zijn tweede roman “Die Frequenzen” voor de Deutsche Buchpreis genomineerd (Short List) . Voor zijn verhalenbundel “Die Liebe zur Zeit des Mahlstädter Kindes” ontving hij in 2011 de Prijs van de Leipziger Buchmesse voor fictie. Vanaf 2011 schreef hij voor het literaire tijdschrift Volltext de serie “Nicht mehr lieferbar” overniet meer leverbare werken van grote schrijvers. Zijn in 2012 gepubliceerde roman “Indigo” kwam op de shortlist voor de Deutsche Buchpreis.

Uit: Indigo

„Es klang, als artikulierten sie durch ein Megaphon, das einen etwas zu langen Nachhall erzeugte. (Wenig später sah ich im Speisesaal des Instituts einen Schüler, der tatsächlich ein kleines hellblaues Megaphon an einem schwarzen Lederband um den Hals trug.)
Nachdem der Junge weitergegangen war, klingelte es erneut, und ein weiteres Kind tauchte auf.
Die kommen nacheinander heraus?
Es gibt eine Reihenfolge, sagte Dr.Rudolph. Eine Reihenfolge…Er schien nicht ganz bei der Sache.
Robert hat komisch ausgesehen, sagte er. Haben Sie sein Auge bemerkt?
Ja, sagte er nachdenklich. Blöde Geschichte, wenn das wieder…
Wissen Sie was, ich werde kurz… nur einen Augenblick, ja?
Er holte sein Handy aus der Tasche und rief jemanden an. Da er sich einige Schritte von mir entfernte, konnte ich nicht verstehen, was er sagte. Ich stand allein auf meinem Flecken Erde und rührte mich nicht. Wie eine Schachfigur, die darauf wartet, weitergeschoben zu werden. Von allein käme sie nie auf die Idee, ihr Feld zu verlassen.
Der Speisesaal war ein auffallend niedriger, aber großer Raum.
In ihm standen lange Tischreihen, die alle paar Meter von einem Stuhl ergänzt wurden. Man konnte die Stühle wie Lautstärkeregler an den Tischen entlangschieben.
Als der Direktor und ich eintraten, drehten sich einige Köpfe nach uns um. Dr. Rudolph ging zu einem an die Wand gerückten Pult und betätigte den Schalter an einer Gegensprechanlage.
Mahlzeit, meine Herrschaften!, kam es aus den Lautsprechern, die in jeder Ecke des Raumes hingen.”

 
Clemens J. Setz (Graz, 15 november 1982)