In memoriam Naguib Mahfouz / Mary Shelley


De Egyptische schrijver en Nobelprijswinnaar Naguib Mahfouz is vandaag overleden

Mahfouz, de voorlopig enige Arabische schrijver die in 1988 de Nobelprijs won, belandde midden juli in het ziekenhuis toen hij zich verwondde aan zijn hoofd. Sindsdien liep hij de ene ernstige complicatie na de andere op. Zijn bloeddruk daalde en zijn nieren functioneerden niet meer naar behoren.Vorige week kreeg hij een interne bloeding waardoor hij naar intensieve zorg moest. Zijn toestand werd toen omschreven als “kritiek maar stabiel”.

Mahfouz (geboren op 11 december 1911 in Caïro) was een van de meest vooraanstaande intellectuelen uit de Arabische wereld. Hij is vooral bekend van zijn sociaal-realistische romans.Tot zijn bekendste romans behoren “Tussen twee paleizen”,Paleis van verlangen” en “Suikersteeg”, een trilogie die zich afspeelt in een oude wijk van Caïro.

Met “De kinderen van onze wijk” zorgde Mahfouz in 1959 voor ophef. Het boek over geloof en valse leerstellingen werd door islamitische critici bestempeld als “godslasterlijk”. Hij noemde “het plooien van het klassieke Arabische naar de eisen van de moderne vertellingen” dan ook zijn zwaarste strijd. Mahfouz schreef meer dan vijftig boeken. In 1994 overleefde hij een moordaanslag van een religieuze fanaticus.

Citaten:

 

“You can tell whether a man is clever by his answers. You can tell whether a man is wise by his questions.”

 

When will the state of the country be sound?… When its people believe that the end result of cowardice is more disastrous than that of behaving with integrity.

 

I am the son of two civilizations that at a certain age in history have formed a happy marriage. The first of these, seven thousand years old, is the Pharaonic civilization; the second, one thousand four hundred years old, is the Islamic civilization.

 

I have condemned Khomeini’s fatwa to kill Salman Rushdie as a breach of international relations and as an assault on Islam as we know it in the era of apostasy. I believe that the wrong done by Khomeini towards Islam and the Muslims is no less than that done by the author himself. As regards freedom of expression, I have said that it must be considered sacred and that thought can only be corrected by counter-thought. During the debate, I supported the boycott of the book as a means of maintaining social peace, granted that such a decision would not be used as a pretext to constrain thought.

 

 

 

 

 

Naguib Mahfouz (11 december 1911 – 30 augustus 2006)

 

Mary Wollstonecraft Shelley werd geboren op 30 augustus 1797. Zij was de dochter van de feministe Mary Wollstonecraft en de filosoof William Godwin. Ze werd de vrouw van de beroemde schrijver/dichter Percy Bysshe Shelley. Haar oudere echtgenoot organiseerde met regelmaat bijeenkomsten waarbij contemporaine literaire grootheden bijeenkwamen. Zij mocht daarbij als toehoorder aanwezig zijn. Geïnspireerd door de verhalen van de literaire kopstukken uit die tijd, schreef Mary Shelley op 19-jarige leeftijd de roman Frankenstein.

Uit: Frankenstein, Introduction:

“Night waned upon this talk, and even the witching hour had gone by, before we retired to rest. When I place my head on my pillow, I did not sleep, nor could I be said to think. My imagination, unbidden, possessed and guided me, gifting the successive images that arose in my mind with a vividness far beyond the usual bounds of reverie. I saw — with shut eyes, but acute mental vision, — I saw the pale student of unhallowed arts kneeling beside the thing he had put together. I saw the hideous phantasm of a man stretched out, and then, on the working of some powerful engine, show signs of life, and stir with an uneasy, half vital motion. Frightful must it be; for supremely frightful would be the effect
of any human endeavour to mock the stupendous mechanism of the Creator of the world. His success would terrify the artist; he would rush away from his odious handywork, horror-stricken. He would hope that, left to itself, the slight spark of life which he had communicated would fade; that this thing, which had received such imperfect animation, would subside into dead matter; and he might sleep in the belief that the silence of the grave would quench for ever the transient existence of the hideous corpse which he had looked upon as the cradle of life. He sleeps; but he is awakened; he opens his eyes; behold the horrid thing stands at his bedside, opening his curtains, and looking on him with yellow, watery, but speculative eyes.” 

 

Mary Shelley (30 augustus 1797 – 1 februari 1851)

 

 

Julio Cortázar (nagekomen bericht)


Even een nagekomen bericht, omdat ik deze schrijver de moeite waard vind en niet de indruk wil wekken hem afgelopen zaterdag moedwillig te hebben overgeslagen.

Julio Cortázar werd geboren op 26 augustus 1914 in Brussel. Hij is bekend van meerdere experimentele romans en vele korte verhalen. Hij had Argentijnse ouders, die toen hij vier jaar oud was besloten terug te gaan naar hun vaderland. De familie vestigde zich in Buenos Aires. Cortázar startte zijn studie aan de Universiteit van Buenos Aires, maar om financiële redenen zou hij die niet af maken. Vervolgens werd Cortázar eerst leraar aan een aantal middelbare scholen en later, in het midden van de 40-er jaren, hoogleraar Franse literatuur aan de Universiteit van Cuyo, Mendoza. In 1966 verscheen Cortázar’s meesterwerk, Rayuela, (in Nederlands: Rayuela, een hinkelspel). In zijn latere jaren werd Cortázar politiek actief. In de 70-er jaren was hij actief deelnemer aan het tweede Russell-tribunaal dat de toestand van de rechten van de mens in Zuid Amerika onderzocht. Hij ondersteunde de linkse bewegingen in Cuba en in Nicaragua. Na de revolutie bezocht hij Cuba en de Sandinisten kregen alle royalty’s van zijn laatste boeken. Julio Cortázar overleed in 1984 in Parijs aan leukemie.

 

To dress a shadow

The hardest thing is to surround it, to fix its limit where it fades into the penumbra along its edge. To choose it from among the others, to separateit from the light that all shadows secretly, dangerously, breathe. To begin to dress it casually, not moving too much, not frightening or dissolving it: this is the initial operation where nothingness lies in every move. The inner garments, the transparent corset, the stockings that compose a silky ascent up the thighs. To all these it will consent in momentary ignorance, as if imagining it is playing with another shadow, but suddenly it will become troubled, when the skirt girds its waist and it feels the fingers that button the blouse between its breasts, brushing the neck that rises to disappear in dark flowing water. It will repulse the gesture that seems to crown it with a long blonde wig (that trembling halo around a nonexistent face! And you must work quickly to draw its mouth with cigarette embers, slip on the rings and bracelets that define its hands, as it indecisively resists, its newborn lips murmuring the immemorial lament of one awakening to the world. It will need eyes, which must be made from tears, the shadow completing itself to better resist and negate itself. Hopeless excitement when the same impulse that dressed it, the same thirst that saw it take shape from confused space, to envelop it in a thicket of caresses, begins to undress it, to discover for the first time the shape it vainly strives to conceal with hands and supplications, slowly yielding, to fall with a flash of rings that fills the night with glittering fireflies.

Translation copyright © 1986 by Thomas Christensen

 

 

 

 

Julio Cortázar
(26 augustus 1914 – 12 februari 1984)

 

 

Lehmann, Nash, McCourt en Dryden


Louis Th. Lehmann, geboren op 19 augustus 1920 te Rotterdam is dichter, prozaïst, vertaler, meester in de rechten, archeoloog, doctor in de letteren en natuurlijk de swingende d.j. die elke vrijdagavond op VPRO Radio 5 het luistervolk vergast op fraaie muziek Op de HBS werkte hij met zijn vriend en klasgenoot Anton George Kloppers(1919-1974) mee aan de schoolkrant Confetti. Samen met hem kwam hij in contact met zijn stadgenoot Adriaan van der Veen, die in 1939 met Hoornik, Daisne en Schepens het nieuwe tijdschrift ‘Werk’ redigeerde, waar Lehmann in 1939 in debuteerde. In 1939 werd hij al tweemaal gebloemleesd: in Dichters van dezen tijd.

Zijn Verzamelde gedichten verschenen in 1947 bij de vermaarde uitgever Alexander Stols en een ge-update versie hiervan Gedichten 1939-1998 verscheen in december 2000 bij De Bezige Bij

Een gracht, waar eend en waterhoen

 

Een gracht, waar eend en waterhoenvoortdurend watertrappenom voort te gaan, niet om te drijvenzoals de watervreemde mens.  Als zij vooruitgaanmaken zij een dubbelspoorvan kleine kolken,en boegwater als de verticaledoorsnee van een pannendak,negentig graden omgeklapt.                         

 Een kind te zijn is triest zijn en ontgoocheld.Wanneer wij ons vervelen,zegt men ons te spelen;en wij weten niet wat spelen is. Als de padvindersfluit,waarvan gezegd is,dat hij echt is,die is beloofden daarom gevraagd,eindelijk is gegeven,wordt hij afgenomenom het geluid. Wij weten ook wel dat het maar één toon is,zo hard, zo koud,door geen manier van blazen te vermurwen. Maar wij zoeken muzieken blazen hoewel het haast pijn doet.Wij wachten tegen beter wetenop een melodie die komen moetzo maar vanzelf,zo licht en zwevend.                        

 Als ik in mijn tuin aan ’t werk ben,met de heuvels achter mij,komen neer vanaf de heuvels:Bargaluut, met zijn drie harenen zijn stem als van een zaag;Schorkenool, die steeds wijdbeens looptom zijn buik te laten slepenachter hem over de grond;Kraddewimpel, met één oogen zijn manden vol met pruimen,die hij neerzet op de drempelsvan de huizen van zijn dochters.En daarachter nog de kleintjesmet hun puntmuts en hun hooivork,die vannacht mij komen prikken,

mij en iedereen in ’t dorp.

   
Louis Th.
Lehmann (Rotterdam, 19 augustus 1920)   

 

Frederic Ogden Nash werd geboren in Rye, New York, op 19 augustus 1902. Zie ook het blog van 19 mei.

 

The Wasp

 

The wasp and all his numerous family
I look upon as a major calamity.
He throws open his nest with prodigality,
But I distrust his waspitality.
 

 

What’s the use?

 

Sure, deck your limbs in pants,
Yours are the limbs, my sweeting.
You look divine as you advance . . .
Have you seen yourself retreating?

  

 


Ogden Nash (19 augustus 1902 – 19 mei 1971)

 

 

De Engels toneelschrijver, dichter en criticus John Dryden werd geboren op 19 augustus 1631. Met Astraea Redux (1660) maakte hij enige naam. Daarna volgden zijn gedichten Coronation (1661), To Lord Clarendon (1662), To Dr. Charleton (1663), To the Duchess of York (1665) en het zeer succesvolle Annus Mirabilis (1667), dat hoofdzakelijk gaat over de oorlog met de Verenigde Nederlanden en de Grote brand van Londen in 1666.

 

In Religio laici (1664) verdedigde hij de Anglicaanse Kerk, maar onder Jacobus II ging hij over tot de Rooms-Katholieke Kerk. Hij verdedigde zijn overstap in het allegorisch gedicht The hind and the panther uit 1687. Na de val van Jacobus in de Glorious Revolution van 1688 verloor Dryden het ambt van Poet Laureate.

 

Hidden flame

 

I feed a flame within, which so torments me

That it both pains my heart, and yet contains me:

Tis such a pleasing smart, and I so love it,

That I had rather die than once remove it.  

 

Yet he, for whom I grieve, shall never know it;

My tongue does not betray, nor my eyes show it.

Not a sigh, nor a tear, my pain discloses,

But they fall silently, like dew on roses.  

 

Thus, to prevent my Love from being cruel,

My heart’s the sacrifice, as ’tis the fuel;

And while I suffer this to give him quiet,

My faith rewards my love, though he deny it.  

 

On his eyes will I gaze, and there delight me;

While I conceal my love no frown can fright me.

To be more happy I dare not aspire,

Nor can I fall more low, mounting no higher.  

 

    


John Dryden (19 augustus 1631 – 12 mei 1700)

 

 

De Iers-Amerikaanse schrijver Frank McCourt werd geboren op 19 augustus 1930 in Brooklyn, New York. Hij werd wereldberoemd met het boek over zijn Ierse jeugd: Angela’s Ashes. Het gaat om een autobiografisch verslag van een door katholicisme, armoede en vocht geteisterde jeugd. Als jonge Ierse jongen groeit Frank op in New York. Maar vanwege de crisisjaren en de dood van zijn zusje keert Frank met zijn Ierse familie terug naar het regenachtige Limerick in Ierland om het daar nog slechter te hebben. Zo blijft Franks vader (Robert Carlysle, o.a. Priest, The Full Monty) werkeloos en aan de drank. En zijn moeder lijdt, zoals alleen een moeder lijden kan. Met soms ironische, dan weer schrijnende ondertoon worden via scherpe observaties de wonderlijke, morele regels der volwassenen getoond. Frank intussen heeft de rest van zijn jeugd maar één droom: terugkeren naar Amerika.

Na zijn jeugd in Ierland te hebben doorgebracht keerde McCourt terug naar New York. Om les te geven. Hij was 27 jaar leraar op het Stuyvesant-college.

 

Uit: Hoofdstuk 1 van Angela’s Ashes

 

“My father and mother should have stayed in New York where they met and married and where I was born. Instead, they returned to Ireland when I was four, my brother, Malachy, three, the twins, Oliver and Eugene, barely one, and my sister, Margaret, dead and gone. When I look back on my childhood I wonder how I survived at all. It was, of course, a miserable childhood: the happy childhood is hardly worth your while. Worse than the ordinary miserable childhood is the miserable Irish childhood, and worse yet is the miserable Irish Catholic childhood. People everywhere brag and whimper about the woes of their early years, but nothing can compare with the Irish version: the poverty; the shiftless loquacious alcoholic father; the pious defeated mother moaning by the fire; pompous priests; bullying schoolmasters; the English and the terrible things they did to us for eight hundred long years. Above all — we were wet.”   

   


Frank McCourt (New York, 19 augustus 1930)

 

 

Jan Campert en Daan Zonderland


We hebben zowaar onze eigen Günter Grass gehad. De schrijver, dichter en journalist Jan Campert werd geboren op 15 augustus 1902. Hij is vooral bekend van het gedicht De achttien dooden, dat hij schreef naar aanleiding van de executie van 15 verzetsleden en drie communistische Februaristakers in maart 1941. Op 19 februari 2005 verscheen echter een artikel in NRC Handelsblad van de hand van Godert van Colmjon, waarin voormalig verzetsman Gerrit Kleinveld verklaarde in 1970 van Jan van Bork (1909-1987), te hebben vernomen dat Campert was omgebracht door medegevangenen omdat hij de namen van de geheime kampraad aan de Duitsers had verraden – naar wordt beweerd om een betere behandeling te verkrijgen. Naar aanleiding van deze beschuldigingen liet de gemeente Den Haag, die destijds de Jan Campert-stichting had opgericht, nader onderzoek doen door de gemeentearchivaris. In diens rapport werden de meeste van de beschuldigingen door hem als “onwaarschijnlijk” omschreven. Zo wordt het verhaal over zijn dood naar het rijk der fabelen verwezen: Campert overleed aan tuberculose, opgelopen in de strenge winter van 1943.

 

HET LIED DER ACHTTIEN DOODEN

Een cel is maar twee meter lang
en nauw twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond,
dat ik nu nog niet weet,
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien,
wij waren achttien in getal,
geen zal den avond zien.

O lieflijkheid van licht en land,
van Holland’s vrije kust,
eens door den vijand overmand
had ik geen uur meer rust.
Wat kan een man oprecht en trouw,
nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw
en strijdt den ijdlen strijd.

Ik wist de taak die ik begon,
een taak van moeiten zwaar,
maar’t hart dat het niet laten kon
schuwt nimmer het gevaar;
het weet hoe eenmaal in dit land
de vrijheid werd geeerd,
voordat een vloekbre schennershand
het anders heeft begeerd.

Voordat die eeden breekt en bralt
het miss’lijk stuk bestond
en Holland’s landen binnenvalt
en brandschat zijnen grond;
voordat die aanspraak maakt op eer
en zulk Germaansch gerief
ons volk dwong onder zijn beheer
en plunderde als een dief.

De Rattenvanger van Berlijn
pijpt nu zijn melodie, –
zoo waar als ik straks dood zal zijn
de liefste niet meer zie
en niet meer breken zal het brood
en slapen mag met haar-
verwerp al wat hij biedt of bood
die sluwe vogelaar.

Gedenkt die deze woorden leest
mijn makkers in den nood
en die hen nastaan ’t allermeest
in hunnen rampspoed groot,
gelijk ook wij hebben gedacht
aan eigen land en volk –
er daagt een dag na elken nacht,
voorbij trekt iedre wolk.

Ik zie hoe’t eerste morgenlicht
door ’t hooge venster draalt.
Mijn God, maak mij het sterven licht-
en zoo ik heb gefaald
gelijk een elk wel falen kan,
schenk mij dan Uw gena,
opdat ik heenga als een man
als ‘k voor de loopen sta.

 

 

 

 

Jan Campert (15 augustus 1902 – 12 januari 1943)

 

Daan Zonderland is het pseudoniem van Dr. Daniel Gerhard (Daan) van der Vat, Hij was een Nederlands dichter, schrijver en journalist, geboren in Groningen op 15 augustus 1909, overleden te Den Haag op 5 augustus 1977.

Daan Zonderland studeerde Engelse taal en letterkunde in Groningen, Kopenhagen en Londen. Daarna werkte hij enkele jaren als leraar Engels, later als privaatdocent in de Engelse letterkunde aan de Universiteit van Leiden. Van 1945 tot 1967 werkte hij als correspondent voor De Tijd in Londen.

 

 

De rouwmoedige geit

 

Een koe stal op een goede morgen

Een groot vat bier uit een café.

Daarop schreef zij met grote letters:

‘Le jour de gloire est arrive?

Tezamen met twee oude vrienden,

Een kikker en een witte geit,

Ging zich de koe aan bier te buiten

Een toonbeeld van onmatigheid.

Daar dronken koe en geit en kikker,

Daar dronken zij den ganse dag,

Eerst toen het grote biervat leeg was,

Kwam er een eind aan het drinkgelag.

De koe kon geen boe noch ba meer zeggen.

De dronken kikker gaf geen kik.

Alleen de geit zei tussenbeide

Verdrietig en berouwvol: ‘Hik’!

 

                    *

 

Een oude man in Gaasterland

Die nam een bronzen vaas ter hand

En sloeg – niet zonder tegenzin –

Zijn goede vrouw de schedel in

Toen men hem daarop arresteerde

En naar de rede informeerde,

Zei hij – zonder plichtplegingen –

‘Uit schoonheidsoverwegingen.’

 

 

 

 

Daan Zonderland (15 augustus 1909 – 5 augustus 1977)

 

Hilde Domin

De Duirse schrijfster, dichteres en vertaalster Hilde Domin werd geboren als Hilde Löwenstein op 27 juli 1909. Zij was van Joodse afkomst en vluchtte daarom tijdens de Tweede Wereldoorlog samen met haar toekomstige echtgenoot weg uit Duitsland waarnaar ze achtereenvolgens in Italië, Groot-Brittannië en de Dominicaanse Republiek (haar pseudoniem “Domin” verwijst naar de hoofdstad Santa Domingo) belandden. In 1954 keerde ze weer terug naar het toenmalige West-Duitsland. Na de oorlog begon ze met schrijven en dichten en één van haar bekendste gedichten was De moeilijkste wegen. Hilde Domin overleed op ruim 96-jarige leeftijd in het ziekenhuis van Heidelberg aan de complicaties van een beenbreuk ten gevolge van een val.

Frage

Nach dem kleinen Zusammenstoß
– ein Druck der Lippe genügt -,
wenn ich eine Wolke werde
oder ein Schiff ohne Anker
auf deinem Meer
oder, ganz einfach,
eine andere Form
für dich,
was wird aus dir?
Und wie vermeidest du’s,
am nächsten Morgen
ein wenig befangen zu sein?

 

 

Heckenrose

mit blassen Blättern
über dem engen Kelch.
Du gingst vorbei.
Da war ich eine Hagebutte,
bunt und voll Samen.

 

Ich träumte von einem gepflügten Feld,
du wie quellendes Korn
in der Furche.
Doch wie ich erwachte
da war mein Leib
kaum gewölbt
und unsere Stimmen
leichter als Wind
der mit dem Laub einer Birke spielt.

 

 

 

Schöner

Schöner sind die Gedichte des Glücks.

 

Wie die Blüte schöner ist als der Stengel
der sie doch treibt
sind schöner die Gedichte des Glücks.

 

Wie der Vogel schöner ist als das Ei
wie es schön ist wenn Licht wird
ist schöner das Glück.

 

Und sind schöner die Gedichte
die ich nicht schreiben werde.

 

Hilde Domin (27 juli 1909 –  22 februari 2006)

Charles Baudelaire en Elias Canetti

Nog meer Franse poëzie tijdens deze zwoele zomeravonden. Ditmaal van Charles Baudelaire.

Correspondances

La Nature est un temple où de vivants piliers
Laissent parfois sortir de confuses paroles;
L’homme y passe à travers des forêts de symboles
Qui l’observent avec des regards familiers.

Comme de longs échos qui de loin se confondent
Dans une ténébreuse et profonde unité,
Vaste comme la nuit et comme la clarté,
Les parfums, les couleurs et les sons se répondent.

II est des parfums frais comme des chairs d’enfants,
Doux comme les hautbois, verts comme les prairies,
— Et d’autres, corrompus, riches et triomphants,

Ayant l’expansion des choses infinies,
Comme l’ambre, le musc, le benjoin et l’encens,
Qui chantent les transports de l’esprit et des sens.

 

 

Correspondenties

 

De Natuur is een tempel met bezielde zuilen

Die soms hun stemmen in verwarring op doen gaan;

De mens doorkruist dit woud waarin symbolen schuilen

Die hem er met vertrouwde blikken gadeslaan.

 

Als langgerekte echo’s die van verre mengen

Tot eenheid vol van duister  en diepzinnigheid

Ontzaglijk als de nacht en als het zonnezengen,

Zijn geuren, kleuren, klanken tot één zin herleidt.

 

En zulke geuren zijn er, fris als kinderhuid,

Mild klinkend als hobo’s en groen zoals de steppen,

En andere – bedorven, zat van winst en buit,

 

Die onverholen van oneindigheden reppen,

Waaronder amber, muskus, mirre, wierookwalmen,

Die zins- en geestvervoering zingen in hun psalmen.

 

 

 

A une passante

 

La rue assourdissante autour de moi hurlait.
Longue, mince, en grand deuil, douleur majestueuse,
Une femme passa, d’une main fastueuse
Soulevant, balançant le feston et l’ourlet ;

 

Agile et noble, avec sa jambe de statue.
Moi, je buvais, crispé comme un extravagant,
Dans son oeil, ciel livide où germe l’ouragan,
La douceur qui fascine et le plaisir qui tue.

 

Un éclair… puis la nuit ! – Fugitive beauté
Dont le regard m’a fait soudainement renaître,
Ne te verrai-je plus que dans l’éternité ?

 

Ailleurs, bien loin d’ici ! trop tard ! jamais peut-être !
Car j’ignore où tu fuis, tu ne sais où je vais,
Ô toi que j’eusse aimée, ô toi qui le savais !

 

 

 

 

In het voorbijgaan

 

Rondom mij kreet de straat haar oorverdovend leven.

Een vrouw, lang, slank in rouwkleed, triest als een vorstin,

Schreed mij voorbij: vol luister was de hand, waarin

Festoen en rokzoom deinden in balans, geheven;

 

Als beeldsnijwerk de benen, adellijk en vlot:

Ik dronk, als een uitzinnige die krampen kwellen,

Uit ogen, bleek als lucht waarin orkanen zwellen.

Naast tederheid die kluistert dodelijk genot.

 

Een weerlicht… Dan de nacht! – O pracht die mij ontglijdt,

Die met haar aanblik maakte dat ik werd herboren,

Zal ik je nimmer weerzien eer de eeuwigheid?

 

Niet hier, ver weg van hier! Te laat! Nooit meer misschien!

Want jóúw weg ken ik niet en jij volgt niet míjn sporen,

Jij die ik minnen zou, jij, die het hebt gezien!

 

 

 

De vertalingen zijn van Petrus Hoosemans en ze zij te vinden in:
Dichters van de avant-garde – de moderne Franse poëzie,

Samengesteld en ingeleid door Guus Luijters,

L.J. Veen, Amsterdam, 2003

Charles Baudelaire

 

De Duitstalige schrijver Elias Canetti werd geboren op 25 juli 1905 in Russe in Bulgarije. Hij is vooral bekend geworden door ‘Het Martyrium’, zijn eerste en enige roman, en de sociaalfilosofische studie ‘Massa en Macht’.
Daarnaast schreef hij boeken vol met aantekeningen en aforismen; kleine puntige notities over leven en dood. Ook beoefende hij het genre van het reisverhaal en schreef talloze essays, o.a. over Franz Kafka, zijn grote voorbeeld. Canetti ontving in 1981 de Nobelprijs voor de literatuur.

 

Citaten:

 

„Man mag drei- oder viertausend Menschen gekannt haben, man spricht aber immer nur von sechs oder sieben.“

 

„Feig, wirklich feig ist nur, wer sich vor seinen Erinnnerungen fürchtet“.

 

„Wie wenig du gelesen hast, wie wenig du kennst – aber vom Zufall des Gelesenen hängt es ab, was du bist.“

 

„Ich habe noch nie von einem Menschen gehört, der die Macht attackiert hat, ohne sie für sich zu wollen.“

 


Elias Canetti (25 juli 1905 – 14 augustus 1994)

 

 

Heinrich Böll


Rustige vakantiedagen, ook het warme weer en stroomstoringen spelen me parten. Moet ik hier vermelden dat Erle Stanley Gardner geboren werd op 17 juli 1889, de schepper van detective en advocaat Perry Mason? Die tv- serie was voor mijn tijd. Niet alleen Couperus stierf op een 16e juli, laat ik het daar maar op houden.

 

Zijn meest bekende werken zijn onmiskenbaar het uitzichtloze Billard um halb zehn, vervolgens ook Ansichten eines Clowns uit ’63 waarin hij, via een rebelse hoofdfiguur, grondig afrekent met allerlei vormen van burgerlijke pose met conservatieve waarden als gezin, staat en kerk. Bölls verhouding met de katholieke kerk is altijd erg problematisch geweest. Hoewel hij wel gelovig was, verwierp hij de onfeilbaarheid van de paus. Bovendien stond hij erg wantrouwig tegenover de officiële kerk en haar autoriteiten, die hij verweet geen weerstand te hebben geboden tegen het (Nazi)regime, wel integendeel, en dus mee verantwoordelijk achtte voor de menselijke problemen in een miserabele Duitse maatschappij en ten slotte Gruppenbild mit Dame, waarin hij allerlei ambitieuze typetjes, notabele burgermannetjes en arrivisten met de billen bloot zet. Heinrich Böll stierf op 16 juli 1985. De herinnering aan hem leeft nog steeds, onder andere in de Heinrich-Böll-Foundation en het speciale Heinrich-Böll-Archief in de bibliotheek van Keulen.

 

 

Uit: Ansichten eines Clowns

 

„Es war schon dunkel, als ich in Bonn ankam, ich zwang mich, meine Ankunft nicht mit der Automatik ablaufen zu lassen, die sich in fünfjährigem Unterwegssein herausgebildet hat: Bahnsteigtreppe runter, Bahnsteigtreppe rauf, Reisetasche abstellen, Fahrkarte aus der Manteltasche nehmen, Reisetasche aufnehmen, Fahrkarte abgeben, zum Zeitungsstand, Abendzeitungen kaufen, nach draußen gehen und ein Taxi heranwinken. Fünf Jahre lang bin ich fast jeden Tag irgendwo abgefahren und irgendwo angekommen, ich ging morgens Bahnhofstreppen rauf und runter und nachmittags Bahnhofstreppen runter und rauf, winkte Taxis heran, suchte in meinen Rocktaschen nach Geld, den Fahrer zu bezahlen, kaufte Abendzeitungen an Kiosken und genoß in einer Ecke meines Bewußtseins die exakt einstudierte Lässigkeit dieser Automatik. Seitdem Marie mich verlassen hat, um Züpfner, diesen Katholiken, zu heiraten, ist der Ablauf noch mechanischer geworden, ohne an Lässigkeit zu verlieren. Für die Entfernung vom Bahnhof zum Hotel, vom Hotel zum Bahnhof gibt es ein Maß: den Taxameter. Zwei Mark, drei Mark, vier Mark fünfzig vom Bahnhof entfernt. Seitdem Marie weg ist, bin ich manchmal aus dem Rhythmus geraten, habe Hotel und Bahnhof miteinander verwechselt, nervös an der Portierloge nach meiner Fahrkarte gesucht oder den Beamten an der Sperre nach meiner Zimmernummer gefragt, irgendetwas, das Schicksal heißen mag, ließ mir wohl meinen Beruf und meine Situation in Erinnerung bringen. Ich bin ein Clown, offizielle Berufsbezeichnung: Komiker, keiner Kirche steuerpflichtig, siebenundzwanzig Jahre alt, und eine meiner Nummern heißt: Ankunft und Abfahrt, eine (fast zu) lange Pantomime, bei der der Zuschauer bis zuletzt Ankunft und Abfahrt verwechselt; da ich diese Nummer meistens im Zug noch einmal durchgehe (sie besteht aus mehr als sechshundert Abläufen, deren Choreographie ich natürlich im Kopf haben muß), liegt es nahe, daß ich hin und wieder meiner eigenen Phantasie erliege: in ein Hotel stürze, nach der Abfahrtstafel ausschaue, diese auch entdecke, eine Treppe hinauf- oder hinunterrenne, um meinen Zug nicht zu versäumen, während ich doch nur auf mein Zimmer zu gehen und mich auf die Vorstellung vorzubereiten brauche. Zum Glück kennt man mich in den meisten Hotels; innerhalb von fünf Jahren ergibt sich ein Rhythmus mit weniger Variationsmöglichkeiten, als man gemeinhin annehmen mag – und außerdem sorgt mein Agent, der meine Eigenheiten kennt, für eine gewisse Reibungslosigkeit. Was er “die Sensibilität der Künstlerseele” nennt, wird voll respektiert, und eine “Aura des Wohlbefindens” umgibt mich, sobald ich auf meinem Zimmer bin: Blumen in einer hübschen Vase, kaum habe ich den Mantel abgeworfen, die Schuhe (ich hasse Schuhe) in die Ecke geknallt, bringt mir ein hübsches Zimmermädchen Kaffee und Kognak, läßt mir ein Bad einlaufen, das mit grünen Ingredienzien wohlriechend und beruhigend gemacht wird. In der Badewanne lese ich Zeitungen, lauter unseriöse, bis zu sechs, mindestens aber drei, und singe mit mäßig lauter Stimme ausschließlich Liturgisches: Choräle, Hymnen, Sequenzen, die mir noch aus der Schulzeit in Erinnerung sind. Meine Eltern, strenggläubige Protestanten, huldigten der Nachkriegsmode konfessioneller Versöhnlichkeit und schickten mich auf eine katholische Schule. Ich selbst bin nicht religiös, nicht einmal kirchlich, und bediene mich der liturgischen Texte und Melodien aus therapeutischen Gründen: sie helfen mir am besten über die beiden Leiden hinweg, mit denen ich von Natur belastet bin: Melancholie und Kopfschmerz.“

 

 

 

Heinrich Böll
(21  december 1917 – 16 juli 1985)

 

 

WK Finale: Twee voetbalgedichten


Ter gelegenheid van de WK Voetbalfinale vanavond twee gedichten uit de bundel Ook wij waren winnaars van Pascal Delheye en Willie Verhegghe (De Geus, Breda, 2005)

 

 

Napoli

 

Aan de baai

bewegen de wijken

onder het ritme

van de armen.

 

Van bovenaf vallen wij

in het onderwater

en betreden de stad.

 

Maradona op elke straathoek.

Schrijnen en altaren bewieroken

de man die het Noorden vernederde.

De stad voor altijd aan zijn voeten.

 

Een bedelaar draagt nummer tien.

 

De stad van chaos,

de stad vol contrast.

De stad als vulkaan,

de stad als kloppend hart.

 

Maradonapoli.

 

Boven alles verheven

San Diego,

niet alleen zijn hand is heilig.

 

Een muurschildering,

gehuld in lichtblauw,

bal aan de linkervoet,

fonkeldonker de oogopslag.

 

Niemand hier

noemt hem Pluisje.

 

 

Zeger van Herwaarden

 

* Zeger van Herwaarden (1972) is (sport)journalist bij Het Parool en dichter. Hij publiceerde onder meer in Tijdschrift Schrijven, Ninive, Mens en Gevoelens en Nymph. Hij debuteerde in 2000 met zijn bundel Zoon van alle schrijvers en trad in de jaren negentig veelvuldig op in het Amsterdamse podiumcircuit. Hij schrijft naar Sleutelaars adagium: minder is meer.

 

 

 

 

 

Diego Maradona op een muur in Napels

 

 

 

 

Jan Mulder, Belgische mustang

 

Over reïncarnatie gesproken

gaf Johanna nadenkend te kennen

dat zij graag
terugkomen wilde

als een leuk heggetje.

Haar man Jan had een andere wens:

een wilde mustang leek hem het einde,

maar, zei hij, bij voorbaat teleurgesteld,

het zal wel uitdraaien op een Belgische knol.

 

Werken als een paard lag in zijn karakter,

altijd op het doel af, langs de kortste weg,

sjouwend met hangend hoofd

en harde hoge flanken.

Tot het tijd was voor de trap,

oerhard, een uithaal met de hoef,

rechts of links – geen probleem,

want deze midvoor was vierbenig,

bslagen door zijn vader, schoenmaker,

die zoonliefs voeten maatgevoel meegaf.

 

Winschoten, waar hij geboren werd

en zichzelf schoolde op de tegels

achter huis, bracht hem

als woord misschien op het idee

dat je alleen door te schieten kon winnen.

maar dan moest wel het veld

een groen laken zijn, de kalklijnen strak,

graag nog wat boomtoppen zichtbaar

om soms even over te dromen

en een voetbalbroek die hem geestelijk

niet hinderde, anders nam hij er zelf een mee

van huis, gewassen en gestreken.

 

In de vertrekhal van vliegveld Zaventem,

met Anderlecht onderweg

voor een uitwedstrijd ergens in het Oostblok,

bracht Johanna hem op het nippertje

de jobstijding van zijn vaders dood.

Hij ging toch en zette zijn verstikkend

verdriet om in onwerkelijke voetbalhandelingen.

gedragen door zijn vader

draafde hij voort, scoorde, scoorde…vier keer.

 

 

Theun de Winter

 

 

*Theun de Winter is schrijver, dichter en journalist en publiceerde o.a. Het gras voor mijn voeten: gedichten (2000). Hij groeide op op Texel. Om te studeren verruilde hij het eiland met Amsterdam. Toch bleef hij verlangen naar de plek van zijn jeugd. Op een zolderkamer in de hoofdstad schreef hij het bekende lied ‘Terug naar de kust’.

 

 

 

 

Jan Mulder en Tonnie van Leeuwen in de kleedkamer

 

 

Hans Verhagen en Anna Achmatova


Op deze slotavond van Poetry International nog een Nederlandse dichter, die daar afgelopen zondag al optrad.

 

Hans Verhagen (Vlissingen, 3 maart 1939) volgde een muzikale en journalistieke opleiding en werkte vanaf zijn zeventiende in de dag- en weekbladjournalistiek. Van 1962 tot 1966 was hij redacteur van de tijdschriften Gard Sivik en De Nieuwe Stijl. In zijn eerste cyclische bundel, Rozen & motoren (1963), neemt hij afstand van de experimentele poëzie van de Vijftigers. De nadruk ligt bij hem op de combinatie van het onpoëtische en het romantische, zoals dat uit de titel spreekt. In zijn geserreerde, compacte verzen maakt hij gebruik van een weinig poëtische terminologie, vaak ontleend aan de techniek, waardoor deze het karakter krijgen van de `ready made’. Behalve als schrijver werd hij bekend door films en televisieprogramma’s, waaronder ‘Hoepla’ en ‘Het gat van Nederland’.  

 

 

 

Spiraal

 

Toekomst, onze troef van vroeger, wordt als heden

met een waterhoofd uit het verleden leeggeroofd en

in ontelb’re piepkleine stukjes met humbug versneden

gelijk een lijkwade in kwistig stromend rood

over de miljoenen uitgesnowd

 

Een uitverkoren testpiloot haalt z’n

uitzicht binnen, schort z’n inzicht op

en bestelt gregoriaans gezang

alvorens zich te boren in de picknick op de lawn

 

Vrijwel naadloos is zijn overgang,

maar met zo’n neerwaartse spiraal als inspiratiebron

zie je steeds meer loslopende profeten hoopvol

kopje-onder gaan in stilstaand water

Om daar stil te blijven staan.

 

 

 

 

Portret

 

Man, 21ste eeuw

Oogopslag vol woede, kinnenbak met kloten van de

bok, maar woorden

die te lang alleen maar lol hebben getrapt in molshopen

 

Heeft zich in zijn zwijgen een loodgrijze wijsaard aangeschaft

die ook maar één boek heeft gelezen

daarom doet geportretteerde eerder denken aan een duif

dan aan een totaler wezen

 

Zou per vleugel door betoverende verten kunnen fascineren

maar prefereert gescharrel aan de grond

en, verkerend met de mens, op 2 poten potverteren



© 2004, Hans Verhagen
Uit: Moeder is een rove
Nijgh & van Ditmar, 2004

 

 

 

 

Hans Verhagen (Vlissingen, 3 maart 1939)  

 

 

 

De Russische schrijfster Anna Andrejevna Achmatova was de echtgenote van de tijdens het schrikbewind van Stalin in 1921 omgekomen schrijver Nikolai S. Gumiljov. Het dichtwerk van Anna Andrejevna Achmatova is zeer symbolisch van aard. Het werk van Achmatova was verboden tijdens de Stalintijd. In 1956 werd de schrijfster gerehabiliteerd, waarna er verschillende werken in Rusland konden verschijnen. Het werk “Requiem” (1963) is gewijd aan de offers van het stalinisme. Haar belangrijkste publicatie “Gedicht zonder held” verscheen in 1977 en geeft een poëtische weergave van de Russische geschiedenis.

 

 

 

Waardoor is deze eeuw slechter dan de vorige?

Is het misschien omdat zij in een roes van droefheid

En angst de zwartste zweer heeft aangeraakt,

Die zij echter niet genezen kon?

 

In het westen schijnt nog een aardse zon

En de daken van de steden glanzen in haar stralen.

Hier echter merkt de witte dood de huizen met kruisen

En wenkt de kraaien, en de kraaien vliegen aan.

 

 

 

1919

Vertaling Miriam Van hee

Uit; En de nacht belooft geen dageraad

 

 

 

Aan de dood

 

Je komt toch ooit – waarom dan niet direct? Ik wacht,

Ik ga hier bijna aan ten onder.

De deur heb ik ontgrendeld, uitgedoofd het licht,

Voor jou, voor dit eenvoudig wonder.

Hoe je er uit wilt zien – dat laat ik aan jou over.

Je kunt me met een kogel vellen,

Je kunt mijn hoofd inslaan, als een ervaren rover,

Of in een walm van tyfus hullen.

Of haal me met een sprookje dat je elf verzon

– Het is berucht en het wekt weerzin –

Zodat ik bij de deur de blauwe muts zal zien

En, doodsbenauwd, de huisbeheerder.

Het is me allemaal gelijk. De poolster schijnt,

En van de Jenisej stijgt damp omhoog,

En de verschrikking die nog achterbleef verdwijnt

In blauwe, teer-beminde ogen.

 

 

 

Vertaling Hans Boland

Uit; In andermans handen, Amsterdam 1981

 

 

 

 

 

Anna  Achmatova (23 juni 1889 – 5 maart 1966)

 

 

 

 

W. B. Yeats


De Ierse dichter, toneelschrijver en mysticus William Butler Yeats werd geboren in Sandymount bij Dublin 13 juni 1865. Hij was dichter, toneelschrijver en mysticus. Hij was ook een Iers senator in de 20er jaren. In 1923 won hij de Nobelprijs voor Literatuur. Aan het eind van de winter in 1938 verliet hij Ierland in slechte gezondheid. Hij overleed te Roquebrune, met uitzicht op Monaco, op 28 januari 1939, en werd daar begraven. In september 1948 werd zijn stoffelijk overschot naar Ierland gebracht en hij werd opnieuw begraven, nu op de begraafplaats van zijn grootvaders parochie in Drumcliff, county Sligo. Een steen met inscriptie zoals Yeats had aangegeven markeert de plaats: Cast a cold Eye; on Life, on Death. Horseman pass by!

The Second Coming  

TURNING and turning in the widening gyre
The falcon cannot hear the falconer;
Things fall apart; the centre cannot hold;
Mere anarchy is loosed upon the world,
The blood-dimmed tide is loosed, and everywhere
The ceremony of innocence is drowned;
The best lack all conviction, while the worst
Are full of passionate intensity.

Surely some revelation is at hand;
Surely the Second Coming is at hand.
The Second Coming! Hardly are those words out
When a vast image out of Spiritus Mundi
Troubles my sight: somewhere in sands of the desert
A shape with lion body and the head of a man,
A gaze blank and pitiless as the sun,
Is moving its slow thighs, while all about it
Reel shadows of the indignant desert birds.
The darkness drops again; but now I know
That twenty centuries of stony sleep
Were vexed to nightmare by a rocking cradle,
And what rough beast, its hour come round at last,
Slouches towards Bethlehem to be born?

 

O Do Not Love Too Long

SWEETHEART, do not love too long:
I loved long and long,
And grew to be out of fashion
Like an old song.
All through the years of our youth
Neither could have known
Their own thought from the other’s,
We were so much at one.
But O, in a minute she changed –
O do not love too long,
Or you will grow out of fashion
Like an old song.

 

No Second Troy

WHY should I blame her that she filled my days
With misery, or that she would of late
Have taught to ignorant men most violent ways,
Or hurled the little streets upon the great.
Had they but courage equal to desire?
What could have made her peaceful with a mind
That nobleness made simple as a fire,
With beauty like a tightened bow, a kind
That is not natural in an age like this,
Being high and solitary and most stern?
Why, what could she have done, being what she is?
Was there another Troy for her to burn?

 

William Butler Yeats (13 juni 1865 – 28 januari 1939)

Portret door Gavin Bloor