Anthonis de Roovere


Anthonis de Roovere (ca. 1430 te Brugge – aldaar 16 mei 1482) was een schrijver voor de Rederijkerskamer van Brugge. Hij was aanvankelijk bouwmeester maar werd vanaf 1466 door de stad betaald als stadsrederijker. (Een stadsdichter avant la lettre dus!) Hij schreef dramatisch werk en proza, maar is vooral bekend door zijn rondelen, balladen en refereinen.

 

 

 Die gheen pluymen en can strijcken 1  

 Die en dooch ter werelt niet 2  

 Is hy aerm / hy en sal niet rijcken 3  

 Die gheen pluymen en can strijcken

 

 Alomme soe heeft hy tachterkijcken 5  

 Hy wordt verschouen / waer men hem siet 6  

 Die gheen pluymen en can strijcken

 Die en dooch ter wereldt niet.    

 

 

Ofwel:

 

Wie niet kan pluimstrijken
deugt niet voor de wereld.
Als hij arm is, dan wordt hij nooit rijk.
Wie niet kan pluimstrijken,
heeft overal het nakijken.
Overal wordt hij achtergesteld.
Wie niet kan pluimstrijken
deugt niet voor de wereld.  

 

 

Anthonis de Roovere schreef in 1456 een lofdicht dat op verschillende plaatsen in kerken werd opgehangen. Het gedicht werd daarvoor op een groot vel perkament geschreven en mooi geïllustreerd. In Brugge is nog een van die bladen bewaard.

 

 

 

Dat deze poëzie onder middelbare scholieren nog tot leven te brengen is bewijst een leraar die een moderne variant van een ander gedicht van De Roovere liet maken. Het moeten wel Vlaamse scholieren geweest zijn, want in Nederland hoef je als docent, denk ik, bij geen enkele leerling meer aan te komen met zo’n opdracht. Maar hoe heerlijk als het nog kan en met welk een resultaat! 

 

Sotte amouresheijt

 

Ick heete Pantken, mijn lief Pampoeseken,
Dat geerne een croeseken
Licht met vreughden, daert niet en gheeft.
Ghij en saecht ten daghen moijt blijder droeseken
Alst Appelmoesken
Sijn buijcxken al vol gheten heeft!
Ick mindse soe dat mijn herte beeft!
God wil se vercnapen
Want alle de sorghe, die in haer cleeft,
Dats eten en slapen
Men schreve niet in ses vellen van schapen,
Als ick haer wille een pintken schincken,
Hoe vriendelijck dat haer ooghskens pincken!

Tis in mijn herte een dijamantken
Ende huer callantken
Benick, eenpaerlijck sonder vercoelen:
Als ick met haer drincke en quantken,
„Godt loondtse, Pantken!”
Seydt zij gheringe, „dats blijde ghevoelen!”
—„Pampoesken”, seg ick, „voor al mijn boelen
Hebstu proper sede”.
Dan seegtse: „Pantken, laet staen dijn loelen:
Du foolster mede”.
Dan lachtse met rechter minnelijckhede:
Men soudes nemmermeer voldincken
Hoe vriendelijck dat haer ooghskens pincken!

Sij gaet met eenen bruijnen Coocxkene
Ende van den Roocxkene
Soe sijn haer handekens peperwit;
Haar mondeken dat rieckt van den loocxkene;
Van haren ghesprooxkene
Soe is ontsteken mijnre herten pit:
Waer Paesschen hier, door minnen verhit
Wij houweden ghereedt!
Ende als ick haer wille verclaren dit,
Lachtse duijmen breedt.
Hij en leeft niet, die ten vollen weet,
Als ick segghe: „Pampoeseken, gaen wij drincken!”
Hoe vriendelijck dat haer ooghskens pincken!

                                                Prince Ghelijcke treckt tot ghelijken:
Nature can selden haer helden mincken!
Ick en liete u nemmermeer vol ghelijcken,
Hoe vriendelijck dat haer ooghskens pincken!   

 

Anthonis de Roovere

 

 

Dit inspireerde ene Debbie tot het volgende gedicht:

 

 

Hart in trance

 

Ik heet Johnny,mijn lief Marina

ze luistert naar Techno

en niet naar Christina

je ziet haar soms hakken

als ze tot ’s morgens vroeg

in de discotheken blijft plakken

M’n hart klopt voor haar

op de beat van de Trance

we houden van elkaar

trouwen met haar is m’n hartenwens

 

Ze rijdt soms met mijn Johnnybak

Ze knalt dan tegen een boom

En rijdt mijn auto in de prak

Maar tot mijn grote spijt

Ontvangt ze nog anderen

In haar vrije tijd

M’n hart klopt voor haar

Op het ritme van de Trance

Ik zie haar graag

Trouwen met haar is m’n hartenwens

 

Ze kleedt zich met sexy ondergoed

Maar haar magere lijf

Is wel wat ondervoed

(omdat dat van mij moet!)

haar kleren zitten strak

haar schoenen zijn meestal

mét naaldhak

M’n hart klopt voor haar

Op het kloppen van de Trance

Ik hou van haar

Trouwen met haar is m’n hartenwens

 

MENEER

Een Johnny heeft zijn Marina vandoen

Want hoe zou hij zonder haar al die dingen doen?

Dansen op trance

En haar zeggen met slechts 1 zoen

trouwen met haar is nog steeds mijn hartenwens…

Debbie De Belder, 5LMT

 

Van mij krijgt ze een tien voor taal.

 

Dickinson, Verwey, Belleman


Afgelopen vrijdag schreef ik over de bewondering die Simon Vestdijk had voor Dante Gabriel Rossetti. Hij geldt in Nederland ook als de ontdekker van de Amerikaanse dichteres Emily Dickinson. Wie Vestdijks artikel in Forum uit 1933 over haar in het geheel wil nalezen heeft geluk. Het staat integraal op internet: Over de dichteres Emily Dickinson.

 

Emily Dickinson (10 december 1830 – 15 mei 1886) wordt beschouwd als één van de belangrijkste Amerikaanse schrijfsters. Daarnaast werden ook veel brieven van Dickinson gepubliceerd. Dickinson werd geboren in Amherst in Massachusetts de plaats, waar zij haar hele leven zou blijven wonen en werken. De dichteres leed een kluizenaarsbestaan en trouwde nooit, maar onderhield een uitvoerige correspondentie met een kleine groep mensen. Hoewel ze als eenling door het leven ging, bracht zij veel tijd buitenshuis door. De schoonheid en de rust van het landschap waren dan ook belangrijke thema’s in haar werk, maar ook de liefde en vooral de dood zijn belangrijke thema’s. Emily Dickinson schreef ongeveer 1800 gedichten, waarvan er zes tijdens haar leven tegen haar zin werden gepubliceerd. Haar zuster Lavinia verzorgde de uitgave van het werk van de grote dichteres na haar dood.  

 

 

Love II

 

YOU left me, sweet, two legacies,—

A legacy of love  

A Heavenly Father would content,

Had He the offer of;

  

You left me boundaries of pain

Capacious as the sea,

Between eternity and time,     

Your consciousness and me.

 

 

 

Nature LX

 

The Grass so little has to do –

A Sphere of simple Green –

With only Butterflies to brood

And Bees to entertain –

 

And stir all day to pretty Tunes

The Breezes fetch along –

And hold the Sunshine in its lap

And bow to everything –

 

And thread the Dews, all night, like Pearls –

And make itself so fine

A Duchess were too common

For such a noticing –

 

And even when it dies – to pass

In Odors so divine –

Like Lowly spices, lain to sleep –

Or Spikenards, perishing –

 

And then, in Sovereign Barns to dwell –

And dream the Days away,

The Grass so little has to do

I wish I were a Hay     

 

 

Emily Dickinson

 

 

 

Emily Dickinson (10 december 1830 – 15 mei 1886)

 

Met Frank van der Goes, Willem Kloos en enkele andere letterkundigen, richtte Albert Verwey in 1885 het tweemaandelijkse literaire tijdschrift De Nieuwe Gids op, waarvan de eerste aflevering in oktober van dat jaar verscheen en waaraan Verwey behalve als redacteur ook als redactiesecretaris meewerkte. Zijn poezie wordt nogal eens verstandelijk en abstract genoemd, maar mét  Kloos was hij de inspirator van de Tachtigers. De Nieuwe Gids zou tot 1943 blijven bestaan. Verwey was van 1924 tot en met 1935 in Leiden hoogleraar Nederlandse letterkunde.

 

Ik heb mijn hart ú tot een huis gewijd

 

Ik heb mijn hart ú tot een huis gewijd,
En midden in het binnenst heiligdom,
Waar de outerkaars in ’t donker gloeit, verbeid
Ik u, mijn lief, mijn zoet sieraad alom!

 

Ik sloeg mijn ziel dit zoete donker om,
Alleen om ú te ontmoeten, die me altijd
Belooft te komen, in ’t geheim, na stom
Eerbiedig beiden eenen kleinen tijd.

 

O kom, mijn lief, die nog zoo verre staat…
‘k Verwacht in ’t donker ginds uw licht gelaat…
Ik-zelf ben een visioen van nacht en gloed!

 

O kom, mijn zoete Gloed, mijn sombre Nacht!
’t Mysterie is ondoofbaar, – doch ik wacht
Met beving, daar ik eenmaal sterven moet.     

 

 

Albert Verwey     

 

 

 

Albert Verwey (15 mei 1865 – 8 maart 1937)

 

Bas Belleman (1978) studeerde Cultuur- en Wetenschapsstudies aan de Universiteit van Maastricht. Hij is columnist voor dagblad De Gelderlander en medewerker van Filosofie Magazine. Bij Uitgeverij 521 debuteerde hij met de dichtbundel Nu nog volop ventilatoren in de Sandwich-reeks. Zijn bundel werd genomineerd voor de Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut van 2003. Zijn nieuwste dichtbundel Hout is nu verschenen.   

 

de aanklagers hebben piepschuimen horens.
als ze honger hebben breken ze een stuk af
en eten het op als een rijstwafel.

de houten rechter met zijn hamer vergroeid
loddert mij aan terwijl de aanklagers koortsachtig pleiten:

– hij maakt grappen met rabarber en daar lachen wij niet om.
– bij scrabble rekent hij zuivelproducten fout.
– hij checkt zijn feiten met een bijl.
– en daarna gaat hij duiden.
– hij schopt ruzie met pinguïns
– die daar te dronken voor zijn.

vol geloof tast ik naast me, waar jij zou moeten staan,
stralenkrans als een bef over je borsten heen gevouwen.
maar er ligt alleen een handboei.

mijn enige hoop is dat ze op een vormfout stuiten.
wat kan ik anders doen dan wegrennen tot ik uitglijd?
halverwege de kalverstraat krijgen ze me te pakken.      

 

 

Bas Belleman

 

 

Een bespreking is al te vinden op De Recensent

 

 

Bas Belleman

 

Reinhold Schneider


Tijdens de jaren van het Nazi regime ging in Duitsland een gedicht van hand tot hand: „Allein den Betern kann es noch gelingen”. Het was geschreven door Reinhold Schneider. Deze dichter werd op 13 mei 1903 geboren in Baden-Baden. Vanaf 1928 geeft hij zijn baan op en kiest hij volledig voor het schrijverschap. Op 30 januari 1934 hoort hij via de uitgever van de Deutsche Rundschau,  Rudolf Pechel over het bestaan van concentratiekampen. Zijn eerste reactie is een vlucht voor de actuele gebeurtenissen door te gaan reizen. Door Duitsland zelf, maar ook naar Portugal, Spanje, Italië, Engeland. Door de geschiedenis van de verschillende landen en volken komt hij ook in contact met het christelijke geloof. In 1937 kiest hij bewust voor het katholicisme. Hij verlaat Duitsland niet definitief en kiest uit overtuiging voor de “Innere Emigration” om zich tegen de gewelddadige heerschappij van de nationaal-socialisten te verzetten.    

 

„Ich kann nur leben mit meinem Volke; ich möchte und muss seinen Weg mitgehen Schritt für Schritt; so hoch ich diejenigen achte, die aus Gesinnung emigrierten, so habe ich doch nie daran gedacht., Deutschland zu verlassen; es hat sich auch ergeben, daß eine geistige Einwirkung auf ein der Diktatur unterworfenes Land von außen kaum möglich ist.“
(Reinhold Schneider, in: Verhüllter Tag, 1954)     

 

In 1944 wordt hij aangeklaagd wegens hoogverraad, maar hij ontkomt aan vervolging door het einde van de oorlog. In 1956 ontvangt Schneider, die in de jaren vijftig hevig strijdt tegen de Duitse herbewapening en tegen atoomwapens de Friedenspreis des deutschen Buchhandels. Hij sterft op 6 april 1958.

 

 

Allein den Betern kann es noch gelingen

 

Allein den Betern kann es noch gelingen,
Das Schwert ob unsern Häuptern aufzuhalten
Und diese Welt den richtenden Gewalten
Durch ein geheiligt Leben abzuringen.

 

Denn Täter werden nie den Himmel zwingen:
Was sie vereinen, wird sich wieder spalten,
Was sie erneuern, über Nacht veralten,
Und was sie stiften, Not und Unheil bringen.

 

Jetzt ist die Zeit, da sich das Heil verbirgt,
Und Menschenhochmut auf dem Markte feiert,
Indes im Dom die
Beter sich verhüllen.

 

Bis Gott aus unsern Opfern Segen wirkt
Und in den
Tiefen
, die kein Aug entschleiert,
Die trocknen Brunnen sich mit Leben füllen
.

 

 

Een directe aanklacht tegen de nazieheerschappij en speciaal tegen Hitler is het volgende sonnet:

 

 

Der Antichrist

Er wird sich kleiden in des Herrn Gestalt,
Und seine heilige Sprache wird er sprechen
Und seines Richteramtes sich erfrechen
Und übers Volk erlangen die Gewalt.

 

Und Priester werden, wenn sein Ruf erschallt,
zu seinen Füßen ihr Gerät zerbrechen,
Die Künstler und die Weisen mit ihm zechen,
Um den sein Lob aus Künstlermunde hallt.

 

Und niemand ahnt, daß Satan aus ihm spricht
Und seines Tempels Wunderbau zum Preis
Die Seelen fordert, die er eingefangen;

 

Erst wenn er aufwärts fahren will ins Licht,
Wird ihn der Blitzstahl aus dem höchsten Kreis   
Ins Dunkel schleudern, wo er ausgegangen.   

 

 

 

Reinhold Schneider (13 mei 1903 – 6 april 1958), foto 1935    

 

 

 

Truman Capote

Een heel andere post dan gewoonlijk. Het afgelopen weekend heb ik namelijk de schitterende film Capote gezien van regisseur Bennett Miller. Deze film beschrijft de episode uit het leven van de Amerikaanse schrijver Truman Capote (1924 – 1984) vanaf het moment dat hij besluit te gaan schrijven over de twee moordenaars van een familie uit Kansas tot aan de voltooiing van het boek dat hem rijk en beroemd zou maken: In cold blood.

 

Truman Capote (30 september 1924 – 25 augustus 1984)  

 

In 1959 wordt Capote, die toen al onder andere de roman Breakfast at Tiffany’s had geschreven en een graag geziene gast was in de New Yorkse cultuurkringen, aangetrokken door een sinistere gebeurtenis die een plattelandsdorp in Kansas op zijn kop gezet heeft. Een familie van vier is er op beestachtige wijze vermoord en Capote stelt de krant The New Yorker voor er een artikel over te schrijven. De verschijning van Capote, een nogal verwaande, extreem geaffecteerde homo (met een stem waarvan je de eerste tien minuten van de film licht onpasselijk wordt – maar je verzoent je ermee naarmate je geboeider raakt door het personage dat de acteur Philip Seymour Hoffman neerzet) , in het ruwe boerendorp Holcomb, wekt aanvankelijk argwaan en gefrons. Harper Lee, Capote’s jeugdvriendin (die enkele jaren later To Kill a Mockingbird zou schrijven) functioneert zo een beetje als tussenpersoon, maar dat wordt snel overbodig. Zelfs de inwoners van Holcomb hebben van Capote gehoord en zien snel in dat hij met veel respect en ernst over de zaak wil berichten. Wanneer de daders gepakt worden, raakt Capote nog meer geïnspireerd. Hij laat zijn uitgever weten dat hij een roman wil schrijven over de feiten, een zogenaamde non-fictie roman.

Capote is een behoorlijk complex personage. We leren hem kennen als een ijdele, zelfgenoegzame en nichterige succesjournalist. Maar later komen meer facetten van zijn persoonlijkheid aan bod. Zo slaagt Capote er in de sympathie van de bevolking te winnen zonder compromissen te sluiten. Zijn trots en zelfrespect zijn gehard door jarenlang met vooroordelen en verwijten te zijn geconfronteerd. Maar Capote is ook ijdel en ambitieus. Wanneer hij zich gaat hechten aan Perry Smith (gespeeld door Clifton Collins jr.), een van de twee moordenaars waar hij intussen vrienden mee is geworden, komt hij voor een dilemma te staan. Perry helpen met zijn verdediging, in de onrealistische hoop hem vrij te krijgen en wie weet te kunnen beminnen? Of hopen dat het tweetal zo snel mogelijk veroordeeld wordt, zodat de roman een einde krijgt, gepubliceerd kan worden en Capote zijn applaus kan krijgen?
Die worsteling tussen ambitie en passie zou Capote geen goed doen.

In de ‘oral biography’ Truman Capote (1998), opgetekend door George Plimpton, herinneren intimi zich Capotes reactie toen hij vernam dat Hickock en Smith daadwerkelijk ter dood zouden worden gebracht. De schrijver Kenneth Tynan vertelt aan Plimpton over een feestje waar Capote verscheen op de dag dat het nieuws over de executie bekend werd: ‘Truman (…) hopped up and down with glee, clapping his hands, saying “I’m beside myself! beside myself with joy!” ’

Toen In Cold Blood  na zes jaar eindelijk af was hielp het succes Capote, samen met zijn drankverslaving, ook de vernieling in. De film  houdt het echter bij de periode 1959-1965 en is dus geen volledige biografie. Niettemin krijgen we een diepgaande kijk op wie Capote was. Philip Seymour Hoffman heeft er terecht een Oscar voor gekregen.

Clifton Collins jr. en  Philip Seymour Hoffman in “Capote”

Bevrijdingspoëzie


Frans Pointl (geboren 1 augustus 1933 in Amsterdam) is schrijver van gedichten en verhalen.

In 1989 verscheen de verhalenbundel “De kip die over de soep vloog”, die veel aandacht trok, vooral ook door de thematiek van de oorlogstrauma’s. Hij werd hiermee genomineerd voor de AKO-literatuurprijs. De oorlogstrauma’s (hij was van joodse afkomst) en de sterk aanwezige persoonlijkheid van zijn moeder, die getraumatiseerd was door haar oorlogservaringen, spelen een belangrijke rol in zijn werk. In 2004 verscheen zijn autobiografische verhalenbundel ‘De Heer slaapt met watjes in zijn oren’. Met zwarte humor, oude dames, de babyfoto van Hitler én ziekenhuismisère. Naar aanleiding daarvan interviewde Iris Pronk hem voor het dagblad Trouw.


Moeder

 

hoe de doden in haar woelden
’s nachts ijlde ze hun namen af
henriëtte, fanny, vader, mams,
serah, simon, martha, sem!
ik amper dertien beluisterde
angstig ademloos die dodendraf
in haar ontmenselijkte stem
dan stond ze op
lopend dromend
trok de koffer van onder het bed
verwilderd krijsend:razzia, razzia!
dan hield ik haar staande
roepend het is 1946 1946
en voorbij voorbij
in haar bleef het klagend gaande
zoals zij gaande en klagend
blijft in mij

 

 

Uit: Ik raak aan je
Guus Bauer, Amsterdam 1983

Ook verschenen in: ”Die dag in mei vergeet ik niet”, De mooiste Nederlandse bevrijdingspoëzie, gekozen door Hans Warren.        

 

 

 

Frans Pointl    

K. P. Kaváfis

K. P. Kaváfis werd in Alexandrië geboren uit Griekse ouders, afkomstig uit Constantinopel. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Constantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kaváfis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. In 1933 sterft Kaváfis in Alexandrië, waar hij nog dezelfde dag wordt begraven in de familietombe op de begraafplaats van de Griekse Gemeenschap te Alexandrië. Pas na zijn dood kreeg Kaváfis zijn plaats in  de canon van de wereldliteratuur. Tijdens zijn leven was hij zeer terughoudend met de publicatie van zijn poëzie. Hij liet af en toe een gedicht afdrukken in een literair tijdschrift en gaf enkele bundels met een stuk of twintig gedichten in eigen beheer uit. Het grootste deel van zijn poëzie, dat hij op losse bladen schreef, vertrouwde hij uitsluitend aan goede vrienden toe.

September 1903

Laat ik mezelf tenminste nu bedriegen met illusies,
opdat ik niet de leegte van mijn leven merk.

Zovele keren ben ik zo nabij geweest.
En hoe verlamd, hoe schuchter, was ik,
waarom hield ik mijn lippen op elkaar
terwijl mijn lege leven in mij weende
en mijn begeerte zwarte kleren droeg.

Zovele keren zo dicht bij te zijn geweest,
bij de ogen, bij de zinnelijke lippen,
bij het gedroomde, geliefde lichaam.
Zovele keren zo dicht bij te zijn geweest.

 

K. P. Kaváfis, Gedichten.
In de vertaling van Hans Warren en Mario Molegraaf
(Amsterdam: Bert Bakker, 2002).

K. P. Kaváfis (29 april 1863 – 29 april 1933)

Novalis en Ulla Hahn


Novalis, pseudoniem van Georg Friedrich Philipp Freiherr von Hardenberg  (2 mei 1772 –  25 maart 1801), was een Duits auteur uit de periode van de Romantiek. In zijn werk komen een aantal typisch romantische motieven terug: “Sehnsucht”, melancholie, doodsverlangen” Ook het motief van de nacht speelde een grote rol in zijn poëzie (Hymnen an die Nacht, 1800). Het is de nacht die de sleutel biedt om de werkelijkheid te begrijpen en de ogen van de ziel opent. De blauwe bloem, die onder andere in Heinrich von Ofterdingen opduikt, is een motief dat voorgoed met Novalis verbonden blijft en waarin verschillende elementen samenkomen: droom, poëzie, liefde en het verlangen naar oneindigheid.  

 

 

Geistliche Lieder  XIII.

 

Wenn in bangen trüben Stunden
Unser Herz beinah verzagt,
Wenn von Krankheit überwunden
Angst in unserm Innern nagt;
Wir der Treugeliebten denken,
Wie sie Gram und Kummer drückt,
Wolken unsern Blick beschränken,
Die kein Hoffnungsstrahl durchblickt:

 

O! dann neigt sich Gott herüber,
Seine Liebe kommt uns nah,
Sehnen wir uns dann hinüber
Steht sein Engel vor uns da,
Bringt den Kelch des frischen Lebens,
Lispelt Mut und Trost uns zu;
Und wir beten nicht vergebens
Auch für die Geliebten Ruh.   

 

 

Novalis (2 mei 1772 –  25 maart 1801)

 

En om niet steeds in het verleden te verwijlen. De afgelopen week maakte ik ook weer eens kennis met een voor mij nog niet zo bekende Duitse dichteres :

Ulla Hahn (* 30. April 1946) schrijft gedichten en romans. Zij woont in Hamburg en is getrouwd met de Duitse politicus Klaus von Dohnanyi. Zij promoveerde in de  Duitse literatuur. Zij werd bekend als dichteres, maar haar grote succes kwam met haar tweede roman Das verborgene Wort, waarin ze over de naoorlogse jaren in het katholieke Rheinland verteld vanuit het perspectief van een kind, dat uit de geestelijke benauwdheid vlucht in de wereld van boeken en woorden. Ze ontving o.a  de Friedrich-Hölderlin-Preis, de Deutsche Bücherpreis (2002) en de Elisabeth-Langgässer-Literaturpreis 2006).

 

 

 

Als er zurückkam

 

Als er zurückkam mein Freund mein Geliebter
blaß mager mich in den Arm nahm
begriff ich augenblicks daß er sterblich ist
mitten in seinem lebendigen Kuß. Wie noch nie
versicherte ich mich seiner Lippen der Zunge
ja mir war ich müßte mein Leben einfauchen
dem der mich so warm und verläßlich umschloß.
Wunder gebaren mir plötzlich all seine vierzig
Jahr alten Arme und Beine seine schöne Brust
sein Bauch sein Geschlecht sah ich mit eigenen Augen
nach Jahren so wie sie sind. Nein ich liebte ihn nicht
wie beim ersten Mal blindlings verschlossen. Nein ich liebte ihn
offenen Auges Blutes mit allen Kräften zum ersten Mal.
Seither denke ich anders an ihn wenn er nicht bei mir und
bei mir ist: er ist ein sehr kostbarer sehr vergänglicher Mensch.

 

 

Ulla Hahn