A. F.Th. van der Heijden, Michail Lermontov , Vergilius, P.G. Wodehouse

Adrianus Franciscus Theodorus van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951.Van der Heijden – ook bekend als A.F.Th. – is een autobiografisch schrijver. Binnen zijn verhalen en romans is het eigen leven van de schrijver te herkennen. Dit maakt dat het gehele oeuvre met elkaar verbonden is. Dat wil echter niet zeggen dat gebeurtenissen en personen in zijn werk een getrouwe afspiegeling zijn van zijn eigen leven: hij gebruikt deze vrij, om ze te combineren met fictie, filosofische uitwijdingen en een treffende sfeertekening van de Nederlandse sociale en culturele geschiedenis vanaf de jaren vijftig. Van der Heijden wordt wel eens gezien als de vertegenwoordiger van een generatie die na de oorlog opgroeide; dit in contrast met schrijvers als Harry Mulisch, Willem Frederik Hermans en Jan Wolkers die de Tweede Wereldoorlog tot een belangrijk motief in hun werk maakten. Kern van het oeuvre van Van der Heijden is de cyclus ‘De tandeloze tijd’. Kenmerkend is dat deze oorspronkelijk bedoeld is als trilogie, maar veel omvangrijker werd. (Het loopt vaak anders met de bedoelingen van Van der Heijden. Zo zijn er al jaren vooraankondigingen van nieuwe romans die maar niet verschijnen, of groeien hoofdstukken soms uit tot complete romans.) De schrijver is inmiddels alweer een nieuwe ambitieuze cyclus gestart, Homo duplex, waarvan alleen nog de omvangrijke proloog De Movo tapes en het sleutelboek Drijfzand koloniseren zijn verschenen, maar waarvoor al vele andere delen zijn gepland. Daarnaast publiceert hij tussendoor ook ‘los’ autobiografisch werk, onder andere in de vorm van dagboekaantekeningen.Van der Heijden publiceerde aanvankelijk onder het pseudoniem Patrizio Canaponi (waaronder de merkwaardige verhalenbundel ‘Een gondel in de Herengracht’ en de roman ‘De draaideur).

Uit: De Movo Tapes

De Movo Tapes Nu alle directe betrokkenen dood zijn (alleen Movo’ss dochter Jolente leeft nog), kan ik de geschiedenis eindelijk eens in zijn geheel uit de doeken doen. Voor mijn eigen vermaak, en dat van mijn soortgenoten, die allemaal wel nog in het bezit zijn van hun naam.

Het is nu een halfjaar geleden dat Movo stierf, kort voor zijn vijftigste verjaardag. Sindsdien is Jolente bezig om samen met twee medewerkers van het Constantijn Huygens Instituut een compilatie te maken van fragmenten uit haar vaders onmogelijke opus magnum Gedichten Gods. Het boek is aangekondigd voor komend najaar, en zal verschijnen bij De Spiegel, een imprint van Uitgeverijen Hoek Keizersgracht/Spiegelstraat BV. Het heeft in de kranten gestaan, en was zelfs een item in het televisiejournaal. Het ontroerde me te merken dat Uitgeverijen Hoek alle fusies en reorganisaties alsook het toegenomen analfabetisme hebben overleefd, terwijl ze het toch al jaren zonder de gratis adviezen van Movo’s grootvader Olle Tornij moeten stellen. Hun burelen bevinden zelfs nog op de hoek van de Keizersgracht en de Spiegelstraat, in de oude panden. Wel begreep ik dat ze inmiddels ressorteren onder een nog groter concern: Uitgeverijen Nederland & Vlaanderen BV, dat binnenkort opgaat in European Publishers Ltd. Het ˜geheel eigen karakter” van het Spiegelfonds zal er niet door worden aangetast, las ik. Mooi, dan zal Movo’s Gedichten Gods zijn weg wel vinden naar het publiek, dat dan voor ‘t eerst een boek kan lezen dat menselijkerwijs niet te schrijven was, en daar zelf van getuigt en de sporen van draagt. De wonderen zijn de wereld nog niet uit.

Al veel eerder, op zijn drieëntwintigste, is Movo met zo’n onmogelijk boek in de weer geweest. De tekst wilde hij baseren op een groot aantal bandjes dat hij in de zomer van 1997 vol sprak, meestal onder het autorijden. Regelmatig stuurde hij er een paar naar Uitgeverijen Hoek, om ze te laten transcriberen. Dat boek is er natuurlijk nooit gekomen, en het interesseerde me ook niet, maar dat honderdtal bandjes wel. De informatie die ze ongetwijfeld bevatten, zou wel eens onontbeerlijk kunnen zijn voor de compleetheid van mijn verhaal.”

AFTHVDHeijden

A.F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

 

 

De Russische schrijver Michail Joerjevitsj Lermontov werd geboren op 15 oktober 1814 in Moskou. Hij wordt in Rusland algemeen beschouwd als de tweede grote schrijver, die alleen Aleksandr Poesjkin voor zich moet dulden. Omdat zijn moeder stierf toen Lermontov drie was, werd hij opgevoed door zijn grootmoeder. Hij was vaak ziek en verbleef daarom regelmatig in kuuroorden in de Kaukasus. In 1827 verhuisde Lermontov met zijn grootmoeder naar Moskou, waar hij gedichten begon te schrijven. Uit deze tijd stamt zijn bekende werk Gevangene van de Kaukasus (1828), waarvan de stijl sterk beïnvloed is door het werk van de Engelse schrijver Lord Byron. In 1837 schreef Lermontov in reactie op de dood van Poesjkin het gedicht Dood van een dichter. Dit gedicht viel niet goed bij tsaar Nicolaas I, die hem verbande naar de Kaukasus. Geïnspireerd door zijn ervaringen, schreef Lermontov zijn meesterwerk, de roman Een held van onze tijd (1840). In februari 1840 werd Lermontov opnieuw verbannen omdat hij geduelleerd had met de zoon van de Franse ambassadeur in St. Petersburg. Terugkerend van verlof in februari 1841, verbleef hij enige maanden in het kuuroord Pjatigorsk. Daar kwam het weer tot een duel met zijn medeofficier N.S. Martynov. Omdat Lermontov dacht dat het duel niet serieus was, schoot hij in de lucht. Martynov daarentegen schoot raak, en Lermontov overleed aan zijn verwondingen, in navolging van zijn grote voorbeeld en voorganger Poesjkin.

Der Kelch des Lebens

Wir trinken aus des Daseins Kelch,
Die Augen fest verschlossen,
Und haben auf den goldnen Rand
Schon Tränen viel vergossen;

Wenn aber uns der nahnde Tod
    Das Augenband entwindet,
Und alles, was uns Freude bot,
    Mit diesem Band entschwindet,

Dann sehen wir: es stellt sich leer
    Die goldne Schale dar,
Der Trank in ihr – ein Traum, und mehr:
    Sie gar nicht unsre war.

1831

 

Ein Segler

Einsam glänzt ein weißes Segel
In des Meeres blauem Nebel!
Von der Fremde, was verlangt’s?
Was verblieb am Heimatstrand?..

Winde heulen, treiben Wogen,
Und der Mast knarrt weggebogen…
Weh, der Segler sucht kein Glück,
Und er weist es nicht zurück!

Unter ihm strömt helle Bläue,
Golden strahlt die Sonn’ aufs neue…
Mit der Windsbraut will er rechten,
Als wenn Stürme Ruhe brächten!

1832

LERMONTOV

Michail Lermontov (15 oktober 1814 –  27 juli 1841)

 

 

De biografische data zijn onzeker en berusten op verhalen en legenden, maar de internationale internet encyclopedie Wikipedia geeft 15 oktober 70 v. Chr. als geboortedatum van Publius Vergilius Maro. Zijn bekendste werk is de Aeneis, het grote heldendicht waarin de grootheid van Rome, van Romes oorsprong en verleden wordt bezongen. Zijn grafschrift luidde: “Mantua me genuit, Calabri rapuere, tenet nunc Parthenope; cecini pascua, rura, duces.”

“Mantua baarde mij, Calabrië rukte mij uit het leven, Parthenope houdt me nu vast; ik heb weiden, landerijen en leiders bezongen.” Mantua was zijn geboorteplaats, in Brundisium (in de landstreek Apulië) stierf hij, in Parthenope (=Napels) werd hij begraven. De weiden slaan op de Bucolica, de landerijen op z’n Georgica en de leiders op z’n Aeneis.Vergilius begon dit nationaal epos te dichten in het jaar 29 v. Chr., een tijdstip dat daar als het ware om vroeg. In het jaar 31 had Octavianus door de overwinning bij Actium een einde gemaakt aan de laatste burgeroorlogen die een eeuw lang Rome hadden geteisterd. Octavianus, enkele jaren later Augustus genaamd, werd Romes eerste keizer; de rust keerde terug in het rijk en daarmee de behoefte zich te beroemen op een groots verleden

Uit de Aeneïs

Arma virumque cano, Troiae qui primus ab oris

Italiam fato profugus Laviniaque venit

litora, multum ille et terris iactatus et alto

vi superum, saevae memorem Iunonis ob iram,

multa quoque et bello passus, dum conderet urbem

inferretque deos Latio; genus unde Latinum

Albanique patres atque altae moenia Romae.

Musa, mihi causas memora, quo numine laeso

quidve dolens regina deum tot volvere casus

insignem pietate virum, tot adire labores

impulerit, tantaene animis caelestibus irae?

 

 

De wapenfeiten bezing ik en de man die als eerste vanaf de kusten van Troje,

onder drang van het Noodlot naar Italia kwam en de Lavinische

kusten. Veel overkwam hem, zowel te land als ter zee,

onder druk van de hemelingen; om de wrok van de woedende Iuno

leed hij veel ook door oorlog, totdat hem vergund werd een stad te stichten

en zijn goden Latium binnen te voeren. Daaruit kwam het Latijnse volk voort

en de Albaanse voorvaderen en de muren van het verheven Rome.

Muze, vertel mij de reden, door welke kwetsing van de godheid

of welke grief, de koningin van de goden deze plichtsgetrouwe man

zoveel ellende liet ondergaan, zoveel rampen liet trotseren;

koesteren hemelingen dan zo grote toorn?

 

vergilius5

Vergilius (15 oktober 70 v. Chr. – 21 september 19 voor Chr.)

 

Sir Pelham (‘Plum’) Grenville Wodehouse werd geboren op 15 oktober 1881 in Guildford. Hij was een Brits-Amerikaans humoristisch schrijver wiens werk zich kenmerkt door een subtiele humor, een fijn gevoel voor nuance, perfecte plots, en een volledig voorbijgaan aan de ernst van het leven.Wodehouse had een versnipperde jeugd en werd grotendeels opgevoed door mensen die niet zijn ouders waren. Zijn vader was een hoge ambtenaar in de koloniën (o.a. rechter in Hongkong) en de jonge Plum heeft zijn ouders tussen de leeftijd van 2 1/2 en 15 jaar in totaal ongeveer 6 maanden gezien. Bij het uitbreken van WO II bevond Wodehouse zich in Frankrijk en werd opgepakt. Hij bracht tijd in een krijgsgevangenenkamp door en werd uiteindelijk daaruitgelaten door de Duitsers in ruil voor het verzorgen in 1941 van vijf korte, enigszins komische radio-uitzendingen, die op zich zeer onschuldig waren. Ze vielen wel net in een tijd dat de oorlog voor het Verenigd Koninkrijk slecht ging en de Duitse expansiedrift maximaal was, met de invasie van Rusland (operatie Barbarossa). De uitzendingen werden hem door de publieke opninie in de Britse pers echter dermate kwalijk genomen dat hij nooit meer naar Engeland heeft durven terugkeren om er te wonen, en nauwelijks om bezoeken af te leggen. Zelfs de auteur van Winnie de Poeh, A.A. Milne werd een fel tegenstander. Wodehouse heeft deze publieksreactie zelf nooit begrepen en heeft eigenlijk tot aan zijn dood op hoge leeftijd geworsteld met het probleem of hij nou wel of niet gecollaboreerd had.

 

Uit: The World of Jeeves (1967, introductie)

 

“One great advantage in being a historian to a man like Jeeves is that his mere personality prevents one selling one’s artistic soul for gold. In recent years I have had lucrative offers for his services from theatrical managers, motion-picture magnates, the proprietors of one or two widely advertised commodities, and even the editor of the comic supplement of an American newspaper, who wanted him for a “comic strip”. But, tempting though the terms were, it only needed Jeeves deprecating cough and his murmured “I would scarcely advocate it, sir,” to put the jack under my better nature. Jeeves knows his place, and it is between the covers of a book.”

 

 wodehouse

P.G. Wodehouse (15 oktober 1881 – 14 februari 1975)