Artaud, Chateaubriand, Huygens en Ruebsamen

Antonin Artaud werd geboren op 4 september 1896 in Marseille. Deze Franse avant-gardistische toneelschrijver- en criticus, dichter, acteur en regisseur behoorde enige tijd tot de surrealisten.

Antonin Artaud (eig. Antoine Marie Joseph Artaud), wiens vooruitstrevende ideeën tijdens zijn leven met onbegrip werden ontvangen, is vooral belangrijk als theoreticus van het vernieuwend theater. Artaud wilde terug naar het mysteriespel om zodoende de oerangsten en oerdriften van de mens zichtbaar te maken. Hij pleitte voor een zogenaamd “wreed theater”, een schokkende en onthullende vorm van toneel. Zijn manifest uit 1938, ‘Le théâtre et son double’, heeft grote invloed gehad op het avant-gardetheater na de Tweede Wereldoorlog.

Uit : Antonin Artaud à Jacques Rivière, 25 mai 1924

« Pourquoi mentir, pourquoi chercher à mettre sur le point littéraire une chose qui est le cri même de la vie, pourquoi donner des apparences de fiction à ce qui est fait de la substance indéracinable de l’âme, qui est comme la plainte de la réalité ? Oui, votre idée me plaît, elle me réjouit, elle me comble, mais à condition de donner à celui qui nous lira l’impression qu’il n’assiste pas à un travail fabriqué.
[…]
Cette inapplication à l’objet qui caractérise toute la littérature, est chez moi une inapplication à la vie. Je puis dire, moi, vraiment, que je ne suis pas au monde, et ce n’est pas une simple attitude d’esprit.
[…]
Il faut que le lecteur croie à une véritable maladie et non à un phénomène d’époque, à une maladie qui touche à l’essence de l’être et à ses possibilités centrales d’expression, et qui s’applique à toute une vie.
Une maladie qui affecte l’âme dans sa réalité la plus profonde, et qui en infecte les manifestations. Le poison de l’être. Une véritable paralysie. Une maladie qui vous enlève la parole, le souvenir, qui vous déracine la pensée. »
 

 

 

Antonin Artaud (4 september 1896 – 4 maart 1948)

 

François René de Chateaubriand werd geboren op 4 september 1768 in Saint Malo. In 1797 verscheen zijn Essai sur les révolutions, waarmee hij zich voorgoed tot de letteren bekeerde. Dit werk was grotendeels geïnspireerd door zijn korte buitenlandse militaire carrière en zijn leven als paria dat hij gedurende acht jaar had gekend.

Geheel in de lijn van de preromantiek las hij het werk de dichter Ossian en de werken van John Milton en Thomas Gray. Ondertussen werkte hij aan Les Natchez. Door het overlijden van zijn moeder en van een van zijn zussen vond Chataubriand het katholieke geloof terug en keerde hij terug naar Frankrijk in 1800. Door het terugvinden van zijn geloof publiceerde hij in 1801 een deel van Les Natchez: Atala, een verhaal over een christelijke maagd, Atala, die liever sterft dan haar geloof te verraden door met de Indiaan Chactas te trouwen. In 1802 volgt een tweede deel: Génie du christianisme, waarin René is ingevoegd als illustratie bij een hoofdstuk van Le Génie.

Uit: René

…/Le jour je m’égarais sur de grandes bruyères terminées par des forêts. Qu’il fallait peu de chose à ma rêverie : un feuille séchée que le vent chassait devant moi, une cabane dont la fumée s’élevait de la cime dépouillée des arbres, la mousse qui tremblait au souffle du nord sur le tronc d’un chêne, une roche écartée, un étang désert ou le jonc flétri murmurait ! Le clocher solitaire, s’élevant au loin dans la vallée, a souvent attiré mes regards ; souvent j’ai suivi des yeux les oiseaux de passage qui volaient au-dessus de ma tête. Je me figurais les bords ignorés, les climats lointains où ils se rendent ; j’aurais voulu être sur leurs ailes. Un secret instinct me tourmentais ; je sentais que je n’étais moi-même qu’un voyageur ; mais une voix du ciel semblait me dire : “homme, la saison de ta migration n’est pas encore venue ; attends que le vent de la mort se lève, alors tu déploieras ton vol vers ces régions inconnues que ton coeur demande.”
levez-vous vote, orages désirés qui devez emporter René dans les espaces d’une autre vie !
Ainsi disant, je marchais à grands pas, le visage enflammé, le vent sifflant dans ma chevelue, ne sentant ni pluie ni frimas, tourmenté, et comme possédé par le démon de mon coeur.

 

François René de Chateaubriand (4 september 1768 – 4 juli 1848)
Rond 1787

 

Constantijn Huygens werd geboren op 4 september 1596 in Den Haag. Hij heeft een enorme veelzijdigheid aan de dag gelegd. Niet alleen was hij de trouwe dienaar van drie prinsen, ook was hij een groot dichter, begaafd schilder, componist, musicus en een toegewijd vader. Hij kende zijn talen en zag veel van Europa. Hij verkeerde in de hoogste bestuurlijke kringen, maar maakte tegelijkertijd ook deel uit van de culturele elite.

Hij had een groot aandeel in het ontwerp van zijn eigen huis, was de ‘ontdekker’ van Rembrandt en onderhield contacten met grote denkers als Spinoza en Descartes. Constantijn Huygens had kortom veel weg van het toenmalige humanistische ideaalbeeld van de homo universalis. Die internationale oriëntatie vinden we ook terug in zijn poëzie, die anders was dan de gedichten die tot dan in Nederland werden geschreven, zoals de gedichten van Cats. Zijn gedichten waren vol dubbelzinnigheden, onverwachte gedachtensprongen en onalledaagse metaforen.

 

EEN ALLGEMEEN POEET

Primum ego me illorum, dederim quibus esse poetas, Excerpam numero. Horatius.

Hij is een krakend wiel, dat stadich maelt en knarst,
Van all dat in hem leeft zijn d’ herssenen ’tverwarst,
De Maegh het onversienst, ’tvermoedste Tong en Longer;
Een Waersegger, van dorst, een Logenaer, van honger;
Een aller paerden Sael; een kruijper inder daedt,
Een vlieger soo hij meent; een muffer waer hij gaet;
Een suffer waer hij sitt; een allgereedt bedichter
Van rouw, van vrolickheit; een haestigh woorden-vlichter;
Een misgeboort van ’t School; een wilde Latinist;
Een windigh wan-geback van semelen en gist
.

… 

 

Constantijn Huygens (4 september 1596 — 28 maart 1687)

 

Helga Ruebsamen is op 4 september 1934 geboren in Batavia, in Nederlands lndië. Op vijfjarige leeftijd kwam ze met haar ouders naar Nederland. In 1964 debuteerde ze met de verhalenbundel Kameleon. Eerder al ontving ze de Reina Prinsen Geerlings-aanmoedigingsprijs voor een paar van deze verhalen. Vijf jaar lang was ze zelf jurylid voor dit fonds, waardoor ze ervaring kreeg in het stimuleren, adviseren en begeleiden van beginnende schrijvers. Ze schreef De Heksenvriend ( 1966), Wonderolie ( 1970), en De ondergang van Marakov in 1971.Heel lang verschijnt er geen boek van haar. Ze is veel in het buitenland. Als ze weer terug is in Den Haag komt er in 1988 een verhalenbundel van haar uit: Op Scheveningen. De dansende kater is van 1992, een bundel tragi-komische verhalen. In 1998 wordt zij met deze roman genomineerd voor de Gouden Uil en voor de Libris Literatuur Prijs. In 1999 heeft zij opnieuw een verhalenbundel gepubliceerd met de titel Beer is terug.

Uit:Waarom drinken jullie zo veel?

 ” In een literair TV-programma vroeg Maarten ’t Hart:

“Waarom zijn er zoveel schrijvers die zo veel drinken?”

In deze aflevering zou de relatie tussen Literatuur en Alcohol worden belicht .

Als deskundigen waren komen opdraven drie doorgewinterde drankorgels, gelauwerd in de letteren zowel als in de kroeg, die met afgezakte broeken en opgeschorte rokken, halflege flessen onder de arm, lallend stonden te walsen op de tafel waaraan de beduusde presentator….nee hoor, vergeet het maar, het programma werd op een vroege zondagochtend opgenomen en iedere ware zuipschuit lag uiteraard op dat tijdstip te ronken in zijn nest en zou nooit voor zo’n programma te paaien zijn geweest, want de ware drinker heeft het op zondagochtend veel te druk met de bestrijding van zijn kater.

De ware drinker heeft het hoe dan ook altijd te druk om ook nog in TV-programma’s te kunnen verschijnen. Drinken is een volledige levenstaak, je kunt er niets anders bij doen.

Vandaar dat Maarten ’t Hart zich moest behelpen met twee tot inkeer gekomen schrijvers – een van hen was ik- en een drooggelegde dichter, die alledrie met uitgestreken gezichten achter een glaasje jus d’ orange zaten. Alledrie hadden wij in het verleden fors genuttigd , maar daarmee waren wij opgehouden. (Vraag mij nu even niet waarom.) De dichter wilde zelfs niet eens meer weten dat hij wel eens een borreltje teveel had op gehad.

Hij werd wit om zijn neus toen, voor de uitzending begon,  de andere schrijver en ik als weemoedige veteranen dranktafeleren oprakelden van weleer.

“We gaan het  niet over die bacchanalen en orgieën van vroeger hebben!” berispte hij ons preuts, ” Ik moet aan mijn winkeltje denken! Ik kom hier uitsluitend om mijn verzen voor te lezen en dat dient voor de goede verstaander voldoende te zijn.”

De presentator vermeldde als inleiding dat hij zelf van één glaasje alcohol al niet goed wordt, dat hij altijd om negen uur ’s avonds naar bed gaat en nooit te vinden zal zijn in een café, maar dat wij, drie notoire ex-gebruikers, waren aangetreden om te onthullen waarom zo talloos vele schrijvers zo onnoemelijk veel drinken.

 Eerst versimpelden wij de probleemstelling tot de vraag:

“Waarom drinken schrijvers zo veel?”

want daarop is gemakkelijk antwoord te geven.

Schrijvers die drinken, drinken nu eenmaal veel, net als alle andere mensen die drinken, omdat het immers onmogelijk is om als je echt drinkt maar een beetje te drinken, dat is een wet. Een beetje drinken is te vergelijken met “maar een beetje zwanger” zijn. Of, zoals Carmiggelt het beschreef, wie probeert om maar ’n beetje te drinken springt van een dak met de bedoeling om maar een paar etages te vallen. Een drinker drinkt dus nooit een beetje en wie het wel doet, is met iets anders bezig dan drinken. Met sociaal verkeer bijvoorbeeld, zoals het vieren van bruiloften en partijen, of met zelfmedicatie, zoals het opmonteren van een trage spijsvertering of het onderdrukken van tandpijn; allemaal geldige en begrijpelijke aanleidingen en redenen om alcohol te consumeren, maar met drinken heeft het niets te maken.”

 

Helga Ruebsamen (Batavia, 4 september 1934)