Atte Jongstra

 

De Nederlandse schrijver en essayist Atte Jongstra werd geboren in Terwispel op 13 augustus 1956. Jongstra studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. In 1985 debuteerde hij met De Multatulianen. In 1990 ontving hij de Geertjan Lubberhuizenprijs voor De psychologie van de zwavel, in 1996 de Jan Greshoffprijs voor Familieportret, in 2009 ontving Jongstra de Max Pam Award voor zijn boek “Klinkende ikken”, verschenen in de reeks Privé-domein. Zijn roman “De avonturen van Henri II Fix” (2007) schreef Jongstra naar aanleiding van de aanschaf op een veiling van een drietal kisten vol manuscripten en andere documenten van deze 18e-eeuwse levenskunstenaar en encyclopedist uit Zwolle. Atte Jongstra is incidenteel actief als beeldend kunstenaar. Zo nam hij in 1999 deel aan het groepsproject ‘In verbelinge’, georganiseerd door de Stichting Kunst Openbare Ruimte (SKOR) in de gemeente Oost-Stellingwerf (Fr.). Dit resulteerde in een ‘grensmonument’ te Nijeberkopersluis. Ook stelde hij in 2013 als gastcurator de tentoonstelling De paden naar het paradijs samen, in Rijksmuseum Twenthe te Enschede. Verder is hij werkzaam binnen het Collège de ‘Pataphysique, alhier onderscheiden met de Bâtafysische Orde van het Vliegwiel en schepper en beheerder van de Bâtafysische Beeldbank. Voor Jongstra zijn voorbeelden van patafysica, de wetenschap die zich onledig houdt met de oplossing van denkbeeldige problemen, onderwerpen als de zijwindgevoeligheid van de optelsom of de oppervlakte van God. Daarnaast is Jongstra recensent voor NRC Handelsblad. Hij publiceerde ook onder de pseudoniemen Arno Breekveld en Arno II von Brechelhain.

Uit: Groente

“Zo herinner ik me een man die Herschel heette. Ik heb hem nooit gekend, maar hij is aan het firmament van mijn geheugen blijven gloeien door de woorden die hij mij ooit liet lezen en die me een van die momenten bezorgde, waarop veel delen even samenvallen tot één geheel, één uitzicht op wat zo fraai en veilig kan lijken.
Herschel begon zijn carrière als hobospelende tiener bij de infanterie van Hannover, en wel onder George II van Engeland. Die speelde destijds in dat deel van Duitsland de hoogste viool. Herschel wilde een groot musicus worden en toen er oorlog uitbrak besloot hij naar de Engelse badplaats Bath te vluchten. Dichter bij de troon, dichter bij het voortbestaan. Naar die letter voegde hij zich jong, in 1766: hij was toen negentien. Herschel bleef niet bij George II stilstaan, hij richtte zijn oog op andere fonkelende figuren en ontdekte een planeet die hij het liefst Clara Sidus had willen noemen. Dankbaarheid jegens zijn vorstelijke dirigent en de wetenschap dat er na de tweede ook een derde George zou volgen deden hem echter kiezen voor Georgium Sidus. Een meesterlijke zet, die hem per ommegaande het lidmaatschap van de Royal Society in Londen bezorgde. Later zou hij tot buitenlid van de Koninklijke Poldavische Academie worden gemaakt.
Zo’n intrede als astronoom is niet ongewoon. Veel grote waarnemers kunnen terugblikken op minstens twaalf ambachten. Herschel is daarbij ook later nooit eenkennig geworden. Hij bleef verbanden zoeken in de chaos van diversiteiten die in de wereld en alle afspiegelingen daarvan nu eenmaal voor het oprapen liggen.
Herschel was een man van begripsverschuivingen, met meer, veel meer aan zijn firmament dan de zwaartekracht van nieuwe en oude lichtjes. Van de oude was lang niet alles meer kek en fris, meende hij. Een kwestie van aftakeling, verspilling of gewoon eeuwenlang onopgemerkt dromen, als een boek op een stoffige bibliotheekplank niet langer geschikt voor wat er mee bedoeld was. Glorie, vergaan, in kruimels uiteengevallen. en zulke kruimels zijn ervoor geknipt om – zei Herschel het niet zo? – ‘uiteindelijk op elkaar te storten en óf na elkaar, óf in één geweldige, gezamenlijke botsing verenigd te worden in een nieuwe uitspreiding’.
Dit is volgens Herschel één beeld voor wat ons boven het hoofd hangt:
‘Een weelderige tuin die de grootst mogelijke verscheidenheid aan groente, fruit en andere planten heeft voortgebracht en zich méér beroept op het geheugen dan een gemiddeld mens kan verwerken. Veel van wat ik in mijn tuin zie opkomen bestaat bij de gratie van mijn herinnering. Als ik het zie, is het tegelijkertijd onnoemelijk veel seizoenen geleden. Zo kunnen wij de reikwijdte van onze ervaringswereld tot een immense tijdsduur uitbreiden. Om de vergelijking nog even voort te zetten: is het achtereenvolgens waarnemen van ontkieming, bloei, bladerpracht, vruchtbaarheid, oogst of verwelking en verrotting niet vrijwel hetzelfde als het tegelijk in ogenschouw nemen van een groot aantal voorbeelden, meer of minder willekeurig geselecteerd uit elk stadium dat groente doorloopt tijdens haar korte bestaan?”

 


Atte Jongstra (Terwispel, 13 augustus 1956)