C. Louis Leipoldt

De Zuid-Afrikaanse dichter C. Louis Leipoldt werd geboren op 28 december 1880 in Worcester in de toenmalige Kaapkolonie, als vierde kind in zijn gezin. Zijn vader was een predikant. Hij groeide op in Clanwilliam, kreeg thuis onderwijs – zijn moeder wilde haar kinderen niet naar de school in de stad sturen – en werkte daarna als journalist onder meer voor De kolonisator, en Het dagblad. Hij heeft ook voor menige buitenlandse kranten verslag gedaan over de Tweede Boerenoorlog, voordat hij zich in Engeland gedurende de jaren 1902 tot 1907 in de geneeskunde bekwaamde De bekende botanicus Harry Bolus, een levenslange vriend, had het geld voor zijn studie aan hem uitgeleend. Hij heeft daarna rondgereisd over de wereld, toen voor een periode gewerkt als scheepsdokter, schooldokter in Londen, als medische inspecteur van scholen in Transvaal, als journalist en uiteindelijk als kinderarts in Kaapstad in 1925 . Hij is nooit getrouwd. Hij heeft wel een zoon, Jeff, aangenomen. Hij was een van de leidende figuren van de Tweede Taalbeweging (samen met Jan FE Celliers en JD du Toit). Naast gedichten, heeft hij ook romans, toneelstukken, kinderverhalen, kookboeken en een reisjournaal geschreven. Hij was een liefhebber van de natuur en heeft die vaak als thema in zijn werk gebruikt, maar met bijzondere nadruk op de legendes en landschappen van zijn geliefde Hantam. Andere thema’s zijn het lijden en de pijn, veroorzaakt door de Tweede Boerenoorlog en de culturele leefwereld van de Kaapse Maleiers.

Die aakligste

Dit is die bitterste van alles, dit,
Dat wat ek liefgehad het, wat nou dood
En weggeleg is in ’n kis van lood

En sederhout, onsterflik êrens sit,
Of swerwe as ’n spookwolk silwerwit,
Deur onbeperkte magte voortgestoot –
Miskien, soos ek, verlate, of in nood,
 
Maar onbereikbaar, ook al smeek en bid
Ek heel die dag en jammer al my tyd.
Dit is die bitterste dat ek geen hand
Kan uitstrek, hulpvol, meelyend in my smart;
 
Geen steun kan gee, hoe hard en swaar die stryd;
En dat daar swerwe in die Dodeland,
Verlate, wat ek liefhet in my hart

 

The Worst Horror

This is the bitterest thing of all my days,
That which I have loved so well, that now is dead
And in a coffin laid away, of lead

And cedarwood, immortal somewhere stays,
Or as a ghost-cloud goes its lonely ways
By strange and boundless forces urged ahead,
Perhaps, like me, forlorn, uncomforted,

But out of reach, howe’er one pleads or prays,
Day after day with unending lament.
This is the bitterest thing, that I no hand
Can reach to help, or comfort to impart,

No aid can give, and no encouragement;
And that there wanders in that ghostly land
Forlorn, that which I loved with all my heart!

 

Vertaald door C. J. D Harvey

 

VI Buitenzorg

’n Wondertuin, hier waar die Salak spog
Oor Wehstenland en oor die wêreld troon –
’n Wondertuin! Dis jarewerk bekroon
Hier eind’lik met die seëpraal vir hom,
Ou Teysmann, kruidenier; hy het gedog
Hy kon ’n standbeeld opsit in ’n tuin –
’n Lewendige standbeeld tot sy eer
Om vir die nageslag te toon hy was
’n Kunstenaar in bome en in gras.
Jy wat hier wandel, as jy hierso kom,
Bring hom dan lof vir wat geskape is –
Jou loflied-eer, dit kan ou Teysmann mis.
Sy standbeeld staan in hierdie tuin, en hy,
As hier miskien sy spook by nag probeer
Om rond te dwaal en alles te aanskou,
Die kleureprag, die skaduryke bruin,
Dan kan hy trots wees en sy hande vou
En sê: ‘Ek het geywer vir die land,
Ek het volbring. My dank is dat ek weet
Dit alles help ’n bietjie vir verstand
En kennis, wetenskap wat nooit vergeet!’

 
C. Louis Leipoldt (28 december 1880 – 12 april 1947)