Hella Haasse, Norbert Bugeja, Esther Gerritsen, James Joyce

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook alle tags voor Hella Haasse op dit blog.

Uit: Doodijs en hemelsteen (Over W. F. Hermans)

“De kracht van De donkere kamer van Damocles (1958) schuilt in de geraffineerde wijze waarop Hermans speelt met de mogelijkheden van de verhouding Osewoudt-Dorbeck. Osewoudt wórdt zijn tegenvoeter, maakt zichzelf tot de zowel bewonderde en benijde, als heimelijk gevreesde en zelfs gehate Dorbeck, het handelende, indrukwekkende negatief van hemzelf. Hij kan dat omdat het imago van de zelfbewuste officier, die in oorlogstijd het recht en de plicht heeft te doden, al in hem bestond als wensdroom, gevoed door zijn eigen gevoel van onmacht en zijn minderwaardigheidsbesef. Osewoudt is de moordenaar die door de omstandigheden de kans krijgt misdaden te plegen welke men eventueel als heldenfeiten zou kunnen interpreteren. Naïef ervaart hij, na de bevrijding, dat hij verdacht wordt van verraad. Door Dorbeck te worden dacht hij de mislukkeling Osewoudt in zichzelf te verstikken. Als hij later inziet dat hij Dorbecks bestaan – onafhankelijk van hemzelf – niet bewijzen kan, vlucht hij in paniek, wordt neergeschoten. De ingewikkelde, illegale acties waarbij Osewoudt/Dorbeck betrokken is, doen denken aan een vergroting van de ondoorzichtige situatie aan het einde van ‘Een ontvoogding’, die Bahloul de kans biedt zich van Mohammed te ontdoen, en dan zelf de plaats van Mohammed in te nemen.

Wat een man van zichzelf verwerkelijkt, schijnt ten nauwste samen te hangen met de rol die de vrouwen in zijn leven vervullen. Arthur in De tranen der acacia’s leeft, zoals zijn oorspronkelijke achternaam Muttah al suggereert, in de ban van dominerende vrouwen als zijn grootmoeder en zuster, tot hij zich in de verhouding met Andrea voor het eerst bewust wordt van zijn mannelijkheid en zijn ambities. De vrouwen die het bestaan van Osewoudt bepalen, zijn krankzinnige moeder en de oudere nicht met wie hij getrouwd is, moet hij kwijt om Dorbeck te kunnen zijn. Marianne, de uit zelfbehoud geblondeerde joodse geliefde van Osewoudt in zijn donkere Dorbeck-gedaante (zij is het ook die hem in haar rol van kapster letterlijk ‘zwart maakt’, en hem in haar omarming een ongekende gewaarwording van viriliteit schenkt), verdwijnt uit zijn leven wanneer hij weer zijn Osewoudt-gedaante aanneemt.”


Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)

 

De Maltese dichter Norbert Bugeja werd geboren in Siġġiewi op 2 februari 1980. Zie ook alle tags voor Norbert Bugeja op dit blog.

 

A Lesson

My love, would you tell me on the ways of heaven?

The word of the Lord treads lightly upon the water,
seeding by rote into every little figure praying
like ancient voices whispering in a sanctuary.
“Dil-frażi jgħidha Sidna Ġesù Kristu:
Kif int bgħatt lili, hekk jien nibgħat lilkhom”,*
and the chamber becomes an effluvium of
I don’t know how many sentences
etched onto every soul with divine glyphs.

Silence dribbles in droplets between each phrase,
A balm which soothes up the brawl before each lesson;
the father-superior’s shade, his yellowing bible
fade out into the voice of a slight preacher
doling out Blessings to a starving hillside…

Oh spirit, would you tell me on the ways of heaven ?

*”These are the words of our Lord Jesus Christ:
As the Father has sent me, even so I am sending you.”

 

Vertaald door Mark-Anthony Fenech

 

Norbert Bugeja (Siġġiewi, 2 februari 1980)

 

De Nederlandse schrijfster Esther Gerritsen werd op 2 februari 1972 geboren in Nijmegen. Zie ook ook alle tags voor Esther Gerritsen op dit blog.

 

Uit: Dorst

“Ze was begonnen, op het verkeerde moment, op de verkeerde plek, in de verkeerde kleren. Ze had het in een keer gedaan en nu moest ze alleen nog maar de troep opruimen en hopen dat het daarna beter was dan voor ze aan de klus begon. Zonder om te kijken loopt ze naar de tramhalte en denkt aan haar kapper, met wie de gesprekken nooit misgaan. De woorden tussen haar en de kapper rinkelen als muntgeld, het zijn snelle, korte melodieën.
‘Wat ik nou toch heb.’
‘Nou?’
‘Die pijn in mijn rug, hè…’
‘Ja, dat zei je.’
‘Is toch kanker.’

(…)

Ze hoort haar dochter de trap af komen en met elke tree die ze neemt wordt Elisabeth banger voor de woorden van haar dochter. Haar schouders krimpen, alsof de woorden er al op zijn neergedaald. Alsjeblieft geen dochterwoorden, alleen kapperwoorden. Ze kan het, haar dochter kan het, ze klonk gisteren toch kwiek en licht, ja toch? Enkel die toon terugvinden, de juiste toets aanslaan.
‘Boterham?’probeert ze.
‘Ja, zegt Coco.
Mooi. Een boterham is goed. Huppekee, denkt Elisabeth, lichte woorden, denken nu, even een boterham, huppekee.”

 

Esther Gerritsen (Nijmegen, 2 februari 1972)

 

De Ierse schrijver James Joyce werd geboren in Dublin op 2 februari 1882. Zie ook ook alle tags voor James Joyce op dit blog.

 

Uit: Ulysses

“Buck Mulligan wiped again his razorblade.

–Ah, poor dogsbody! he said in a kind voice. I must give you a shirt and a few noserags. How are the secondhand breeks?

–They fit well enough, Stephen answered.

Buck Mulligan attacked the hollow beneath his underlip.

–The mockery of it, he said contentedly. Secondleg they should be. God knows what poxy bowsy left them off. I have a lovely pair with a hair stripe, grey. You’ll look spiffing in them. I’m not joking, Kinch. You look damn well when you’re dressed.

–Thanks, Stephen said. I can’t wear them if they are grey.

–He can’t wear them, Buck Mulligan told his face in the mirror. Etiquette is etiquette. He kills his mother but he can’t wear grey trousers.

He folded his razor neatly and with stroking palps of fingers felt the smooth skin.

Stephen turned his gaze from the sea and to the plump face with its smokeblue mobile eyes.

–That fellow I was with in the Ship last night, said Buck Mulligan, says you have g.p.i. He’s up in Dottyville with Connolly Norman. General paralysis of the insane!

He swept the mirror a half circle in the air to flash the tidings abroad in sunlight now radiant on the sea. His curling shaven lips laughed and the edges of his white glittering teeth. Laughter seized all his strong wellknit trunk.

–Look at yourself, he said, you dreadful bard!

Stephen bent forward and peered at the mirror held out to him, cleft by a crooked crack. Hair on end. As he and others see me. Who chose this face for me? This dogsbody to rid of vermin. It asks me too.

–I pinched it out of the skivvy’s room, Buck Mulligan said. It does her all right. The aunt always keeps plainlooking servants for Malachi. Lead him not into temptation. And her name is Ursula.

Laughing again, he brought the mirror away from Stephen’s peering eyes”.

 


James Joyce (2 februari 1882 – 13 januari 1941)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e februari ook mijn vorige blog van vandaag en eveneens mijn tweede en mijn eerste blog van vandaag.