Jan Wolkers, Andrew Motion, Stephen L. Carter, Karin Boye, Trevor Joyce, Pat Conroy, Ulrich Plenzdorf, Sorley MacLean, Andrej Bely

De Nederlandse dichter, schrijver en beeldend kunstenaar Jan Wolkers werd geboren in Oegstgeest op 26 oktober 1925. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2007 en mijn blog van 26 oktober 2006 en ook ook mijn blog van 26 oktober 2007 en ook mijn blog van 26 oktober 2008 en ook mijn blog van 26 oktober 2009.

Uit: De verschrikkelijke sneeuwman

‘Hoe lang ben ik er niet geweest, en hoe gelukkig was ik vroeger als ik er insecten en kikkers zocht. Als ik werkelijk blind was, zou ik op de tast zelfs de onder hanepoten en muur verborgen stenen feilloos kunnen vinden. Ik zou de namen kunnen noemen van de dieren die er onder wonen. Dit is een duizendpoot, rood als een Ierse setter, en dat daar dat zich tot een geschubd balletje maakt, een pissebed, kwalblauw. Als je hem tussen twee steentjes fijn knijpt komt er een bergje gele vla uit. Amberkleurige salamanders zoeken er ieder voorjaar vergeefs naar de sloot. Maar die is sinds jaren gedempt. Ze voelen aan als stukjes rubber. In water worden ze zilverachtig en glimmend als een meisjesbroche. Vlezige regenwormen met een gele band midden in het lichaam, of ze een verstuikte knie hebben. Als je een steen optilt waar er veel onder zitten is het net of het dak van een bordeel wordt opgelicht, zoals die naakte roze lijven zich wegreppen.’


‘Hoe heb ik ooit voor deze mensen kunnen voelen, dacht Herman. Hoe heb ik ooit als kind in bed nachten lang kunnen huilen bij de gedachte dat ze eens dood zouden gaan. Als een duif van mij dood ging mocht ik hem niet in de tuin begraven, en geen teken voor hem oprichten. Hij moest in de vuilnisbak. Een dier komt niet in de hemel, zei mijn vader. De eeuwigheid is voor de mens die naar Gods wil leeft, hij hoort in een graf, om daar te wachten tot de jongste dag. En de vogel wierp hij tussen de groenteafval.’


„Ze trok haar rok op, stak haar benen omhoog, zocht met haar handen het elastiek van haar broekje.

Herman keek tussen haar benen. Het schaamhaar puilde aan beide kanten uit haar broek, of men een veiligheidsscheermes over het midden van een behaarde kin had gehaald. Ze wipte met haar billen omhoog, trok het nylon er in één beweging vanaf en meteen door tot halverwege haar dijen. Ze hield de linkerpijp vast, trok haar been eruit, en liet het broekje op de wreef van haar rechtervoet hangen als een verlepte bloem. Toen drukte hij zich tegen haar aan.

– Vind je het niet vervelend in deze houding, vroeg hij.

– Ik vind het op iedere manier prettig, zei ze, maar doe een kussen onder je knieën, dan kom je er beter voor.’


 Jan Wolkers (26 oktober 1925 – 19 oktober 2007)


 De Engelse dichter, schrijver en biograaf  Andrew Motion werd geboren op 26 oktober 1952 in Braintree in Essex. Zie ook mijn blog van 26 oktober 2007 en ook mijn blog van 26 oktober 2008 en ook mijn blog van 26 oktober 2009.

Holy Island

I am behind you on the mainland, leaning
on your shoulder and pointing with one arm
in front of your face at weightless cinders
which are ravens blustering above the island.

Boulder clay on the outcrops, and beaches
dotted and dashed with coal dust. Guillemots
whitening the cliff face. Small orchids definitely
still evolving in a downpour of Arctic sunlight.

How many years are there left to cross over
and show you things themselves, not my idea
of things? Thirty, if I live to the age of my father.
I cannot explain why I have left it as late as this.

Your black hair blows into my eyes but I can see
everything moving fast now. Weather polishes
the silver fields ahead; the ravens swoop down
and settle among the gorgeous pages of the gospels.


Red Gloves

Reaching the restaurant late
I find the empty shells
Of your gloves on the cold kerb:

Stretchy, crushed red velvet
Which slithered off your lap
To float in the sodium stream.

What could they mean, except
You have arrived before me,
And simply taken your place?

The things we forget, or lose,
Live in a heaven of debris,
Waiting for us to collect them;

Already your naked hands
Are fluttering over the table,
Missing they don’t know what.


Andrew Motion (Braintree, 26 oktober 1952)


De Amerikaanse schrijver Stephen L. Carter werd geboren op 26 oktober 1954 in Washington, D.C. Zie ook mijn blog van 26 oktober 2008 en en ook mijn blog van 26 oktober 2009.

Uit: The Emperor of Ocean Park

„When my father finally died, he left the Redskins tickets to my brother, the house on Shepard Street to my sister, and the house on the Vineyard to me. The football tickets, of course, were the most valuable item in the estate, but then Addison was always the biggest favorite and the biggest fan, the only one of the children who came close to sharing my father’s obsession, as well as the only one of us actually on speaking terms with my father the last time he drew his will. Addison is a gem, if you don’t mind the religious nonsense, but Mariah and I have not been close in the years since I joined the enemy, as she puts it, which is why my father bequeathed us houses four hundred miles apart.
I was glad to have the Vineyard house, a tidy little Victorian on Ocean Park in the town of Oak Bluffs, with lots of frilly carpenter’s Gothic along the sagging porch and a lovely morning view of the white band shell set amidst a vast sea of smooth green grass and outlined against a vaster sea of bright blue water. My parents liked to tell how they bought the house for a song back in the sixties, when Martha’s Vineyard, and the black middle-class colony that summers there, were still smart and secret. Lately, in my father’s oft-repeated view, the Vineyard had tumbled downhill, for it was crowded and noisy and, besides, they let everyone in now, by which he meant black people less well off than we. There were too many new houses going up, he would moan, many of them despoiling the roads and woods near the best beaches. There were even condominiums, of all things, especially near Edgartown, which he could not understand, because the southern part of the island is what he always called Kennedy country, the land where rich white vacationers and their bratty children congregate, and a part-angry, part-jealous article of my father’s faith held that white people allow the members of what he liked to call the darker nation to swarm and crowd while keeping the open spaces for themselves.


Stephen L. Carter (Washington, 26 oktober 1954)


De Zweedse dichteres en schrijfster Karin Maria Boye werd geboren op 26 oktober 1900 in Göteborg. Zie ook mijn blog van 26 oktober 2008 en ook mijn blog van 26 oktober 2009.

Das Beste

Das Beste, das wir haben,
das kann man nicht beschreiben,
nicht geben und nicht sagen;
es muß verborgen bleiben.

Das Tiefste deiner Seele
kann niemand je berühren.
Die unerreichte Stelle
kannst du und Gott nur spüren.

Das ist des Reichtums Quelle,
daß keiner sonst sie kennt.
Das ist der Armut Hölle,
daß sie vom andern trennt.



Kampfbereit und zugeschlossen
einst ich kam-
Panzer war aus Schreck gegossen
und aus Scham. Ich will abtun meine Waffen,
Schild und Schwert.
Feindschaft kann nichts Gutes schaffen,
Kälte zehrt. Ich sah manchen trocknen Samen
noch erblühn,sah,
wie Zweige aus ihm kamen,
licht und grün. Kraftvoll ist das zarte Leben,
mehr als Stahl,
allem schutzlos preisgegeben
ohne Wahl. Frühling tagt in Winternächten,
Ich will ringen mit den Mächten
Vertaald door Hildegard Dietrich


Karin Boye (26 oktober 1900 – 24 april 1941)
Standbeeld in Göteborg


De Ierse dichter Trevor Joyce werd geboren op 26 oktober 1947 in Dublin. Zie ook mijn blog van 26 oktober 2008 en ook mijn blog van 26 oktober 2009.

o tiny
the many other
some of which
could easily
be ten
or a thousand
times more
you are
and a little
i will
keep you
for later


She is my love
was most my misery
preferred for wasting me
to her could cure
She is my fair
would fast enfeeble me
not whisper for my going oh!
or mind my grave
She is my dear
nature’s accessory
wouldn’t reach a hand to hold my head
lay me for gold
She is my why
drops not a hint to me
heeds no true word
spares no regard
Great is my grief
too long this lingering
who most suspects me
is all my love


 Trevor Joyce (Dublin, 26 oktober 1947)


De Amerikaanse schrijver Pat Conroy werd geboren op 26 oktober 1945 in Atlanta, Georgia. Zie ook mijn blog van 26 oktober 2008 en ook mijn blog van 26 oktober 2009.

Uit: South of Broad

„It was my father who called the city the Mansion on the River.
He was talking about Charleston, South Carolina, and he was a native son, peacock proud of a town so pretty it makes your eyes ache with pleasure just to walk down its spellbinding, narrow streets. Charleston was my father’s ministry, his hobbyhorse, his quiet obsession, and the great love of his life. His bloodstream lit up my own with a passion for the city that I’ve never lost nor ever will. I’m Charleston-born, and bred. The city’s two rivers, the Ashley and the Cooper, have flooded and shaped all the days of my life on this storied peninsula.
I carry the delicate porcelain beauty of Charleston like the hinged shell of some soft-tissued mollusk. My soul is peninsula-shaped and sun-hardened and river-swollen. The high tides of the city flood my consciousness each day, subject to the whims and harmonies of full moons rising out of the Atlantic. I grow calm when I see the ranks of palmetto trees pulling guard duty on the banks of Colonial Lake or hear the bells of St. Michael’s calling cadence in the cicada-filled trees along Meeting Street. Deep in my bones, I knew early that I was one of those incorrigible creatures known as Charlestonians. It comes to me as a surprising form of knowledge that my time in the city is more vocation than gift; it is my destiny, not my choice. I consider it a high privilege to be a native of one of the loveliest American cities, not a high-kicking, glossy, or lipsticked city, not a city with bells on its fingers or brightly painted toenails, but a ruffled, low-slung city, understated and tolerant of nothing mismade or ostentatious. Though Charleston feels a seersuckered, tuxedoed view of itself, it approves of restraint far more than vainglory.
As a boy, in my own backyard I could catch a basket of blue crabs, a string of flounder, a dozen redfish, or a net full of white shrimp. All this I could do in a city enchanting enough to charm cobras out of baskets, one so corniced and filigreed and elaborate that it leaves strangers awed and natives self-satisfied. In its shadows you can find metalwork as delicate as lace and spiral staircases as elaborate as yachts“.


Pat Conroy (Atlanta, 26 oktober 1945)


De Duitse schrijver Ulrich Plenzdorf werd geboren op 26 oktober 1934 in Berlijn. Zie ook mijn blog van 26 oktober 2006 en ook mijn blog van 26 oktober 2008.

Uit: Die neuen Leiden des jungen W.

“Bei Ed wußte man nie. Der dachte sich noch ganz andere Sachen aus. Ganze Songs zum Beispiel. Text und Melodie! Irgendein Instrument, das er nach zwei Tagen nicht spielen konnte, gab’s überhaupt nicht. Oder nach einer Woche, von mir aus. Er konnte Rechenmaschinen aus Pappe baun, die funktionieren heute noch. Aber die meiste Zeit haben wir gemalt.”
“Edgar hat gemalt? – Was waren das für Bilder?”
“Immer DIN A 2.”
“Ich meine: was für Motive? Oder kann man welche sehen?”
“Nicht möglich. Die hatte er alle bei sich. Und “Motive” kann man nicht sagen. Wir malten durchweg abstrakt. Eins hieß Physik. Und: Chemie. Oder: Hirn eines Mathematikers. Bloß, seine Mutter war dagegen. Edgar sollte erst einen “ordentlichen” Beruf haben. Ed hatte ziemlich viel Ärger deswegen, wenn sie das interessiert. Aber am sauersten war er immer, wenn er rauskriegte, daß sie, also seine Mutter, mal wieder eine Karte von seinem Erzeuger…, ich meine: von seinem Vater…, ich meine: von Ihnen zurückgehalten hatte. Das kam hin und wieder vor. Dann war er immer ungeheuer sauer.”
Das stimmt. Das stank mich immer fast gar nicht an. Schließlich gab es immer noch so was wie ein Briefgeheimnis und die Karten waren eindeutig an mich. An Herrn Edgar Wibeau, den ollen Hugenotten. Jeder Blöde hätte gemerkt, daß ich eben nichts wissen sollte über meinen Erzeuger, diesen Schlamper, der soff und der es ewig mit den Weibern hatte. Der schwarze Mann von Mittenberg. Der mit seiner Malerei, die kein Mensch verstand, was natürlich allemal an der Malerei lag.


Ulrich Plenzdorf (26 oktober 1934 – 9 augustus 2007)


De Schotse dichter Sorley MacLean (Schots Gaelic: Somhairle MacGill-Eain) werd geboren op 26 oktober 1911 Osgaig op het eiland Raasay. Zie ook mijn blog van 26 oktober 2008.

The Choice

I walked with my reason
out beside the sea.
We were together but it was
keeping a little distance from me.

Then it turned saying:
is it true you heard
that your beautiful white love
is getting married early on Monday?

I checked the heart that was rising
in my torn swift breast
and I said: most likely;
why should I lie about it?

How should I think that I would grab
the radiant golden star,
that I would catch it and put it
prudently in my pocket?

I did not take a cross’s death
in the hard extremity of Spain
and how then should I expect
the one new prize of fate?

I followed only a way
that was small, mean, low, dry, lukewarm,
and how then should I meet
the thunderbolt of love?

But if I had the choice again
and stood on that headland,
I would leap from heaven or hell
with a whole spirit and heart.


Sorley MacLean (26 october 1911 – 24 november 1996)


De Russische schrijver en theoreticus van het symbolisme Andrej Bely werd geboren op 26 oktober 1880 in Moskou. Zie ook mijn blog van 26 oktober 2008.

Uit: Glossolalia (Vertaald door Thomas R. Beyer)

All motion of the tongue in the cavity of our mouth is – a gesture of an armless dancer, twirling the air, like a gaseous, dancing veil; as they fly off to the sides, the tips of the veil tickle the larynx; and – out comes a dry, aery, quick “h,” pronounced like the Russian “kh”; the gesture of arms extended (
upwards and to the side) is – “h”. The gestures of the arms reflect all the gestures of the armless dancer, dancing in a murky dungeon: beneath the arches of the palate; the movement of the arms relfects an armless mimicry; these movements are – giants of an enormous world, invisible to sound; in this way the tongue directs its bulk, the body, from out os its cave; and the body draws for us gestures; and the storms of meaning are – beneath them. Out armless tongue observed the gesture of the arm; and duplicated it in sounds; sounds know the mysteries of ancient movements of our spirits; just as we pronounce the sounding meanings of words, so too were we once created; pronounced with meaning; our sounds – words – will become the world: we create people out of words; and the words are acts. Sounds are – ancient gestures in the millenia of meaning; in the millenia of my coming being an arm will sing to me with cosmic meaning. Gestures are – youthful sounds of meanings implanted in my body, but not yet composed; the same thing that is occuring for the time being in a single place of the bosy, under the skullbone, will with the flow of time occur throughout my entire body. My entire body will brim full of meaning.“


Andrej Bely (26 oktober 1880 – 8 januari 1934)
Portret door Leon Bakst