Judith Koelemeijer

De Nederlandse schrijfster en journaliste Judith Koelemeijer werd geboren in Zaandam op 8 april 1967. Koelemeijer studeerde Nederlands en Culturele Studies, volgde een cursus aan de postdoctorale opleiding Journalistiek en werd daarna werkzaam bij de Volkskrant. In 2000 nam ze ontslag bij die krant om zich volledig te kunnen wijden aan het schrijven van haar debuutroman “Het zwijgen van Maria Zachea”, die in 2001 verscheen. Van deze familiegeschiedenis werden meer dan 250.000 exemplaren verkocht en het boek werd bekroond met de NS publieksprijs in 2002, het Gouden Ezelsoor in 2003 en de Zaanse Cultuurprijs. In 2008 verscheen de biografie “Anna Boom”, die ook vertaald werd naar het Duits en daar verscheen onder de titel “Das Leben der Anna Boom – die Geschichte einer mutigen Frau”. Het boek stond in 2008 op de achtste plaats in de Nederlandse top tien van bestverkochte non-fictie boeken. In juni 2009 verscheen “Mijn vader, de familie en ik” in de reeks Literaire Juweeltjes. Koelemeijer schrijft vanaf oktober 2009 samen met haar zus Rosa een interviewreeks voor het tijdschrift esta. In 2013 verscheen “Hemelvaart”. Het is haar eerste autobiografische boek en het gaat over het noodlottige einde van een vakantie op het Griekse Paros in 1985.

Uit: Anna Boom

“Er werd hard op de deur gebonkt. Wel een paar keer.Ze wist zeker dat het de Russen waren.
De Russen stonden voor haar huis en kwamen haar halen. Ze lag in bed. Ze kon geen kant op.
Ze moest haar revolver hebben. Waar was haar revolver? Ze moest hem hebben, nu meteen, voor het te laat was, ze moest opspringen en…
Iemand schudde aan haar arm. ‘Wat heb jij nou?’ vroeg Jan.
‘Ik droomde,’ zei ze, nog slaperig. ‘Een nachtmerrie denk ik.’
‘Je schreeuwde. Je riep: “Waar is mijn revolver?!”
En toen nog een keer. “Waar is mijnrevolver!”‘
‘Wil je een glas water halen?’
Het was vier uur ’s nachts. In hun slaapkamer was het warm. Buiten hoorde ze de honden blaffen. Hun nieuwe buren in Cascais hadden veel honden, die liefst ’s nachts veel lawaai maakten.
Terwijl ze haar glas leegdronk, keek Jan haar nog steeds verwonderd aan. ‘Wat moet jij nu met een revolver?’ vroeg hij.
‘Het was maar een droom. Laten we gaan slapen.’
Jan deed het licht uit en ging dicht naast haar liggen. Terwijl ze naar zijn ademhaling luisterde, dacht ze aan de jonge Rus die ze al die jaren had willen vergeten – maar die zich nu niet langer liet wegstoppen in het donker.
‘Wat was er vannacht?’ vroeg Jan toen ze de volgende dag zoals gewoonlijk samen een borrel dronken; hij een pilsje met een jenever ernaast en zij een wodka met ijs.
‘Ik droomde over de oorlog,’ zei ze. ‘Over de Russen. Er is iets gebeurd toen… Ik bedoel: er is zoveel gebeurd in Boedapest…”

 
Judith Koelemeijer (Zaandam, 8 april 1967)