Pol Hoste, Jacques Audiberti, Filip De Pillecyn, Evliya Çelebi, Anne Fanshawe

De Vlaamse schrijver Pol Hoste werd geboren in Lokeren op 25 maart 1947. Zie ook mijn blog van 25 maart 2007 en ook mijn blog van 25 maart 2008 en  en ook mijn blog van 25 maart 2009 en ook mijn blog van 25 maart 2010.

 

Uit: Caran d’Ache

 

Goud

 

Zo droomt het televisiemeisje. Een windhoos is een

kleurenscherm, een watervlak draagt haar herinnering.

Men koopt ogen, een revue. Parfum van glanspapier.

Als ze door haar foto glijdt, is ze uit zichzelf

verdwenen.

 

 

Mauve

 

Tot in de diepste punten ben ik dagelijks veranderd,

dat is niet sterven, dat is uitspuwen of inslikken.

Ik ga bijvoorbeeld naar mijn zus, vertel haar van

mijn was. Vroeger wist ik ook wel alles en nu zelfs

meer en meer. Maar als ze kijken ben ik nog altijd

dezelfde. Ik durf me niet verroeren want dan huil je,

dan huil je. Een man heeft zijn eigen leven.

 

 

Pol Hoste (Lokeren, 25 maart 1947)

 

De Franse dichter en schrijver Jacques Audiberti werd geboren op 25 maart 1899 in Antibes. Zie ook mijn blog van 25 maart 2007 en en ook mijn blog van 25 maart 2009 en ook mijn blog van 25 maart 2010.

 

Uit: Le mal court

 

Nous sommes à la fin de la pièce. Convertie au Mal, Alarica destitue son père, Célestincic, pour prendre sa place sur le trône.

“…
Alarica : Jusqu’ici, elle n’aura servi, en fin de compte, ma vie, ma si pure, ma si droite vie, qu’à masquer le présent ouragan de ma férocité. Ma férocité se démasque. Tout le mal que je n’ai pas fait, je vais le faire d’un seul coup. La plaine s’ouvre. Que jaillisse la montagne des eaux noires ! Fernand !

F… : J’étais imbécile, avec mes gendarmes. Mes amis, il y a mieux à faire, mille fois mieux. Tenez. Vous avez plein de marécages, n’est-ce pas ?

Célestincic : Je vous interdis…

Alarica, vers Célestincic : Silence !

Le Maréchal : Laissez-le s’expliquer. C’est un occidentiste. Ils ont inventé la baïonnette triangulaire.

F… : Vos marécages, hé bien, qui nous empêche de planter dedans d’énormes tuyaux de fer blanc, je dis bien, de fer blanc, comme le fer blanc des gouttières, afin de rassembler toute l’eau dans une vallée et que, de là, elle se rende dans les fleuves !

Le Maréchal : C’est en tout point ce que je m’éreinte à préconiser depuis que nous avons ce royaume…

Célestincic : Vous avez l’audace d’approuver ce galvaudeux?

Le Maréchal : J’approuve le bon sens. Et je goûte le vent.

F… : Sur les marécages, le blé poussera. L’Angleterre n’en produit guère. J’y suis été. Elle nous en prendra quinze bateaux par an. Il nous faudrait un port. (Vers Alarica.) C’est bien dit?

Alarica : Je te soulève. Je t’inspire. Fais résonner ta voix forte. Mon homme, va ! „

 

 

Jacques Audiberti (25 maart 1899 – 10 juli 1965)

 

 

 

De Vlaamse schrijver  Filip De Pillecyn werd te Hamme aan de Durme geboren op 25 maart 1891. Zie ook mijn blog van 25 maart 2007 en en ook mijn blog van 25 maart 2009 en ook mijn blog van 25 maart 2010.

 

Uit: Blauwbaard

 

„Met drieën kwamen ze van heel ver.

Knapzak en zwaard en wat geblutst ijzergetuig wezen op hun stiel die was: te vechten en te sterven voor de genadige heren die hun soldij betaalden en hen aan de vreugden van een geplunderde stad lieten deelachtig worden. Zij hadden hun moeder vergeten en tienmaal van vaderland gewisseld. Nu zouden zij proberen de moeilijke levenswijze te leren: op eigen hand te werken en in vrede te leven.

Daar zongen nog vogels in de kanten hoe ver het seizoen ook naar de koude geschoven was. De wind streek over de valleien, de zon rustte op rosse bladerkronen. En zij stapten, dronken een teug aan de veldfles en spraken zonder te weten waarover.

Zij hadden een naam gehad zoals iedereen, maar die was achteruitgebleven bij de tijd toen zij nog een thuis hadden waar die naam werd uitgesproken. Thans was er van dit alles niets overgebleven dan de Lange, de Rosse en de Schele.

Hun riem stond nog stijf van de zware geldstukken die de laatste veldtocht had opgebracht. Het was een rijk ding geweest. Een vechten op ’t gemakje en een smouspartij heel de zomer lang. Ze hadden haast evenveel speenvarkentjes gespiesd als mannen van de andere partij. En toen de veldtocht was afgelopen hadden lansknechten en paardenvolk ondereen hun hart opgehaald. Bloed en wijn hadden verbroederd en de hertog had zijn benden met gevloek uiteengejaagd.

Dat lag nu achter de rug en de streek werd veiliger. Hier waren ze niet langs geweest om de boeren te braden op hun hooizolder en de boerinnen in hun moedernaaktheid te laten galopperen. Het was hier arm en rustig en ’s avonds stonden de lichten ver vaneen.“

 

 

Filip De Pillecyn (25 maart 1891 – 7 augustus 1962)

 

 

 

De Turkse schrijver Evliya Çelebi werd geboren op 25 maart 1611 in Istanbul. Zie en ook mijn blog van 25 maart 2009 en ook mijn blog van 25 maart 2010.

 

Uit: Im Reiche des Goldenen Apfels. Des türkischen Weltenbummlers Evliya Çelebi denkwürdige Reise in das Giaurenland und in die Stadt und Festung Wien anno 1665. (Vertaald door Richard F. Kreutel)

 

„In Wien ist die Luft gar köstlich, denn es weht in dieser Stadt immerzu ein Zephyrhauch und ein Frühlingslüftchen, so dass sich dort alle Leute guter Gesundheit erfreuen. Die Männer, die ja dort in höchster Enthaltsamkeit und Askese leben, sind zwar mager, aber dabei rüstig und werden überaus alt und hochbetagt.

Diese Giauren tragen alle schwarz Röcke und fränkische Schuhe und auf den Köpfen verschiedenartige Hüte, an die sei Straußenfedern stecken. Infolge der köstlichen Luft ist bei allen Leuten in Wien die Haut weiß wie Kampfer und ihre wohlgeformten Glieder sind außerordentlich weich, so wie das Fleisch am Ohrläppchen.“

„Ebenso wie die Männer tragen dort die Frauen als Oberkleidung gesteppte Röcke ohne Ärmel [Anm. d. Red. gemeint sind Jacken]. Darunter aber ziehen sie Frauenröcke aus Brokat und Seide und Goldstoff… und mannigfachen anderen goldgewirkten und kostbaren Stoffen an, die aber nicht so eng und knapp sind wie die Rücke der Frauen im übrigen Giaurenland, sondern weit und reich, sodass sie ihnen ellenlang auf dem Boden nachschleifen wie die Schleppkleider der Mevlevi-Derwische. Unterhosen legen sie jedoch niemals an. …

 


Evliya Çelebi (25 maart 1611 – na 1683 op een van zijn reizen)

 

 


De Engelse schrijfster Lady Anne Fanshawe werd geboren op 25 maart 1625 in  Balls Park, bij Hertford. Zie en ook mijn blog van 25 maart 2009 en ook mijn blog van 25 maart 2010.

 

Uit:The Memoirs of Lady Fanshawe

 

„Ever keep the best qualified persons company, out of whom you will find advantage, and reserve some hours daily to examine yourself and fortune; for if you embark yourself in perpetual conversation or recreation, you will certainly shipwreck your mind and fortune. Remember the proverb–such as his company is, such is the man, and have glorious actions before your eyes, and think what shall be your portion in Heaven, as well as what you desire on earth.

Manage your fortune prudently, and forget not that you must give God an account hereafter, and upon all occasions.

Remember your father, whose true image, though I can never draw to the life, unless God will grant me that blessing in you; yet, because you were but ten months and ten days old when God took him out of this world, I will, for your advantage, show you him with all truth, and without partiality.

He was of the highest size of men, strong, and of the best proportion; his complexion sanguine, his skin exceedingly fair, his hair dark brown and very curling, but not very long; his eyes grey and penetrating, his nose high, his countenance gracious and wise, his motion good, his speech clear and distinct. He never used exercise but walking, and that generally with some book in his hand, which

oftentimes was poetry, in which he spent his idle hours; sometimes he would ride out to take the air, but his most delight was, to go only with me in a coach some miles, and there discourse of those things which then most pleased him, of what nature soever.

He was very obliging to all, and forward to serve his master, his country, and friend; cheerful in his conversation; his discourse ever pleasant, mixed with the sayings of wise men, and their histories

repeated as occasion offered, yet so reserved that he never showed the thought of his heart, in its greatest sense, but to myself only; and this I thank God with all my soul for, that he never discovered his trouble to me, but went from me with perfect cheerfulness and content; nor revealed he his joys and hopes but would say, that they were doubled by putting them in my breast. I never heard him hold a disputation in my life, but often he would speak against it, saying it was an uncharitable custom, which never turned to the advantage of either party.“

 


Anne Fanshawe (25 maart 1625 – 1680)

Anne en John Fanshawe