Simon Carmiggelt, Wilhelm Müller, James Whitcomb Riley

Simon Carmiggelt werd geboren op 7 oktober 1913 in Den Haag. Carmiggelt groeide op in zijn geboortestad Den Haag. Zijn moeder Jeanne had een hoeden- en pettenwinkel; zijn vader Herman was reiziger in vleeswaren. Hij had een oudere broer, Jan. Hij kwam uit een socialistisch, sterk anti-fascistisch milieu. Carmiggelt begon als journalist, aanvankelijk bij Het Vaderland, in 1932 bij Vooruit, de Haagse editie van het socialistische Het Volk als toneel- en filmrecensent. Daar begon hij Haagse cursiefjes te schrijven, onder de titel Kleinigheden. Via vrienden raakte hij in Amsterdam betrokken bij het illegale pamflet Het Parool, waar hij instond voor de productie en de verspreiding. Stuk voor stuk riskante bezigheden en bijgevolg werd Carmiggelt tijdens een razzia door de bezetter opgepakt en in de gevangenis geworpen. Na de bevrijding werd Het Parool een heus dagblad en kreeg Carmiggelt er de leiding over de kunstrubriek. Hij schreef toneel- en filmrecensies en begon ook zijn cursiefjes, aanvankelijk drie keer per week, later elke dag. De eerste Kronkel verscheen op 25 oktober 1946 en tot aan zijn dood in november 1987 zijn er ruim 10.000 verschenen. Onder het pseudoniem Karel Bralleput publiceerde hij ook gedichten.

 

 

De humorist

Als knaap heb ik mijn eerste grap verzonnen
Mijn moeder riep: ’Dat wordt een humorist.
‘De brave vrouw. Zij heeft zich niet vergist.
Een schelmse carrière was begonnen.

O, in de aanvang ging het somtijds stroef
en viel de kwinkslag wel eens in het water.
Die vroege gein!. ‘k Moest erom lachen, later.
Want zelfs herinnering stemt mij niet droef.

Al schaterend schiep ik een klein bedrijfje,
waar de cliënt een mopje kan bestellen.
Ik scherts maar voort. Ik kan ze niet meer tellen.
Bij dag of nacht – ik bak een vrolijk schrijfje.

Al mijn agressies kan ik in dit vak
profijtelijk tot jeukpoeder vermalen.
Maar zou ik daarbij wel de tachtig halen?
Als dat gelukt, ben ik een monter wrak.

 

De Amsterdamse kroeg

Ik hou zo van een oude, Amsterdamse kroeg,
die diepe bedstee in het veilig vaderhuis.
Hier is het ’s winters warm en ’s zomers pluis.
Hier krijg je vaak te veel en nooit genoeg.

Ik hou zo van die plompe, Nederlandse mannen
die, ernstig drinkend, diepe onzin zeggen
en met een vage glimlach weten uit te leggen
waarom zij door het leven zijn verbannen.

Ik hou zo van die zware, moedeloze kastelein
die, met de blik van een verschopte herdershond,
het kleine glas tilt naar zijn grote mond.
Hij is mijn trouwe vriend – dat móét hij zijn.

Ik hou zo van de rafelige, oude vrouwen,
die voor wat losse centen hier een glimlach kopen
en dan, conspiratief, weer naar hun krotje lopen,
het flesje vol, om verder voort te bouwen.

Ik hou zo van de afgetrapte honden
die roerloos wachten naast des meesters voet,
tot hij, uit armoe, weer de straat op moet
met balsem op zijn alledaagse wonden.

Ik hou zo van het fonkelende drinken
En het ‘ nou ja’ dat in je hart ontluikt.
Klein wordt de wereld, als ge wat gebruikt,
omdat de verten in het niets verdrinken.

Ik hou zo van het eenzaam doch omringd
zitten te staren naar een tijd, die was
en langzaam doodbloedt in het spiegelglas.
Hoor ’ t stemmenkoor, dat Kloos bezingt.

Ik hou zo van een oude, Amsterdamse kroeg
en van het zwijgend met gedachten spelen.
Alleen, het sluitingsuur, voor mij en velen,
komt steeds te laat en altijd weer te vroeg.

 

Carmiggelt

Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987)

 

De Duitse, romantische dichter Wilhelm Müller werd geboren op 7 oktober 1794 in Dessau. Hij werd vooral bekend vanwege zij vaak sociaal-kritische liederen. Vanwege zijn engagement bij de onafhankelijkheid van de het Griekse volk, dat toen nog onderdeel uitmaakte van Turkije, kreeg hij de bijnaam de Griechen Müller, hoewel hij nooit in het land is geweest. Deze betrokkenheid kwam door zijn bekendheid met het werk van Lord Byron, dat hem sterk beïnvloedden. Wilhelm Müller werd al tijdens zijn leven (en soms nog vandaag de dag) als een middelmatige dichter afgedaan. Volgens de jongste ideeën werden dergelijke verhalen door censors in de wereld gebracht om schrijvers die (te) populair dreigden te worden de mond
te snoeien. Müller was inderdaad een meester in het tussen de regels door uiten van kritiek. De cyclus Die Winterreise (door Franz Schubert op muziek gezet) is een beschrijving van de door de restauratie “bevroren” maatschappij. Ook van zijn hand verscheen de cyclus Die schöne Müllerin.

 

Der Lindenbaum

Am Brunnen vor dem Tore
Da steht ein Lindenbaum:
Ich träumt in seinem Schatten
So manchen süßen Traum.

Ich schnitt in seine Rinde
So manches liebe Wort;
Es zog in Freud und Leide
Zu ihm mich immerfort.

Ich mußt auch heute wandern
Vorbei in tiefer Nacht,
Da hab ich noch im Dunkel
Die Augen zugemacht.

Und seine Zweige rauschten,
Als riefen sie mir zu:
»Komm her zu mir, Geselle,
Hier findst du deine Ruh!«

Die kalten Winde bliesen
Mir grad ins Angesicht,
Der Hut flog mir vom Kopfe,
Ich wendete mich nicht.

Nun bin ich manche Stunde
Entfernt von jenem Ort,
Und immer hör ich’s rauschen:
Du fändest Ruhe dort!

 

 

Wohin?

Ich hört ein Bächlein rauschen
Wohl aus dem Felsenquell,
Hinab zum Tale rauschen
So frisch und wunderhell.

Ich weiß nicht, wie mir wurde,
Nicht, wer den Rat mir gab.
Ich mußte gleich hinunter
Mit meinem Wanderstab.

Hinunter und immer weiter,
Und immer dem Bache nach,
Und immer frischer rauschte,
Und immer heller der Bach.

Ist das denn meine Straße?
O Bächlein, sprich, wohin?
Du hast mit deinem Rauschen
Mir ganz berauscht den Sinn.

Was sag ich denn von Rauschen?
Das kann kein Rauschen sein:
Es singen wohl die Nixen
Dort unten ihren Reihn.

Laß singen, Gesell, laß rauschen,
Und wandte fröhlich nach!
Es gehn ja Mühlenräder
In jedem klaren Bach.

mueller

Wilhelm Müller (7 oktober 1794 – Dessau, 1 oktober 1827)

 

James Whitcomb Riley werd geboren op 7 oktober 1849 in Greenfield, Indiana. Riley werd al snel een enorm populaire dichter en had misschien nog meer succes met de eigen voordracht van zijn gedichten. Van 1910 tot 1915 waren de “Hoosiers” (de inwoners van Indiana, ook wel “rednecks”) helemaal weg van hem en eerden ze hem met publieke huldigingen op zijn verjaardag, proclamaties van “Riley Day” in diverse steden in de gehele staat en een verklaring van de gouverneur dat hij hun “most beloved citizen” was. Toen hij stierf had Riley meer dan duizend gedichten geschreven en een paar dozijn prozaschetsen van bekenden.

 

To a boy whistling

The smiling face of a happy boy
With its enchanted key
Is now unlocking in memory
My store of heartiest joy.

And my lost life again to-day,
In pleasant colors all aglow,
From rainbow tints, to pure white snow,
Is a panorama sliding away.

The whistled air of a simple tune
Eddies and whirls my thoughts around,
As fairy balloons of thistle-down
Sail through the air of June.

O happy boy with untaught grace!
What is there in the world to give
That can buy one hour of the life you live
Or the trivial cause of your smiling face!

Riley

James Whitcomb Riley (7 oktober1849 – 22 juli 1916)

Victor Vroomkoning en Ferdinand von Saar

De Nederlandse dichter Victor Vroomkoning (pseudoniem van Walter van de Laar) werd geboren op 6 oktober 1938 in Boxtel. Zijn vader had een brood- en banketzaak. Vroomkoming studeerde Nederlandse taal- en letterkunde en filosofie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Hij was lange tijd werkzaam in het onderwijs. Vroomkonings werk werd regelmatig onderscheiden. Zo won hij in 1983 de Pablo Nerudaprijs en in 2006 de Karel de Grote-prijs van de stad Nijmegen. Dat jaar ook won hij met zijn bundel Stapelen de Publieksprijs voor de beste gedichtenbundel van 2005. Verder zijn gedichten van hem opgenomen in verschillende bloemlezingen. Vroomkoning is de komende twee jaar stadsdichter van Nijmegen.(Zie ook het blog van 3 september)

Werk o.a.:  De Laatste dingen (1983), Echo van een echo (1990), Oud zeer (1993), Bij verstek (2002), Stapelen (2005).

UUR U

Vader en ik, wij zijn de luidkeelse
zwijgers. Ik hoef maar moeder
te fluisteren, of daar gaan we
met zestig minuten oorverdovende
stilte. Hij was al een man van halve
woorden, maar sinds haar dood
hoeft niets meer uitgesproken.

Af en toe hoor je hem slikken,
glinstert er iets aan zijn ogen
maar zijn gezicht een masker van
papier-maché, een bedje ijskoude
asperges zijn biddende vingers.

Achter hem trouwt hij haar,
zijn vingers in de hare, zijn kop
lachend naar haar toegenegen.

 

De herfst

heeft weer flink uitgepakt:
de bruinrode loper uit, eikels
voor de pijp, kastanjes voor
het vuur, paddestoelen om tot
sprookjes in te keren. De zon
weerlicht aan de grond, ritselt
tussen afgeleefd blad en overal
het wuiven en zwaaien, depressies
binnen en buiten. Alles trekt
zich terug, de takken in hun
boom, de bomen in hun wortels,
de mens in zijn dromen. Wisseling
van jas, sjaal wordt das,
rooksignalen van overlevenden.

UIT RIJDEN

Hier is je sleutel, rinkelt hij.

Hij zal ervan lusten.

Onderweg, beide handen aan het stuur,

ben ik weerloos onder zijn vingeren.

Geen mens die onder de ijlte

van mijn stof zijn geile spin

vermoedt tot in de kilte van mijn grot.

Ik zoek de boom

waarmee ik hem de dood insla.

 

(Onder pseudoniem Stella Napels)

 

Vroomkoning

Victor Vroomkoning (Boxtel, 6 oktober 1938)

 

De Oostenrijkse schrijver en dichter Ferdinand von Saar werd geboren op 30 september 1833 in Wenen. Hij stamde uit een in de adelstand verheven ambtenarenfamilie. Hij bezocht in Wenen o.a. het gymnasium en nam in 1849 dienst in het leger. In 1854 werd hij luitenant. In 1871 beëindigde hij zijn officiersloopbaan. Hoge schulden uit zijn diensttijd leidden echter in de daaropvolgende jaren tot verschillende gevangenisstraffen. In 1871 werd hij door adellijke beschermvrouwen van de ergste nood verlost. In 1877 zorgde de publicatie van zijn Nove
llen aus Österreich
voor literaire erkenning. Zijn grootste succes werden de Wiener Elegien in 1893. De laatste jaren van zijn leven werd hij geplaagd door ziekte en zware depressies. Nadat aan zijn huwelijk al in 1884 door de zeldmoord van zijn vrouw een tragisch einde was gekomen maakte von Saar zelf in 1906 ook zelf een einde aan zijn leven.

 

Wiener Elegien

 

1.

 Also seh’ ich dich wieder, du schimmernde Stadt an der Donau,
Die ich seit Jahren bereits nur mehr im Fluge gestreift!
Traut umfing mich ein ländliches Heim, es heischte die Muse
Ernsteste Sammlung – und so hielt ich mich selber verbannt.
Jetzt, am Abend des Lebens, nach fast vollendetem Tagwerk,
Treibt Erinnrung mich, treibt mich die Sehnsucht zurück.
Freilich bist du nicht mehr, die du warst! Es gingen die Zeiten
Mit veränderndem Lauf über dein Weichbild dahin.
Altes, Gewohntes versank, daran mir die Seele gehangen,
Und ein Fremdling längst bin ich dem neuen Geschlecht.
Aber es weht noch die Luft herüber vom Kahlengebirge,
Die ich geatmet als Kind, die mich zum Manne gereift;
Noch zu gewahren dem Aug’ sind Reste entschwundener Tage,
Still wehmütig erfreun sie des Elegikers Herz.
Und so sei mir gegrüßt! Für immer nun bleib’ ich der Deine,
Ob du auch nie mich vermißt, hältst du mich liebend doch fest.
Singen will ich ein Lied dir noch als treuster der Söhne –
Und wo die Wiege mir stand, find’ ich zuletzt auch ein Grab!

 

VonSaar

Ferdinand von Saar (30 september 1833 – 24 juli 1906)

Václav Havel

Václav Havel werd op 5 oktober 1936 in Praag geboren uit rijke ouders. Toen de communisten in 1948 aan de macht kwamen, bleek zijn bourgeois-afkomst een nadeel. Hij had problemen om zich in te schrijven voor een goede hogere opleiding. Na de middelbare school 1951 werkte hij als laboratoriumassistent. Ondertussen volgde hij avondcursussen. Van 1954-1956 studeerde hij kort aan de Technische Universiteit, gevolgd door het vervullen van de militaire dienstplicht (1957-1959). Vanaf zijn 15de interesseerde hij zich voor poëzie, en kwam in contact met de latere Nobelprijswinnaar Jaroslav Seifert.  Vanaf 1959 werkte hij in verschillende theaters, eerst als toneeltechnicus, later ook als toneelschrijver. Ondertussen studeerde hij aan de Hogeschool voor Drama. In 1963 vond de eerste openbare opvoering van een toneelstuk van zijn hand plaats (Het Tuinfeest – Zahradní slavnost). Het is een satire op de moderne bureaucratie. Zijn toneelstukken staan in de traditie van het absurde theater met belangrijke invloeden van Franz Kafka. In 1964 trouwde hij met Olga Šplíchalová. In 1967 rondde hij zijn studie af. Na de beëindiging van de Praagse Lente in 1968 kreeg Havel een publicatieverbod opgelegd en werd zijn paspoort ingetrokken omdat zijn publicaties de overheid onwelgevallig waren. Tussen 1970 en 1989 zat hij drie maal gevangen en bracht in totaal vijf jaar in gevangenschap door. In 1989, tijdens de fluwelen revolutie, speelde Havel een belangrijke rol in het Burgerforum (Obèanský Forum of OF) en op 29 december werd hij door het parlement gekozen als president van Tsjecho-Slowakije. Op 5 juli 1990 werd hij bij de vrije verkiezingen door het volk tot president gekozen. In 1992 werd Tsjecho-Slowakije tegen de zin van Havel gesplitst in Tsjechië en Slowakije. In februari 1993 werd Havel voor 5 jaar gekozen als president van Tsjechië. In 1998 volgde zijn herverkiezing voor een tweede termijn van 5 jaar. Toen de tweede termijn is 2003 afliep, was een derde termijn grondwettelijk onmogelijk.

 

Ter gelegenheid van het in ontvangst nemen van zijn eredoctoraat in de rechtsgeleerdheid aan Harvard University te Cambridge, Massachussetts, op 8 juni 1995, sprak Václav Havel, president van de Tsjechische Republiek, de openingsrede uit  Enkele fragmenten uit De wereld in onze handen:

 

Onlangs zat ik op een avond bij een restaurant buiten aan het water. Mijn stoel was vrijwel gelijk aan de stoelen die ze in de restaurants aan de Vltava Rivier in Praag hebben. Er werd dezelfde rockmuziek gespeeld als in de meeste Tsjechische restaurants. Ik zag reclames die me vertrouwd zijn van thuis. Bovendien was ik omgeven door jonge mensen die net zo gekleed waren, die bekende drankjes dronken, en zich even nonchalant gedroegen als hun tijdgenoten in Praag. Alleen waren hun huidskleur en gelaatstrekken verschillend – want ik was in Singapore….

 

… Het is mijn overtuiging dat deze toestand een duidelijke uitdaging inhoudt, niet alleen voor de Euro-Amerikaanse wereld, maar voor onze hedendaagse beschaving als geheel: te beginnen zichzelf te beschouwen als een multiculturele en multipolaire beschaving, waarvan de zin niet ligt in het ondermijnen van de individualiteit van de verschillende sferen van cultuur en beschaving, maar om ze toe te staan vollediger zichzelf te zijn. Dit zal alleen mogelijk zijn, of zelfs maar denkbaar, als we met z’n allen een basiscode van gemeenschappelijk naast elkaar bestaan aanvaarden, een soort gemeenschappelijk minimum waaraan we allemaal deel kunnen hebben en dat ons in staat stelt met elkaar verder te leven. Maar een dergelijke code heeft geen schijn van kans als hij slechts het voortbrengsel is van enkelen, die vervolgens besluiten hem aan de overigen dwingend op te leggen. Hij moet een uitdrukking zijn van de oprechte wil van iedereen, een expressie die voortkomt uit de authentieke geestelijke wortels die zich verschuilen onder de huid van onze gemeenschappelijke wereldbeschaving. Als zo’n code alleen maar verspreid wordt door de haarvaten van die huid, zoals dat gaat met Coca-Colareclames – als een artikel door sommigen aan anderen aangeboden – dan kan moeilijk worden verwacht dat hij een diepe of universele acceptatie zal vinden.

 

Maar is de mensheid in staat tot zo’n onderneming? Is het niet een hopeloos utopisch idee? Hebben we de controle over onze bestemming niet zodanig verloren dat we gedoemd zijn tot een geleidelijk uitsterven door steeds krassere high tech-botsingen tussen de culturen ten gevolge van ons noodlottige onvermogen om samen te werken, ondanks dreigende catastrofes, hetzij van ecologische, sociale of demografische aard, of voortkomend uit gevaren die werden geschapen door de toestand van onze beschaving als zodanig?

 

Lees de hele toespraak  

 

VaclavHavel

Václav Havel (Praag, 5 oktober 1936)

In memoriam Oskar Pastior


De Duits-Roemeense schrijver Oskar Pastior is gisteren, 4 oktober 2006, overleden.

Oskar Pastior werd in 1927 in Hermannstadt (Transsylvanië, Roemenië) geboren. Als Duitser werd hij al vroeg geconfronteerd met het probleem van het spreken van een minderheidstaal. Van 1945 tot 1949, na zijn middelbare school, werkte hij in Russische arbeidskampen in Oekraïne en in de Doblas. Na zijn terugkeer werkte hij o.a. als machineconstructeur en maakte hij houten doosjes.

Van 1955 tot 1960 studeerde hij Duits in Boekarest; nadien werkte hij als redacteur voor de Roemeense televisie. Sinds1969 leeft hij als schrijver in Berlijn. Hij kende veel succes, vooral na 1990, en kreeg een aantal onderscheidingen, bv. het eredoctoraat van de Lucian-Blaga-Universiteit Hermannstadt.

“Een methodische tovenaar van de taal” noemt de Duitse Akademie voor Taal en Literatuur de schrijver. Pastior staat bekend om zijn moeilijke dadaïstische lyriek en proza. Pas vanaf 1990 werd hij ontdekt. Hij schreef onder meer “Eine kleine Kunstmaschine” en “Jetzt kann man schreiben, was man will”, en vertaalde ook de 33 sonnetten van Francesco Petrarca.

sie ißt den leiermann

wenn es sie nicht gäbe
wo es sie nicht gibt
weil sie es nicht gäbe
wenn es sie nicht gibt

nicht auf diese weise
weil es die nicht gibt
die es so nicht gäbe
und nicht anders gibt

weil wenn es sie gäbe
da es sie nicht gibt
es sie nur so gäbe
die es nicht so gibt

nicht auf diese weise
nicht in diesem sinn
wo es vieles gäbe
und es viel nicht gibt

weil sie dies nicht gäbe
weil es dies nicht gibt
weil es diese weise
nie auf diese gibt

 

 

Jetzt kann man schreiben was man will

das durchsichtige gedicht plaudert aus der schule es befindet sich auf einer INNENSEITE etwa des klassenfensters wird aber von AUSSEN unter umständen d h wenn es nicht schon beim schreiben spiegelverkehrt abgefaßt wurde ehestens beim lesen als PALINDROM empfunden so nämlich heißt das fenomen dieses fenomen ermöglicht es dem gedicht aus
der ELUSCH zu plaudern das ist nicht immer NÖSCH denn schon in der sechsten zeile macht das wort AHA alles wieder fraglich denn wie ist es konzipiert? verstehen sie AHA oder AHA? mit anderen worten haben es die lehrer oder die schüler geschrieben lesen es die lehrer oder lesen es die schüler lesen sie es in der klasse oder auf der straße wer liest wo wie? AHA oder AHA? oder ist alles noch palindromischer? war auf der INNENSEITE die absicht ein für die INNENSEITE spiegelgleiches AHA abzufassen nicht etwa mit dem zweck betrieben von AUSSEN zwar ein spiegelverkehrtes gleichwohl aber von der absicht der abfassung her spiegelgleiches die verkehrung von außen miteinbezweckendes und somit in der tat doppelt spiegelverkehrtes also logisch spiegelgleiches AHA abzufassen? der gedankengang läßt sich mit ähnlichen resultaten mehrfach durchspielen verliert aber an relevanz wenn man bei näherer betrachtung auf eine scheinbar vorgegebene symmetrie im AHA selber stößt die andererseits wieder die dinge noch viel verzwickter macht oder nicht? aber richtig brisant wird das gedicht erst in der achten zeile wo im wort REGEN die rassendiskriminierung und im wort BEIL faschistoide elemente im deutschen volkslied angesprochen werden oder nicht? fabelhaft vielschichtig in seiner schlichten pseudo-irreversibilität der schluß SUSE AM SEIL OH EINE MEISE AH EIN HASE

 

 

 

 

OSKARPastior
Oskar Pastior (20 oktober 1927 – 4 oktober 2006)

 

 

Cynthia Mc Leod, George Cosbuc, Jurek Becker

De Surinaamse schrijfster Cynthia Henri Mc Leod werd geboren op 4 oktober 1936 in Paramaribo als Cynthia Ferrier. Zij is een dochter van Johan Ferrier, de eerste president van Suriname.Zij volgde de middelbare school in Suriname, en vertrok daarna naar Nederland om te worden opgeleid tot lerares kinderverzorging en -opvoeding. Vervolgens keerde ze terug naar Suriname. Mc Leod haalde daar de akte MO Nederlands, en gaf van 1969 tot 1978 Nederlands aan een middelbare school in Paramaribo. Inmiddels was zij getrouwd met Donald Mc Leod. In 1987 verscheen haar debuut Hoe duur is de suiker bij uitgeverij Vaco in Paramaribo. De eerste druk was binnen enkele maanden uitverkocht. Deze historische roman over de suikercultuur in de 18e eeuw, werd later opnieuw uitgegeven door de Nederlandse uitgeverij Conserve. Mc Leod schreef verder een studie over Elisabeth Samson, de eerste niet in slavernij geboren vrije negerin en succesvol zakenvrouw, die zij later bewerkte tot een roman, en enkele historische romans over Suriname in de 19e eeuw.

Enkele fragmenten uit Elisabeth Samson, gevangene van kleur:

 “Elisabeth”, klonk een stem achter haar. Elisabeth draaide zich om. In de deuropening naar de gang stond haar vijf jaar oudere zus Nanette. “Nanette”, zei Elisabeth, “ben je al lang hier? Ik stond bij het raam en ik heb je niet zien aankomen.”. “Ik eeh, wel, eeh, ik heb door de negerpoort gelopen.”, antwoordde Nanette nogal aarzelend. “Door de negerpoort, viel Elisabeth meteen uit, “alweer door de negerpoort. Hoe vaak heb ik je niet gezegd dat je dat niet meer moet doen. Waarom blijven jullie je toch als slaven gedragen!”

Net in de week toen Creutz’ leven aan een zijden draadje hing kwam een van Maria’s slaven de misi roepen. Ze moest meteen naar haar zus want die lag op sterven. Elisabeth wist niet wat ze moest doen. Ze wilde Creutz niet alleen laten, maar sisa Maria was veel meer dan een zus, was eigenlijk d’r moeder. Nestor reed haar naar de Waterkant waar ze nog juist op tijd kwam want een half uur later stierf Maria.

 

McLeod

Cynthia Mc Leod (Paramaribo, 4 oktober 1936)

 

(Twee nagekomen berichten)

George Cosbuc werd geboren op 20 september 1866 in Hordou, Bistriþa-Nãsãud, in Roemenië.  Hij was dichter, vertaler, leraar en journalist. Hij is nog steeds bekend om zijn beschrijvingen van en lofzangen op het landelijke leven. Zijn vader, Sebastian Cosbuc, een Grieksorthodoxe  priester die in hoog aanzien stond bij zijn parochie, stamde uit een geslacht van priesters af dat veertien generaties terug ging. In 1884, toen George Cosbuc al een gewaardeerde leraar was, publiceerde hij zijn eerste gedichten in de almanak van het literaire genootschap. Al snel verscheen het werk dat als zijn eerste meesterwerk te boek zou komen te staan, Nunta Zamfirei (Zamfira’s bruiloft), en dat enthousiast ontvangen werd in de Roemeense literaire kringen. In 1893 volgde Balade ºi idile (Baladen en Pastoralen), een werk dat zijn roem nog verstevigde. Na meer dan tien jaar van geweldige successen als schrijver sloeg het noodlot toe in zijn persoonlijke leven, toen zijn zoon Alexander in 1915 de dood vond in een auto-ongeluk. Voor Coºbuc was het een klap die hij niet meer te boven kwam. Hij legde al zijn werk neer

The shadow

Your burnt offspring’s smoke will wind
Peacefully towards the skies
Only if you bear in mind
That when you go to the sun,
Your dark shadow is behind.

Silent slave whom the grim lord
Summons by a silent gesture,
He takes heed, humble and awed,
Of the slightest beckoning,
And keeps everything well scored.

He’s your bondman when your flight
Is directed to the sun;
He hurts not, he’s out of sight;
Holy rays surround your forehead,
And you do advance in light.

But your shadow councils ill
When you leave the sun behind;
He will cloud your face until
Your keen eyes become purblind —
He is nothing but ill-will!

Shadow, sun, shrine, smoke, and glow!
Useless is my tale, unless
You have understood it. So —
You may choose! You are just starting;
I have long been on the go.

 

 

The poet

A soul in the soul of my people am I
And sing of its sorrows and joys,
For mine are your wounds and I cry
Whenever you do, drinking dry
That chalice of poison that’s meant for Fate’s toys.
Whatever your pathway, toge
ther we’ll ail,
We’ll bear the same cross and we’ll feel the same nail;
Your banner and creed will be mine;
The shrine of my hopes I shan’t fail
To set by the side your shrine.

A heart of my people’s great heart;
I sing of its love and its hate;
The part that you play is the fire’s; my part
Is that of the wind; you’re mate
In all that’s decided by Fate.
You’re the source and the aim of whatever I sing
And if at times say a thing
That’s not in your Scriptures, you can,
Most holy celestial King,
Lock up with a lightning the mouth of a man.

Some people hold dear and supreme
What’s vain in the other men’s eye;
But he who can scan both the earth and the sky
And set up a bridge ’tween the low and the high,
Will always distinguish “to be” from “to seem”.
My heart is all yours and your heart is in me
Whatever your place on the chart
Of forth-coming ages, whatever they decree,
For you, mine own people, of your soul I will be
For ever and ever a part.

 

cosbuc

George Cosbuc (20 sepember 1866 – 9 mei 1918)

 

De Duitse schrijver, draaiboekauteur en DDR-dissident Jurek Becker werd geboren op 30 september 1937 in  £ódŸ, Polen. Zijn geboortedatum werd willekeurig gekozen omdat zijn vader hen in het ghetto ouder had gemaakt om hem te behoeden voor deportatie. Later kon hij zich de juiste datum niet meer herinneren. Waarschijnlijk was Becker jonger dan overal wordt aangegeven. In 1960 begon hij in Babelsberg aan een opleiding voor het schrijven van filmscenario’s en schreef hij verschillende teksten voor het cabaret. In 1962 kreeg hij een vaste aanstelling als draaiboekauteur bij de DEFA en schreef hij enkele televisiespelen en draaiboeken. Toen Jakob der Lügner in 1968 werd afgewezen schreef hij het om tot een roman die verscheen in 1969 en die in 1974 toch nog werd verfilmd. In 1971 kreeg hij de Heinrich-Mann-Preis en de Charles-Veillon-Preis. In 1977 trad hij uit protest tegen de uitburgering van Reiner Kunze uit de Schriftstellerverband en vertrok hij met toestemming van de DDR-autoriteiten naar het westen, omdat zijn boeken in de DDR niet meer werden uitgegeven en zijn filmprojekten werden afgewezen.

Uit: Jakob der Lügner

“Ich möchte gerne … ein paar Worte über meine Information verlieren, bevor der eine oder andere Verdacht sich meldet. Mein wichtigster Gewährsmann ist Jakob, das meiste von dem, was ich von ihm gehört habe, findet sich hier irgendwo wieder, dafür kann ich mich verbürgen. Aber ich sage das meiste, nicht alles, und das liegt diesmal nicht an meinem schlechten Gedächtnis. Immerhin erzähle ich die Geschichte, nicht er, Jakob ist tot, und außerdem erzähle ich nicht seine Geschichte, sondern eine Geschichte. (…)

Einiges weiß ich noch von Mischa, aber dann gibt es ein großes Loch, für das einfach keine Zeugen aufzutreiben sind. Ich sage mir, so und so muß es ungefähr gewesen sein, oder ich sage mir, es wäre am besten, wenn es so und so gewesen wäre, und dann erzähle ich und tue so, als ob es dazugehört. … Die Wahrscheinlichkeit ist für mich nicht ausschlaggebend.”

Werk o.a.:  Irreführung der Behörden (1973), Der Boxer, 1976, Aller Welt Freund, 1982, Bronsteins Kinder, 1986, Amanda herzlos, 1992.

 

becker

Jurek Becker (30 september 1937 – 14 maart 1997)

Stijn Streuvels, Gore Vidal, Thomas Wolfe

Stijn Streuvels, pseudoniem voor Frank Lateur werd geboren in Heule op 3 oktober 1871. Hij werd geboren als derde levende kind van Kamiel Lateur en Marie-Louise Gezelle, een jongere zuster van priester-dichter Guido Gezelle. Vader Streuvels was kleermaker. Nadat hij school had gelopen bij de zusters en in de plaatselijke nonnenschool, stuurden zijn ouders hem in 1883 naar het St.-Jan-Berchmanspensionaat in Avelgem, waar zijn letterkundige begaafdheid voor het eerst tot uiting kwam. Van 1886 tot 1887 leerde hij de bakkersstiel in Avelgem, Kortrijk en Heule. In mei 1887 namen Streuvels’ ouders te Avelgem de bakkerij van Kamiel Lateurs ongehuwde broers over en ver­huisde heel het gezin naar de gemeente aan de Schelde. Zijn eerste schetsen en gedichten verschenen in 1895 in De Jonge Vlaming en in Vlaamsch en Vrij. In 1899 verscheen zijn eerste verhalenbundel Lenteleven. Veertig jaar lang zou Streuvels ieder jaar minstens één werk publiceren. In zijn laatste periode hield hij zich voornamelijk bezig met het schrijven van memoires. In 1962 werd hem voor zijn hele oeuvre de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend nadat hij reeds de vijfjaarlijkse staatsprijs (1906 en 1911), de grote Staatsprijs voor letterkunde (1935) en de prijs Scriptores Catholici (1950) had gekregen. Streuvels werd doctor honoris causa aan de universiteiten van Leuven, Münster en Pretoria.

Drie van zijn boeken werden verfilmd: De teleurgang van de waterhoek onder de titel Mira, De Vlaschaard en De blijde dag.

Uit: De Vlasschaard

De zaaidhede.

“De zware, grijze lucht bleef wegen over de wereld. Eendikte opgestapelde mist, van beneden tot in de opperste luchtlagen drukte die zware last als een onverroerbare weedom, een treurnis zonder einde of uitzicht. Dagen lang bleef alles dof en donker. Dan kwam de wind onverwachts losgelaten en zweepte wolken regenstof die rakelings langs den grond schoeren en de landen begispten en begeeselden. Het vlakke land lag er afgebakend in zijn nauwen einder, overwaterd met mist, onnuttig, zoppenat, eenzaam aan de onmeedoogenheid van de wreede elementen overgelaten, als een woestenij in den aanvang van den jongsten dag.

Alzoo sleepte de lange winter voort, zonder een krimmeltje klaarte, in blijvende eentonigheid. Het voorjaar was al ingezet aan den tijd, maar alles bleef gesloten, toegedekt met duisternis van lange nachten en dagen daartusschen die geen dagen waren. Hoe het te noemen ’t schemeren dat van al onder uit “

 

Streuvels

Stijn Streuvels (3 oktober 1871 – 15 augustus 1969)

 

De Amerikaanse schrijver, dramaticus en essayist Gore Vidal werd geboren op 3 oktober 1925  in West Point, New York waar zijn vader Eugene les gaf in de luchtvaartkunde bij de United States Military Acadeyy.. Zijn opa was Thomas Gore, een Democratisch Senator. Vidal zelf groeide ook op in de omgeving van Washington D.C., en hielp daar zijn blinde opa met het voorlezen en als gids, en was dus al op jonge leeftijd bekend met het machtige Capitool. In 1943, na zijn middelbare school, liet Vidal zich inschrijven als reserve bij de United States Army. Na de oorlog koos hij voor het schrijveverschap. In 1960 zou hij een huis betrekken in Italië (Ravello) dat hij tot 2004 zou bezitten – de rest van de tijd spendeert hij in Los Angeles.

Werk: o.a.: The City and the Pillar (1948), Julian (1964), Lincoln (1984), Live from Golgotha: the Gospel according to Gore Vidal (1992), The Golden Age (2000)

Uit: The City and the Pillar

“They stood on the edge of the cliff and looked down at the brown river, muddy from spring rains and loud where it broke up on the black rocks in midstream. Below them, the cliff dropped steeply to the river, a wall of stone, dark green with laurel and wild grapevines.
“Must be a flood upstream. That old river looks mean,” said Bob.
“Maybe we’ll see a house come floating down.”
Bob chuckled. “Or a privy.” Jim sat on a rock and plucked a piece of long grass and chewed on the white sweet-tasting stem. Bob squatted beside him. Together they listened to the roar of the river and the noise of tree frogs and the rustle of bright new leaves in the wind.
“How was Sally?”
Bob growled. “Prick-teaser, like all the rest. Leads you on so you think, now I can lay her and then, just as you get all hot, she gets scared: Oh, what’re you doing to me? Oh, stop! You stop that now!” Bob sighed with disgust. “I tell you it makes a man so horny he could lay a mule, if it would just stand still.” Bob contemplated mules. Then: “Why didn’t you come to the dance last night? Lots of girls asked for you.”
“I don’t know. Don’t like dancing, I guess. I don’t know.”
“You’re too bashful.”
Bob rolled up a trouser leg and removed a large black ant, which was crawling up his calf. Jim noticed how white Bob’s skin was, like marble, even in the sun.
Then, to break the silence, they threw stones over the edge of the cliff. The sound of rock hitting rock was entirely satisfying. Finally Bob shouted, “Come on!” And they crawled over the edge of the cliff and cautiously worked their way downward, holding on to bushes, finding toeholds in the rock.
The hot sun shone in a pale sky. Hawks circled while small birds flashed between trees. Snakes, lizards, rabbits all scuttled for cover as the boys made their noisy descent. At last they reached the river’s muddy bank. Tall black rocks jutted from brown sand. Happily, they leapt from rock to rock, never once touching earth, stepping only on the relics of a glacier age.”

vidal

Gore Vidal (West Point, 3 oktober 1925)

 

De Amerikaanse schrijver Thomas Wolfe werd geboren op 3 oktober 1900 in Asheville, North Carolina. Wolfe kwam uit een grote familie in North Carolina. Hij studeerde Engelse literatuur en werkte als docent aan de universiteit van New York van 1924 tot 1929. Na het succes van zijn eerste roman, kon hij zich vestigen als zelfstandig schrijver en ondernam hij meerdere reizen naar Europa. Hij stierf aan een tuberculose-infectie een paar weken voor zijn 38ste verjaardag.  Wolfe’s literair werk, waarin zijn romans (“Look homewards, angel!”, 1929; “Of time and the river”, 1935; “The web and the rock”, 1939; “You can’t go home again”, 1940) centraal staan, is een poging om de eigen geschiedenis met de geschiedenis van zijn tijd te versmelten. In het middelpunt staat Eugene Gant, een alter ego van de auteur, en in diens ervaringen weerspiegelen zich de gebeurtenissen (wereldoorlog, economische wereldcrisis, hitler-fascisme) van de eerste drie decennia van de 20ste eeuw. De poëtiek van Wolfe’s werk wordt verduidelijkt in het boek dat twee jaar voor zijn dood verscheen: “The story of a novel” (1936).

Uit: Look Homeward, Angel

      “A destiny that leads the English to the Dutch is strange enough; but one that leads from Epsom into Pennsylvania, and thence into the hills that shut in Altamont over the proud coral cry of the cock, and the soft stone smile of an angel, is touched by that dark miracle of chance which makes new magic in a dusty world.

Each of us is all the sums he has not counted: subtract us into nakedness and night again, and you shall see begin in Crete four thousand years ago the love that ended yesterday in Texas.

The seed of our destruction will blossom in the desert, the alexin of our cure grows by a mountain rock, and our lives are haunted by a Georgia slattern, because a London cutpurse went unhung. Each moment is the fruit of forty thousand years. The minute-winning days, like flies, buzz home to death, and every moment is a window on all time. “

wolfetho
Thomas Wolfe (3 oktober 1900 – 15 september 1938)

Graham Greene en Andreas Gryphius

De Engelse schrijver Graham Greene werd geboren op 2 oktober 1904 in Berkhamsted, Hertfordshire als het vierde van zes kinderen. Na zijn afstuderen werd hij journalist in Nottingham, later bij The Times. Gedurende zijn tijd in Nottingham begon hij een correspondentie met Vivien Dayrell-Browning. Zij was tot het katholicisme overgegaan en had Greene geschreven om hem ten aanzien van een punt van de katholieke leer te corrigeren. Greene trad in 1926 eveneens toe tot de katholieke kerk en een jaar later trouwde hij met Vivien. Greenes eerste roman was The Man Within in 1929. Het succes van het boek bemoedigde hem om zijn baan bij de Times op te geven.

Zijn werk kon oorspronkelijk verdeeld worden in twee genres: thrillers en “mystery/suspense” boeken zoals Brighton Rock, dat hij zelf onder “entertainments” classificeerde, maar wel vaak met een filosofische inslag, en het literaire werk zoals The Power and the Glory, waar hij zijn roem mee vestigde. Wereldwijde bekendheid kreeg zijn novelle The third man door de verfilming in 1949 met Orson Welles in een van de hoofdrollen. Greene zelf schreef het script voor de film.

 

Uit: A shocking accident

“Jerome was called into his housemaster’s room in the break between the second and the third class on a Tuesday morning. He had no fear of trouble, for he was a warden – the name that the proprietor and headmaster of a rather expensive preparatory school had chosen to give to approved, reliable boys in the lower forms (from a warden one became a guardian and finally before leaving, it was hoped for Marlborough or Rugby, a crusader). The housemaster, Mr Wordsworth, sat behind his desk with an appearance of perplexity and apprehension. Jerome had the odd impression when he entered that he was a cause of fear.
‘Sit down, Jerome,’ Mr Wordsworth said. ‘All going well with the trigonometry?’
‘Yes, sir.’
‘I’ve had a telephone call, Jerome. From your aunt. I’m afraid I have bad news for you.’
‘Yes, sir?’
‘Your father has had an accident.’
‘Oh.’
Mr Wordsworth looked at him with some surprise. ‘A serious accident.’
‘Yes, sir?’
Jerome worshipped his father: the verb is exact. As man re-creates God, so Jerome re-created his father – from a restless widowed author into a mysterious adventurer who travelled in far places – Nice, Beirut, Majorca, even the Canaries. The time had arrived about his eighth birthday when Jerome believed that his father either ‘ran guns’ or was a member of the British Secret Service. Now it occurred to him that his father might have been wounded in ‘a hail of machine-gun bullets’.
Mr Wordsworth played with the ruler on his desk. He seemed at a loss how to continue. He said, ‘You know your father was in Naples?’
‘Yes, sir.’
‘Your aunt heard from the hospital today.’
‘Oh.’
Mr Wordsworth said with desperation, ‘It was a street accident.’
‘Yes, sir?’ It seemed quite likely to Jerome that they would call it a street accident. The police of course fired first; his father would not take human life except as a last resort.
‘I’m afraid your father was very seriously hurt indeed.’
‘Oh.’
‘In fact, Jerome, he died yesterday. Quite without pain.’
‘Did they shoot him through the heart?’
‘I beg your pardon. What did you say, Jerome?’
‘Did they shoot him through the heart?’
‘Nobody shot him, Jerome. A pig fell on him.’ An inexplicable convulsion took place in the nerves of Mr Wordsworth’s face; it really looked for a moment as though he were going to laugh. He closed his eyes, composed his features and said rapidly as though it were necessary to expel the story as rapidly as possible. ‘Your father was walking along a street in Naples when a pig fell on him. A shocking accident. Apparently in the poorer quarters of Naples they keep pigs on their balconies. This one was on the fifth floor. It had grown too fat. The balcony broke. The pig fell
on your father.”

 

Grahamgreene2

Graham Greene (2 oktober 1904 – 3 april 1991)

 

De Duitse dichter en schrijver Andreas Gryphius (gelatiniseerde naam van Andreas Greif) werd geboren op 2 oktober 1616 in Glogau (Silezië). Hij was een Duits toneelschrijver uit de barok. Ook was hij een groot dichter die uitblonk in de sonnetvorm. Zijn jeugdjaren waren moeilijk door de Dertigjarige Oorlog. Na het gymnasium studeerde hij o.a. in Leiden. Hij beheerste wel 10 talen. Zijn werken zijn somber, en tonen de vergankelijkheid en ijdelheid van het aardse leven.

 

Es ist alles Eitel

VIII.

 

Du sihst / wohin du sihst nur Eitelkeit auff Erden.

Was diser heute baut / reist jener morgen ein:

Wo itzund Städte stehn / wird eine Wisen seyn /

Auff der ein Schäfers-Kind wird spilen mit den Herden:

Was itzund prächtig blüht / sol bald zutretten werden

Was itzt so pocht und trotzt ist Morgen Asch und Bein /

Nichts ist / das ewig sey / kein Ertz / kein Marmorstein.

Itzt lacht das Glück uns an / bald donnern die Beschwerden.

Der hohen Thaten Ruhm muß wie ein Traum vergehn.

Soll denn das Spil der Zeit / der leichte Mensch bestehn?

Ach! was ist alles diß / was wir vor köstlich achten /

Als schlechte Nichtikeit / als Schatten/ Staub und Wind;

Als eine Wisen-Blum / die man nicht wider find’t.

Noch will was Ewig ist kein einig Mensch betrachten!

 

 

gryphiu1

Andreas Gryphius (2 oktober 1616 – 16 juli 1664)

Truman Capote en Günter Wallraff

Truman Capote werd geboren op 30 september 1924 als Truman Streckfus Persons in New Orleans. Hij was een eenzaam kind en leerde zichzelf lezen voordat hij naar de basisschool ging. Op zijn vierde verhuisde hij naar Monroeville waar hij bevriend raakte met met Harper Lee, zijn buurmeisje. Met Harper Lee had hij een levenslange vriendschap en hij was van invloed op haar bekendste werk To Kill a Mockingbird. Capote begon te schrijven op zijn achtste en beweerde op zijn negende al een boek te hebben geschreven. Toen hij 11 werd begon hij serieus aan het schrijven van boeken. In 1933 verhuisde hij naar New York City om met zijn moeder en tweede echtgenoot, Joseph Capote, te gaan leven, wiens naam hij ook aan nam. Op school deed hij een IQ test waar uit bleek dat hij een IQ had van 215, het hoogste wat ooit op die school was gemeten. Zijn debuutroman was Other Voices, Other Rooms (1948) was gelijk een groot succes en werd een bestseller. Het boek stond meer dan negen weken bovenaan de literatuurlijst van de New York Times. Na Other Voices, Other Rooms volgden er meer werken. Breakfast at Tiffany’s was een succes, evenals In Cold Blood, een ‘non-fictie roman’ over een brute moord op een gezin in Holcomb, Kansas. Capote dook diep in de zaak en sprak met iedereen die te maken had de zaak, waaronder de twee, ter dood veroordeelde, moordenaars. Hij raakte bevriend met de moordenaars waardoor het voor hem zeer moeilijk werd om het boek af te maken. Dit conflict was de basis voor een verfilming van deze periode in zijn leven: Capote uit 2005. Capote wordt in deze film gespeeld door Philip Seymour Hoffman, die voor zijn rol een Oscar kreeg als beste acteur. (Zie ook blog van 8 mei) Capote was openlijk homoseksueel in een tijd waarin dat nog ongebruikelijk was. Hij stond bekend om zijn hoge, lispelende stem en aparte kleding. Hij was een beroemdheid in de literaire kringen van de Verenigde Staten en beweerde vele beroemdheden intiem te kennen, wat achteraf lang niet altijd waar bleek te zijn. In zijn latere leven leefde Capote teruggetrokken. Hij werd verslaafd aan alchohol en drugs en dit had grote gevolgen voor zijn gezondheid: hij had vaak hallucinaties door zijn afhankelijkheid van stimulerende middelen.

Capote overleed op 25 augustus 1984 op 59-jarige leeftijd als gevolg van een overdosis in het huis van Joanne Carson, voormalig echtgenote van de beroemde TV-presentator Johnny Carson.

 

Uit  Other voices other rooms

 

“The brain may take advice, but not the heart, and love having no geography, knows no boundaries: weight and sink it deep, no matter, it will rise and find the surface: and why not? any love is natural and beautiful that lies within a person’s nature; only hyprocrites would hold a man responsible for what he loves, emotional illiterates and those of righteous envy, who, in their agitated concern, mistake so frequently the arrow pointing to heaven for the one that leads to hell.”

 

Uit: Breakfast at Tiffany’s

 

“I am always drawn back to the places where I have lived, the houses and their neighborhoods. For instance, there is a brownstone in the East Seventies where, during the early years of the war, I had my first New York apartment. It was one room crowded with attic furniture, a sofa and fat chairs upholstered in that itchy, particular red velvet that one associates with hot days on a train. The walls were stucco and
a color rather like tobacco spit. Everywhere, in the bathroom too, there were prints of Roman ruins freckled with brown age. The single window looked out on a fire escape. Even so, my spirits heightened whenever I felt in my pocket the key to this apartment; with all its gloom; it was still a place of my own, the first, and my books were there, and jars of pencils to sharpen, everything I needed, so I felt, to become the writer I wanted to be.”

 

Uit: Answered prayer

 

“But what can you say,” inquired Mrs. Matthau of Mrs. Cooper, to someone who’s lost a good lover, weighs two hundred pounds, and is in the dead center of a nervous collapse? I don’t think she has been out of bed for amonth. Or changed the sheets. ‘Maureen’ — this is what I did tell her — ‘Maureen, I’ve been in a lot worse condition than you. I remember once when I was going around stealing sleeping pills out of other people’s medicine cabinets, saving up to bump myself off. I was in debt up to here, every penny I had was borrowed . . ‘ “

“Darling,” Mrs. Cooper protested with a tiny stammer, “why didn’t you come to me?”

“Because you’re rich. It’s much less difficult to borrow from the poor.”

“But, darling . . .”

 

Mrs. Matthau proceeded.”So I said, ‘Do you know what I did, Maureen? Broke as I was, I went out and hired myself a personal maid. My fortunes rose, my outlook changed completely, I felt loved and pampered. So if I were you, Maureen, I’d go into hock and hire some very expensive creature to run my bath and turn down the be

 

capote

Truman Capote (30 september 1924 – 25 augustus 1984)

 

De Duitse schrijver en undercoverjournalist.Günter Wallraff werd geboren op 1 oktober 1942 in Burscheid bij Keulen. Wallraff werd beroemd voor zijn bijzondere onderzoeksmethodes, waarbij hij zelf onder een fictieve identiteit deel werd van zijn onderzoeksdomein. Zo werkte hij in 1977 een tijd als journalist voor het roddelblad Bild-Zeitung onder de naam “Hans Esser”, en schreef over de soms mensonterende methodes in zijn boeken Der Aufmacher en Zeugen der Anklage.

Zijn boek “Ganz unten” (vertaald als “Ik, Ali”) maakte ophef in 1985 en ging over Wallraffs ervaringen vermomd als Turks gastarbeider in de Duitse industrie.

Wallraff kreeg kritiek voor zijn methodes, omdat ze soms de privacy zouden schenden of handelsgeheimen zouden onthullen. Hij werd meerdere malen voor de rechtbank gedaagd, maar nooit veroordeeld. Hij werd ook beschuldigd van plagiaat en vervalsing.

 

Uit: Der Aufmacher

„Jeder Mensch hat eine schützenwerte Sphäre intimen Lebens und Erlebens, in die kein maskierter Journalist sollte einbrechen dürfen. Kann eine Produktionsstätte von Meinungen und Informationen, die für die Öffentlichkeit bestimmt sind, andere »Geheimnisse« haben als solche, deren Entdeckung nur die Lauterkeit ihres Tuns unter Beweis stellen müssen? Und konnte der Springer-Konzern nicht gelassen davon ausgehen, daß Wallraff – anders als BILD, das es sich gefallen lassen muss, ein Werk professioneller Fälscher genannt zu werden – in seinem Bericht strikt bei der Wahrheit bleiben muss, wenn er eine Chance haben soll, juristische Auseinandersetzungen mit den Anwälten und dem Geld des Konzerns auch nur einigermaßen glimpflich zu bestehen?“

 

Wallraff

Günter Wallraff (Burscheid , 1 oktober 1942)

Hendrik Marsman

Hendrik Marsman werd geboren op 30 september 1899 in Zeist.Toen hij in 1918 door een langdurige longontsteking aan het bed gekluisterd was, ontstond poëzie die voor het eerst zijn eigen, onvervreemdbaar accent droeg al is er duidelijk de invloed in op te merken van Herman van den. Bergh, de belangrijkste figuur van het avant-garde tijdschrift Het Getij. Overigens zou Marsman nooit aan dit blad meewerken. Hij debuteerde als dichter in december 1918 in Stroomingen. Ook publiceerde hij nog in Albert Verweys orgaan De Beweging (1919).Tijdens een reis in de zomer van 1921 naar Berlijn kwam hij zeer sterk onder de indruk van expressionistische schilders als Franz Marc en dichters als Heym, Trakl en Stramm. In 1923 verscheen zijn eerste bundel Verzen, naar de kleur van het omslag weldra bekend als ‘het rode boekje’. Met deze publikatie vestigde hij zijn naam als belangrijkste figuur in de naoorlogse literatuur, een positie die hij wist te versterken door zijn felle kritieken, waarin hij de eis stelde van een moderne poëzie, ‘koel en soepel’.Eind 1924 werd Marsman, samen met zijn vriend Roel Houwink, de redactie opgedragen van De Vrije Bladen waarin de jongere schrijvers en dichters zich een jaar tevoren hadden verzameld nadat de groep om Het getij uiteengevallen was. Nu had hij de gelegenheid het geambieerde leiderschap uit te oefenen. Vanaf ongeveer 1926 vangt een tweede fase in zijn dichterschap aan, waarin een sterke gepreoccupeerdheid met de dood, nu eens gevreesd, dan weer verlangd, op de voorgrond treedt. Voordien was dit probleem nooit afwezig in zijn poëzie, maar het werd verhuld door ‘vitalistische’ elementen. In het najaar van 1933 besloot hij met zijn vrouw een buitenlandse reis te maken die van beslissende betekenis is geweest voor zijn verdere evolutie. In Spanje, Noord-Afrika en Italië trof hij een sfeer waarin hij zich wist te bevrijden van wat hem in Nederland gehinderd had: bekrompenheid, het calvinisme met zijn zondebesef en zijn persoonlijke doodsproblematiek. In 1936 verliet hij Nederland voorgoed. Tot het voorjaar van 1937 woonde hij te Brussel om daarna op verschillende plaatsen in de Zwitserse en Franse Alpen verblijf te gaan houden, mede met het oog op zijn immer zwakke gezondheid. Ten slotte vestigde hij zich in St. Romain (Côte d’ Or). Daar werd hij opgeschrikt door de Duitse inval, die hem en zijn vrouw ertoe bracht via Bordeaux naar Engeland te vluchten. Het schip waarop hij zich bevond werd in de nacht van 20 op 21 juni 1940 door een Duitse duikboot getorpedeerd, waarbij alle opvarenden verdronken, behalve mevrouw Marsman.

 

VLAM

Schuimende morgen

en mijn vuren lach
drinkt uit ontzaggelijke schalen
van lucht en aarde
den opalen dag

 

‘Paradise regained’

De zon en de zee springen bliksemend open:
waaiers van vuur en zij;
langs blauwe bergen van de morgen
scheert de wind als een antilope
voorbij.

zwervende tussen fonteinen van licht
en langs de stralende pleinen van ’t water
voer ik een blonde vrouw aan mijn zij,
die zorgloos zingt langs het eeuwige water

een held’re, verruk-lijk-meeslepende wijs:

‘Het schip van de wind ligt gereed voor de reis,
de zon en de maan zijn sneeuwwitte rozen,
de morgen en nacht twee blauwe matrozen –
wij gaan terug naar ’t Paradijs’.

 

Afscheid van het dorp

De verte lokt.
de zee en ’t bronzen duin
die golfden om mijn jeugd
versmalden langzaam tot den kleinen tuin
waarin mijn moeder nu begraven ligt.

dit was haar raam, dit is de stille brink
waarlangs zij schreed in ’t vroege schemeruur.
alles wat aan het leven vreugde gaf en vuur,
heeft zij meegenomen in haar graf.

wat doe ik hier? wat kan ik hier nog doen?
mijn moeder dood, mijn vrienden ver verspreid;
en moederziel alleen loop ik de straten rond;
mijn hart is zwaar en wijd.

ik ga op weg naar onbekend verschiet,
de heuvels over, naar een stroomgebied
dat mijn verlangen stem geeft
en de koorts der poëzie weer in mij aanblaast;
meer begeer ik niet!

Kracht der verbeelding, o, begeef mij niet!
ik roep u aan met de verdorde stem
van wanhoop en ontbering, zonder u
kan ik niet verder gaan,
de weg is lang en mijne kracht gering.

ik heb om u mijn huis in as gelegd,
ik heb mijn moeder in haar graf gelegd
en ben op weg gegaan, verlaat mij niet.

in mijn bedroefde keel klopt een nieuw lied.

marsman
Hendrik Marsman (30 september 1899 – 21 juni 1940)

 

Hawinkels, Smirnenski, Unamuno, Gaskell, Cervantes

Pé Hawinkels was schrijver, vertaler, recensent, songwriter en bovenal de Nederlandse dichter van de jaren zestig. Hij gold als een James Dean van zijn tijd – zeker in zijn Nijmeegse studiejaren. Hij werd geboren op 29 september 1942 in Heerlen. Als vertaler ontplooide hij een grote activiteit en leverde vertalingen zowel van Duitse romantici als E.T.A. Hoffman als van Euripides en Shakespeare. In samenwerking met Pius Drijvers ontstonden versies van bijbelboeken als Job en Prediker. Hawinkels streven de werken van deze schrijvers weer te geven in een levend, eigentijds idioom vond in het algemeen veel waardering, maar daarnaast ontmoette zijn werkwijze ook wel kritiek, zoals bijvoorbeeld bleek in het debat rond zijn vertaling van De toverberg van Thomas Mann. Als medewerker en redacteur was hij verbonden aan het tijdschrift Raam. In leven en werk worstelend met vorm versus inhoud, “doordrongen van de onvolmaaktheid van het leven en toch op de bres voor de idealen van de kunst, van liefde en vrijheid”. Hij leefde hard, wisselde dagenlange en met drank besproeide schrijfsessies af met periodes van volkomen lethargie. In 1977, nauwelijks vijfendertig jaar oud, werd hij thuis dood aangetroffen. Na acht dagen, wel te verstaan.

 

Historia naturalis

 

Wanneer thans de herten, dragers van zeer

speciale okers, beschimmeld voorts met de allernieuwste

snufjes op ’t gebied van goud en zonlicht,

nuchter onder het dressoir uit het bos

getreden komen, treffen zij

een mooie wereld aan.

 

Hier is

de uitgewassen vitrage te drogen gelegd

op doornen haag, die ’t lijdensverhaal

begrijpelijk mocht maken, toen; hier

stappen de mysterieuze jongelui een ogenblikje

van hun Harley Davidson en speuren

ritmisch naar iets op de grond,

en in de verte, waar matineuze chinezen

stoïcijns haaievinnensoep naar binnen lepelen,

komt mijn grote vriend spiernaakt aan:

en, tot niet zuinige verbazing van de

langs zijn levensweg als altijd opgestelde

suikerbeesten en uitgezogen, opgeverfde eierdoppen,

vertoont zijn buik frappante punten

van overeenkomst met ’t harnas van

Caius Iulius Caesar Octavianus in

de slag bij Philippi.

En voor de zachte ogen buigt zich stil

de Circassische schone over naar de zwaar-

bewapende, zoëven vol genot gestorven kuddekoning

& godsvorst, wiens lippen kostbaar waren als nerts

en die nog steeds haren heeft als een kat, –

zij is gelukkig, zij droomt niet, want van dromen

stroomt een genade uit die gevaarlijker is dan

de domme sagenglans van de nachtlucht.

Omhoog de aandacht! Daarboven

trekken de socialistische planeten doodgemoedereerd

hun baantjes tegen ’t opake fond dat ’t voorstelbare

afsluit; en zo, doorgeredeneerd, zakt ’t zachtste

aller ogen als een aangeschoten parachutist tot bij

een handzaam blikveld, waarbinnen

het roodborstje en de kiezelsteen collegiaal en ìnblij

paardje rijden op hun eigen determinerende factoren.

 

Dat is een mooi gezicht, – en de kroonherten

leggen tevreden de kop in het gras

dat slaapt, en zuchten.

 

hawinkels

Pé Hawinkels (29 september 1942 – 16 augustus 1977)

 

De Bulgaarse dichter en schrijver Hristo Smirnenski werd geboren op 29 september 1898 in Koukoush. Zijn literaire debuut kwam in 1915 in het satirische tijdschrift K’vo da e” (Alles kan). Hij werkte hard en schijnbaar onvermoeibaar, maar deze gedrevenheid ondermijnde zijn gezondheid. Hij stierf al op 24 jarige leeftijd aan tuberculose. In de acht jaar van zijn literaire leven had hij duizenden gedichten en prozastukken onder meer dan 70 pseudoniemen geschreven.

Street-Walker

You have born in the lap of privation,
Your childhood was useless strife,
Today you dance, your eyes full of tears,
To the tuneless violin of life.

Your implacable stepmother, Night,
Is an evil creature of evil fame;
She tore the narcissus from your breast,
And dragged you down the path of shame.

You celebrate the festival of sin
Beneath the street-lamp’s dusky light;
No one can hear the pain in your laugh
When you laugh in the quiet night.

Drunk with illusions and deceptive hope,
With a withered hyacinth on your breast,
You return to your dingy little room to dine
With hunger, your one and only guest.

There hangs on the wall the photo of a child
With pretty and innocent face;
The wistful look it has is now the only trace
Which suffering has not effaced.

The days and nights drag on unchanged…
When ugly and relentless Death
Arrives in the chilly autumn of your life
To wring from you your final breath.

It will discover with a shock,
That powerful Life has got ahead,
Leaving nothing to destructive Death,
That you have long been dead…

 

Smirnenski1948post

Hristo Smirnenski (29 september 1898 – 18 juni 1923)

 

Miguel de Unamuno y Jugo was een dichter-denker die een omvangrijk en gevarieerd literair en filosofisch oeuvre bij elkaar schreef. Hij was een levendige zielsverwant van, zoals hij het uitdrukte, «mannen van vlees en bloed» als Pascal, Heinrich von Kleist, Giacomo Leopardi en Kierkegaard om slechts een paar namen te noemen. Al op 27-jarige leeftijd werd de zeer belezen jongeman hoogleraar in het Grieks aan de universiteit van Salamanca, waarvan hij later rector werd.
Hij was geboren op 29 september 1864 in Bilbao, Baskenland, en beschikte naar eigen zeggen over «een Baskische geest, en daardoor dubbel–Spaanse geest». Unamuno’s filosofie of gedachtewereld draait om de onsterfelijkheid van de ziel. Het heeft er veel van weg dat de kiem daarvan ligt in een jeugdherinnering — hij komt er twee keer op terug in zijn hoofdwerk Del sentimento trágico de la vida en los hombres y en los pueblos (‘Het tragische levensgevoel van de mensen en volkeren’), een klassieker die in tal van talen is vertaald.

It is Night, in My Study

 

 It is night, in my study.

The deepest solitude; I hear the steady

shudder in my breast

–for it feels all alone,

and blanched by my mind–

and I hear my blood

with even murmur

fill up the silence.

You might say the thin stream

falls in the waterclock and fills the bottom.

Here, in the night, all alone, this is my study;

the books don’t speak;

my oil lamp

bathes these pages in a light of peace,

light of a chapel.

The books don’t speak;

of the poets, the meditators, the learned,

the spirits drowse;

and it is as if around me circled

cautious death.

I turn at times to see if it waits,

I search the dark,

I try to discern among the shadows

its thin shadow,

I think of heart failure,

think about my strong age; since my fortieth year

two more have passed.

Toward a looming temptation

here, in the solitude, the silence turns me–

the silence and the shadows.

And I tell myself: “Perhaps when soon

they come to tell me

that supper awaits,

they will discover a body here

pallid and cold

–the thing that I was, this one who waits–

just like those books quiet and rigid,

the blood already stopped,

jelling in the veins,

the chest silent

under the gentle light of the soothing oil,

a funeral lamp.

I tremble to end these lines

that they do not seem

an unusual testament,

but rather a mysterious message

from the shade beyond,

lines dictated by the anxiety

of eternal life.

I finished them and yet I live on.

 

Vertaald door Lillian Jean Stafford and William Stafford

 

MIGUElUnamuno

Miguel de Unamuno (29 september 1864 – 31 december 1936)

 

 

De Britse schrijfster Elizabeth Gaskell werd geboren op 29 september 1810 in Londen. Haaqr eerste roman Mary Barton verscheen in 1848. Het was een van de eerste „industrie-romans“ waarin het leed van het proletariaat aan de orde gesteld werd. Door deze roman kwam zij in contact met Charles Dickens en in diens tijdschrift Household Words bleef zij publiceren. Grotere bekendheid verwierf zij door haar romans Cranford  uit 1853 en vooral door North and South uit 1855, die echter minder melodramtisch uitviel dan haar vroegere werk. Elizabeth Gaskell was goed bevriend met Charlotte Brontë. Na haar dood werd Gaskeel haar eerste biografe.

Uit: The Life of Charlotte Brontë (hoofdstuk V)

“This is perhaps a fitting time to give some personal description of Miss Brontë. In 1831, she was a quiet, thoughtful girl, of nearly fifteen years of age, very small in figure – “stunted” was the word she applied to herself, – but as her limbs and head were in just proportion to the slight, fragile body, no word in ever so slight a degree suggestive of deformity could properly be applied to her; with soft, thick, brown hair, and peculiar eyes, of which I find it difficult to give a description, as they appeared to me in her later life. They were large, and well shaped; their colour a reddish brown; but if the iris was closely examined, it appeared to be composed of a great variety of tints. The usual expression was of quiet, listening intelligence; but now and then, on some just occasion for vivid interest or wholesome indignation, a light would shine out, as if some spiritual lamp had been kindled, which glowed behind those expressive orbs. I never saw the like in any other human creature. As for the rest of her features, they were plain, large, and ill set; but, unless you began to catalogue them, you were hardly aware of the fact, for the eyes and power of the countenance overbalanced every physical defect; the crooked mouth and the large nose were forgotten, and the whole face arrested the attention, and presently attracted all those whom she herself would have cared to attract. Her hands and feet were the smallest I ever saw; when one of the former was placed in mine, it was like the soft touch of a bird in the middle of my palm. The delicate long fingers had a peculiar fineness of sensation, which was one reason why all her handiwork, of whatever kind – writing, sewing, knitting – was so clear in its minuteness. She was remarkably neat in her whole personal attire; but she was dainty as to the fit of her shoes and gloves.”

 

GASKELL

Elizabeth Gaskell (29 september 1810 – 12 november 1865)

 

Miguel de Cervantes werd geboren op 29 september 1547 in Madrid. Hij schreef een twintigtal toneelwerken, maar is vooral bekend geworden door zijn boek Don Quichot van La Mancha (El ingenioso hidalgo Don Quixote de la Mancha).

 

Uit: DON QUICHOT (Voorwoord)

Vertaald door John Ormsby

 

“IDLE READER: thou mayest believe me without any oath that I would this book, as it is the child of my brain, were the fairest, gayest, and cleverest that could be imagined. But I could not counteract
Nature’s law that everything shall beget its like; and what, then, could this sterile, illtilled wit of mine beget but the story of a dry, shrivelled, whimsical offspring, full of thoughts of all sorts and such as never came into any other imagination- just what might be begotten in a prison, where every misery is lodged and every doleful sound makes its dwelling? Tranquillity, a cheerful retreat, pleasant fields, bright skies, murmuring brooks, peace of mind, these are the things that go far to make even the most barren muses fertile, and bring into the world births that fill it with wonder and delight. Sometimes when a father has an ugly, loutish son, the love he bears him so blindfolds his eyes that he does not see his defects, or, rather, takes them for gifts and charms of mind and body, and talks of them to his friends as wit and grace.”

CERVANTES

Miguel de Cervantes (29 september 1547 – 23 april 1616)