“We wallowed in the convenience of America, in the efficiency and the extraordinary variety of choice, and we practiced native customs. We came to know California wines. We shopped by phone. We drove sedately. We took vitamins and occasionally remembered to worry about cholesterol. We tried to watch television. I gave up taking cigars to restaurants, but smoked them furtively in private. There was even a period when we drank eight glasses of water a day. In other words, we did our best to adapt. And yet there was something missing. Or rather, an entire spectrum of sights and sounds and smells and sensations that we had taken for granted in Provence, from the smell of thyme in the fields to the swirl and jostle of Sunday-morning markets. Very few weeks went by without a twinge of what I can best describe as homesickness. Returning to a place where you have been happy is generally regarded as a mistake. Memory is a notoriously biased and sentimental editor, selecting what it wants to keep and invariably making a few cosmetic changes to past events. With rose-colored hindsight, the good times become magical; the bad times fade and eventually disappear, leaving only a seductive blur of sunlit days and the laughter of friends. Was it really like that? Would it be like that again?”
De Nederlandse schrijver en uitgever John van Ierland werd op 14 juni 1964 geboren in Breda. Van Ierland behaalde zijn diploma bedrijfskunde, Hoger Management en zijn diploma Uitgeverij aan de Boek Academie. Hij heeft verschillende betrekkingen gehad bij diverse bedrijven, waaronder Würth en de Hoogovens, waarna hij in dienst kwam bij NHTV internationale hogeschool Breda als studiebegeleider, docent en coördinator. Via NHTV kwam hij begin 2011 bij Hogeschool Zeeland als Studieloopbaan coördinator terecht, de werkzaamheden bij deze laatste twee hogescholen combineert hij nog steeds met zijn passies boeken schrijven en uitgeven. In 2000 richtte hij zijn Ierland Evenementen en Relatiemarketing’ bedrijf op, in 2004 werd dit omgezet naar Van Ierland Uitgeverij. Tegenwoordig bedrijft hij zijn eigen Woordmagie. Zijn eerste boek schreef hij in 1999, sindsdien volgden er nog zeker vijfendertig. De boeken zijn erg divers van stijl en onderwerp; zijn Jasper & Jasmijn reeks kent al vijf kinderboeken, verder is van Ierland zich gaan specialiseren in de volksverhalen, sagen en legenden van streken.
Uit: Fietsend verliefd worden op Breda… (Column)
“Ik ben een kind van de stad, nu weer druk bezig met het herontdekken van haar hotspots om ze ook anderen te tonen tijdens een mooie fietstocht. Ze openen mijn ogen wederom en doen me op mijn tussenstop even dagdromen. De milde regen zingt in de bomen, wast het stof van de straatplavuizen, ritselt door de bladeren en ruist door de binnenstadse pleinen de dampende aarde bevruchtend. Hij springt door de straat en roffelt op de ruit, op de kleine ruit van het petieterige café dat ’t Begijntje heet. De glimmende kranen spiegelen er het blauwe boezeroen van de kastelein achter de tap¬kast. Warm is hier het leven en schoon. Mijn anders zo bezige ziel suddert soezend diep in mijn lijf. Ik hoor de gesprekken links en rechts van me, ik hoor de woorden, maar toch weer niet. “C’est le ton qui fait la musique.” Het is de sfeer in een omgeving die me aan het peinzen zet. Nee, aan het peinzen niet, want ik voel alleen, ik ontvang slechts de gulheid van hemel en aarde, het wondere samenzijn van mensen en dingen. De regen lekt langs het raam en onder de overkapping van de winkel aan de overkant omhelst een meisje met druipende haren haar jongen. Wat is de liefde? Een goddelijke spijs, het levens¬elixer, en verliefdheid is de naam van de driftige wijn aan die maaltijd. Ik gewaar me als op een rondreis door het Brabantse land, dat ooit een dichter heeft genoemd als moederlijk en gul en rond en zo jubelend alsof er geen bitterheid bestaat op deze grond! Ik ben verliefd geworden op Breda.”
De Nederlands-Zwitserse schrijver, tekstschrijver, componist, zanger en pianist Drs. P is gisteren op 95-jarige leeftijd in Amsterdam overleden. Dat heeft zijn uitever laten weten. Drs. P (eig. Heinz Hermann Polzer) werd geboren in het Zwitserse Thun op 24 augustus 1919. Zie ook mijn blog van 24 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Drs. P. op dit blog.
De geneugten van de roem
Het volk is hier op literair gebied Nu niet bepaald tot geeuwens toe verwend Vandaar ook, dat men in de houding schiet Zodra men een auteur/auteuse ziet Dit wordt de jeugd zo duchtig ingeprent Dat zelfs de meest a-culturele blagen Je respecteren als een exponent Van al wat men moet hebben om te slagen Je vindt je roem verwoord in heldensagen Wanneer je een bekende schrijver bent Als schrijver ga je door voor erudiet Ervaren psycholoog en leuke vent En (monkelend verteld of impliciet) Een artistiek verantwoord sybariet – Erotisch liberaal en vrij potent Zodat je, waar je ook maar op komt dagen Uitbundig wordt begroet, en geen moment Om exclusieve aandacht hoeft te vragen Men doet hier alles om je te behagen Omdat je een bekende schrijver bent De overheid, van allerhoogste piet Tot onbezoldigd hulpverkeersagent Het huisdier en de koekoek en de griet Ja, al wat stem heeft zingt het hoogste lied En dat dit jou betreft, is evident In alle streken en bevolkingslagen Bewierookt men je kwistig en frequent En blijft men van je meesterschap gewagen Geen mens, geen recensent zal aan je knagen Zolang je een bekende schrijver bent O willekeurling, doet het u verdriet Dat niemand nergens nimmer u herkent? Dan mag u zich, wat mij betreft, beklagen Het leven is veel beter te verdragen Indien je een bekende schrijver bent
K.P. Kaváfis Hij heeft het nooit gezien, zijn vaderland Maar was en bleef een Griek, wat heet, Helleen Zowel in tijd als plaats een vreemdeling Alexandrië bruiste langs hem heen Hij vond er in ’t geheim bevrediging Maar niet de rust der Elyzeese velden En buiten een beperkte vriendenkring Wist niemand van zijn dromen en zijn helden – Bestond hij slechts als kennis of passant Een pennelikker die op jongens viel Maar met de jeugd der Oudheid in zijn ziel
Nazomer ’t Is prachtig weer; we profiteren Van deze dag vol kleur en licht, En dragen opgewekte kleren. ‘Iets koeler,’zegt het weerbericht. Men hoort een dikke bromvlieg zoemen; De lucht is onmiskenbaar blauw; Er hangt een ijle geur van bloemen. Toch valt de avond al weer gauw. ’t Is prachtig weer; we zitten samen Te zonnen op ’t café-terras. Een windstoot rammelt aan de ramen; Er valt een herfstblad in mijn glas. We laten onze blikken dwalen En praten over ‘t mooie weer. Maar na de laatste zonnestralen Is het ineens geen zomer meer.
I don’t know if the stars rule the world Or if Tarot or playing cards Can reveal anything. I don’t know if the rolling of dice Can lead to any conclusion. But I also don’t know If anything is attained By living the way most people do.
Yes, I don’t know If I should believe in this daily rising sun Whose authenticity no one can guarantee me, Or if it would be better (because better or more convenient) To believe in some other sun, One that shines even at night, Some profound incandescence of things, Surpassing my understanding.
For now… (Let’s take it slow) For now I have an absolutely secure grip on the stair-rail, I secure it with my hand – This rail that doesn’t belong to me And that I lean on as I ascend… Yes… I ascend… I ascend to this: I don’t know if the stars rule the world.
Magnificat
When will this inner night – the universe – end And I – my soul – have my day? When will I wake up from being awake? I don’t know. The sun shines on high And cannot be looked at. The stars coldly blink And cannot be counted. The heart beats aloofly And cannot be heard. When will this drama without theater – Or this theater without drama – end So that I can go home? Where? How? When? O cat staring at me with eyes of life, Who lurks in your depths? It’s Him! It’s him! Like Joshua he’ll order the sun to stop, and I’ll wake up, And it will be day. Smile, my soul, in your slumber! Smile, my soul: it will be day!
Countless lives inhabit us
Countless lives inhabit us. I don’t know, when I think or feel, Who it is that thinks or feels. I am merely the place Where things are thought or felt.
I have more than just one soul. There are more I’s than I myself. I exist, nevertheless, Indifferent to them all. I silence them: I speak.
The crossing urges of what I feel or do not feel Struggle in who I am, but I Ignore them. They dictate nothing To the I I know: I write.
Uit: Santiago de Compostela (Vertaald door Victor Andrés Ferretti en Karina Gómez-Montero)
„Zuträglicher wäre es, hinter jedem Namen einen Mythos zu vermuten, die Augen vor der Vergangenheit zu verschlie-ßen, die Dokumente zu vergessen und daran zu glauben, dass Compostela eben erst entstanden ist. Betrachtet, was ihr seht, einfach als ein Geschenk der Engel. Und wenn der Betrachter Protestant ist und nicht an Engel glaubt – Compostela wird er gläubig wieder verlassen –, dann sollte er die Stadt für ein Geschenk der Feen halten, so er an Feen glaubt. Und wenn er auch das nicht tut, mag sie ihm als Geschenk des Geistes erscheinen, an den sich seine Seele klammert, um nicht den Verstand zu verlieren. Nur wenn er nicht einmal an den Geist glaubt, sollte er sich an die Wissenschaft halten. Aber dann wird er Compostela niemals verstehen. Vergesst nicht: Einzig diejenigen, die sich die Fähigkeit zu staunen bewahrt haben, finden den Weg in die Stadt. Das Stau nen wird ihnen die Offenbarung sichtbar machen, welche Gott uns senden will und welche die Steine und die Namen jedem deutlich verkünden, der Augen hat zu sehen und Ohren zu hören. Natürlich bleibt noch der Weg der Gelehrsamkeit: Man kann an jedem Stein ein Schild befestigen, ihn mit Namen und Datum versehen und die unterschiedlichen Stile präzise be-stimmen, um sich genüsslich der Betrachtung der Architektur hinzugeben. Und es gibt den anderen, lichten Weg, den Weg der herrlichen Hypothesen und prächtigen Theorien, der An deutungen und überaus poetischen historischen Fälschungen. Aber nein, das Ergebnis wird niemals Compostela sein.”
Gonzalo Torrente Ballester (13 juni 1910 – 27 januari 1999) Borstbeeld in Ferrol
Es war das Gewicht des Schlüssels in ihrer Tasche, aber sie hatte ihn nie aus der Tasche genommen, er war in ihr unsichtbar geblieben. Fehlte nur noch das Schlüsselloch, irgendwo in der Welt war ein Schlüsselloch, alt, aus Holz, das allein für den Schlüssel da war. Zum erstenmal nahm sie den Schlüssel aus der Tasche, er war alt, aus Holz, mit zerkratztem Bart, und sie sagte zum Schlüssel in ihrer Hand:
Das Haus gehört uns, wir kennen es nicht, wir kennen das Haus nicht, es gehört uns nur. Wir haben es nicht gebaut, gekauft gestohlen, wir brauchen es nicht, es gehört uns nur. Wir wissen nicht, ob die Tür einen Riegel hat, einen Vorhang oder ein Schlüsselloch. Das Haus gehört uns, aber wir kennen es nicht. Das Haus gehört uns, aber wir kennen es nicht.
Vogel
DER VOGEL IST VON ALLEM DAS GEGENTEIL – Aber kein Gegenteil von Luft und Himmel die sind Palast und Tanzraum der Vogelvölker.
Bis ans Ende der Weltnacht eine Dohle, die im letzten Schnee des Märzmorgens ruft, kann sein eine Elster, Stellas Silberkettchen im Schnabel, wohin damit. Er ist nicht Gegenteil des Lichts, des Meers, des Sommers, der Stürme aus neunzig Richtungen des Nadir.
Er ist der Schwarze Milan und hat keine Feinde. Mein Vogel, aber er kennt mich nicht.
“When I was aware that I had been laid low by the disease, I felt a need, among other things, to register a strong protest against the word “depression.” Depression, most people know, used to be termed ‘melancholia,” a word which appears in English as early as the year 1305 and crops up more than once in Chaucer, who in his usage seemed to be aware of its pathological nuances. “Melancholia” would still appear to be a far more apt and evocative word for the blacker forms of this disorder, but it was usurped by a noun with a bland tonality and lacking any magisterial presence, used indifferently to describe an economic decline or a rut in the ground, a true wimp of a word for such a major illness. It may be that the scientist generally held responsible for its currency in modern times, a Johns Hopkins Medical School faculty member justly venerated—the Swiss-born Adolf Meyer—had a tin ear for the finer rhythms of English and therefore was unaware of the semantic damage he had inflicted by offering “Depression” as a descriptive noun for such a dreadful and raging disease. Nonetheless, for over seventy-five years the word had slithered innocuously through the language like a slug, leaving little trace of its intrinsic malevolence and preventing, by its very insipidity, a general awareness of the horrible intensity of the disease when out of control. As one who has suffered from the malady in extremis yet returned to tell the tale, I would lobby for a truly arresting designation. “Brainstorm,” for instance, has unfortunately been preempted to describe, somewhat jocularly, intellectual inspiration. But something along these lines is needed. Told that someone’s mood disorder has evolved into a storm—a veritable howling tempest in the brain, which is indeed what a clinical depression resembles like nothing else—even the uninformed layman might display sympathy rather than the standard reaction that ‘depression” evokes, something akin to So what?” pr “You’ll pull out of it” or “We all have bad days. The phrase “nervous breakdown” seems on its way out, certainly deservedly so, owing to its insinuation of a vague spinelessness, but we still seem destined to be saddled with “depression” until a better, sturdier name is created.”
De Zuid-Afrikaans schrijver en dichter Nicolaas Petrus van Wyk Louw werd geboren in Sutherland op 11 juni 1906. Na veertien jaar in Sutherland gewoond te hebben verhuisde Louw in 1920 met zijn familie naar Kaapstad waar hij zijn schoolloopbaan voltooide. Vervolgens studeerde Louw filosofie en Duits in Kaapstad en werd hij voor een korte tijd onderwijzer voordat hij tot in 1930 als docent in die opvoedkunde aan de Universiteit van Kaapstad werd aangesteld. In 1930 is N.P. van Wyk Louw getrouwd met Joan Wessels. Het huwelijk werd echter in 1938 ontbonden. Hij is later met Truida Pohl getrouwd. Sedert 1948 woonde het gezin Louw in Europa waar hij tot en met 1958 een hoogleraarschap in de Zuid-Afrikaanse letterkunde, geschiedenis en cultuur aan de Universiteit van Amsterdam bekleed heeft. Na zijn terugkeer vestigde hij zich in Johannesburg alwaar hij vanaf 1960 als hoofd van het Departement Afrikaans en Nederlands aan de Universiteit van die Witwatersrand werd aangesteld. Louw dichtte aanvankelijk in het Engels, maar geïnspireerd door zijn jongere broer, de dichter W.E.G. Louw publiceerde hij in 1935 en 1937 de baanbrekende bundels “Alleenspraak” en “Die Halwe Kring”. Sedertdien wordt hij beschouwd als hoofdfiguur van de zogenaamde ‘Dertigers’ en zijn toneelstukken en dichtbundels verwierven de status van klassiekers. De schrijver Karel Schoeman beschouwt Louw als Zuid-Afrika’s grootste dichter “en een van die min figure van wêreldformaat wat die land nog opgelewer het”. In 1945 richtte hij, samen met zijn broer W.E.G. Louw en de van oorsprong Nederlandse letterkundige H.A. Mulder, het tijdschrift Standpunte op, dat aanvankelijk als kwartaalblad, maar later zes maal per jaar verscheen, en dat ook thans nog kan gelden als het meest gezaghebbende culturele tijdschrift van Zuid-Afrika.
Die boodskap aan Maria
Sy ‘t deur die skaduwee gegaan in die soet lentenag, skraal-wit en skemerig en nog sku van naamlose verwag;
soos ‘n groot nagblom oop waaroor die motte bewend hang, so was sy onder die sterre, in haar onwetende verlang.
Maar toe Hy kom, het sy geweet. Geen stem was daar, net enkele sterre donkerder en blydskap soos ‘n tent óm haar;
en alle verlange buitekant het trug- en tuisgekeer tot innigheid, en rus gekry soos waters in ‘n donkere meer,
en huiswaarts oor die paaie het sy gepeins dat vreugde só kon wees: vervuld en woordeloos, en stil geglimlach oor haar verre vrees.
In waanzin heb ik gevraagd
In waanzin heb ik gevraagd, o God, voor mij de vrede van de ster, om boven de bergen stil te wonen, de wereld onder dof en ver.
Ik wilde Uw lichaam zien en grijpen, ik wilde de zee vangen in mijn net; ik wilde Uw macht vangen, vangen en binden met de koperen kettingen van mijn wet.
Dan wilde ik zelf in glorie tronen, hof houden bij winden en bij sterren; ik wilde met eeuwig-stille ogen op U en op Uw knechtschap zien.
vergeef die wilde en dwaze bede — o God, hoe kon ik wijzer zijn? Maar, moet Uw vlam mijn voorhoofd kronen, ik neem de glorie en de angst!
Voor mij niet meer de dwaze rust van mensen en van dag en jaar, voor mij de vlammen van Uw wagen, en ogen die in verten staren.
Voor mij het kruis en de doornenkroon, de reizen die geen einde hebben, voor mij het zoeken dat nooit vindt, voor mij de sterren zonder wet.
O God, voor mij de wilde zin, de ogen die hun waanzin laten zien, om wat ondenkbaar is te denken, en wat onmogelijk is te beginnen.
Ik zal ons Weten aan stukken scheuren en uitstrooien tussen sterren en maan! Zal ik met zo’n haveloos kleed Uw wegen, o God, Uw wegen gaan?
Zo zal ik met een lichaam naakt de reis door dit wonderleven maken, met wonderogen in het licht dat om mij heen van Uw Wonder beeft.
Er is één heerlijkheid: U zien; er is één rust: U zoeken; om niet te weten – dat is Uw zegen; en om te vinden – dat is Uw vloek.
De Nigeriaanse dichter, architect, en milieuactivist Nnimmo Bassey werd geboren in Akwa Ibom op 11 juni 1958. Sinds 2008 is hij voorzitter van Friends of the Earth International. Bassey begon zijn carrière als architect. Hij publiceerde in zijn vakgebied enkele boeken en schreef daarnaast enkele gedichtenbundels. In de jaren negentig was hij voorzitter van zowel de vereniging van Afrikaanse architecten als van Nigeriaanse schrijvers. In de jaren tachtig werd hij actief op het gebied van de mensenrechten en nam hij plaats in het bestuur van de Civil Liberties Organisation. In 1993 was hij een van de oprichters van Environmental Rights Action (ERA), een Nigeriaanse niet-gouvernementele organisatie die zich vooral richt op de milieuschade die wordt veroorzaakt door oliewinning. De organisatie is aangesloten bij Friends of the Earth International. In 1996 werd Bassey korte tijd gevangengezet door de veiligheidsdienst van Nigeria, toen hij op het punt stond een milieucongres in Ghana te bezoeken om met activisten in andere landen te praten over milieuproblematiek in Nigeria. In 2008 werd Bassey voorzitter van zowel de ERA als de FoEI. In 2010 publiceerde hij het boek “To Cook a Continent: Destructive Extraction and the Climate Crisis in Africa”. In 2009 plaatste Time Magazine hem op de lijst van Heroes of the Environment. In 2010 werd hij onderscheiden met een Right Livelihood Award en in 2012 met de Noorse Thorolf Rafto-prijs.
I will not dance to your beat
I will not dance to your beat If you call plantations forests I will not sing with you If you privatise my water I will confront you with my fists If climate change means death to me but business to you I will expose your evil greed If you don’t leave crude oil in the soil Coal in the hole and tar sands in the land I will confront and denounce you If you insist on carbon offsetting and other do-nothing false solutions I will make you see red If you keep talking of REDD and push forest communities away from their land I will drag you to the Climate Tribunal If you pile up ecological debt & refuse to pay your climate debt I will make you drink your own medicine If you endorse genetically modified crops And throw dust into the skies to mask the sun I will not dance to your beat Unless we walk the sustainable path And accept real solutions & respect Mother Earth Unless you do I will not & We will not dance to your beat
“Dolf Van Attema was op zijne wandeling na den eten aangegaan bij de zuster zijner vrouw, Cecile Van Even, op den Scheveningschen weg, en hij wachtte in den kleinen voorsalon, wandelend tusschen de rozenhouten meubeltjes en de vieux roze moiré cauzeuses met de drie, vier groote passen, waarmeê hij de nauwte van het vertrekje telkens en telkens scheen over te meten. Achter de chaise-longue brandde op een onyxen zuil eene lamp van onyx, onder hare kanten kap zacht gloeiend als eene groote, zeshoekige lichtbloem. Mevrouw was nog bij de jongens, die juist naar bed gingen, had de meid tot Van Attema gezegd en het speet hem zijn petekind, den kleinen Dolf, dien avond niet meer te zullen zien; hij had reeds even naar boven willen loopen om met Dolf in zijn bedje te stoeien, maar ook had hij zich aanstonds Cecile’s verzoek herinnerd, dit toch nooit meer te doen; de jongen bleef uren wakker liggen na zoo een gedartel met oom. En hij wachtte dus nu, met een glimlach om die gehoorzaamheid, zijne schoonzuster af, steeds metende den kleinen salon met zijn pas van een stevig, kort man, ineengedrongen en breed, niet jong meer en wat ivoorachtig kalend onder zijn kort, donkerblond haar, zijne oogen klein-vriendelijk en prettig blauw-grijs, zijn mond beslist flink, – al glimlachte hij ook – in het rossige gekroes van zijn korten Germaan-baard. Een houtblok brandde met een paar kronkeltongen in het haardje van nickel en verguld, als een vuurtje van stille intimiteit, als eene vlam van discretie, in die schemeratmosfeer van, met kant gedekt, lampeschijnsel, intimiteit en discretie verspreidden ook door geheel het nauwe vertrekje iets als een aroom van viooltjes, eene nuance van viooltjes-geur, die school in de zachtheid der tinten van behang en meubelen, – fletsch roze moiré en rozehout, – die hing in het hoekje der kleine rozehouten schrijftafel, met hare enkele zilveren zaakjes om te schrijven en hare portretten in gladde, glazen Mora-lijstjes; een kleine, witte, Venetiaansche spiegel daar boven.”