Dolce far niente (Harlingen, Simon Vestdijk)

Dolce far niente

Uit: Terug tot Ina Damman

“Tegenover de HBS, aan de overkant van de Werfgracht, die hier de breedte van een binnenhaven bereikte, lag, als een wond in het stadsbeeld, de oude scheepswerf, aan drie zijden omgeven door half ingezakte schuttingen, die met palen gestut moesten worden. De gehele dag joegen daar de werkers hun koperachtig tinkelende klanken op: een kalm, zomers geluid, dat wel aan teergeur deed denken, of aan weke, zonnige golvingen in water dat door een olievlies is bedekt. Het geluid zweefde aan, verijlde weer, werd soms plotseling onderbroken, om dan, op[ zoek naar een nieuw ritme, aarzelend en nadenkend te worden, als een uiterst verlangzaamd morsestelsel. Als de jongens in de klas niet naar de kabbelende lichtrimpels keken tegen de zolder bij het raam, dan luisterden ze naar die werf. In de gracht lagen gewoonlijk nog wat loodskotters.

 

Zuiderhaven Harlingen/ Werfgracht Lahringen
Links van het midden met zonneschermen stond de HBS / Nu R.K. verpleeghuis St-Hubertus.

 

Lees verder “Dolce far niente (Harlingen, Simon Vestdijk)”

Dolce far niente (Enkhuizen, Joost van den Vondel, Harme Bevoort)

Dolce far niente

 

Stadhuis Enkhuizen

Beneden links het kanon, daarboven het klinckdicht van Vondel

 

Op het Roode Paert met zijn metaelen Kanon, uit den overwonnen Duinkercker, onder den zeestrijt, in hopman Volkaert Kanonijx oorlogsschip Oorloghsschip overgesprongen, in den jaere 1622, den 3 in Wijnmaent.

Fatalis Equs Saltu Super Ardua Venit

 

Klinckdicht

Wat heeft de stoffery der ouden ons vervaert
Met Perseus, en Pegaes die, over zee gevlogen
De werelt sloegh voor ’t hooft met een gedichte logen
Een logen, in’t gestarnt gesteigert hemelwaert

Het brave Enckhuizen draeft, vol moedts, op ’t Roode Paert
Met zijnen kopren mont, dat glo
ê
nde blixems braeckte,
En donderklooten, daer Noortzee en lucht af kraeckte,
Een paert, op ‘t Prinsenhof in Eeuwigheid bewaert.

Het quam , toen Volckaert dien Duinkercker hadt gedrongen,
Uit ‘s meesters zeekasteel, in’t Hollantsch slot gesprongen.
De Zeehelt greep het by den zeetoom zonder last.

Het opent met zijn hoef een Bronaêr voor den Zanger.
Wij drincken op Parnas noch Helikon niet langer.
Dit is ons paerdebron, hier is geen droom aen vast.

 

Joost van den Vondel (17 november 1587 – 5 februari 1679)

Lees verder “Dolce far niente (Enkhuizen, Joost van den Vondel, Harme Bevoort)”

Dolce far niente (Amsterdam, Simon Vestdijk, Harlingen)

Dolce far niente

 

Voor vijftig jaar in Amsterdam

Schuiven de winkeliertjes door de straten,
Dan zijn zij bang, dat men hun list betrapt:
Hun stijve baardjes, hun houding, paraat en
Prachtig uit waardigheden saamgelapt.

De grootvader barbier, de kleinzoon kapper;
De zelfde winkel, en hij houdt zich Fransch.
De kind’ren spelen vlag bij Klein-maar-Dapper,
De meisjes breien op een Toynbee-krans.

Wie zou hier vluchten? De traditie éischt
Die voorliefde voor handschoenen of crême,
En niet alleen hún kaste blijft potdicht.

Dan komt er een, die de and’ren hard ontsticht,
Zijn leven van ’t gekrulde goud ontlijst
En het verbrijzelt onder de bohême.

 


P. C. Hooftstraat, Amsterdam

 

Uit: Sint Sebastiaan

“In werkelijkheid stond het in verband met het Kerkpad, een der ouderwetse, verlaten centra van het stadje, bij de Grote Kerk, waarheen hij overigens de weg niet zou hebben weten te vinden, daar hij Lahringen hoofdzakelijk kende vanuit zijn sportkar., Bleek, fronsend, maar niet bang, eerder wat laatdunkend, met zijn dikke beentjes onder zich gevouwen,liet hij zich door zijn moeder voortduwen op deze tochten; daarbij lette hij meer op háár dan op hert stadsbeeld, dat zich maar bij vlagen aan hem openbaren kon. Vaak lijdend aan bronchitis, kende hij het stadje bovendien alleen tussen twaalf en twee, licht en zonnig. Er waren ongelooflijk zonnige plaatsen: grachten en havens, waar de zon van twee kanten scheen, een enkel park. In zijn verbeelding lagen er geen straten tussen zijn huis en deze oorden; men liep er zo in, of reed erin; in plaats van straten was het zijn moeder die de gemakkelijke verbinding bewerkstelligde, met wit fladderende rokken achter de wagen niet zozeer lopend als zwevend, en kwamen zij aan een hoek van zo’n helder stadsgedeelte, dan greep zij ze vast.


Harlingen, Werfgracht (Zuiderhaven)


Evenals een verveeld prinsje in een optocht lette hij weinig op jongens van zijn leeftijd; niet uit trots, maar hij zag ze werkelijk niet; hij zag ook nauwelijks mensen, of huizen; de Werfgracht bijbvoorbeeld was niets anders dan een baan van straatstenen die niet eindigen wilde, afgesloten van de rest, rechtlijnig en simpel, zoals de wegen die hij zich in het behangsel verbeeldde als hij niet slapen kon. Het enige dubbelzinnige aan het begin van de Werfgracht: de sombere roomse kerk met een steegje ernaast, kon zeker niet tegen al die lichte, geruststellende geometrie op.”


Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971)

 

Zie voor de schrijvers van de 14 augustus ook mijn twee blogs van 14 augustus 2011.

Dolce far niente (Amsterdam, Bert Voeten)

Dolce far niente

 

De Binnen-Amstel gezien naar de Blauwbrug
Oudgekleurde kopergravure, omstreeks 1770

 

 

Zomermiddag aan de Amstel

De harde blauwe hand
van de lucht drukt op het water.
Roeiers gaan er gebukt
onderdoor. Hun spieren wandelen
langzaam over hun armen
rugwaarts. Een luie skiff
klapwiekt naar de oever.

In de oksels van de rivier
liggen boten te rusten
met lome zeilen. Meisjes
kopen op het voordek
een nieuwe huid van de zon
languit met hun warme
lichamen betalend.
Tegen hun gesloten
oogleden staat een rode
afdruk van de hemel.
Tussen hun pelende vingers
loopt het water spaak.

Achter de schermen van het
geboomte blijven de buitens
in 1860 leven.

Scooters op het jaagpad
knippen de stilte open
met een lange schaar van geluid.

 

Bert Voeten(6 juli 1918 – 26 december 1992)

Cover

 

Zie voor de schrijvers van de 13e augustus ook mijn twee blogs van 13 augustus 2011.

Dolce far niente (Amsterdam, Mezrab, verhalen aan het IJ)

Dolce far niente

Uit: De eerste verhalen van 1001 nachten

Koning Shahriar en zijn broer Sjahzaman

In het verre Azië leefde eens een machtige vorst die over de landen India en China regeerde. Toen hij stierf, liet hij twee zonen achter. De een was al in de bloei van zijn leven, terwijl de ander nog genoot van zijn tienerjaren. Beiden knapen waren behendige ruiters, maar de oudste jongen was beter dan de jongste, waardoor hij, volgens de wetten van het land, de opvolger van zijn vader moest worden. Zijn naam was Sjahriar en hij regeerde met zoveel oprechtheid en vaardigheid, dat hij bij zijn volk bijzonder geliefd werd.

 

Verhalenverteller

 

Toen zijn jongere broer Sjahzaman de volwassen leeftijd had bereikt, werd hij tot koning van Samarkand gekroond. Beide broers regeerden in hun eigen koninkrijk met eerlijkheid en rechtvaardigheid en de onderdanen van beide vorstendommen waren gelukkig en tevreden. Nadat er tientallen jaren waren verstreken, begon de oudste broer naar zijn jongere broer te verlangen. Hij gaf zijn vizier opdracht om een brief op te stellen waarin hij Sjahzamam uitnodigde bij hem te komen. De uitnodiging moest vergezeld gaan van de prachtigste geschenken, zoals paarden versierd met de mooiste zadels, goud, juwelen, dure handgeborduurde stoffen en beeldschone maagden. In de brief liet de vorst schrijven dat hij naar zijn broer verlangde, maar dat zijn gezondheid het niet meer toeliet om verre reizen te maken. Zijn enige wens was voor zijn sterven een fijne tijd met hem te mogen delen.
Toen de vizier zijn werk had gedaan, verzegelde de vorst de perkamenten rol en overhandigde hem aan zijn eerste vizier met de opdracht om zijn uiterste best te doen, zo snel mogelijk met zijn broer terug te keren. ‘Uw wens is mijn bevel, hoogheid,’ sprak de man eerbieding, waarna hij spoorslags de vergaderzaal verliet om zich op de lange reis naar het verre Samarkand voor te bereiden.

Na drie dagen nam de vizier afscheid van de koning en vertrok met een karavaan naar het verre vorstendom van Sjahzaman. Ze reden over hoge bergen, door woestijnen en groene valleien en telkens wanneer de lange stoet in een provincie aankwam, die onder het bewind van Sjahzaman viel, werden ze uitbundig verwelkomd met prachtige geschenken en overdadig veel voedsel. Het welkomstritueel schreef hen voor dat zij drie dagen in de provincie moesten blijven, waardoor de reis wel heel erg lang duurde. Eindelijk, na 30 dagen naderden zij het hof van Samarkand en de vizier gaf een van zijn hoge functionarissen de opdracht om vooruit te reizen en hun komst aan te kondigen.

 

Veemkade, Amsterdam

 

Zie voor de schrijvers van de 11e augustus ook mijn twee blogs van 11 augustus 2011.

Dolce far niente (Amsterdam, Joost van den Vondel)

Dolce far niente

 

Gerrit Toorenburgh (1732–1785)

Gezicht op de Binnen-Amstel richting Blauwbrug met links het Diaconaal Weeshuis

 

 

Op Amstelredam

Het IJ en d’Amstel voeren de hoofdstad van Europe,
Gekroond tot Keizerin, des nabuurs steun en hope,
Amstelredam, die ’t hoofd verheft aan ’s hemels as,
En schiet, op Pluto’s borst, haar wortels door ’t moeras.
Wat waatren worden niet beschaduwd van haar zeilen?
Op welke markten gaat zij niet haar waren weilen?
Wat volken ziet ze niet beschijnen van de maan,
Zij die zelf wetten stelt de ganse Oceaan?
Zij breidt haar vleugels uit, door aanwas veler zielen,
En sleept de wereld in, met overladen kielen.
De welvaart stut haar Staat, zo lang d’aanzienlijkheid
Des Raads gewetens dwang zijn boze wil ontzeit.

 

Joost van den Vondel (17 november 1587 – 5 februari 1679)

 

Zie voor de schrijvers van de 10e augustus ook mijn blog van 10 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Dolce far niente (Amsterdam)

Dolce far niente (Amsterdam)

 

Tegenstroom

Nu polders van droogte open scheuren
Pompt het Zeeburg-gemaal water
Water uit het IJmeer in de Amstel
Zo keert tegenstroom de waterloop

Ik beproef mijn dichtersziel en luister
Luister hoe de rivier nu adem haalt
Ik zie golven zuidwaarts drijven
Dat is de wind die uit het Noorden komt

Wat moet er worden van een stad
Die terugstuwt wat zij ontvangt
Die haar mondingschap verliest
Om ’t dorstig achterland te laven

 

Amstel, vanaf de Nieuwe Amstelbrug

 

 

Ademhalen hoor ik niet. Ik ga te rade
Bij de veerman, spreek hem op zijn boot
Bij Driemond en Carré staan de sluizen open
Het water stroomt als het moet stromen

Zegt hij en roeiers zeggen het hem na
Tegenstroom kunnen wij niet ontwaren
Het is de wind meneer, de wind die ons
Tegen zit, stroom kan ons niet deren

Bij de Omval ligt het water blak
Ik dacht het al, voor de Amstel
Is een dichtersziel niet nodig
Haar waarheid ligt aan het oppervlak.

 

Gerard Smit (Biografische gegevens ontbreken)

 

Zie voor de schrijvers van de 9e augustus ook mijn twee blogs van 9 augustus 2011.

Dolce far niente, Das große Turnerlied (Ludwig Eichrodt)

 

Das große Turnerlied,
oder: Was Südmichel der Tertianer über das edle Turnen gemacht hat

Das Turnen ist ein deutsches Ding,

Darum ich gern vom Turnen sing’;

‘s ist eine Kunst und ein Pläsir,

Des Menschen Vorzug vor dem Thier.

Die Stücke, die der Turner macht,

Sind fein und herrlich ausgedacht,

In jedem was besondres steckt,

Das eigene Empfindung weckt.

Am Reck zuerst der edle Schwung

Gibt Kraft ihm und Begeisterung,

Sodann gewährt ihm Hochgenuß

Das Rädle mit dem linken Fuß.

Die Bauchwell’ an dem hohen Reck

Ist eine Uebung ziemlich keck;

Zehn, zwanzigmal – wie ächzt die Stang!

Dem Schwächling wird es angst und bang.

Die Reitwell’ ist das Gegenstück

Vorwärts sowohl als auch zurück.

Ein andrer Mensch wird turmelig,

Der Turner amüsiret sich.

Mit Anmuth, lustig und gewandt,

Macht er hierauf den Schulterstand,

Da sitzt die Schulter auf der Stang,

Die Beine stehn der Luft entlang.

Zum Zeichen, daß ihm’s wohlergeh’,

Hängt sich der Turner in die Zeh’,

Und baumelt da im Weltenraum

Oft stundenlang voll süßem Traum.

Das Armrad, auch ein edler Schwung,

Versetzt uns in Verwunderung,

Und selbst das Auf- und Niederziehn

Ist ein vergnügliches Bemühn.

Auch legt er sich zum Zeitvertreib

Zuweilen auf den Unterleib,

Und schwimmt in freier Luft umher,

Als wär’ er gar kein Mensche mehr.

Pomadig auch die Sitzwell’ geht,

Doch nur, wenn er es wohl versteht,

Denn kann er’s nicht, fällt er herab

Und bricht den Hals und kommt in’s Grab.

Wie überall im großen Ton

Man spricht von dem Napoleon,

So gibt’s Napoleone zwei

Bei uns in unserer Turnerei.

Der große ist ein toller Schwung,

Der kleine ist ein leichter Sprung;

Der Riesenschwung jedoch vom Reck

Gewährt den angenehmsten Schreck.

 

Epke Zonderland

 

Vom Barren macht der Turner auch

Unendlich vielerlei Gebrauch,

Er hüpft und schwingt sich in dem Kreuz,

Wippt vorwärts, rückwärts und abseits.

Der Todtensprung, die Maus, die Scheer,

Der Teufelssprung und so noch mehr,

Da wird geschlenkert und gemacht,

Daß Einem ‘s Herz im Leibe lacht.

Auch ohne hölzernes Geräth,

Der Turner vielen Spaß versteht,

Gewichte hebt er und halb krumm

Schwingt er sie um den Kopf herum.

Den Zitterbalken zu begehn,

Ist nicht so leicht als wunderschön,

Das eigne Lachen – lachet nicht! –

Bringt Einen oft um’s Gleichgewicht.

Er läuft auf Händen manchen Tag,

Springt höher als ein Floh vermag,

Er klettert, krebselt katzengleich,

Setzt über Gräben Loch und Teich.

Mit Stangen fliegt er in die Höh,

Und kommt hernieder auf der Zeh,

Er spannet Schnüre in den Raum

Und macht dann seinen Purzelbaum.

Auf Leitern frei in Handen hüpft

Er auf und ab, indem er lüpft

Vom Boden auf das Steiggeräth

Und oft auf höchster Sprosse steht.

Seilziehen ist ihm eine Lust,

Da weitet sich die starke Brust;

Verkrattelt dann sich auf der Erd,

Und hopst dann wieder auf das „Pferd“.

Schön ist der Pyramidenstand,

Der Turner liebt das Vaterland,

Backofenschieben liebt er auch,

Thut’s ihm gleich manchmal weh am Bauch.

Frisch, fröhlich, fromm und frei, so heißt

Sein Wahlspruch und so ist sein Geist

Im Dauerlauf bewährt er das,

Doch lungert er auch gern im Gras.

Noch vieles treibt er meisterlich,

Springt reihenweise über sich,

Er wandert über Berg und Thal

Und seine Muskeln sind wie Stahl.

Drum vivat hoch die Turnerei!

Der Turner nur lebt sorgenfrei,

Und singt, im Knopfloch einen Strauß,

Sein Lied in alle Welt hinaus.



Ludwig Eichrodt
(2 februari 1827 – 2 februari 1892)

 

 

Zie voor meer schrijvers van de 8e augustus ook mijn twee blogs van 8 augustus 2011.

Dolce far niente (Robert Louis Stevenson)

 

Dolce far niente

 

Summer Sun

Great is the sun, and wide he goes
Through empty heaven with repose;
And in the blue and glowing days
More thick than rain he showers his rays.

Though closer still the blinds we pull
To keep the shady parlour cool,
Yet he will find a chink or two
To slip his golden fingers through.

The dusty attic spider-clad
He, through the keyhole, maketh glad;
And through the broken edge of tiles
Into the laddered hay-loft smiles.

Meantime his golden face around
He bares to all the garden ground,
And sheds a warm and glittering look
Among the ivy’s inmost nook.

Above the hills, along the blue,
Round the bright air with footing true,
To please the child, to paint the rose,
The gardener of the World, he goes.

 

Claude Monet, Champs des coquelicots, 1881

 

St. Martin’s Summer

AS swallows turning backward
When half-way o’er the sea,
At one word’s trumpet summons
They came again to me –
The hopes I had forgotten
Came back again to me.

I know not which to credit,
O lady of my heart!
Your eyes that bade me linger,
Your words that bade us part –
I know not which to credit,
My reason or my heart.

But be my hopes rewarded,
Or be they but in vain,
I have dreamed a golden vision,
I have gathered in the grain –
I have dreamed a golden vision,
I have not lived in vain.

 

Robert Louis Stevenson (13 november 1850 – 3 december 1894)

 

Zie voor de schrijvers van de 27e juli ook mijn twee blogs van 27 juli 2011.

Dolce far niente (William Cullen Bryant)

Dolce far niente

 

Summer Wind

It is a sultry day; the sun has drank
The dew that lay upon the morning grass,
There is no rustling in the lofty elm
That canopies my dwelling, and its shade
Scarce cools me. All is silent, save the faint
And interrupted murmur of the bee,
Settling on the sick flowers, and then again
Instantly on the wing. The plants around
Feel the too potent fervors; the tall maize
Rolls up its long green leaves; the clover droops
Its tender foliage, and declines its blooms.

 

Zomerlandschap, Fredrik Marinus Kruseman (12 juli 1816 – 25 mei 1882)

 

But far in the fierce sunshine tower the hills,
With all their growth of woods, silent and stern,
As if the scortching heat and dazzling light
Were but an element they loved. Bright clouds,
Motionless pillars of the brazen heaven;–
Their bases on the mountains–their white tops
Shining in the far ether–fire the air
With a reflected radiance, and make turn
The gazer’s eye away. For me, I lie
Languidly in the shade, where the thick turf,
Yet virgin from the kisses of the sun,
Retains some freshness, and I woo the wind
That still delays its coming. Why so slow,
Gentle and voluble spirit of the air?
Oh, come and breathe upon the fainting earth
Coolness and life. Is it that in his caves
He hears me? See, on yonder woody ridge,
The pine is bending his proud top, and now,
Among the nearer groves, chesnut and oak
Are tossing their green boughs about. He comes!

 

Zomerlandschap, Barend Koekoek (11 oktober 1803 – 5 april 1862)

 

Lo, where the grassy meadow runs in wives!
The deep distressful silence of the scene
Breaks up with mingling of unnumbered sounds
And universal motion. He is come,
Shaking a shower of blossoms from the shrubs,
And bearing on the fragrance; and he brings
Music of birds, and rustling of young boughs,
And soun of swaying branches, and the voice
Of distant waterfalls. All the green herbs
Are stirring in his breath; a thousand flowers,
By the road-side and the borders of the brook,
Nod gaily to each other; glossy leaves
Are twinkling in the sun, as if the dew
Were on them yet, and silver waters break
Into small waves and sparkle as he comes.

 

William Cullen Bryant (3 november 1794 – 12 juni 1878)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e juli ook mijn twee blogs van 26 juli 2011.