Kees Verheul, Elizabeth Bishop

De Nederlandse schrijver, vertaler, slavist en essayist Kees Verheul werd geboren in Hengelo op 9 februari 1940. Zie ook alle tags voor Kees Verheul op dit blog.

Uit: Rusland begint bij de IJssel – Dagboekfragmenten mei-juni 1984

“20/V Prettig om niet te hoeven aansluiten bij wat ik gisteren heb opgeschreven, het niet eens te hoeven overlezen, als bij een verhaal of een stuk voor een krant. Elke dag en elke aantekening zijn eigen vorm en inhoud. Wat waren de sterkste indrukken? De jongen die ik vanmorgen besloop tijdens de orthodoxe mis, tot ik schuin achter hem kwam te staan en hem nu en dan voorzichtig aanraakte. De zoals altijd feilloos en diep werkende combinatie van het erotische en religieuze. Hij was een jaar of achttien, had iets teers en ingetogens, ging ernstig op in de dienst. De kleine moedervlek op zijn kin waar een haar uit groeide, ontroerde me. Natuurlijk durfde ik hem bij het uitgaan van de kerk niet aan te spreken. Troostte mezelf met de mooie gedachte dat het zo, in alle eenzijdigheid en onbepaaldheid, beter was. Twee kaarsen gekocht en aangestoken: een voor Cees die ik vanmorgen tot zijn vreugde weer opbelde, om hem een goede reis voor Rome te wensen. Gegrepen door de golven van collectieve emotie die tijdens het gezang door de kerk sloegen – vooral bij het ‘Christus is opgestaan’, waarvan ik niet wist dat het zo lang na Pasen nog klonk – het stond ook in kermisachtige lampjes boven de doorgang naar de middenruimte. Kon niet nalaten aan het eind van de dienst in de rij te gaan staan om, voor het eerst in mijn leven, het kruis te kussen, natuurlijk achter de in stilte aanbeden jongeman. Op het laatste moment schoof zich een dik oud vrouwtje tussen ons in, zodat niet zíjn lippen vlak voor de mijne het kruis beroerd hadden, maar haar aanraking er tussen lag. Moest inwendig lachen: je verdiende loon! het gevoel van opgenomen te zijn in iets essentieels en dierbaars verdween er niet door. Als ik ergens bij wil horen, al is het maar zo lang als het duurt, dan is het dit. Tijdens de dienst heerste er één groot levend gevoel, zowel bij de celebranten als bij het heen en weer schuifelende, kaarsen aanstekende en zich individueel, in opwellingen bekruisende ‘volk’. De gezichten van althans twee van de mannen in gewaad kwamen me sympathiek voor, vriendelijk, intelligent en doorleefd. Het viel me ook op dat veel van de oude vrouwen in de kerk met een stok liepen, net als ik in verband met mijn pijnlijke ingezwachtelde enkel.
Tussen de voorbijgangers op straat de gedachte: zijn dit mijn vijanden, moeten we hier raketten op richten? Dacht aan Pasternak die in een – niet al te goed – gedicht de anonieme landgenoten die hij in een trein ziet, ‘verafgoodt’. Dat zelfde gevoel heb ik hier ook. Is het sentimentaliteit en moet ik meer denken aan het lot van Misja? Dat kan niet, want ik denk er de hele dag aan.
Om vier uur afgesproken bij de D’s te komen eten. De balkondeur staat open en laat een zee van jong groen zien – ze wonen op de vijfde verdieping, op boomkruinhoogte. De lucht plotseling dreigend betrokken. Als er verweg een onweersflits te zien is mompelt Xenia Pasternaks titel ‘Ogenblikkelijk onweer voor eeuwig’. Het is ook een van mijn favoriete titels en herkenning – ik denk ook aan de ‘honderd verblindende foto’s’ die het onweer in dat gedicht neemt – geeft het samen naar de donderwolken kijken voor een paar zwijgende seconden een voelbare diepte.”

 

Kees Verheul (Hengelo, 9 februari 1940)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Elizabeth Bishop werd geboren op 8 februari 1911 in Worcester, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Elizabeth Bishop op dit blog.

 

Een zomerdroom

Naar de verzakte werf
konden maar weinig boten komen.
De bevolking telde twee reuzen,
een idioot, een dwerg,

een vriendelijke winkelier
dommelend achter zijn toonbank,
en onze aardige hospita –
de dwerg naaide haar kleren.

De idioot kon worden verleid
met geplukte bramen,
maar gooide die meteen weer weg.
De gekrompen naaister lachte gevleid.

Aan zee gelegen
blauw als een makreel
ons pension, streperig
alsof het had gehuild.

Buitensporige geraniums
dromden voor de ramen,
de vloeren, belegd met
losse stukken zeil, glommen.

Iedere nacht spitsten wij de oren
hopend op een ransuil.
In de spitse vlam van de lamp
glansde het behang.

De stotterende reus
was de zoon van de hospita
en zat op de trap te mompelen
boven een oude grammatica.

Hij was somber,
maar zij opgewekt.
De slaapkamer was koud
het veren bed benauwend.

We werden in het donker gewekt
door de slaapwandelende beek
onderweg naar zee,
hoorbaar dromend nog.

 

Vertaald door J. Bernlef

 

Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e februari ook mijn blog van 9 februari 2022 en ook mijn blog van 9 februari 2019 en mijn blog van 9 februari 2017 en ook alle drie blogs van 9 februari 2014.

Rachel Cusk, Elizabeth Bishop

De Canadese schrijfster Rachel Cusk werd geboren op 8 februari 1967 in Saskatoon. Zie ook alle tags voor Rachel Cusk op dit blog.

Uit: Second Place

“I once told you, Jeffers, about the time I met the devil on a train leaving Paris, and about how after that meeting the evil that usually lies undisturbed beneath the surface of things rose up and disgorged itself over every part of life. It was like a contamination, Jeffers: it got into everything and turned it bad. I don’t think I realised how many parts of life there were, until each one of them began to release its capacity for badness. I know you’ve always known about such things, and have written about them, even when others didn’t want to hear and found it tiresome to dwell on what was wicked and wrong. Nonetheless you carried on, building a shelter for people to use when things went wrong for them too. And go wrong they always do!
Fear is a habit like any other, and habits kill what is essential in ourselves. I was left with a kind of blankness, Jeffers, from those years of being afraid. I kept on expecting things to jump out at me – I kept expecting to hear the same laughter of that devil I heard the day he pursued me up and down the train. It was the middle of the afternoon and very hot, and the carriages were crowded enough that I thought I could get away from him merely by going and sitting somewhere else. But every time I moved my seat, a few minutes later there he’d be, sprawled across from me and laughing. What did he want with me, Jeffers? He was horrible in appearance, yellow and bloated with bloodshot bile-coloured eyes, and when he laughed he showed dirty teeth with one entirely black tooth right in the middle. He wore earrings and dandyish clothes that were soiled with the sweat that came pouring out of him. The more he sweated, the more he laughed! And he gabbled non-stop, in a language I couldn’t recognise – but it was loud, and full of what sounded like curses. You couldn’t exactly ignore it, and yet that was precisely what all the people in the carriages did. He had a girl with him, Jeffers, a shocking little creature, nothing more than a painted child who was barely clothed – she sat on his knee with parted lips and the soft gaze of a dumb animal while he fondled her, and nobody said or did a thing to stop him. Of all the people on that train, was it true that the one most likely to try was me? Perhaps he followed me up and down the carriages to tempt me into it. But it was not my own country: I was only passing through, going back to a home I thought of with secret dread, and it didn’t seem up to me to stop him. It’s so easy to think you don’t matter all that much at the very moment when your moral duty as a self is most exposed. If I’d stood up to him, perhaps all the things that happened afterwards wouldn’t have occurred. But for once I thought, let someone else do it! And that is how we lose control over our own destinies.”

 

Rachel Cusk (Saskatoon, 8 februari 1967)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Elizabeth Bishop werd geboren op 8 februari 1911 in Worcester, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Elizabeth Bishop op dit blog.

 

De baai

(Op mijn verjaardag)

Bij eb, zoals nu, hoe helder niet het water.
Brokkelende ribben mergel steken wit zinderend uit,
de boten liggen op het droge, de palen droog als luciferhoutjes.
Eerder opslorpend dan opgeslorpt te worden,
maakt het water in de baai niets nat,
de kleur van een gasvlam in zijn laagste stand gedraaid.
Je kunt ruiken hoe het in gas verandert; als je Baudelaire was
zou je waarschijnlijk horen hoe het in marimbamuziek verandert.
De okeren kleine baggermolen, aan het eind van het haventje in bedrijf,
ratelt reeds zijn droge perfect onbeklemtoonde claves.
De vogels zijn buitenmaats. Pelikanen storten zich,
onnodig hard dunkt mij, in dit bijzondere gas,
als pikhouwelen
en komen zelden met iets toonbaars boven,
vliegen dan weg met grappig ellebogenwerk.
Zwartwitte fregatvogels zeilen
op onmerkbare windstromen
en openen hun staarten als een gebogen reeks scharen
of spannen ze als vorkbenen tot zij in trilling raken.
De slonzige sponsboten lopen binnen
met het gedienstige air van jachthonden,
stijf staand van strooien speren en haken
en volgehangen met schommelende sponzen.
Er loopt een hek van kippengaas langs het haventje
waar, blinkend als kleine ploegijzers,
de blauwgrijze haaienstaarten voor de Chinese restaurants
te drogen worden gehangen.
Sommige witte bootjes liggen nog tegen elkaar gestapeld
of op hun zij, lekgeslagen
en nog niet geborgen, zo het ooit gebeurt, na de laatste hevige storm,
als opengescheurde, onbeantwoorde brieven.
De baai ligt bezaaid met oude correspondenties.
Klak. Klak. Zo maalt de baggermolen
en brengt een druipende kaak vol mergel boven.
Al deze slordige drukte houdt aan,
vreselijk maar vrolijk.

 

Vertaald door J. Bernlef

 

Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e februari ook mijn blog van 8 februari 2019 en ook mijn blog van 8 februari 2015.

Kees Verheul, Elizabeth Bishop

De Nederlandse schrijver, vertaler, slavist en essayist Kees Verheul werd geboren in Hengelo op 9 februari 1940. Zie ook alle tags voor Kees Verheul op dit blog.

Uit: Tafelgesprek over Heine

“Het is begonnen met een opmerking aan het midden van de tafel. Het gesprek ging daar over Harry, de litterator die de afgelopen winter uit Berlijn naar München is gekomen op zoek naar een goede staatsbetrekking, liefst aan de universiteit, en die al snel de huisvriend is geworden van Tutschew en de dames Bothmer. Er zijn maar weinigen onder Tutschews gelijken die Harry mogen. Wat aanving als een vaag en onberedeneerd dedain bij sommigen die de dertigjarige burgermanszoon bij de Russische secretaris thuis ontmoetten, groeide weldra uit tot een universele antipathie toen bekend werd dat de nieuwkomeling, een en al strijkages tegenover lieden die hem van nut konden zijn, achter hun rug om hen smaalde. Velen in Beieren gniffelen om Harry’s doorvertelde bonmots over hun ‘bierdrinkend Athene’, over hun ‘ingeslapen rijk van baronnen, papen en pederasten’. Er zijn hier adellijke jongelui genoeg die meevoelen met de populariteit van zijn verzen in Noord-Duitsland. Maar dat-ie een indringer is, ongeschikt voor München, een onaangenaam mensch, ónsalonfähig, ónproffesorabel – dit heeft ’t wereldje rondom Koning Ludwig binnen twee maanden beslist.
Tutschew en Leonore hebben die middag al een tijdje door wie het onderwerp is van de conversatie verderop. De steelse blikken naar hun kant, die ze tegenwoordig zo dikwijls moeten zien, Harry’s achternaam, met een grimas van iets onsmakelijks op de tong uitgesproken, de gedempte lachjes… Nelly heeft naar Theo gezucht en beiden hebben tevreden gemerkt dat Tildy, turend naar haar onaangeroerde forel, uit de realiteit is weggedroomd.

De nuntius, waarschijnlijk gangmaker van het gesprek, is op hun afstand niet te verstaan. Het knappe gezicht van comte d’Argenteau uit de Zuidelijke Nederlanden, na een carrière van huzaar plotseling prelaat geworden maar nog immer gekleed als een man van de wereld, buigt naar links en naar rechts, een hand aan de lippen. Zijn ringen fonkelen in de zon evenals het crucifix bovenop zijn halsdoek. Zijn tafeldame, een Hongaarse van wier afkomst niemand het fijne weet, heeft zich, na een gefluisterd woord tot haar buurman, omgewend en met stemverheffing gevraagd:
“Mademoiselle Bothmer, vertelt u ons asjeblieft eens wat u toch zo bekoort aan uw israëlitische vrindje. En toe” – dit met een knipoog en op flemerige toon – “vertelt u ons ook: hebt u al wat van ‘m gehoord uit Italië?”
De stilte aan tafel duurt lang genoeg zodat elk kan meegenieten van de steek, verborgen onder de vraag. Theodor en Leonore staren naar beneden. Blijkbaar denkt heel hun kennissenkring inmiddels wat Clotildes tante veertien dagen geleden meteen heeft uitgeroepen na Tutschews relaas over de gezamenlijke diligencetocht tot Verona, waar het Münchense trio Harry voor onbestemde tijd en – vreemd genoeg – zonder één woord zijnerzijds over een bepaalde verbintenis, heeft uitgewuifd op zijn tour naar de Middellandse Zee: “Herrgott, eine Dichterseele! Je zult zien, hij laat ‘r zitten.”

 

Kees Verheul (Hengelo, 9 februari 1940)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Elizabeth Bishop werd geboren op 8 februari 1911 in Worcester, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Elizabeth Bishop op dit blog.

 

De kunst bij uitstek

Verliezen is een kunst die je kunt leren;
veel dingen lijken voorbestemd teloor te gaan,
en hun verlies zal niemand ernstig kunnen deren.

Blijf dagelijks verliezen. Aanvaard dat ze niet wederkeren:
verloren sleutels, uren die in rook zijn opgegaan.
Verliezen is een kunst die je kunt leren.

Verlies gewoon maar verder, en ten slotte eerder:
plaatsen, namen, waar wou je heen, waar kwam je aan?
Geen van die dingen kan ons werkelijk deren.

En toen was ma’s horloge weg. Kijk, mijn hoogvereerde
laatste, of een-na-laatste, huis (van drie) is heengegaan.
Verliezen is een kunst die je kunt leren.

Twee steden, zeer beminde, raakte ik kwijt. En, meer nog,
m’n rijken, twee rivieren, een continent heb ik al afgestaan.
Ik mis ze, maar het kan me nauwelijks deren.

—Zelfs als ik jou verliezen moest (je plagerige stem, een teer en
lief gebaar), blijf ik dit zeggen. Neem van mij aan:
Verliezen is heus een kunst die je kunt leren,
al lijkt het (schrijf maar op!) of het ons gruwelijk kan deren.

 

Vertaald door J. Bernlef

 

Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e februari ook mijn blog van 9 februari 2022 en ook mijn blog van 9 februari 2019 en mijn blog van 9 februari 2017 en ook alle drie blogs van 9 februari 2014.

Rachel Cusk, Elizabeth Bishop, Robin Block

De Canadese schrijfster Rachel Cusk werd geboren op 8 februari 1967 in Saskatoon. Zie ook alle tags voor Rachel Cusk op dit blog.

Uit: Coventry: Essays

“Every so often, for offences actual or hypothetical, my mother and father stop speaking to me. There’s a funny phrase for this phenomenon in England: it’s called being sent to Coventry. I don’t know what the origins of the expression are, though I suppose I could easily find out. Coventry suffered badly in the war: it once had a beautiful cathedral that in 1940 was bombed into non-existence. Now it’s an ordinary town in the Midlands, and if it hasn’t made sense of its losses, it has at least survived them.
Sometimes it takes me a while to notice that my parents have sent me to Coventry. It’s not unlike when a central-heating boiler breaks down: there’s no explosion, no dramatic sight or sound, merely a growing feeling of discomfort that comes from the gradual drop in temperature, and that one might be surprisingly slow – depending on one’s instinct for habituation – to attribute to an actual cause. Like coldness the silence advances, making itself known not by presence but by absence, by disturbances of expectation so small that they are registered only half-consciously and instead mount up, so that one only becomes truly aware of it once its progress is complete. It takes patience to send someone to Coventry: it’s not a game for those who require instant satisfaction. If you don’t live with your victim or see them every day, it might be a while before they even notice they’ve been sent there. All the same, there’s no mistaking this for anything less deliberate than punishment. It is the attempt to recover power through withdrawal, rather as the powerless child indignantly imagines his own death as a punishment to others. Then they’ll be sorry! It’s a gamble, with oneself as the stakes. My mother and father seem to believe they are inflicting a terrible loss on me by disappearing from my life. They appear to be wielding power, but I’ve come to understand that their silence is the opposite of power. It is in fact failure, their failure to control the story, their failure to control me. It is a failure so profound that all they have left to throw at it is the value of their own selves, like desperate people taking the last of their possessions to the pawn shop.
But perhaps it isn’t like that at all. I remember girls being sent to Coventry at school, a cold and calculated process of exclusion in which the whole cohort would participate. It was a test of an individual’s capacity for survival, of her psychological strength: if other people pretend you’re not there, how long can you go on believing you exist? This was elemental bullying, the deliberate removal of the relational basis of human reality. The group would watch their victim with interest, as she wandered wordless and unacknowledged through the days. By sending someone to Coventry you are in a sense positing the idea of their annihilation, asking how the world would look without them in it. Perversely, over time, your victim might cultivate exaggerated notions of their own importance, for this troubling fact of their existence seems to have an unusual significance.”

 

Rachel Cusk (Saskatoon, 8 februari 1967)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Elizabeth Bishop werd geboren op 8 februari 1911 in Worcester, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Elizabeth Bishop op dit blog.

 

Enorm slecht schilderij

Hij herinnerde zich de zeestraat van Belle Isle
of de een of andere haven aan Labradors noordkust,
voordat hij onderwijzer werd maakte
een oudoom een groot schilderij.

Mijlenver aan beide zijden zich verwijderend
in een gegolfde, stilstaande hemelboog
verrijzen bleekblauwe steil uitstekende rotsen
honderden meters hoog,

hun voet aangevreten door poortjes,
de ingangen tot grotten naar binnen
vallend langs de waterlijn van een baai
door fraaie golven gemaskeerd.

Op het midden van die vredige vloer
rust een vloot van zwarte scheepjes,
vierkant gebrast, met opgerolde zeilen, zonder te bewegen,
hun sparren net afgebrande luciferhoutjes.

En hoog boven hen, over de half doorschijnende
rijen oprijzende rotsen heen nog,
zijn fijntjes gekrabbeld honderden zwarte vogels
in rijen n-tjes gehangen, in slagzij gevangen.

Je kunt ze horen krassen, krassen,
het enige geluid dat telt op het
zo nu en dan weerklinkende zuchten na
wanneer een groot waterdier ademhaalt.

In het rozige licht
rolt de kleine rode zon, rolt,
rond en rond en rond op dezelfde hoogte
in eeuwige ondergang, veelomvattend, vertroostend,

terwijl de schepen daar diep over denken.
Klaarblijkelijk was dit hun destinatie.
Het valt moeilijk te zeggen wat hen daar gebracht heeft,
commercie of contemplatie.

 

Vertaald door J. Bernlef

 

Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979)

 

De Nederlandse dichter, songwriter en musicus Robin Block werd geboren op 8 februari 1980 in Heemskerk. Zie ook alle tags voor Robin Block op dit blog.

Uit: In Between & Di Antara (Samen met Angelina Enny)

 

Samudra

A stamp across a name
that I could not spell
but I recognise the sound
and the hand that tucked me in.

The quaver of the gong
lasts longer than the sigh of pale masters.
The century stretches out its curved back
and straightens.
Once again the spirit of my forefathers
rolls over my tongue.
I find myself dozing off in a rattan chair
as I chew on rambutan, tobacco, on the taste
of their prayers.
I nod to echo their silence,
point at the ocean and listen:
sss-aaa-muuu-drrraaa.

Do you see how the sun carries along—in stripes—
and paints a face in the bamboo grids?
Do you see how brightly it colours around
mothers’ cheekbones?
There is a map in my skin,
like a burn mark, for future wanderings.

 

Robin Block (Heemskerk, 8 februari 1980)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e februari ook mijn blog van 8 februari 2019 en ook mijn blog van 8 februari 2015.

Close, close all night (Elizabeth Bishop), Richard Blanco

 

Bij Valentijnsdag

 

Romeo en Julia op het balkon door Julius Kronberg, 1886

 

Close, close all night

Close, close all night
the lovers keep.
They turn together
in their sleep,

Close as two pages
in a book
that read each other
in the dark.

Each knows all
the other knows,
learned by heart
from head to toes.

 

Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979)
Worcester, Massachusetts. De geboorteplaats van Elizabeth Bishop

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Richard Blanco werd geboren op 15 februari 1968 in Madrid. Zie ook alle tags voor Richard Blanco op dit blog.

 

Verbranden in de regen

Op een dag zou mededogen vereisen
dat ik mezelf bevrijd van mijn verlangen om mijn vader
te herscheppen, toe te geven aan de verliezen van mijn moeder,
minnaars te wurgen met woorden, hen te dwingen
om voor mij op te komen en de schuld op zich te nemen.
Vandaag was die dag: ik gooide ze, blad
na blad op het terras en verzamelde ze
tot een brandstapel. Ik wilde ze laten verdwijnen
in een gloed, kleine witte dwergen die imploderen
naast de azalea’s en ficusstruiken,
ze laten knetteren, barsten als gevleugelde zaden,
ze laten smeulen tot ragfijne sintels –
duizend grijze vlinders in de wind.

Vandaag was die dag, maar het regende, bleef
regenen. In plaats van vuur, waterdruppels
die aan deuren klopten, ramen tot natte
spiegels makend die mij reflecteerden in de eiken.
De tuinmuren en stenen zwollen
in spookachtigere tinten van zichzelf,
de windgong giechelde in de storm,
een koffiekopje dat overliep van de regen.
In plaats van te verbranden, veranderden mijn pagina’s
in waterlelies die over plassen dreven,
in kleine witte kliffen toen de zon onderging,
om tot slot de hele nacht onder de maan op te drogen
tot souvenirs van papier-maché. Vandaag
zou de regen hun levens niet laten verbranden.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Richard Blanco (Madrid, 15 februari 1968)

 

Zie voor de schrijvers van de 14 februari ook mijn blog van 14 februari 2019 en ook mijn blog van 14 februari 2016 deel 2 en ook deel 3.

Johan Harstad, Elizabeth Bishop

De Noorse schrijver Johan Harstad werd geboren op 10 februari 1979 in Stavanger. Zie ook alle tags voor Johan Harstad op dit blog.

Uit: Max, Mischa & het Tet-offensief (Vertaald door Paula Stevens en Edith Koenders)

“De dag begint. Niets aan te doen. Niets, door niets en niemand niet. Dat is nog wel het ergste, geen ochtend zonder deze allesverslindende teleurstelling: weer een dag. Altijd en eeuwig van voren af aan, godsallemachtig nog aan toe. Nooit gaat een dag verder waar de vorige is opgehouden, een dinsdag die een dinsdag blijft tot de sneeuw komt, maar steeds weer begint alles opnieuw, pedant en zonder uitzondering, iedere vierentwintig uur, tot op de minuut en de seconde nauwkeurig, als een vervelend, voorlijk kind dat indruk probeert te maken met zijn abnormale gevoel voor punctualiteit. Ze hadden best eens kunnen experimenteren met een week die twee keer zo lang was, zodat je tenminste niet de ene na de andere maandag voor je kiezen kreeg. De dagen en de week zijn nog niet om of daar zijn ze alweer, identiek en altijd van dezelfde matige kwaliteit, keurig aan huis afgeleverd, door de brievenbus geschoven, door open ramen naar binnen gegooid, door de schoorsteen gedonderd, je door de strot geduwd, als een abonnement dat je niet kunt opzeggen, terwijl het bedrijf erachter maar niet snapt waarom je ervan af wilt. Ochtendschemering boven Minneapolis/St. Paul. Het zou weleens een mooie dag kunnen worden, zo te zien, nog geen wolkje aan de lucht. Maar helemaal zeker is dat niet, het weer is vaak mooier in de uren voordat de zon opkomt, helderder, zachter en vriendelijker; ik neem aan dat daar een meteorologische verklaring voor is, ik zou erachter kunnen komen door het iemand te vragen, maar ik ben bang dat de persoon in kwestie zijn hoofd zal schudden, zijn papieren met analyses en weersvoorspellingen opzij zal schuiven en met een dappere glimlach zal zeggen: Het weer ’s ochtends? Dat is alleen maar zo om ervoor te zorgen dat we het weer een dag kunnen volhouden. Dat geldt ook voor het ochtendlicht, waarschijnlijk. God moet in de reclame zitten, of op zijn minst een opleiding tot scenograaf hebben gehad. Iets anders kan ik me haast niet voorstellen. ’s Ochtends ziet bijna alles er ook beter uit. Behalve de mens. De mens ziet er juist ’s avonds op zijn best uit. Pas in het pikkedonker toont hij zijn ware gezicht. Vervolgens wordt dat verlicht door de blauwe cijfers van de digitale wekker op het nachtkastje: 04.44. Ik zou moeten slapen, ik kan niet slapen. Ik slaap al een hele poos niet goed, niet meer dan een paar rusteloze uren per nacht. Ik lig wakker in het donker, omgeven door een knisperende stilte, nee geen stilte, maar een verontrustende rust. Anonieme voetstappen over het hoogpolige tapijt in de hotelgang, een slot dat voorzichtig wordt geopend met een sleutelkaan, gekuch of flarden van een vrijpartij (het verschil is moeilijk te horen), misschien een kamer of vijf verderop in de gang. Moeilijk te zeggen welke kamer. Achter twee ramen van de universiteit aan de overkant van de weg brandt licht, vast overijverige of wanhopige studenten die daar de hele nacht hebben gezeten en straks naar huis gaan. Ze bevinden zich in een andere stilte, een mildere stilte, waar aan het einde van de doorwaakte nacht een beloning wacht, wat die ook moge zijn.“

 

Johan Harstad (Stavanger, 10 februari 1979)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Elizabeth Bishop werd geboren op 8 februari 1911 in Worcester, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Elizabeth Bishop op dit blog.

 

De kaart

Land ligt in water; is geschaduwd groen.
Schaduwen, of zijn het zandbanken, aan de randen
afgebiesd met lange zeewierige banden
waar wieren naar eenvoudig blauw overhangen vanuit het groen.
Of leunt het land voorover om de zee vanonder op te tillen
en plooit haar onverstoorbaar om zich heen?
Trekt langs de delicaat geelbruine rand van steen
het land van onderen aan de zee?

De schaduw van Newfoundland ligt plat en stil.
Labrador is geel, waar de dromerige Eskimo
het heeft geolied. Wij kunnen deze lieflijke baaien strelen,
onder een loep alsof zij dan zouden gaan bloeien,
of om onzichtbare vissen van een schone leefomgeving te geven.
De namen van kustplaatsen lopen uit in zee,
de namen van steden lopen dwars door de nabije bergen
– de drukker ervaart hier dezelfde opwinding
als wanneer emotie zich te ver te buiten gaat.
Deze schiereilanden nemen het water tussen duim en wijsvinger
als vrouwen die de soepelheid van ellewaar beproeven.

In kaart gebrachte wateren zijn kalmer dan het land,
lenen het land hun eigen golvende structuur:
de Noorse haas rent opgewonden naar het zuiden,
profielen onderzoeken waar zee grenst aan land.
Worden ze hun toegewezen, of kiest elk land zijn eigen kleur?
– Wat bij het karakter of de inheemse wateren ’t beste past.
Topografie trekt niemand voor: west is even ver als noord.
Fijnzinniger dan die van geschiedschrijvers zijn de cartografenkleuren

 

Vertaald door J. Bernlef

 

Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e februari ook mijn blog van 10 februari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

John Coetzee, Elizabeth Bishop

De Zuidafrikaanse schrijver John Maxwell Coetzee werd geboren op 9 februari 1940 in Kaapstad. Zie ook alle tags voor John Coetzee op dit blog.

Uit: The Death of Jesus

“It is a crisp autumn afternoon. On the grassy expanse behind the apartment block he stands watching a game of football. Usually he is the sole spectator of these games played between children from the block. But today two strangers have stopped to watch too: a man in a dark suit with, by his side, a girl in school uniform. 
The ball loops out to the left wing, where David is playing. Trapping the ball, David easily outsprints the defender who comes out to engage him and lofts the ball into the centre. It escapes everyone, escapes the goalkeeper, crosses the goal line.
In these weekday games there are no proper teams. The boys divide up as they see fit, drop in, drop out. Sometimes there are thirty on the field, sometimes only half a dozen. When David first joined in, three years ago, he was the youngest and smallest. Now he is among the bigger boys, but nimble despite his height, quick on his feet, a deceptive runner.
There is a lull in the game. The two strangers approach; the dog slumbering at his feet rouses himself and raises his head.
‘Good day,’ says the man. ‘What teams are these?’
‘It is just a pick-up game between children from the neighbourhood.’
‘They are not bad,’ says the stranger. ‘Are you a parent?’
Is he a parent? Is it worth trying to explain what exactly he is? ‘That is my son over there,’ he says. ‘David. The tall boy with the dark hair.’
The stranger inspects David, the tall boy with the dark hair, who is strolling about abstractedly, not paying much attention to the game.
‘Have they thought of organizing themselves into a team?’ says the stranger. ‘Let me introduce myself. My name is Julio Fabricante. This is Maria Prudencia. We are from Las Manos. Do you know Las Manos? No? It is the orphanage on the far side of the river.’
‘Simón,’ says he, Simón. He shakes hands with Julio Fabricante from the orphanage, gives Maria Prudencia a nod. Maria is, he would guess, fourteen years old, solidly built, with heavy eyebrows and a well developed bust.
‘I ask because we would be happy to host them. We have a proper field with proper markings and proper goalposts.’
‘I think they are content just kicking a ball around.’
‘You do not improve without competition,’ says Julio.
‘Agreed. On the other hand, forming a team would mean selecting eleven and excluding the rest, which would contradict the ethos they have built up. That is how I see it. But maybe I am wrong. Maybe they would indeed like to compete and improve. Ask them.’

 

John Coetzee (Kaapstad, 9 februari 1940)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Elizabeth Bishop werd geboren op 8 februari 1911 in Worcester, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Elizabeth Bishop op dit blog.

 

Een wonder als ontbijt

Om zes uur zaten wij te wachten op koffie,
op koffie en de barmhartige kruimel
te serveren vanaf een bepaald balkon,
– als koningen van weleer, of als een wonder.
Het was nog donker. Een voet van de zon
vond steun op een lange rimpel in de rivier.

De eerste veerboot was net aan de overkant van de rivier.
Het was zo koud dat wij hoopten dat de koffie
gloeiend heet zou zijn, wel begrijpend dat de zon
ons niet zou verwarmen; noch dat de kruimel
een brood de man zou worden, beboterd, als door een wonder.
Om zeven uur betrad een man het balkon.

Een minuut lang stond hij alleen op het balkon
en keek over onze hoofden naar de rivier.
Een bediende overhandigde hem de ingrediënten voor een wonder,
bestaande uit een enkele kop koffie
en een stuk brood, dat hij brak, kruimel voor kruimel,
zijn hoofd, als het ware, in de wolken – samen met de zon.

Was de man gek? Wat onder de zon
probeerde hij te doen, daarboven op zijn balkon!
Eenieder ontving een tamelijk harde kruimel,
die sommigen vol minachting wegtikten in de rivier,
en, in een kopje, één druppel van de koffie.
Sommigen van ons bleven talmen, wachtend op het wonder.

Ik kan vertellen wat ik daarna zag; het was geen wonder.
Een mooie villa stond in de zon
en uit al haar deuren stroomde de geur van hete koffie.
Aan de voorkant, een barok wit gipsen balkon
uitgebouwd door vogels, die nestelen langs de rivier,
– ik zag het met één oog vlak bij de kruimel –

en gaanderijen en marmeren kamers. Mijn kruimel
mijn woonstee, voor mij gemaakt door een wonder,
door tijd, insecten, vogels, en door de rivier
die stenen bewerkt. Elke dag, in de zon
als het tijd voor ontbijt is, zit ik op mijn balkon
met mijn voeten omhoog, en drink mokken vol koffie.

We likten de kruimel op en slurpten de koffie.
Een raam aan de overkant van de rivier ving de zon
alsof het wonder plaatsgreep, op het verkeerde balkon.

 

Vertaald door J. Bernlef

 

Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e februari ook mijn blog van 9 februari 2019 en mijn blog van 9 februari 2017 en ook alle drie blogs van 9 februari 2014.

Rachel Cusk, Elizabeth Bishop

De Canadese schrijfster Rachel Cusk werd geboren op 8 februari 1967 in Saskatoon. Zie ook alle tags voor Rachel Cusk op dit blog.

Uit: The Last Supper. A Summer in Italy

“At night I would often be woken by noise from the road, and afterward would lie awake for hours, unable to sleep. The noise, which was of a strange drunken revelry, would usually begin long after the pubs had closed, though in the deeps of the night I never knew exactly what time it was. I was merely summoned by the sound of unearthly groans and shrieks outside my window that seemed to belong neither to the world nor to my dreams but somewhere in between. They might have been men’s voices or women’s, it was hard to tell. The noise they made came from a region that outlay human identity. Their long, inchoate monologues, vocalized yet senseless, seemed to name something that afterward could not be specified, to describe what by daylight appeared indescribable.
This demoniacal groaning would often go on for so long that it seemed impossible it could be coming from living people passing on the pavements. It was the sound of lost souls, of primitive creatures bellowing far inside the earth. Yet I never got up to look: the noise was so unreal that it was only when it stopped that I felt myself to be actually awake. Then I would lie there, full of a feeling of insecurity, as though the world were a wildly spinning fairground ride from which my bed might work loose and be somehow flung away. The groaning sounds and the darkness and the carelessly spinning earth, offering me its fathomless glimpses of space, of nothingness: all this would run on for one hour or two or three, I couldn’t tell.The hours were blank and sealed, filled with gray information: one after another they were dispatched.
Then another sound would begin, dimly at first, a kind of humming or droning, steady and industrious. After a while it filled the room with its monotonous note. This was the sound of traffic. People were going in their cars to work. A little later a finger of wan light showed itself at the curtains. When I was a child the night seemed as big as an ocean to me, deep and static: you rowed across it for hour after hour and sometimes got so lost in time and darkness that it seemed as if the morning might never be found. Now it was a mere vacuum, filling up with human activity as a dump is filled with discarded objects. It was an empty space into which the overcrowded world was extending its outskirts, its sprawl.”

 

Rachel Cusk (Saskatoon, 8 februari 1967)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Elizabeth Bishop werd geboren op 8 februari 1911 in Worcester, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Elizabeth Bishop op dit blog.

 

De denkbeeldige ijsberg

Liever de ijsberg dan het schip,
al zou dan de reis ten einde zijn.
Al stond hij stokstijf stil als wolkige rots
en was de hele zee van bewegend marmer.
Liever de ijsberg dan het schip;
liever deze sneeuwvlakte die ademhaalt in eigendom
al lagen de zeilen van het schip op zee gespreid
zoals de sneeuw onopgelost op het water.
O plechtstatige, drijvende wei,
weet je dat een ijsberg onverschrokken op je rust
en, eenmaal wakker, wellicht gaat grazen van je vlokken?

Dit is een tafereel waarvoor een zeeman zijn ogen geven zou.
Het schip wordt genegeerd. De ijsberg stijgt
en daalt; zijn glasgladde toppen
corrigeren ellipsen in de lucht.
Dit is een tafereel waarin hij die de planken op gaat
Op een natuurlijke manier retorisch is. Het doek
is licht genoeg om op te gaan aan ragfijne draden
gesponnen door ijl rondkolkende sneeuwvlagen.
De geestkracht van deze witte pieken
meet zich met de zon. Zijn gewicht vertoont de ijsberg onvervaard
op een draaitoneel waarop hij staat en staart.

Deze ijsberg slijpt zijn facetten van binnen uit.
Als edelgesteente in een graf
conserveert hij zich voor eeuwig en
tooit alleen zichzelf wellicht de vlokken
die tot onze verbazing blijven liggen op de zee.
Vaarwel, zeggen wij, vaarwel, het schip wendt de steven
naar waar golven in elkanders golven overgaan

 

Vertaald door J. Bernlef

 

Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e februari ook mijn blog van 8 februari 2019 en ook mijn blog van 8 februari 2015.

Johan Harstad, Elizabeth Bishop

De Noorse schrijver Johan Harstad werd geboren op 10 februari 1979 in Stavanger. Zie ook alle tags voor Johan Harstad op dit blog.

Uit: Chlorine (Vertaald door Deborah Dawkin en Erik Skuggevik)

“I have been weighed and found wanting. It’s nearly two o’clock, the last lesson of the day, and I am standing at the back of the diving board, right on its edge, and in front of me are the others, others who are going to dive, and soon it will be my turn. But it’s impossible. Come what may. I know it.
But I’ve got to do it. This is the final dress rehearsal. The last chance but one. I must walk out onto the diving board, bend my knees, and push out with all my strength, dive out into the pool, break the water’s surface, kick my way downward, I must reach the bottom of the pool, find the lifeless plastic dummy down there, rescue her, bring her to the surface with me, pull her after me toward land, up onto the slippery tiles of the swimming hall, and save her life. That is what I’ve got to do. And when I’ve done it a slip of paper will come out of her side, out of a waterproof hatch, a note saying she is alive, showing the frequency of her heartbeat, that she is breathing, evenly, and that she will pull through, even though she has been under water for too long, much too long. Now, it’s my turn.
You’ve got to do it. It is one of the requirements for Physical Education in your last year of senior school, and it’s now it counts, and I’ve been dreading this moment, I shan’t manage it, yet I have to save her, I have to get that piece of paper from out of her, otherwise I’ll be defeated, and I’ll flunk P.E., and I can’t afford to do that. So I jump. I dive out over the side and disappear down into the water, get chlorine in my eyes, gasp for air that isn’t there, and my body turns stubbornly in the water and I come floating to the top, breaking through the water’s surface, a foot first and then my head, I barely draw breath, see the teacher standing by the diving board in her white trousers and blue T-shirt, and around her neck hangs the whistle, when she blows it I’ll be finished, then I can come up onto land again, but she doesn’t blow, she shouts out try again!—and I duck my head beneath the water, and far below there’s something red, which must be her, the one that’s drowned, and I need to reach her, so I kick off, my ears hurting, and I kick, kick, but I don’t reach any farther, my lungs are completely empty, I’m aching, and I begin to travel downward, but not fast enough, my body veers off course, twists, and I come floating to the surface, she blows the whistle, next!
When you’ve finished your dive, you get left in peace for a few minutes, get to sit and gather yourself on the bench beside the large windows where the sun comes in and glistens in the water. I sit on the bench, shivering, smelling chlorine, and the next one dives out, I watch him disappear to the bottom, take hold of the dummy, and come back up with her around him, he grabs her under the chin, holds her head high and swims with her into land, pulls her up after him onto the poolside, lays her on the tiles and checks her pulse, presses his lips against her lips of rubber, blows life into her, finds the correct spot and massages her heart, giving her life back, a gift, and the teacher blows the whistle, goes over to him, checks the slip of paper ejected from her waist, it looks fine, excellent graphs, she rips the printout off, staples it in her book under his name, and writes satisfactory, or something of the sort, a grade, then casts the dummy back out again, she drowns anew, undramatically, stoically.”

 

Johan Harstad (Stavanger, 10 februari 1979)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Elizabeth Bishop werd geboren op 8 februari 1911 in Worcester, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Elizabeth Bishop op dit blog.

 

De berg

’s Avonds iets achter me.
Ik schrik een seconde, deins terug
Of stop huiverend en verbrand.
Ik weet mijn leeftijd niet.

In de ochtend is het anders.
Een open boek confronteert me,
te dichtbij om comfortabel te lezen.
Zeg me hoe oud ik ben.

En dan stoppen de valleien
ondoordringbare nevels
als katoen in mijn oren.
Ik weet mijn leeftijd niet.

Ik ben niet van plan te klagen.
Ze zeggen dat het mijn schuld is.
Niemand vertelt me iets.
Zeg me hoe oud ik ben.

De diepste afbakening
kan zich langzaam verspreiden en wegzinken
zoals elke vervaagde tatoeage.
Ik weet mijn leeftijd niet.

Schaduwen vallen neer; lichten stijgen op.
Klauterende lichten, oh kinderen!
Jullie blijven nooit lang genoeg.
Zeg me hoe oud ik ben.

Stenen vleugels zijn hier gezeefd
met veren die veren verharden.
De klauwen zijn ergens verloren.
Ik weet mijn leeftijd niet.

Ik word doof. Vogelgeroep
druppelt en de watervallen
zijn ongeschonden. Wat is mijn leeftijd?
Zeg me hoe oud ik ben.

Laat de maan gaan hangen,
de sterren gaan vliegeren.
Ik wil mijn leeftijd weten.
Zeg me hoe oud ik ben.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e februari ook mijn blog van 10 februari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

John Coetzee, Elizabeth Bishop

De Zuidafrikaanse schrijver John Maxwell Coetzee werd geboren op 9 februari 1940 in Kaapstad. Zie ook alle tags voor John Coetzee op dit blog.

Uit: The Lives of Animals

“He is waiting at the gate when her flight comes in. Two years have passed since he last saw his mother; despite himself, he is shocked at how she has aged. Her hair, which had had streaks of gray in it, is now entirely white; her shoulders stoop; her flesh has grown flabby.
They have never been a demonstrative family. A hug, a few murmured words, and the business of greeting is done. In silence they follow the flow of travelers to the baggage hall, pick up her suitcase, and set off on the ninety-minute drive.
“A long flight,” he remarks. “You must be exhausted.”
“Ready to sleep,” she says; and indeed, en route, she falls asleep briefly, her head slumped against the window.
At six o’clock, as it is growing dark, they pull up in front of his home in suburban Waltham. His wife Norma and the children appear on the porch. In a show of affection that must cost her a great deal, Norma holds her arms out wide and says, “Elizabeth!” The two women embrace; then the children, in their well-brought-up though more subdued fashion, follow suit.
Elizabeth Costello the novelist will be staying with them for the three days of her visit to Appleton College. It is not a period he is looking forward to. His wife and his mother do not get on. It would be better were she to stay at a hotel, but he cannot bring himself to suggest that.
Hostilities are renewed almost at once. Norma has prepared a light supper. His mother notices that only three places have been set. “Aren’t the children eating with us?” she asks. “No,” says Norma, “they are eating in the playroom.” “Why?”
The question is not necessary, since she knows the answer. The children are eating separately because Elizabeth does not like to see meat on the table, while Norma refuses to change the children’s diet to suit what she calls “your mother’s delicate sensibilities.”
“Why?” asks Elizabeth Costello a second time.
Norma flashes him an angry glance. He sighs. “Mother,” he says, “the children are having chicken for supper, that’s the only reason.”
“Oh,” she says. “I see.”
His mother has been invited to Appleton College, where her son John is assistant professor of physics and astronomy, to deliver the annual Gates Lecture and meet with literature students. Because Costello is his mother’s maiden name, and because he has never seen any reason to broadcast his connection with her, it was not known at the time of the invitation that Elizabeth Costello, the Australian writer, had a family connection in the Appleton community. He would have preferred that state of affairs to continue.”

 

John Coetzee (Kaapstad, 9 februari 1940)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Elizabeth Bishop werd geboren op 8 februari 1911 in Worcester, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Elizabeth Bishop op dit blog.

 

Zelfmoord van een gematigde dictator

Dit is een dag waarop de waarheden misschien naar buiten komen;
lekken uit de bungelende oortelefoons
en de kracht van de versierde schakelborden ondermijnen;
uit de ramen vallen, van de vensterbanken waaien,
– de vage, ietwat onopvallende inhoud
van het legen van asbakken; afgeven aan onze vingers
zoals inkt van de niet-proefgelezen kranten,
zoals de onscherpe foto’s
van snode gezichten die onze jassen vervuilen,
onze jassen met tropisch gewicht, als doodgeslagen motten.

Vandaag is een dag waarop degenen die werken
rondhangen. Degenen die speelden, moeten werken
en zich haasten, ook, om het voor elkaar te krijgen,
met weinig of geen waardigheid.
De kranten worden verkocht; de luiken van de kiosk
vallen neer. Maar hoe dan ook, in de nacht
schreven de koppen zichzelf, kijk, op de straat
en de trottoirs overal; het bezinksel spat
zelfs tot de eerste verdiepingen van appartementsgebouwen.

Dit is ook een mooie dag
en warm en helder. Om zeven uur zag ik
honden uitgelaten worden langs het beroemde strand
zoals gewoonlijk, in een glanzende grijsgroene dageraad,
hun pootafdrukken achterlatend in het nat.
De lijn van brekers was stabiel en de roze,
opgesplitste regenboog hing er aldoor boven.
Om acht uur waren twee kleine jongens aan het vliegeren.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e februari ook mijn blog van 9 februari 2019 en mijn blog van 9 februari 2017 en ook alle drie blogs van 9 februari 2014.