Jos van Daanen, Nora Gomringer, Jonathan Carroll, Florin Irimia, Menno ter Braak, Achim von Arnim, Rudolf Alexander Schröder, Michiel van Rooij, Martijn den Ouden

De Nederlandse dichter en schrijver Jos van Daanen werd geboren op 26 januari 1959 in Kerkrade. Zie ook alle tags voor Jos van Daanen op dit blog

 

Een loden jas

Jij was de man met de loden jas, die
een vrouwenvel om mijn schouders sloeg,
een zachte grijns tegen mijn oor duwde
en fluisterde: hier, houd haar maar warm.

Maar lege huid is zwaarder dan lucht
en een enkele keer zelfs zwaarder dan
het woord dat op mijn adem wegdrijft
naar je verdwijnpunt achter het raam.

Ten slotte drukte de vrouw
mijn lichaam tegen de koude ondergrond
van het kavel dat jij had uitgezet, tot het vuur in mij
door verstikking om het leven kwam.

 

Over de loop der dingen

Bij de bank in het park
haalt de man zijn adem,
schichtig, in zakjes
van twintig grammen

zijn vrouw telt haar schreden
maar heeft niets met cijfers
noch met de afstand tot haar huis

een zoon praat op een kist
over wind en blaadjes
een duif slaat de woorden op
en koert haar bewondering

er schijnt nog zon over
de stad wacht geduldig
tot de man is opgelucht
de vrouw is uitgeteld

de kist begraven is.

 

 
Jos van Daanen (Kerkrade, 26 januari 1959)

 

De Zwitsers-Duitse dichteres Nora Gomringer werd geboren op 26 januari 1980 in Neunkirchen an der Saar. Zie ook alle tags voor Nora Gomringer op dit blog.

 

PLUMBUM

“… en kunt u deze toestand eens in uw eigen woorden beschrijven?”

de zwarte hond
de jurk van lood
de nacht in de veren

het wezen van nevel
de weg van wegen
de vragen van leder

het grote zwijgen
de som van tijd
het lichaam zonder zoom

“De drugs helpt/ de dag wordt licht/ het leven: droom.”

 

Vertaald door Maud Vanhauwaert

 

TEREDO NAVALIS

In Stockholm, wo man in den 60er Jahren ein Schiff
der 1600er barg, wo du sie, immer sie anriefst,
sie, die ein Weltgesicht aller hat,
da kroch er uns namentlich über den Weg.

Teredo Navalis –
ein Name, der Schrecken verbreitet,
Frauen und Kinder fürchten macht,
aber viel mehr noch: den Käpt’n.

Teredo Navalis –
ein Bewohner der Wasa,
ein Gefangener des Elements,
eine Stufe des Seins, das noch nicht abgeschlossen.

Teredo Navalis –
Schiffsbohrwurm von bis zu 60 Zentimetern Länge.

Während wir durch das Museum streiften,
um ein gesunkenes Großunternehmen herum,
sank mein parasitär besetztes Herz
mit allen Organen der Flotte.

Hatte nicht einer Steine mir in den Bauch genäht,
als ich offen klaffte vor Eifersucht?

Teredo Navalis –
du Seemannsspulwurm, es steckt in dir
wie in allem seither
das brackwasserfaule

Warum

 


Nora Gomringer (Neunkirchen an der Saar, 26 januari 1980)

 

De Amerikaanse schrijver Jonathan Carroll werd geboren op 26 januari 1949 in New York. Zie ook alle tags voor Jonathan Carroll op dit blog.

Uit: White Apples

“Patience never wants Wonder to enter the house: because Wonder is a wretched guest. It uses all of you but is not careful with what is most fragile or irreplaceable. If it breaks you, it shrugs and moves on. Without asking, Wonder often brings along dubious friends: doubt, jealousy, greed. Together they take over; rearrange the furniture in every one of your rooms for their own comfort. They speak odd languages but make no attempt to translate for you. They cook strange meals in your heart that leave odd tastes and smells. When they finally go are you happy or miserable? Patience is always left holding the broom.
* * *
She liked candles in the bedroom. As far as Ettrich was concerned, candles were for churches, power outages, and the tops of birthday cakes. But he never said that to her, not even as a joke. She was very sensitive—she took whatever he said seriously. Soon after they met he realized he could hurt her easily, too easily. One nasty word or sarcastic phrase was enough to knock her flat. She confessed she had only recently gone beyond the point of feeling she had to please the whole world.
She said things like that. “I did drugs even though I hate them. But I wanted my boyfriend to love me so I took drugs with him. I was a terrible coward.” She admitted to mistakes. Early on, she was willing to tell him some of her most revealing secrets. It was thrilling and disconcerting at the same time. He loved her a little.
One day while walking through town he passed the store. When it came to women, Vincent Ettrich’s eyes were the most voracious part of his body. Even when he wasn’t fully aware of it, his eyes saw everything that had to do with women: what they wore, how they smoked, the size of their feet, the way they pushed their hair, the shape of their purses, the color of their fingernails. Sometimes it took a second for him to realize something had already registered in his mind—a detail, a sound, a wisp. Then he would look again. Invariably his unconscious sensors had been correct—the sheen of sunlight off a green silk blouse pulled taut over a great pair of breasts. Or a hand on a table, a rough stubby hand, surprisingly connected to a chic woman. Or unusual almond-shaped eyes reading a French sport newspaper. Or just the radiance of a plain woman’s smile that transformed her face completely.”

 


Jonathan Carroll (New York, 26 januari 1949)
Cover

 

De Roemeense schrijver, criticus, letterkundige en vertaler Florin Irimia werd geboren in Iași op 26 januari 1976.Zie ook alle tags voor Florin Irimia op dit blog.

Uit: A Few Things about You (Vertaald door Alistair Ian Blyth)

“But which holds, which works, as long as nobody throws you out of the window. As long as you do not think too much about how it is only an illusion. The clock on the mobile ‘phone shows 2:56 in large figures. Almost three in the morning. My mouth is dry and heavy, as if it were lined with a thousand pebbles. I ought to go to the toilet. No! To spit, rinse my mouth out. No. Don’t go! Why? It doesn’t matter. Why doesn’t it matter? It’s better this way. I don’t want you to go there. I swallow. I sense something coming towards me, like an evil spirit, like a spy sent up from Hell, it stalks me, sniffing my heart, which starts to beat faster. A cold, malign sweat oozes through my skin and as it does so I remember what I dreamed…
The light in the bathroom. The tap running. Signs of somebody having been in there. The scene left behind, the painting of a demented artist. But dreams are dreams, an intense, somehow necessary cerebral activity, but nothing more. They are not premonitions, they do not reveal to us what we are afraid to discover for ourselves. We dream in order to forget, some say, not to remember. Perhaps this is just what happened to me: I dreamed too much during all this time, and now… now the telephone is ringing. Not the mobile. It is the landline. From somewhere far away. And the buzzing is not from this century. It sounds ceremonious and lugubrious, with long pauses between each buzz, and it is coming… Where is it coming from? It is as if it were from another room. From another room, but still one occupied by me. It looks like I am staying in a suite. I didn’t remember that. Neither that nor all the other things. A feeling of helplessness, of being abandoned, as if I had woken up to find myself bound to a chair and was now about to be tortured. A feeling of inadequacy, of incompatibility with the world. Bewilderment in the face of destiny’s parsimoniousness. Consternation. Angst. The foregoing crowd together now, trying to find room in my head, like beggars in front of a table laid with alms. I don’t want to answer it. Who could be ‘phoning me at three in the morning? But maybe it is something important. Something vital, something crucial, perhaps at the other end of the line is a voice that wants to come to my aid. As if such voices existed…
“Hello?”
“Hello, good morning, I’m calling from reception. It’s three a.m. You asked for a wake-up call.”


Florin Irimia (Iași, 26 januari 1976)

 

De Nederlandse schrijver Menno ter Braak werd geboren op 26 januari 1902 in Eibergen. Zie ook alle tags voor Menno ter Braak op dit blog.

Uit: Het lezen van poëzie

“Hoe men dan poëzie leest? Ik geloof, op de rand van de slaap en de droom. Poëziebundels koopt men om ze in de boekenkast te zetten, en er van tijd tot tijd met diepe genegenheid naar te kijken en ze dan in een onbewaakt ogenblik uit de kast te nemen, ze verstrooid door te bladeren, in een stoel te gaan zitten, twee, drie, acht gedichten ‘op te nemen’ en ze dan weer weg te zetten. Daarvan behoudt men het verrukkelijke, maar daarom nog niet met dwaze theorieën te idealiseren gevoel, dat men in zijn kast een verzameling taalbeelden bewaart, die een geheel andere waarde hebben dan etsen en aquarellen, omdat zij door het woord op een bijzondere wijze verzwagerd zijn met het redelijk argument, zonder zich, als de logica, te verliezen in de techniek dier redelijkheid zelf.
Alle geur der beeldende kunst verbindt zich met alle aangeduide mogelijkheden van het denken; ziedaar voor mij één van de voornaamste bekoringen der poëzie.
De poëzie van Slauerhoff is mij daarom zo dierbaar, omdat zij dit karakter van bindstof tussen logica en beeld zo volkomen en oprecht bezit. Ik herinner mij altijd nog, hoe zijn prachtig gedicht Chlotarius (opgenomen in de bundel Saturnus) mij betoverde, en wel vooral door de volgende regels, waarin de uitzonderingspositie van de knaap Chlotarius wordt getekend:

’t Hoogst steeg de prille prinselijke haat
Tegen de norsche noordlijke vazallen,
Wier baarden op hun harnas dalen, hard en
Ruig als vuilzwartbevroren watervallen.

Zij leken op de oude Longobarden
Die hangen, sluw en somber afgeschilderd,
In ’n zaal waar ’t zonlicht vleermuisschuw verwildert,
Waar de avond daalt als nauw de noen begonnen.

Hoe vaak ik deze bundel ook uit de kast neem en in een verloren ogenblik die regels overlees, altijd weer ril ik even om de feilloze ‘juistheid’, waarmee Slauerhoff het beeld van die vazallen en Longobarden weet op te roepen; zonder één woord te veel, zonder de uitvoerigheid van een schilderij, met een zuiverheid van taalnuance, die alleen voort kan komen uit een onbedorven beeldende intuïtie, in bedwang gehouden door de even natuurlijke distinctie van de ontdekker van mensenzielen, wiens hartstocht niet uitgaat naar het alleen-maar-pittoreske, maar in de eerste plaats naar het voor de mens kenmerkende detail.”

 


Menno ter Braak (26 januari 1902 – 14 mei 1940)
Portret door Paul Citroen, 1939

 

De Duitse dichter en schrijver Achim von Arnim werd geboren in Berlijn op 26 januari 1781. Zie ook alle tags voor Achim von Arnim op dit blog.

 

In Frankfurt am Main

Zuweilen that mir das Herz so weh,
Als ob es wär gesprungen,
Und wenn ich dann recht in mich geh′,
So hat mir das Ohr geklungen.
Was klingt das Ohr, was schlägt das Herz,
So laut an die großen Glocken?
Es treibt der Himmel im Herzen Scherz,
Da ist der Verstand erschrocken,
Und schiebt es wohl auf die Witterung
Und auf die vergangnen Zeiten,
Wer liebt, der ist noch im Himmel jung
Und schauet die Erden von Weitem.

 

Bienenlied
(Fliegendes Blat)

Ein Liedlein will ich singen,
Vom Honigvögelein,
Die hin und her sich schwingen,
Wo bunte Blumen seyn.
Das Völklein in dem Grünen,
Es schmauset auf der Weid,
Ich singe von den Bienen,
Auf dieser freien Haid.

Der Winter hält gefangen
Das zarte Jungfernvolk,
Bis daß der Schnee vergangen,
Frost, Schauer, Nebelwolk.
Und wann die Weste stimmen,
Nach linder Lenzen Art,
So machen sich die Immen
Auf ihre Blumenfahrt.

Sie ziehen mit der Trummel,
Der Stachel weist das Schwerdt;
Ihr Brummel und Gehummel
Hat niemand noch gefährdt.
Sie nehmen sonder Morden
Den zarten Blumenraub,
Und ihre Beut ist worden
Der Baum und Blüthen Laub.

Wie sie die Wachsburg bauen,
Aus güldnem Pergament,
Kann niemand nicht beschauen,
Ja keines Künstlers Händ
Hat man so sehr bewundert,
Die Zimmerchen so gleich,
Sechseckigt ist gesondert
Das Honigkönigreich.

Man sieht sie friedlich leben
Ohn Eigennutz und Streit,
In steter Mühe weben,
Zu Lenz und Winterszeit;
Sie pflegen einzutragen
Der Blumen Saft und Thau,
Und führen mit Behagen
Gesammt den Zuckerbau.

 

 
Achim von Arnim (26 januari 1781 – 21 januari 1831)
Cover

 

De Duitse dichter en schrijver Rudolf Alexander Schröder werd geboren op 26 januari 1878 in Bremen. Zie alle tags voor Rudolf Alexander Schröder op dit blog

 

Im halben Eis

Blick in die Welt und lerne leben,
bedrängt Gemüt;
braucht nur ein Tauwind sich zu heben
und alles blüht.

Die Hasel stäubt, am Weidenreise
glänzt seidner Glast,
Schneeglöckchen lenzt im halben Eise
und Seidelbast.

Braucht nur ein Tauwind sich zu heben. –
Verzagt Gemüt,
blick in die Welt und lerne leben;
Der Winter blüht!

 

Komm, der unsre Fragen schweigt

Komm, der unsre Fragen schweigt, Pilgrim, werter Gast,
halte, weil der Tag sich neigt, in der Herberg Rast.

Bleib und mach die Herzen still, der die Herzen schaut:
weiß kein Herz doch, was es will, eh sich’s dir vertraut.

Weiß nicht eins, was ihm gebricht, oder was ihm frommt,
kennt sich in der Fremde nicht, wenn der Abend kommt.

Rede Meister und erklär unserm Fuß die Bahn,
lehr uns wandeln auf dem Meer, wie du selbst getan.

Lehr uns werben, wie du warbst, ringen wie du rangst,
und wo du in Ängsten starbst, sterben unsrer Angst.

Segn’ und brich uns unser Brot, Herr, und lass dich sehn,
wo wir zwischen Tod und Tod als die Blinden stehn.

Unser Müh’n und unsre Macht zahlt den Zoll der Welt.
Doch du sprangest in die Schlacht und gewannst das Feld.

Und nun wacht und trotzt dem Neid, wer dich hält und hegt,
wenn der Feind zu argen Zeit seine Schlingen legt.

Dunkel ward’s die Welt schläft ein; gönn uns dein Gesicht:
und die Nacht wird Morgen sein und der Abend Licht.

 

 
Rudolf Alexander Schröder (26 januari 1878 – 22 augustus 1962)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichter en schrijver Michiel van Rooij werd geboren in Eindhoven in 1982. Zie ook alle tags voor Michel van Rooij op dit blog.

 

Rue du Moulin des Pres

Aan het raam staande.
Leunend op smeedwerk.
Gitanes tussen de lippen.
Geluid van hakken bereikt
me galmend.
Rue du Moulin des Pres.

Ze trekt me mee, weg van
Prevert, met haar wapperend
haar, op het ritme van Chet Baker.
Ik zou hier eigenlijk geen
gedicht over kunnen schrijven.

Het is te Parijs. Te zoals je het
je altijd voor zou stellen.
Het is dat ik er zelf bij ben.
Anders zou niemand het geloven.
Dat ik hier. Dat het hier.
precies zo is geweest.

 

 
Michiel van Rooij (Eindhoven, 1982)

 

De Nederlandse dichter en beeldend kunstenaar Martijn den Ouden werd geboren in Nieuw-Lekkerland in 1983.Zie ook alle tags voor Martijn den Ouden op dit blog.

 

ik slaap veel

ik slaap veel
ik heb mijn dromen nodig

in juni 1986 nog
droomde ik van een schip dat met spinnenpoten over de horizon
kroop
zijwaarts
met gehesen zeilen
het was windstil

het waait nooit in mijn dromen
het is er altijd nacht
er zijn vrouwen zonder monden
kinderen

geruisloos
duiken zij op

omdat het nacht is zijn mijn dromen blauw
blauw dat zich langzaam volzuigt met nattigheid
niet dat het regent
je ziet de nacht gewoonweg langzaam wakker worden

de betonnen maan
het lispelend water
de asgrauwe duinen
het spinnend schip
vastgeniet aan de aarde
dan weer zijn zij los
zij schuiven in de windloze nacht

de feesten waar ik niet bij kan zijn drijven op zwart water

 


Martijn den Ouden (Nieuw-Lekkerland, 1983)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e januari ook mijn blog van 26 januari 2018 en ook mijn blog van 26 jauari 2016 en mijn blog van 26 januari 2014 deel 1 en deel 2 en eveneens deel 3.

Florin Irimia

De Roemeense schrijver, criticus, letterkundige en vertaler Florin Irimia werd geboren in Iași op 26 januari 1976. Hij is assistent-professor aan de faculteit Letteren van de Alexander Jan Cuza-universiteit in Iași. Sinds 2001 heeft hij literatuurbesprekingen bijgedragen aan Observator Cultural, Roemenië Literara, Dilemateca, Timpul en Suplimentul de cultura, waarin hij een wekelijkse column schrijft. In 2009 debuteerde hij als schrijver in Noua Literatura (onder de naam Eduard Tautu) en in 2011 publiceerde hij zijn eerste roman, “Defekt”. Zijn roman “O fereastră întunecată” (“Een donker venster”) verscheen in 2012. Hij heeft “Oryx and Crake” van Margaret Atwood vertaald (2008) en mede-vertaalde, met Nicoleta Irimia, “Alias ​​Grace” van dezelfde auteur (2013). Hij publiceerde kort proza ​​in Familia, Steaua, Timpul, Zona Literara en Ziarul deIași. De roman “Câteva lucruri despre tine” (“Een paar dingen over jou”) verscheen in 2014.

Uit: A Few Things about You (Vertaald door Alistair Ian Blyth)

“I wake up abruptly and it is dark. I am alone and something tells me that I ought not to be and that in a few seconds the fear will grip me once more. Fear and revulsion at something. Something I have done, something that ought not to have happened, but did happen, something horrible, like an incurable disease, like a premature and violent death. Something for which I will have to make a reckoning. My ears are hissing like I had two seashells bunged inside them, and somewhere, in my brain, a malevolent little man is crushing a mound of walnuts with a hammer. There ought to have been someone beside me in bed. Yes, a sleepy, naked woman, my guarantee that I have things under control. A trace of memory, a diffuse feeling, the memory of a reality that perhaps did not take place signals to me the absence. I try to detect a trail of perfume in the air, among the sheets, something to tell me that I am not mistaken, but when I inhale I smell only the ordinary odour of a hotel room. I close my eyes and my limbs begin to tremble, a fine, almost imperceptible tremor, which would be visible only on a sheet of transparent plastic. Then, I think I fall asleep. And I become thirsty. I dream I get out of bed and go to the bathroom to pour myself a large glass of water. The door is closed, but the light is on inside. As if somebody were in there already. As if that somebody were waiting for me. I can hear the tap running, evenly, monotonously, conveying to me some kind of message. I dream that I am afraid. I grip the doorknob and am about to turn it, but in that same instant I wake up. I lie motionless, waiting to ascertain where I am (in a hotel room), whether it is summer or winter outside (it is spring), what day and month of the year it is (3 April). I couldn’t remember any of all that. In the end I looked around for a clock (my wristwatch has vanished or perhaps I never had one) and I found one in the form of a mobile ‘phone, placed neatly on the bedside table. The hour, the day and the month. The year is the current year… As for the hotel, I know only that it is a tall building, because I looked out of the window just now. I couldn’t see much – the window is small and rather narrow – but I saw that it was snowing, I have no idea what town this is, in this country all the towns look the same – but I could see that I was high up. At least literally, if not otherwise. I have always liked to take a hotel room on an upper storey. That I remember. It is as if you are above your destiny, above what others have decided in your stead. Which is an illusion, obviously.”

 
Florin Irimia (Iași, 26 januari 1976)