Petra Else Jekel, Henryk Sienkiewicz, Christopher Morley, Benno Barnard, Georg Trakl

De Nederlandse dichteres Petra Else Jekel werd in Arnhem geboren op 5 mei 1980. Op haar twaalfde werd haar interesse voor de dichtkunst gewekt door de bundel Voor wie ik liefheb wil ik heten van Neeltje Maria Min. Al gauw begon ze zelf te schrijven en al in haar middelbare schooltijd won ze enkele poëzieprijzen. Na haar middelbare school is ze kunstgeschiedenis gaan studeren aan de Rijksuniversiteit Groningen. Samen met Daniël Dee was ze voor het jaar 2000-2001 huisdichter van de universiteit. Begin 2006 heeft zij haar studie naar kunstenaarschap getiteld Kunstenaar zonder evenbeeld, in het kader van haar afstuderen als kunsthistoricus aan de Rijksuniversiteit Groningen afgerond. Onderwerp was de vormgeving van het hedendaagse kunstenaarschap en de invloed van gender hierop.

 

 

vanochtend stond er een andere vrouw

op uit mijn droom, het was half zeven en

het was van haar gestommel bij de kleren

kast dat ik ontwaakte. het kraantje in

de hoek stond luidkeels open, bezong

de ochtend door haar zwanenhals, bochten

soepel nemend. mijn dikste badlakens

lagen over tafel uitgespreid, het rook naar

zeep en de scherpe citrusgeur van haar

ontbijt. ik zag haar op de rug, mijn ogen

stokten op haar achterhoofd toen zweet

mij brak heel even voor de wekker zou.

 

 

 

hij praat als een gekapseisd schip

 

dat over zijn eigen railing hangt
golven hoest, in water ver is

hij tekent als die goede boom
die nors en nat om dalweg
kraagt, zijn hand drukt zwaar

secuur het blad, koel grijze kool
krijgt diepte, wortelt mij, zijn
hand garandeert contour, hij

komt steeds nader tot hij weer
verdwijnt, de omtrekslijn bewegend
sluit en schavend tot het mes valt

zijn voelen behelst mijn rug, gezicht, voetzolen
zijn voelen strekt zich uit over mijn veelheid
hij heeft me al betast voor hij me aanraakt
hij heeft mijn nek gebroken voor hij boog

jekel

Petra Else Jekel (Arnhem, 5 mei 1980)

 

De Poolse schrijver en journalist Henryk Adam Aleksander Pius Oszyk-Sienkiewicz werd geboren in Wola Okrzejska op 5 mei 1846. Henryk Sienkiewicz is vooral bekend van de historische roman Quo vadis uit 1895, dat verhaalt over het christendom tijdens de periode van de Romeinse keizer Nero (54 – 68). Een ander bekend werk is de trilogie over de strijd van de Polen voor een eigen land. De verhalen vertellen vooral over de dappere daden van de Polen. Het eerste deel van de trilogie verscheen in 1883 onder de naam Met Vuur en Zwaard. Drie jaar later verscheen De Stortvloed en het laatste boek verscheen in 1887 onder de naam Pan Wołodyjowski. Deze boeken waren behoorlijk populair toen ze uitkwamen, ook buiten Polen. In 1905 ontving hij de Nobelprijs voor de Literatuur, en was daarmee ook de eerste Pool die de Nobelprijs kreeg. Verder reisde Sienkiewicz in zijn leven onder meer door de VS. Van zijn reis door Amerika verscheen in 1959 het boek Portret van Amerika, samengesteld uit brieven die hij had geschreven ten tijde van de reis. Sienkiewicz week bij het uitbreken van de WO I uit naar Zwitserland. Daar stierf hij ook aan het eind van 1916.

Uit: Der Leuchtturmwärter

“Der Leuchtturmwärter ist nahezu ein Gefangener. Außer an Sonntagen darf er sein Felseneiland nicht verlassen. Ein Boot aus Aspinwall bringt ihm einmal täglich Lebensmittel und frisches Wasser und fährt gleich wieder fort; auf der ganzen Insel aber, die kaum einen Morgen groß ist, lebt keine Menschenseele. Der Leuchtturmwärter wohnt im Turm und hält ihn in Ordnung; tagsüber gibt er Zeichen, indem er, je nach Barometeranzeige, verschiedenfarbige Flaggen aushängt, abends dagegen entzündet er das Licht. Das wäre keine große Sache, wenn er nicht, um zu den Feuerstellen hoch oben auf dem Turm zu gelangen, über vierhundert Stufen einer ganz steilen Wendeltreppe bewältigen müßte, und ein Leuchtturmwärter unternimmt solche Ausflüge nicht selten mehrmals am Tag. Überhaupt ist dies ein Klosterleben, ja, es ist das Leben eines Einsiedlers. So kann es nicht verwundern, daß Mr. Isaac Falconbridge in arger Verlegenheit war, einen Nachfolger für den Verstorbenen zu finden, und seine Freude, als sich unerwartet noch am selben Tage ein Bewerber meldete, war nur zu verständlich. Es war ein alter Mann, bestimmt schon in den Siebzigern, dabei rüstig und ungebeugt. Bewegungen und Haltung verrieten den ehemaligen Soldaten. Sein Haar war weiß wie Schnee, das Gesicht sonnenverbrannt wie das eines Kreolen, aber den blauen Augen nach zu urteilen, kam er nicht aus dem Süden. Er sah bedrückt und traurig aus, machte jedoch einen ehrlichen Eindruck.“

 

SIENKIEWICZ

Henryk Sienkiewicz (5 mei 1846 – 15 november 1916)

 

De Amerikaanse journalist, schrijver en dichter Christopher Morley werd geboren op 5 mei1890 in Haverford, Pennsylvania. Hij studeerde aan Haverford College, en van 1910 tot 1913 aan het New College in Oxford. Terug in de VS werkte hij als uitgever en columnist van diverse tijdschriften en kranten. Bovendien publiceerde hij talrijke populaire verhalen en romans zoals Parnassus on Wheels (1917), The Haunted Bookshop (1919), Thunder on the Left (1925) en Kitty Foil (1939) (verfilmd in 1940). Ook organiseerde hij in New York de ‘Three-Hours for Lunch Club’, waaruit de Baker Street Irregulars, een Sherlock Holmes

 

 

Who Ever Loved That Loved Not at First Sight?

 

It lies not in our power to love or hate,
For will in us is overruled by fate.
When two are stripped, long ere the course begin,
We wish that one should love, the other win;

And one especially do we affect
Of two gold ingots, like in each respect:
The reason no man knows; let it suffice
What we behold is censured by our eyes.
Where both deliberate, the love is slight:
Who ever loved, that loved not at first sight?

 

 

The face that launch’d a thousand ships

 

Was this the face that launch’d a thousand ships,
And burnt the topless towers of Ilium?
Sweet Helen, make me immortal with a kiss.
Her lips suck forth my soul: see where it flies!
Come, Helen, come, give me my soul again.
Here will I dwell, for heaven is in these lips,
And all is dross that is not Helena.
I will be Paris, and for love of thee,
Instead of Troy, shall Wittenberg be sack’d;
And I will combat with weak Menelaus,
And wear thy colours on my plumed crest;
Yea, I will wound Achilles in the heel,
And then return to Helen for a kiss.
O, thou art fairer than the evening air
Clad in the beauty of a thousand stars;
Brighter art thou than flaming Jupiter
When he appear’d to hapless Semele;
More lovely than the monarch of the sky
In wanton Arethusa’s azur’d arms;
And none but thou shalt be my paramour!

 

MORLEY

Christopher Morley (5 mei 1890 – 28 maart 1957)

 

Vandaag wat extra ruimte voor een “vergelijkend vertaalonderzoek”. Ik lees momenteel de essays van Benno Barnard die eerder in de NRC verschenen en die in 2006 werden gebundeld in Dichters van het Avondland (Atlas, Amsterdam) Daarbij, schrijft Barnard, kon hij de verleiding niet weerstaan enkele favorieten opnieuw te vertalen.

Grodek

’s Avonds klinken de herfstige bossen
Van dodelijke wapens, de gouden vlakten
En blauwe meren, waarboven de zon
Donkerder wegrolt; omsluit de nacht
Stervende soldaten, de wilde klacht
Van hun gebroken monden.
Maar stil vloeit in het weidedal
Het vergoten bloed bijeen, rode bewolking,
Waarin een toornende God woont, maanachtige koelte;
Alle straten monden uit in zwarte ontbinding.
Onder gouden takken der nacht en sterren
Wankelt de schim van de zuster door het zwijgende woud,
Om de geesten der helden te groeten, de bloedende hoofden;
En zachtjes klinken in het riet de donkere fluiten van de herfst.
O trotsere droefheid! jullie ijzeren altaren
De hete vlam van de geest voedt vandaag een geweldige smart,
De ongeboren nakomelingen.

 

 

Vertaling door Frans Roumen

 

 

Grodek

’s Avonds weerklinken de herfstige bossen
Van dodelijke wapens, de gouden vlakten
En de blauwe meren, waarboven de zon
Duisterder wegrolt; omsluit de nacht
Stervende krijgers, het wilde klagen
Van hun gesneuvelde monden.
Maar stil verzamelt het weidedal
Wolken van rood, waarin een toornende god woont,
Het vergoten bloed, maanachtige koelte;
Alle wegen monden uit in zwarte ontbinding.
Onder gouden takwerk van nacht en sterren
Zwalkt de ziel van de zuster door het zwijgende woud,
Ze groet hen, de geesten der helden, de bloedende hoofden;
En zacht weerklinkt in het riet de donkere fluit van het herfsttij,
O trots van het rouwen! gij ijzeren altaren
De hete vlam van de geest voedt vandaag een geweldige smart,
De ongeboren telgen..

 

Vertaald door Benno Barnard

 

 

 

Grodek

Am Abend tönen die herbstlichen Wälder
Von tödlichen Waffen, die goldnen Ebenen
Und blauen Seen, darüber die Sonne
Düstrer hinrollt; umfängt die Nacht
Sterbende Krieger, die wilde Klage
Ihrer zerbrochenen Münder.
Doch stille sammelt im Weidengrund
Rotes Gewölk, darin ein zürnender Gott wohnt
Das vergoßne Blut sich, mondne Kühle;
Alle Straßen münden in schwarze Verwesung.
Unter goldnem Gezweig der Nacht und Sternen
Es schwankt der Schwester Schatten durch den schweigenden Hain,
Zu grüßen die Geister der Helden, die blutenden Häupter;
Und leise tönen im Rohr die dunkeln Flöten des Herbstes.
O stolzere Trauer! ihr ehernen Altäre
Die heiße Flamme des Geistes nährt heute ein gewaltiger Schmerz,
Die ungebornen Enkel.

 

 

Georg Trakl

 

Commentaar: Hier en daar is Barnards vertaling zeker mooier, zoals de passage

“Maar stil verzamelt het weidedal
Wolken van rood, waarin een toornende god woont,”

en “telgen” in plaats van “nakomelingen” is een aardige vondst (die echter wel de betekenis van een directe bloedband suggereert die Trakl wilde vermijden)

Elders zijn wel vraagtekens te plaatsen: “gesneuveld” is veel explicieter dan “gebroken” (zerbrochenen Münder), „Flöten“ is toch echt meervoud,  de vergrotende trap van „stolzere“ valt weg en ook „ de ziel van de zuster“  is naar mijn gevoel teveel een interpretatie. Trakl had heus wel „Seele“ geschreven als hij dat bedoeld had.

 

Het is wel sympathiek dat hij in zijn essay Frans Roumen ruimhartig citeert. Die essays (o.a. ook over Emile Verhaeren, T.S. Eliot, Hendrik Marsman, W. H. Auden en Paul Celan) zijn trouwens onderhoudend, leerzaam en niet zonder zelfironie geschreven.

 

Uit: Een junkie uit de dubbelmonarchie

 

„ Hij was achttien toen hij zonder diploma van school werd verwijderd. De enige studierichting die voor hem openstond was farmacie. Het daaraan voorafgaande practicum van drie jaar bracht hij in een Salzburgse apotheek door, Zum Weissen Engel geheten, een nog steeds bestaande kelder vol bruine stopflessen. Zelden is een kat bij zoveel spek tegelijk gezet als de volontair Trakl: hij had
evengoed in een opiumkit kunnen gaan werken.

Bij de narcotica kwam de wijn en bij beide de drang om de bourgeoisie te epateren. Hij pommadeerde zijn haar, liet koteletten staan en bezocht samen met de beter gesitueerde bohème van zijn leeftijd demonstratief de bordelen in de Judengasse – in die tijd was het in Trakls milieu vrijwel onmogelijk om op een ‚natuurlijke’ manier met het fleuwvallende geslacht om te gaan. Dubbele monarchie, dubbele moraal: hoerenlopen was ook een bevredigende methode om Karl Kraus te eren, die in Die Fackel het hele keizerlijke –en koninklijke filisterdom tegen zich in het harnas joeg – een Komrij, maar dan met een tegenstander.“

 

 

Zie ook mijn blog van 3 februari 2007.

 

 

 

Barnard

Benno Barnard (Amsterdam, 21 november 1954)

 

Georg Trakl, Andrzej Szczypiorski, Ferdinand Schmatz, Gertrude Stein, Lao She, Ernst von Wildenbruch, James A. Michener

De Oostenrijkse dichter Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Daar bezocht hij een protestantse lagere school, hoewel zijn ouders katholiek waren. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Hij stond te boek als een slecht scholier met onvoldoendes voor Wiskunde, Latijn en Grieks. Zijn interessen gingen veeleer uit naar drank, roken, opium en frequent prostitueebezoek en beëindigde zijn schoolperiode zonder eindexamen. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Na zijn tijd bij de apotheker verhuisde hij in 1908 naar Wenen om een tweejarige apothekersopleiding te volgen. Tevens kwam hij in deze tijd in contact met een groep bohémiens en kunstenaars die hem hielpen enkele van zijn gedichten te publiceren. Deze opleiding rondde hij, kort nadat zijn vader was overleden, in 1910 met de graad ‘Magister Pharmaciae’ af. Vervolgens trad hij voor de periode van één jaar in dienst van het leger. Zijn terugkeer in het burgerlijk leven was niet succesvol. Hij kon geen werk vinden als apotheker en trad weer in dienst van het leger. Hij werd in een ziekenhuis in Innsbruck geplaatst. Aldaar ontmoette hij ook de lokale kring van kunstenaars, die zijn ontkiemende talent herkenden. Ludwig von Ficker, de redacteur van het tijdschrift “Die Brenner” fungeerde als zijn patroon. Ficker bracht hem ook onder de aandacht van Ludwig Wittgenstein, die hem een genereuze beurs gaf, zodat hij zich aan zijn schrijven kon wijden.

Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. Tijdens een van de voorvallen in Gródek, leidde hij het herstel van zo’n negentig soldaten, die in de felle strijd tegen Russen gewond waren geraakt. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd. Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne. Het is niet geheel duidelijk of dit zelfmoord (gezien zijn gedichten niet onwaarschijnlijk) of een ongeluk was. Hij werd, op aansporing van Ludwig von Ficker, in Innsbruck begraven. Bij het ziekenhuis is een gedenksteen opgericht.

 

Grodek

Am Abend tönen die herbstlichen Wälder
Von tödlichen Waffen, die goldnen Ebenen
Und blauen Seen, darüber die Sonne
Düstrer hinrollt; umfängt die Nacht
Sterbende Krieger, die wilde Klage
Ihrer zerbrochenen Münder.
Doch stille sammelt im Weidengrund
Rotes Gewölk, darin ein zürnender Gott wohnt
Das vergoßne Blut sich, mondne Kühle;
Alle Straßen münden in schwarze Verwesung.
Unter goldnem Gezweig der Nacht und Sternen
Es schwankt der Schwester Schatten durch den schweigenden Hain,
Zu grüßen die Geister der Helden, die blutenden Häupter;
Und leise tönen im Rohr die dunkeln Flöten des Herbstes.
O stolzere Trauer! ihr ehernen Altäre
Die heiße Flamme des Geistes nährt heute ein gewaltiger Schmerz,
Die ungebornen Enkel.

 

Menschheit

Menschheit vor Feuerschlünden aufgestellt,
Ein Trommelwirbel, dunkler Krieger Stirnen,
Schritte durch Blutnebel; schwarzes Eisen schellt,
Verzweiflung, Nacht in traurigen Gehirnen:
Hier Evas Schatten, Jagd und rotes Geld.
Gewölk, das Licht durchbricht, das Abendmahl.
Es wohnt in Brot und Wein ein sanftes Schweigen
Und jene sind versammelt zwölf an Zahl.
Nachts schrein im Schlaf sie unter Ölbaumzweigen;
Sankt Thomas taucht die Hand ins Wundenmal.

 

Verval

Wanneer de klokken ’s avonds vrede luiden,
volg ik de wondermooie vogelscharen,
die, lang als pelgrimsstoeten vroeger waren,
verdwijnen in het helder herfstgetijde.

Ik wandel door de tuin vol schemerkleuren,
volg dromend er hun schitterender wegen,
voel haast de urenwijzer niet bewegen,
kan boven wolken nog hun tocht bespeuren.

Dan adem ik verval, begin te beven.
De merel klaagt in de ontloofde twijgen.
De wijn, om roestig traliewerk geweven,

zwaait heen en weer. Als dans vol ijzig zwijgen
lijkt kinderdood rondom de put te zweven,
waar blauwe asters in de vrieswind nijgen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

trakl

Georg Trakl  (3 februari 1887 – 4 november 1914)

 

De Poolse schrijver Andrzej Szczypiorski werd geboren op 3 februari 1928 in Warschau. Hij was 15 jaar toen hij meemaakte dat de Duitsers zijn land bezetten. In deze tijd studeerde hij aan de ondergrondse universiteit die zijn vader, een socialistische historicus en wiskundige had mee georganiseerd. In 1944 deed hij mee aan de opstand van Warschau. Hij werd gearresteerd en vastgezet in KZ Sachsenhausen. Szczypiorski zette zich al vroeg in voor een verzoening tussen Duitsland en Polen. In 1995 kreeg hij daar voor het Bundesverdienstkreuz. Andrzej Szczypiorskis bekendste werk is de in 1986 onder de titel Poczatek gepubliceerde roman „De mooir mevrouw Seidenmann“. Het boek verscheen niet in het socialistische Polen. Het beschrijft de verschillende lotgevallen – van slachtoffers en daders – in de jaren 1941 – 1943 in Warschau in kleine, onafhankelijk van elkaar plaatsvindende, episoden.

Uit: “Die schöne Frau Seidenman”

 

„Die Welt log. Jeder Blick tückisch, jede Geste niederträchtig, jeder Schritt gemein. Gott hatte die schwerste Prüfung zurückgehalten, das Joch der Sprache. Noch hatte er die Meute der unermüdlichen, mit dem Schaum der Heuchelei bedeckten Wörter nicht von der Kette gelassen. Die Wörter kläfften hier und da, kraftlos an der Leine. Nicht die Wörter töteten damals, erst später sollte aus ihnen eine Mörderbande erwachsen. Das Joch der Wörter war noch nicht gekommen, als sich Bronek Blutman vor dem Angesicht Stucklers befand. Stuckler stand im hellen Fensterrechteck. Draußen vor dem Fenster bewegte sich ein frisch begrünter Zweig im Wind.

“Sie hat gelogen”, sagte Blutman. “Ich kenne sie aus der Zeit vor dem Krieg.”

Stuckler schüttelte den Kopf.

“Ein Jude darf die Worte eines Deutschen nicht in Zweifel ziehen”, sagte er ruhig. “Es geht nicht um den Irrtum, obwohl keiner passieren darf, sondern um den Trotz und die Selbstsicherheit.”
“Herr Sturmführer, mein Gedächtnis trügt nicht. Bevor wir hierher kamen, hat sie überhaupt nicht so getan, als ob…”
Stuckler schlug ihm ins Gesicht. Bronek Blutman trat zurück, ließ den Kopf sinken und verstummte. Die Welt log. Ihre Fundamente waren von Lüge, Hinterlist und Gemeinheit zerfressen. Die Doppeldeutigkeit der Lüge, ihre Vieldeutigkeit und Vielfalt machten ihn schwindlig. Eine Unmenge Verräterreien und Erniedrigungen. Die Unterschiedlichkeit der Verfahren, Methoden und Verkörperungen des Verrats. Ich habe diese Jüdin verraten, aber auch sie mich. Das hat nicht einmal Christus voraus- gesehen. Er war gradlinig. Zu Judas sagte er: “Mein Freund” und Petrus rief er zu “Hebe dich, Satan, von mir!” Vielleicht war das seine Art von Humor?“

 

 

SCCZYPIORSKI

Andrzej Szczypiorski (3 februari 1928 – 16 mei 2000)

 

De Oostenrijkse schrijver Ferdinand Schmatz werd geboren op 3 februari 1953 in Korneuburg. Hij studeerde geschiedenis, filosofie en germanistiek in Wenen. Van 1983 tot 1985 was hij lector voor Duitse taal en literatuur aan de Nihon universiteit in Tokio. Van 1985 tot 1987 docent moderne literatuur aan de universwiteit in Linz. Sinds 1988 had hij een leeropdracht kunst en poëtica aan de Universität für angewandte Kunst in Wenen. In 1999 ontving hij de Christine-Lavant-Preis, in 2001 de Förderungspreis zum Grossen Österreichischen Staatspreis für Literatur, in 2004 de Georg-Trakl-Preis, in 2004 de .C. Artmann-Preis.

Uit: Portierisch

„- ah!, riecht das stark, entfährt es mir auf dem Hügel darüber, als ich auf ein Stück Baumrinder trete im Ohrwaschlgraben, wie gut doch geschnittenes Holz schmeckt, es tanzt mir auf der Zunge und treibt meine Empfindungen aus, dass sie weiterblühen – vom gut riechenden Holz zum knusprigen Braten und zum überschäumenden Bier, zu den sich zuprostenden Holzfällern, Jägern und Förstern an den sich biegenden, aus handwarmem Holz zusammengenagelten Tischen, in ihren Händen die übervollen Biergläser, vor denen die gar nicht so schamhaften Frauen aus dem ganzen Tal warteten, warteten auf das, was zu erwarten war, die hatten noch was zu tragen, – aber zu ertragen auch, wirft Courier ein, als ich ein wenig zu euphorisch das Hohelied der guten alten Zeit anstimme, in mein Innenohr, dennoch, noch einmal bitte, fordert er die Mutter der Friseuse von Rotten auf, im grösseren Einkaufsdorf einige Kilometer weiter unten im Tal Richtung Süden, wie war das früher, als es die Waldbahn noch gab, – ja, da war was los, viele Feste gab es damals bei denen im Graben drinnen, jede Woche wurde getanzt und getrunken, wir sind immer wieder hineingefahren mit der Waldbahn oder zu Fuss hingewandert, Kirtag für Kirtag, Lohntag für Lohntag, aufgeregt waren wir, schön hergemacht und so überhaupt“

 

schmatz

Ferdinand Schmatz (Korneuburg, 3 februai 1953)

 

De Amerikaanse schrijfster Gertrude Stein werd geboren op 3 februari 1874 in Allegheny (Pennsylvania) als jongste van de vijf kinderen van Daniel Stein en Amelia Keyser. Haar ouders zijn beiden van Duits-Joodse afkomst. Haar moeder, een ‘achtergrondfiguur’ die alleen bezig was met de huishouding, stierf aan kanker wanneer Gertrude veertien jaar oud is. Haar vader, altijd al een rusteloze natuur, was met de jaren dominanter en excentrieker geworden. Gertrude zal later schrijven dat ze vaders deprimerend vindt, maar zelf leek ze qua karakter meer op hem dan op haar moeder. In 1903 schreef ze een roman over haar romance met May Bookstaver, die maar na Gertrudes dood wordt uitgegeven onder de titel Things As They Are.
Samen met haar broer Leo vestigde ze zich in Parijs in de de Rue de Fleurus 27 waar de bijeenkomsten op zaterdagavond al snel zeer bekend waren bij kunstenaars, zowel Franse als Amerikaanse. Leo en Gertrude kochten ook schilderijen en hun appartement leek weldra op een museum voor moderne kunst met schilderijen van Picasso, Césanne, Matisse en anderen. In 1907 maakte Gertrude kennis met de drie jaar jongere Alice Babette Toklas, afkomstig uit eenzelfde soort milieu in Californië, en het werd liefde op het eerste zicht. Vanaf 1909 kreeg Gertrude stilaan een zekere bekendheid als schrijfster, tot groot ongenoegen van Leo. Dit leidde in 1914 tot een definitieve breuk tussen hen. Gertrude schreef niet alleen werken die werden uitgegeven in Engeland en de Verenigde Staten, maar ze gaf ook lezingen. Haar manier van schrijven hield niet altijd rekening met de geldende grammaticaregels, maar zij beweerde dat er behoefte was aan een shockeffect en onsamenhangendheid. De bekendheid van Gertrude als letterkundige was zo groot dat aankomende schrijvers haar vroegen om hun werk te lezen en haar oordeel te geven, zoals o.a. Ernest Hemingway in 1922.

Uit: Tender buttons

Rooms

“Act so that there is no use in a centre. A wide action is not a width. A preparation is given to the ones preparing. They do not eat who mention silver and sweet. There was an occupation.

A whole centre and a border make hanging a way of dressing. This which is not why there is a voice is the remains of an offering. There was no rental.

So the tune which is there has a little piece to play, and the exercise is all there is of a fast. The tender and true that makes no width to hew is the time that there is question to adopt.

To begin the placing there is no wagon. There is no change lighter. It was done. And then the spreading, that was not accomplishing that needed standing and yet the time was not so difficult as they were not all in place. They had no change. They were not respected. They were that, they did it so much in the matter and this showed that that settlement was not condensed. It was spread there. Any change was in the ends of the centre. A heap was heavy. There was no change.

Burnt and behind and lifting a temporary stone and lifting more than a drawer.

The instance of there being more is an instance of more. The shadow is not shining in the way there is a black line. The truth has come. There is a disturbance. Trusting to a baker’s boy meant that there would be very much exchanging and anyway what is the use of a covering to a door. There is a use, they are double.”

 

 

stein

Gertrude Stein (3 februari 1874 – 27 juli 1946)

 

De Chinese schrijver Lao She (pseudoniem voor Shu Qingchun) werd geboren op 3 februari 1899. Hij was een van China’s meest prominente moderne schrijvers. Geboren in Beijing als zoon van een arme paleiswacht, die tijdens de bokseropstand in 1900 om het leven was gekomen. Van oorsprong was Lao She onderwijzer en leraar Engels, later universitair docent. Hij leefde in Engeland van 1924 tot 1929. Hij schreef een aantal korte verhalen, komische romans en toneelwerken. Tot zijn meest bekende werken behoort de roman “De riksjarenner” uit 1937 (Chinese titel: “Luotuo Xiangzi” =”Kameel Xiangzi“). Dit boek werd ook verfilmd. Lao She had linkse sympathieën, maar heeft zich nooit tot het marxisme bekeerd. Zoals vele linkse intellectuelen vestigde hij zich na 1949 in de Volksrepubliek.Lao She werd een van China’s eerste prominente slachtoffers van de uitwassen van de Culturele Revolutie. Naar verluid – de feiten staan nog niet vast – moest Lao She zich in 1966 verantwoorden tegenover Rode Gardisten tijdens een massabijeenkomst in Beijing. Thuisgekomen van deze vernedering vond hij zijn huisraad alsmede al zijn manuscripten vernield. Hierop pleegde Lao She zelfmoord door zich in een vijver van het park bij de Verboden Stad te verdrinken.

 

Uit Vier Generationen unter einem Dach

 

»Wenn der alte Herr sein Haus, seine Söhne und Enkel sowie die selbstgezüchteten Blumen und Gewächse betrachtete, hatte er das Gefühl, daß sich die Anstrengungen seines Lebens gelohnt hatten. Peking war eine unverwüstliche Stadt, und sein Haus war es ebenso. Er war wie ein alter Baum, der seine Äste über den ganzen Hof ausgebreitet und alle Blüten an den Zweigen selbst hervorgebracht hatte.«

 

 

LaoShe

Lao She (3 februari 1899 – 24 augustus 1966)

 

De Duitse dichter en schrijver Ernst von Wildenbruch werd op 3 februari 1845 geboren in Beiroet, waar zijn vader consul was. Deze vader, Louis von Wildenbruch, was een buitenechtelijk kind van prins Louis Ferdinand van Pruisen uit diens langdurige liaison met de Magdeburger ambtenaarsdochter Henriette Fromme. De kinderen uit deze liaison werden door koning Willen Frederik III in 1810 in de Pruisische adelstand verheven. Tot von Wildenbruchs oeuvre behoren talrijke balladen, toneelstukken, romans en verhalen. Hij is een vertegenwoordiger van het grote drama uit de Gründerzeit (jaren 1880) en van de nationalistische „Bismarcklyrik“ rond 1900.

 

Christkind im Walde

 

Christkind kam in den Winterwald,
der Schnee war weiß, der Schnee war kalt.
Doch als das heil’ge Kind erschien,
fing’s an, im Winterwald zu blühn.

 

Christkindlein trat zum Apfelbaum,
erweckt ihn aus dem Wintertraum.
“Schenk Äpfel süß, schenk Äpfel zart,
schenk Äpfel mir von aller Art!”

 

Der Apfelbaum, er rüttelt sich,
der Apfelbaum, er schüttelt sich.
Da regnet’s Äpfel ringsumher;
Christkindlein’s Taschen wurden schwer.

 

Die süßen Früchte alle nahm’s,
und so zu den Menschen kam’s.
Nun, holde Mäulchen, kommt, verzehrt,
was euch Christkindlein hat beschert!

 

 

wildenbruch-00

Ernst von Wildenbruch (3 februari 1845 – 15 januari 1909)

 

De Amerikaanse schrijver James A. Michener werd geboren op 3 februari 1907 in New York. Zijn bekendste boek is waarschijnlijk Centennial, dat zich afspeelt in een fictief dorpje in Colorado. Het boek begint in ver-prehistorische tijden (ten tijde van het ontstaan van de aarde en dinosaurussen) en loopt tot 1973. Van dit boek – dat ruim 900 bladzijden telt – werd een bekroonde televisieserie gemaakt van 26 afleveringen. Hij ontving in 1948 de Pulitzer-prijs voor zijn roman Tales of the south Pacific (Verhalen van de Stille Zuidzee)in de categorie “Fictie.

Uit: This Noble Land

“Of all forms of goverment operating today, ours is the longest-lived.  We are an outstanding success.  In the next half century we can light new candles of excellence, we can protect the ones we already have, we can gain an extension.  The next years are ones of decision as we face one crucial choice after another.  I hope our genius for doing the right thing will guide us.” 

 

michener_j

James A.  Michener (3 februari 1907 – 16 oktober 1997)

Paul Celan, Jennifer Michael Hecht, Marcel Beyer

Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Czernowitz was een verzamelplaats van allerlei volkeren en culturen: er woonden Tsjechen, Polen, Russen, Roemenen, joden en zigeuners. Door de meertaligheid van zijn omgeving maakte Celan zich het Jiddisch, Roemeens, Duits, Russisch, Frans en Hebreeuws eigen. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. Celans jeugd werd getekend door antisemitisme. Tijdens de Russische en later Duitse bezetting werd hij tot drie keer gedwongen van school en universiteit te wisselen. Na het uitbreken van de oorlog werden meer dan 3000 vooraanstaande joden uit de streek vermoord, 45.000 mensen werden gedwongen in een getto te leven. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. In 1950 voltooide hij een studie germanistiek en taalwetenschap, nadat hij in 1938 kort medicijnen, in 1939 romanistiek had gestudeerd. In Parijs was Celan werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Aanvankelijk werd Celan vanwege zijn poëzie bejubeld, maar vooral later werd hij negatief bejegend. Celan reageerde met wantrouwen en teleurstelling. Dat hij overlevende van een volkerenmoord was, veroorzaakte bij hem gevoelens van schuld en wanhoop. De hevige depressies en spanningen die zulks met zich meebracht, leidden er uiteindelijk toe dat hij op vermoedelijk 20 april 1970 zijn leven zelf beëindigde door in de Seine te springen.

 

Corona

Aus der Hand frißt der Herbst mir sein Blatt: wir sind Freunde.
Wir schälen die Zeit aus den Nüssen und lehren sie gehen:
die Zeit kehrt zurück in die Schale.

Im Spiegel ist Sonntag,
im Traum wird geschlafen,
der Mund redet wahr.

Mein Aug steigt hinab zum Geschlecht der Geliebten:
wir sehen uns an,
wir sagen uns Dunkles, wir lieben einander wie Mohn und Gedachtnis,
wir schlafen wie Wein in den Muscheln,
wie das Meer im Blutstrahl des Mondes.

Wir stehen umschlungen im Fenster, wir sehen uns zu von der Straße:
es ist Zeit, daß man weiß!
Es ist Zeit, daß der Stein sich zu blühen bequemt,
daß der Unrast ein Herz schlägt.
Es ist Zeit, dass es Zeit wird.

Es ist Zeit.

 

Blume

Der Stein.
Der Stein in der Luft, dem ich folgte.
Dein Aug, so blind wie der Stein.

Wir waren
Hände,
wir schöpften die Finsternis leer, wir fanden
das Wort, das den Sommer heraufkam:
Blume.

Blume – ein Blindenwort.
Dein Aug und mein Aug:
sie sorgen
für Wasser.

Wachstum.
Herzwand um Herzwand
blättert hinzu.

Ein Wort noch, wie dies, und die Hämmer
schwingen im Freien.


Psalm

Niemand kneedt ons nogmaals uit aarde en leem,
niemand beleest onze stof.
Niemand.

Uw naam zij geprezen. Niemand.
Om uwentwille
zullen wij bloeien.
U
tegemoet.

Een niets
waren wij, zijn wij, zullen
wij blijven, bloeiend:
de niets -, de
niemandsroos.

Met
de stijl zielshelder,
de meeldraad hemelswoest,
de bloemkroon rood
van ’t purperwoord dat wij zongen
boven, o boven
de doorn.

 

Vertaald doorFrans Roumen

celan3
Paul Celan (23 november 1920 – 20 april 1970)

 

De Amerikaanse schrijfster en dichteres Jennifer Michael Hecht werd geboren op 23 november 1965 in New York. Zij prompveerde in de wetenschapsgeschiedenis aan de Columbia University in 1995 en studeerde daarna nog enige tijd in Caen en Angers. Tegewoordig doceert zij poëzie en filosofie en is verbonden aan het New York Institute for the Humanities. Hechts wetenschappelijke artikelen verschenen in talrijke bladen en tijdschriften. Ook schreef zij recensies voor The New York Times, The Washington Post en The American Scholar. In 2002 won zij met haar poëziedebuut The Next Ancient World  de Norma Farber First Book Award from the Poetry Society of America en de Fore Word Magazine’s award for Poetry Book of the Year.

 

 

Blind Love

Lady says, Doc, I think I need glasses.
Teller says, You sure do, Lady, this is a bank.

Lady wanders out, it’s winter, wonders whether
other things have got mistaken, too.

At home she ambles through the house
with the sudden feeling that it all has been

rewritten. Notices a shadow as ivy peels from brick,
clatter of silverware drawer, a quarter

on her bathroom floor. As on a vase the piper
plays not to the ear but to the more endeared

inner listener, so, quiet in an April afternoon,
late sun erupts a riot into her
room.

Coin and cutlery grow red; wood glows golden in the hall.
Outside, ivy tendrils find new purchase on the wall.

 

 

 

History

Even Eve, the only soul in all of time
to never have to wait for love,
must have leaned some sleepless nights
alone against the garden wall
and wailed, cold, stupefied, and wild
and wished to trade-in all of Eden
to have but been a child.

In fact, I gather that is why she leapt and fell from grace,
that she might have a story of herself to tell
in some other place.

JENNIFFER_HECHT

Jennifer Michael Hecht (New York, 23 november 1965)

 

De Duitse dichter, schrijver en essayist Marcel Beyer werd op 23 november 1965 in Tailfingen / Württemberg geboren.

 Uit: Wasserstandsbericht…

 

„ Vorhin habe ich am Telefon erzählt, wie ich spät abends auf dem Weg vom Atelier zurück nach Hause als einer der letzten über die Elbbrücke gekommen bin, zwei sind während des Tages gesperrt worden, an der dritten standen die Polizeiwagen mit Blaulicht hinter der Sperre, und auch die vierte war bereits mit Absperrungen versehen, dazwischen eine Lücke, ich habe das Verbotsschild nicht beachtet, hinter mir kein weiterer Wagen mehr. Ich habe von den Umleitungen am Vormittag erzählt, von den vier Stunden auf dem Bahndamm, durch die Stadt, von Lachen, Strömen und dem Druck der Kanalisation. Nachdem ich aufgelegt hatte, bin ich noch einmal vor die Tür gegangen, mit Wegwerfkamera, doch ohne Taschenlampe.
Schon ab der nächsten Kreuzung ist die Straßenbeleuchtung ausgefallen. Selbst in den Fenstern kein Licht. Ich folge den Straßenbahnschienen, so bietet sich mir eine gewisse Orientierung in der Dunkelheit, denn seltsamerweise leuchten die Werbetafeln an den Haltestellen noch, vielleicht Restenergie aus der Solaranlage, vielleicht ein eigenes Netz, nun einzige Lichtflächen in der Nacht, alle paar hundert Meter. Eine Leuchttafel zeigt einen überschwemmten Zwinger, der mit hellen Kohlensäurepunkten durchsetzte leichte blaue Schimmer läßt Mauerwerk, Bodenplatten und Kies im Hof verschwimmen.“

 

Beyer23

Marcel Beyer (Tailfingen, 23 november 196

Ulysses, Willemsen, Bart, café de Plak II

 

Eerste pagina uit Ulysses van James Joyce, een roman die speelt binnen het tijdsbestek van een dag: 16 juni.

 

 

– I —

 

“STATELY, PLUMP BUCK MULLIGAN CAME FROM THE STAIRHEAD, bearing a bowl of lather on which a mirror and a razor lay crossed. A yellow dressinggown, ungirdled, was sustained gently behind him by the mild morning air. He held the bowl aloft and intoned:

–INTROIBO AD ALTARE DEI.

Halted, he peered down the dark winding stairs and called out coarsely:

–Come up, Kinch! Come up, you fearful jesuit!

Solemnly he came forward and mounted the round gunrest. He faced about and blessed gravely thrice the tower, the surrounding land and the awaking mountains. Then, catching sight of Stephen Dedalus, he bent towards him and made rapid crosses in the air, gurgling in his throat and shaking his head. Stephen Dedalus, displeased and sleepy, leaned his arms on the top of the staircase and looked coldly at the shaking gurgling face that blessed him, equine in its length, and at the light untonsured hair, grained and hued like pale oak.

Buck Mulligan peeped an instant under the mirror and then covered the bowl smartly.

–Back to barracks! he said sternly.

He added in a preacher’s tone:

–For this, O dearly beloved, is the genuine Christine: body and soul and blood and ouns. Slow music, please. Shut your eyes, gents. One moment. A little trouble about those white corpuscles. Silence, all.

He peered sideways up and gave a long slow whistle of call, then paused awhile in rapt attention, his even white teeth glistening here and there with gold points. Chrysostomos. Two strong shrill whistles answered through the calm.

–Thanks, old chap, he cried briskly. That will do nicely. Switch off the current, will you? “

 

 

James Joyce (2 februari 1882 – 13 januari 1941)

 

August Willemsen is een Nederlandse vertaler van Portugese en Braziliaanse literatuur. Daarnaast heeft hij essays, dagboeken en brieven gepubliceerd. Willemsen staat bekend om zijn krachtige gebruik van het Nederlands en zijn puntgave stijl.

Na zijn middelbare school in Amsterdam, ging Willemsen in dezelfde stad naar het conservatorium, richting piano. Dit bleek geen succes en op vrij late leeftijd startte hij een studie Portugees. Door zijn vertalingen van de Portugese dichter Fernando Pessoa raakte hij bekend als een vooraanstaand vertaler. In 1983 werden zijn vertalingen bekroond met de Martinus Nijhoff-prijs. In 1986 ontving hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor Braziliaanse brieven. Op het moment werkt August Willemsen aan een vertaling van het volledige werk van Pessoa. Hier een gedicht van Pessoa in de vertaling van Willemsen:

 

 

Abdicatie

 

Neem mij in uw armen, o eeuwige nacht,
En noem mij – koning die ik ben – uw zoon.
Vrijwillig deed ik afstand van mijn troon
Van dromen, die mij slechts vermoeidheid bracht

Mijn zwaard, mijn armen zijn ontkracht,
een kalme, mannelijke hand heeft het genomen;
Mijn scepter heb ik neergelegd, mijn kroon,
Versplinterde symbolen vroeger macht.

Mijn maliënkolder, nu zo nutteloos,
Mijn sporen, rinkelend en waardeloos,
Heb ik achtergelaten op de koude trap.

’k Ontdeed mij, ziel en lichaam, van mijn koningschap
En keerde terug tot de aloude en kalme nacht
Gelijk het landschap bij het sterven van de dag.   

 

 

August Willemsen (Amsterdam, 16 juni 1936)

 

 

En als toegift bij een andere verjaardag:

 

Bart, café de Plak II

 

Hij was zo jong en mooi, ik de verlegen
verkenner van een wereld buiten mij.
Er gingen jaren onverhoeds voorbij,
die toch verleden bergen en bewegen.

 

Ik heb hem zwijgende meer lief gekregen.
Geen ander was daar beter voor dan hij.
Hij danste, schonk de glazen vol en wij
begrepen zonder woorden en wij zwegen.

 

Zo raakte ik te midden van muziek,
gepraat en rinkelen van glas stilaan
met zijn bestaan vertrouwd en zijn ritmiek.

 

Als later elk geluid zal zijn verflauwd,
zal er dit beeld nog zijn: een bar, een kraan
en Bart, die onvermoeid zijn kauwgom kauwt.   

 

 

 

Frans Roumen, Uit: Navel van ’t land, Nijmegen in Gedichten,

Uitgeverij 521, Amsterdam 2005

 

Frans Roumen (16 juni 1957) woont en werkt in Nijmegen

 

 

 

Ali Abdollahi en L.F. Céline

 

Ali Abdollahi werd op 30 maart 1968 in Chorassân (Iran) geboren. Hij studeerde Duitse Taal – en Literatuurwetenschap aan de universiteit in Teheran en studeerde af op het onderwerp Konkrete Poesie im Deutschunterricht. Van 1993 tot 2001 presenteerde hij als medewerker van Radio Iran een programma over Perzische en Duitse literatuur. Daarnaast werkte hij als universitair docent, journalist en vertaler van o.a. Rilke, Nietzsche en Hesse. Hij publiceerde :  Die Frösche sterben im Ernst – Deutsche Lyrik vom Anfang bis heute (2003), Immerfort gehe ich im Dunkeln (1997) en So kommt sie nicht mehr (2003).    

 

de herinneringen van isolement

mijn rechter schoen

is met vakantie gegaan

nu ben ik noch vier-

noch tweevoeter

 

in primordiale drie-eenheid

lees ik Nietzsche

’s avonds komt hij in mijn droom

en zegt:

 

ik zal je uiteindelijk

onder mijn snor vertrappen!

de telefoon is al dagenlang

op het antwoordapparaat

red me uit de handen van de hardnekkige verhuurder!

 

ik krab mijn been

met een breinaald

 

ik heb geen genoegen ontleend aan rechts

links was altijd links

ik ben moe, doodmoe

van deze driedelige tegenstand:

rechtshandig, links denkend

nulgelovig

Abdollahi

bahman 81 (april 2002), Teheran

 

vertaling: Amir Afrassiabi
© Amir Afrassiabi/ISCK , Het beschrijf  

 

Garzizoensgedichten

Lange nachten,

verhalen over verboden liefde,

kleine pleziertjes

en vervalste vrijgeleiden.

 

Overdag

auto van de commandand wassen,

gangen schrobben

en officieren gehoorzamen.

 

Nu zijn ze verzameld

onder de esdoorn.

Uit het zicht van de commandand

gaat een sigaret

van hand tot hand.

 

Terwijl de rook

in de lucht rondcirkelt

benijden ze

met hun vloeken

de vrijheid van de vogels.                  

 

Susanne Baghestani  vertaalde dit gedicht uit het Farsi in het Duits. De vertaling van Duits naar Nederlands is van Frans Roumen.

 

Ali Abdollahi (30 maart 1968)

 

Louis Ferdinand Céline, pseudoniem van Louis Ferdinand Destouches, werd geboren op 27 mei 1894 te Courbevoie in een familie die tot de kleine middenstand behoorde. Na de lagere school had hij het ene baantje na het andere; herhaaldelijk werd hij ontslagen. In de avonduren studeerde hij totdat hij in 1917 zijn middelbareschooldiploma had bemachtigd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog raakte hij zwaar gewond, waardoor hij voor de rest van zijn leven invalide was. Vanaf 1918 studeerde Céline medicijnen en in 1924 volgde zijn promotie, waarna hij arts werd in een Parijse armenwijk.

Tijdens het werk aan zijn dissertatie had Céline zijn aanleg voor het schrijven ontdekt en vanaf 1928 werkte hij aan ‘Voyage au bout de la nuit’ (1932) zijn meesterwerk.  Vier jaar later verschijnt Mort à crédit  en na deze twee romans is Céline een gevestigde naam.  

Tijdens de Tweede Wereldoorlog schrijft Céline een dertigtal ‘open brieven’ aan diverse Duitsgezinde kranten en tijdschriften, waarin hij openlijk getuigt van zijn antisemitisme.  Na de Tweede Wereldoorlog heeft h
ij meermalen beklemtoond dat hij met de openbaarmaking van zijn politieke en raciale standpunten slechts beoogde dat Frankrijk uit de in zijn ogen onontkoombare oorlog zou blijven.

Op 21 februairi 1950 wordt hij veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf en een boete van 50.000 francs. Op 25 april 1951 krijgt Céline amnestie. Hij vestigde zich als arts te Meudon, waar hij op 1 juli 1961 overleed.

Célines antisemitisme en heulen met het fascisme, gevoed door zijn woede over het degenererende Frankrijk en over het kapitalisme, veranderen niets aan zijn grote verdiensten op literair gebied.      

 

L’âme, c’est la vanité et le plaisir du corps tant qu’il est bien portant, mais c’est aussi l’envie d’en sortir du corps dès qu’il est malade ou que les choses tournent mal. On prend des deux poses celle qui vous sert le plus agréablement dans le moment et voilà tout !
(Voyage au bout de la nuit, p.52, Folio n°28)

 

L’amour c’est comme l’alcool, plus on est impuissant et soûl et plus on se croit fort et malin, et sûr de ses droits.
(Voyage au bout de la nuit, p.78, Folio n°28)

 

 

Nous sommes, par nature, si futiles, que seules les distractions peuvent nous empêcher vraiment de mourir.
(Voyage au bout de la nuit, p.204, Folio n°28)

 

Louis Ferdinand Céline (27 mei 1894 – 1 juli 1961)