Salvador Espriu, Marcel Proust, Alice Munro, Jürgen Becker, Nicolás Guillén, Kurt Bartsch, Paul Wühr, Aphra Behn, Gerhard L. Durlacher, Günther Weisenborn, Frederick Marryat

De Spaanse (Catalaanse) schrijver en dichter Salvador Espriu i Castelló werd geboren op 10 juli 1913 in Santa Coloma de Farners. Hij was een van de belangrijkste Catalaanse dichters van deze eeuw. Hij werd geboren in een welgesteld milieu en studeerde rechten en oude geschiedenis in Barcelona. In 1933 bezocht hij tijdens een cruise Palestina, Egypte en Griekenland, hetgeen diepe sporen in hem achterliet. In 1931 verschijnt zijn eerste boek: Doctor Rip; in 1939 volgt zijn eerste toneelstuk: Antigone; in 1946 zijn eerste dichtbundel: Kerkhof van Sinera. In 1968 werd begonnen met de uitgave van zijn verzameld werk. Hij gaf zijn gehele oeuvre het motto mee: `De leerjaren.

Regen

Het komt van nergens. Weggaan?
Er is geen toverwoord dat deze sleur
doorbreekt, het staren, de sonore stilte
als van pijlen. De lente, en de overvloed
aan jaren en aan licht, liggen verloren
op de afgelegde weg. De verwachtingen doofden
op den duur volkomen. Opnieuw is alles volmaakt
in de leegte: de trage regen
gaat nergens heen.

 

What a little homeland

What a little homeland
surrounds the graveyard!
This sea, Sinera,
hills with pines and vineyards,
dusty lanes. That’s all
I love, that and the drifting
shadow of a cloud.
The slow memory of days
gone by forever.

 

My eyes can only

My eyes can only
gaze at lost suns,
lost days. How I hear
old carts rattle
down lanes in Sinera!
The smells of a sea
that bright summers watch over
come to mind. The rose
that I picked lives on
in my fingers. And on my lips,
wind, fire, words
that are ashes now.

 

Vertaald door James Eddy

salvador_espriu

 Salvador Espriu (10 juli 1913 – 22 februari 1985)

 

De Franse schrijver Valentin-Louis-Georges-Eugène-Marcel Proust in Auteuil op 10 juli 1871. Proust was de zoon van een hoogleraar in de medicijnen. Zijn moeder, met wie hij een sterke binding had en tegenover wie hij zich schuldig voelde, mede wegens zijn homoseksuele aanleg, was van joodse origine. Na een mislukte rechtenstudie aan de Sorbonne volgde hij colleges van o.a. Henri Bergson, wiens filosofie van de stroom van de tijd hem boeide, maar met wiens ‘élan vital’, het gericht zijn op een actieve toekomst, hij weinig affiniteit had. Zijn eerste geschriften, Portraits de femmes, verschenen in Le Banquet, het orgaan van zijn vroegere vrienden van het Lycée Condorcet. In 1896 publiceerde hij Les plaisirs et les jours, korte prozateksten over diverse onderwerpen, die al iets te zien geven van het uitzonderlijke transformatievermogen dat zijn latere werk kenmerkt. Een autobiografische roman in drie delen, Jean Santeuil, vond Proust, wegens de weinig vormvaste structuur, ongeschikt voor publicatie; het boek verscheen pas in 1952. Van groot belang voor de ontwikkeling van zijn sensitieve stijl waren zijn vertalingen van de Engelse, in de tijd van het symbolisme opgekomen estheet John Ruskin: La bible d’Amiens (1904) en Sésame et les lys (1906). Prousts inleiding Sur la lecture kan men lezen als zijn eerste ars poetica. Na de dood van zijn ouders (vader in 1905, moeder in 1906) verergerde de astma waaraan hij reeds sinds zijn vroegste jeugd leed, zozeer dat hij zich uit het mondaine leven terugtrok in zijn studeerkamer. Zijn schuldgevoel stond niet langer zijn schrijfarbeid in de weg en hij begon aan zijn grote werk À la recherche du temps perdu. Zie ook mijn blog van 10 juli 2006.

Uit: Du côté de chez Swann

« Certes, ce qui palpite ainsi au fond de moi, ce doit être l’image, le souvenir visuel, qui, lié à cette saveur, tente de la suivre jusqu’à moi. Mais il se débat trop loin, trop confusément ; à peine si je perçois le reflet neutre où se confond l’insaisissable tourbillon des couleurs remuées ; mais je ne peux distinguer la forme, lui demander, comme au seul interprète possible, de me traduire le témoignage de sa contemporaine, de son inséparable compagne, la saveur, lui demander de m’apprendre de quelle circonstance particulière, de quelle époque du passé il s’agit. Arrivera-t-il jusqu’à la surface de ma claire conscience, ce souvenir, l’instant ancien que l’attraction d’un instant identique est venue de si loin solliciter, émouvoir, soulever tout au fond de moi ? Je ne sais. Maintenant je ne sens plus rien, il est arrêté, redescendu peut-être ; qui sait s’il remontera jamais de sa nuit ? Dix fois il me faut recommencer, me pencher vers lui. Et chaque fois la lâcheté qui nous détourne de toute tâche difficile, de toute oeuvre importante, m’a conseillé de laisser cela, de boire mon thé en pensant simplement à mes ennuis d’aujourd’hui, à mes désirs de demain qui se laissent remâcher sans peine. Et tout d’un coup le souvenir m’est apparu. Ce goût, c’était celui du petit morceau de madeleine que le dimanche matin à Combray (parce que ce jour-là je ne sortais pas avant l’heure de la messe), quand j’allais lui dire bonjour dans sa chambre, ma tante Léonie m’offrait après l’avoir trempé dans son infusion de thé ou de tilleul. La vue de la petite madeleine ne m’avait rien rappelé avant que je n’y eusse goûté ; peut-être parce que, en ayant souvent aperçu depuis, sans en manger, sur les tablettes des pâtissiers, leur image avait quitté ces jours de Combray pour se lier à d’autres plus récents ; peut-être parce que, de ces souvenirs abandonnés si longtemps hors de la mémoire, rien ne survivait, tout s’était désagrégé ; les formes – et celle aussi du petit coquillage de pâtisserie, si grassement sensuel sous son plissage sévère et dévot – s’étaient abolies, ou, ensommeillées, avaient perdu la force d’expansion qui leur eût permis de rejoindre la conscience. Mais, quand d’un passé ancien rien ne subsiste, après la mort des êtres, après la destruction des choses, seules, plus frêles mais plus vivaces, plus immatérielles, plus persistantes, plus fidèles, l’odeur et la saveur restent encore longtemps, comme des âmes, à se rappeler, à attendre, à espérer, sur la ruine de tout le reste, à porter sans fléchir, sur leur gouttelette presque impalpable, l’édifice immense du souvenir.»

proust2

Marcel Proust (10 juli 1871 –18 november 1922)

 

De Canadese schrijfster Alice Munro werd geboren op 10 juli 1931 in Wingham, Ontario. Munro moest lang wachten tot haar eerste verhalenbundel gepubliceerd werd. Haar debuut Dance of the Happy Shades uit 1968 werd echter door de critici erg gewaardeerd. Zij ontving daarna talrijke eerbewijzen en prijzen.

Werk o.a: 1982 The Moons of Jupiter, 1986 The Progress of Love, 1994 Open Secrets,  2004 Runaway

Uit: Hateship, Friendship, Courtship, Loveship, Marriage (2001)

“Years ago, before the trains stopped running on so many of the branch lines, a woman with a high, freckled forehead and a frizz of reddish hair came into the railway station and inquired about shipping furniture.

The station agent often tried a little teasing with women, especially the plain ones who seemed to appreciate it.

“Furniture?” he said, as if nobody had ever had such an idea before. “Well. Now. What kind of furniture are we talking about?”

A dining-room table and six chairs. A full bedroom suite, a sofa, a coffee table, end tables, a floor lamp. Also a china cabinet and a buffet.

“Whoa there. You mean a houseful.”

“It shouldn’t count as that much,” she said. “There’s no kitchen things and only enough for one bedroom.”

Her teeth were crowded to the front of her mouth as if they were ready for an argument.

“You’ll be needing the truck,” he said.

“No. I want to send it on the train. It’s going out west, to Saskatchewan.”

She spoke to him in a loud voice as if he was deaf or stupid, and there was something wrong with the way she pronounced her words. An accent. He thought of Dutch–the Dutch were moving in around here–but she didn’t have the heft of the Dutch women or the nice pink skin or the fair hair. She might have been under forty, but what did it matter? No beauty queen, ever.”

Munro

Alice Munro (Wingham, 10 juli 1931)

 

De Duitse dichter en schrijver Jürgen Becker werd op 10 juli 1932 in Keulen geboren.Tussen 1939 en 1947 leefde hij in Erfurt en na wat tussenstops kwam hij in 1950 terug naar Keulen. Na zijn eindexamen in 1953 en een korte, afgebroken studie begon hij te schrijven. Zijn brood verdiende hij in allerlei beroepen, o.a. als journalist. Hij werkte voor de WDR en de uitgeverijen Rowohlt en Suhrkamp. Veel belangstelling kreeg hij met zijn eerste prozaboek Felder uit 1964. De twee volgende werken Ränder (1968) en Umgebungen (1970) vestigden zijn naam als experimenteel schrijver.

Uit: Felder

“Die Stunde is jekommen, die so heiß, so insbrünstich ersehnte, der Tach der Freiheit is anjebrochen! Unsere Herzen fliejen empor zu Jott dem Allmächtijen. Dank sei ihm, der uns jeführt hat durch Not un Jefahr! Vereint sind wir wieder mit unserem Staat, unserem Volk, unserem Vaterland, vereint un frei nach vielen Jahren der Trennung un Unfreiheit! In jemeinsam jetragener, jemeinsam überwundener Not erwächst die treueste Kameradschaft. Ihr, deutschen Volksjenossen in den besetzten Jebieten, habt mit uns Schulter an Schulter jestanden. Euch, die ihr noch der Freiheit entbehrt, jrüßen wir in dieser Stunde in Liebe un Treue! Schweres haben wir erdulden müssen durch die harte Faust des Siejers in sieben langen Jahren. Heute, in dieser weihevollen Stunde, lasst uns davon schweijen; ja, wir wollen jerecht sein, trotz vielem, was uns widerfahren is, wir wollen anerkennen, daß der jeschiedenen Jechner auf politischem Jebiet jerechtes Spiel hat walten lassen. Hoffen wir. Dass unsere Leidenszeit nich umsons jewesen is, nunmehr ein wahrhaft neuer Jeist in die Völker Europas einzieht.“

becker_jurgen

Jürgen Becker (Keulen, 10 juli 1932)

 

De Cubaanse dichter Nicolás Guillén werd geboren in Camagüey op 10 juli 1902. Hij studeerde rechten, maar brak de studie al in het eerste jaar af. Hij groeide als zwarte jongen op in het pre-revolutionaire Cuba, waar zijn vader door de regering vermoord werd. Hij hield zich graag bezig met literatuur en politiek. In 1920 verscheen zijn eerste gedicht in het tijdschrift ‘Camaguey Grafico’. Hij was fervent voorstander van het communisme, en richtte in opdracht van Fidel Castro de nationale schrijversbond van Cuba (UNEAC) op, waarvan hij in 1961 voorzitter werd.

Blues

I die if I don’t work
and if I do, I die.
Either way I die, I die,
either way I die.

Yesterday I saw a staring man
staring at the setting sun,
yesterday I saw a staring man
staring at the setting sun:
the man was very serious
fo
r he could not see.
Ay, the blind live sightless
when the sun sets,
when the sun sets,
when the sun sets.

Yester’day I saw a child at play
pretend to kill another child,
yesterday I saw a child at play
pretend to kill another child:
there are babes who play
like men at work!
Who will tell them when they’re grown
that men are not children,
that they are not,
that they are not,
that they are not?

I die if I don’t work
and if I do, I die.
Either way I die, I die,
either way I die.

 

De woekeraars

Vogelvormige monsters,
de woekeraars
in hun grote zwarte kooien.

Zoals daar zijn:
de Witte Lok (Koninklijk Groot-Woekeraar)
de Woekergier van de grote vlakten
en de Vulgaire Sidderrog die zijn kinderen
opvreet
en de Woekeraar-met-askleurige-staart
in de vorm van een dolk
die zijn ouders verslindt
en de Zaagbek-Vampier
die bloed zuigt en over de zeeën vliegt.

Tijdens het gedwongen nietsdoen
tellen en hertellen de woekeraars
hun veren
en lenen ze aan elkaar, met rente.

 

Vertaald door Stefaan van den Bremt

guillen_nicolas

Nicolás Guillén (10 juli 1902 – 16 juli 1989)

 

De Duitse dichter en schrijver Kurt Bartsch werd geboren in Berlijn op 10 juli 1937. Na het gymnasium werkte hij in verschillende beroepen. Vanaf 1965 studeerde hij aan het instituut voor literatuur “Johannes R. Becher” in Leipzig. Wegens zijn protestbrief aan werd hij in 1979 uit de schrijversbond van de DDR gezet en in 1980 verhuisde hij met een permanent visum naar West-Berlijn.

Werk o.a.: Kaderakte. Gedichte und Prosa.1979, Wadzeck. Roman. 1980, Fanny Holzbein, 2004

Märchen

B. hat ein Manuskript geschickt, sagte der Lektor
Mit ängstlichem Blick auf den Verlagsleiter, der Verlagsleiter
Mit ängstlichem Blick auf den Minister, der Minister
Mit ängstlichem Blick auf die Bezirksleitung, die Bezirksleitung
Mit ängstlichem Blick auf das ZK, das ZK
Mit ängstlichem Blick auf das Politbüro, das Politbüro
Mit ängstlichem Blick auf den Kreml, der Kreml
Mit ängstlichem Blick zu Gott, worauf dieser
Den langen und kalten Winter 1979 beschloß.

Bartsch

Kurt Bartsch (Berlijn, 10 juli 1937)

 

De Duitse dichter en schrijver Paul Wühr werd geboren op 10 juli 1927 in München. Tussen 1949 en 1983 was hij leraar aan een school in Gräfelfing. Sinds 1986 woont hij met zijn vrouw in het Italiaanse Passignano. Sinds het eind van de jaren is hij ook als schrijver van romans, hoorspelen, gedichten en prozagedichten werkzaam geweest en is hij uitgegroeid tot een van de belangrijkste hedendaagse, Duitse, experimentele schrijvers.

VOR

Gleich auf einmal wir zwei
stehen geschrieben
so steht es
wir spielen uns vor dem Leben
vom Blatt
so wird gespielt
wo wir auch immer uns
gleichen
so ist es
nur Trennung
so ist es
nichts anderes steht geschrieben
so steht es
so sind wir verschieden

 

Hier

sind wir nicht auf gleichen
Klang aus sagt er dieser
Boden

worüber du zu mir kommst
singt gar tief will sie sagen
du aber

sagt er schwebst vor mir her
viel weiter gestimmt sehr
bald

werden sagen sie beide hier
zum Tanz durchdrehen und
wahre

Wunden vollbringen

Wuehr

Paul Wühr (München, 10 juli 1927)

 

De Britse schrijfster Aphra Behn-Johnson werd geboren in Kent op 10 juli 1640. Zij was de eerste bekende vrouw in de Engelse literatuurgeschiedenis die met schrijven in haar levensonderhoud voorzag. Als kind reisde ze vermoedelijk met haar familie of als gezelschapsdame naar Suriname, waar ze het materiaal verzamelde dat ze later in haar bekendste roman Oroonoko verwerkte. In 1658 kwam ze weer terug in Engeland en vermoedelijk in 1664 trouwde ze Mr Behn, een koopman van Nederlandse of Duitse afkomst, die kort daarop overleed. Over het huwelijk is verder niets bekend. Voor een weduwe zonder veel geld waren er in de 17e eeuw zo’n beetje drie mogelijkheden: opnieuw trouwen, in een klooster gaan of iemands maîtresse worden. Omdat ze – naar eigen zeggen – een huwelijk vanwege het geld als “een vorm van prostitutie” beschouwde, besloot ze om haar eigen geld te gaan verdienen. In 1670 werd haar eerste theaterstuk The Forced Marriage met veel succes uitgevoerd. In de volgende negentien jaar schreef ze toneelstukken, proza en gedichten en was ze als vertaalster actief. Haar meesterwerk, de roman Oroonoko over een slaaf in Suriname, werd in de 18e eeuw in het Duits en Frans vertaald en speelde een rol in de Anti-slavernijbeweging. De vrouwenbeweging eert Aphra Behn als een van haar eerste voorvechtsters. Haar werk werd mede hierdoor in de laatste 20 jaar herontdekt en bestudeerd.

Uit: OROONOKO

“And why,” said he, “my dear friends and fellow sufferers, should we be slaves to an unknown people? Have they vanquished us nobly in fight? Have they won us in honourable battle? And are we by the chance of war become their slaves? This would not anger a noble heart; this would not animate a soldier’s soul. No, but we are bought and sold like apes or monkeys, to be the sport of women, fools and cowards; and the support of rogues and runagates, that have abandoned their own countries for rapine, murders, theft and villainies. Do you not hear every day how they upbraid each other with infamy of life, below the wildest savages? And shall we render obedience to such a degenerate race, who have no one human virtue left, to distinguish them from the vilest creatures? Will you, I say, suffer the lash from such hands?”

Behn

Aphra Behn-Johnson (10 juli 1640 – 16 april 1689)
Portret door Peter Lely

 

De Nederlandse schrijver Gerhard L. Durlacher werd geboren in Baden-Baden op 10 juli 1928. Zie ook mijn blog van 10 juli 2006.

Uit: Drenkeling : kinderjaren in het Derde Rijk

“Mijn naam spreekt zijn zo grappig uit alsof zij bij de G haar keel schraapt en soms begrijp ik niet wat zij bedoelt. ‘Dat komt omdat zij Hollands is,’ heeft oma mij met een meewarig lachje toevertrouwd.
Zij kibbelt met mijn ouders en wil hen overhalen ook te gaan verhuizen naar haar waterige land. Mijn vader vindt dat onzin en paniekerig gedoe. Haar spookverhalen wil hij niet geloven. Boos kijken haar ogen door de dikke brilleglazen omdat mijn vader doof is voor haar woorden, en als zij afscheid neemt wijst ze naa
r mij en zegt: ‘Doe het voor hem.’
In een te lange mottige grauwe winterjas met zwart fluwelen kraag, staaat hij aan de voordeur. Op zijn hoofd een donkere vilthoed. Boven de band witte lijnen als van flauwe sneeuwbergen. Zijn lange bruine haren krullen onder de hoed vandaan. Door de droevige plooien om z’n ogen en zijn mond lijkt hij op de oude vriendelijke bloedhond van onze tandarts.
Onder zijn linkeroksel houdt hij een schilferige vioolkist geklemd en in zijn hand heeft hij een gedeukt en gekrast koffertje. Met zijn andere arm leunt hij tegen de deurspijl om steun te vinden. Van zijn huilerige Duits versta ik alleen dat hij mijn ‘mame’ of ’tate’ wil spreken.”

durlacher

Gerhard L. Durlacher (10 juli 1928 – 2 juli 1996) 

 

De Duitse schrijver en dramaturg Günther Weisenborn werd geboren op 10 juli 1902 in Velbert. Hij studeerde medicijnen en germanistiek in Keulen en Bonn. Het succesvolle anti-oorlogsstuk U-Boot 54 uit 1928 voerde hem naar Berlijn, waar hij als dramaturg werkte en contact had met Brecht en Piscator. In 1933 werd zijn maatschappijkritische werk verboden en zijn roman Barbaren belandde op de brandstapels van de nazi’s. In 1936 emigreerde hij naar de VS, maar hij keerde in 1937 al terug en sloot zich aan bij de verzetsgroep Rote Kapelle. In 1942 werd hij gearresteerd en tot 1945 bleef hij in de gevangenis. Zijn ervaringen in het verzet en in de gevangenis verwerkte hij in Die Illegalen (1946), in de memoires Memorial (1948) en in zijn bericht Der lautlose Aufstand (1953).

Das alte Lied vom Lehrer Leid

“Nach Deutschland kommt von Zeit zu Zeit,
wenn’s wieder Trümmer gibt, der Lehrer Leid.

Der sah schon viel Krieg vorübergehn.
Man kann es dem müden Gesicht ansehen.

Er legt uns das alte Lesebuch vor
Und sagt: Wiederholt, sprecht alle im Chor!

Und dann lernen wir alle das alte Gedicht
Vom Frieden. Doch wir behalten es nicht.

Und er schreibt an die Tafel, und die Kreide ist rot:
Wer Waffen bestellt, der bestellt den Tod.

Und er blickt jedem einzelnen ins Gesicht,
und er sagt: Ich heiße Leid, vergesst das nicht.

Wann lernt ihr denn endlich eure Lektion?
Doch da läutet die Glocke, und wir eilen davon

Und bestellen Waffen…von Zeit zu Zeit,
und auf uns wartet der Lehrer Leid…”

weisenborn

Günther Weisenborn (10 juli 1902 – 26 maart 1969)

 

De Engelse schrijver en marineofficier Frederick Marryat werd geboren op 10 juli 1792 in Londen. Na een loopbaan op zee wijdde hij zich vanaf 1830 geheel aan het schrijven.  Na zijn aytobiografische roman The Naval Officer“ (1829) verschenen in snel temp meer boeken van zijn hand. „Peter Simple“ (1834) en „Mr Midshipman Easy“ (1836) zijn de bekendste. In de jaren 1840 richtte hij zich in toenemende mate op de markt van jeugdige lezers en schreef hij een aantal Robinsonaden, zoals „Masterman Ready, or the Wreck of the Pacific“ uit 1841.

Uit: Masterman Ready

“It was in the month of October, 18–, that the Pacific, a large ship, was running before a heavy gale of wind in the middle of the vast Atlantic Ocean. She had but little sail, for the wind was so strong, that the canvas would have been split into pieces by the furious blasts before which she was driven through the waves, which were very high, and following her almost as fast as she darted through their boiling waters; sometimes heaving up her stern and sinking her bows down so deep into the hollow of the sea, that it appeared as if she would have dived down underneath the waves; but she was a fine vessel, and the captain was a good seaman, who did what he considered best for the safety of his vessel, and then put his trust in that Providence who is ever watchful over us.

The captain stood before the wheel, watching the men who were steering the ship; for when you are running before a heavy gale, it requires great attention to the helm: and as he looked around him and up at the heavens, he sang in a low voice the words of a sea song:

“One wide water all around us, All above us one black sky.”

And so it was with them;–they were in the middle of the Atlantic, not another vessel to be seen, and the heavens were covered with black clouds, which were borne along furiously by the gale; the sea ran mountains high, and broke into large white foaming crests, while the fierce wind howled through the rigging of the vessel.”

marryat

Frederick Marryat (10 juli 1792 – 2 augustus 1848)

Marcel Proust / Gerhard L. Durlacher

Marcel Proust werd geboren op 10 juli 1871. Hij was een Franse intellectueel, romanschrijver, essayist en criticus. Zijn vader was een bekende hoogleraar in de medicijnen. Zijn moeder kwam uit een rijke Joodse familie. Vanaf zijn negende levensjaar heeft hij last gehad van astma. Op zijn 51ste stierf hij, nadat hij kou had gevat.

Zijn belangrijkste werk is À la recherche du temps perdu (Op zoek naar de verloren tijd). Proust begon het werk in 1909 en eindigde vlak voor zijn dood in 1922. De laatste drie delen zijn geredigeerd door zijn broer Robert. A la recherche du temps perdu beslaat met zeven delen zo’n 3000 pagina’s en bevat meer dan 2000 figuren. Proust wordt dankzij dit werk gerekend tot de grootse romanschrijvers van de twintigste eeuw.

Uit: Du côté de chez Swann

« Longtemps, je me suis couché de bonne heure. Parfois, à peine ma bougie éteinte, mes yeux se fermaient si vite que je n’avais pas le temps de me dire: -Je m’endors.- Et, une demi-heure après, la pensée qu’il était temps de chercher le sommeil m’éveillait; je voulais poser le volume que je croyais avoir encore dans les mains et souffler ma lumière; je n’avais pas cessé en dormant de faire des réflexions sur ce que je venais de lire, mais ces réflexions avaient pris un tour un peu particulier; il me semblait que j’étais moi-même ce dont parlait l’ouvrage: une église, un quatuor, la rivalité de François Ier et de Charles Quint. Cette croyance survivait pendant quelques secondes à mon réveil; elle ne choquait pas ma raison mais pesait comme des écailles sur mes yeux et les empêchait de se rendre compte que le bougeoir n’était plus allumé. Puis elle commençait à me devenir inintelligible, comme après la métempsycose les pensées d’une existence antérieure; le sujet du livre se détachait de moi, j’étais libre de m’y appliquer ou non; aussitôt je recouvrais la vue et j’étais bien étonné de trouver autour de moi une obscurité, douce et reposante pour mes yeux, mais peut-être plus encore pour mon esprit, à qui elle apparaissait comme une chose sans cause, incompréhensible, comme une chose vraiment obscure. Je me demandais quelle heure il pouvait être; j’entendais le sifflement des trains qui, plus ou moins éloigné, comme le chant d’un oiseau dans une forêt, relevant les distances, me décrivait l’étendue de la campagne déserte où le voyageur se hâte vers la station prochaine; et le petit chemin qu’il suit va être gravé dans son souvenir par l’excitation qu’il doit à des lieux nouveaux, à des actes inaccoutumés, à la causerie récente et aux adieux sous la lampe étrangère qui le suivent encore dans le silence de la nuit, à la douceur prochaine du retour. «  

Marcel Proust (10 juli 1871 –18 november 1922)

 

Gerhard L. Durlacher werd geboren in Baden-Baden op 10 juli 1928. Hij was een schrijver van Nederlandstalige romans. In 1937 kwam hij met zijn Joodse ouders naar Nederland toe. Gerard Durlacher werd op 3 oktober 1942 gearresteerd en via Theresienstadt naar Auschwitz gevoerd. Op 8 mei 1945 werd hij er door de Russen bevrijd. Zijn vader kwam om in Bergen-Belsen en zijn moeder in Stutthof. Hij was van 1964 tot eind 1983 docent sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Durlacher schreef verscheidene andere boeken over zijn persoonlijke ervaringen in de Tweede Wereldoorlog. Als joods jongetje in Baden-Baden in het boek ‘Drenkeling’, en als kampgevangene in dit boek, ‘Strepen aan de hemel’. In 1994 ontving Durlacher de AKO literatuurprijs voor zijn boek ‘Quarantaine’.

Citaten:

‘In de kleine, bescheiden Rabbijn zou ik nooit de orthodoxe jongen uit het Männerlager herkend hebben. Zijn verlegenheid maakt ook mij verlegen. […] “Ik heb iets voor je meegebracht: een boekje over ons en hoe – Zijn Naam zij geprezen – ons gered heeft”. / Op de gele omslag zie ik een tekening waarin ik Yehuda’s hand herken. De tekst kan ik niet lezen, evenmin als de zinnen die hij op het schutblad heeft geschreven. / De woorden die wij wisselen zijn moeizaam. De stiltes zijn lang. Onze werelden liggen ver van elkaar en toch is er een oude band. Na nog geen uur vertrekt hij, omdat, zoals hij verontschuldigend zegt, de sabbat niet meer ver is en hij zijn plichten wil vervullen. Met gemengde gevoelens van genegenheid en twijfel kijk ik hem na. Het boekje over ons en “hoe – Zijn Naam zij geprezen – ons gered heeft” weegt zwaar in mijn hand. / Waarom ons en niet de anderen?’ (De Zoektocht, Verzameld Werk, blz. 208 -209)

‘Ik wilde – en wil – het “waarom” en het “hoe” van onze catastrofe weten en daarmee mijn eigen coördinaten leren kennen. Hoe hadden wij geleefd en overleefd, hoe was onze bevrijding, hoe onze thuiskomst? En waarom hield de wereld zich blind en doof tijdens de zwartste uren in de oorlog en daarna? Onderzoek in bibliotheken en archieven liet heel veel vragen open en heel veel antwoorden deden pijn’. (Strepen aan de hemel, Verzameld Werk, blz. 89)

Gerhard L. Durlacher (10 juli 1928 – 2 juli 1996)