Bernard Dewulf, Tijs Goldschmidt, Anne-Gine Goemans, Han van der Vegt, Shirley Hazzard, Adelbert von Chamisso, Les Barker, Michael Dorris, Anton Hansen Tammsaare

De Vlaamse dichter, schrijver en journalist Bernard Dewulf werd op 30 januari 1960 in Brussel geboren. Zie ook alle tags voor Bernard Dewulf op dit blog.

Roerloos ingevuld

1.
wie legt de eenvoud uit, de eenvoud
van het zwart. dat noch zijn eigen
stille waanzin, noch mijn rustig reiken
kent. waar vindt de lichtste koestering
zijn zacht verwijt. en waar de late ritsel
op de blaren.

hoe was dit te begrijpen. wat slechts
langzaam en door ogen niet gezien
binnen handbereik gevallen was. en
op geen woord betrapt. hoe leed dit leven
aan zichzelf.

hoe werd mijn lach tot woord. mijn mond
zo koel.


2.

wenst elk huis zich warmte toe,
het einde van een dag verraadt dit
slechts. want mensen liggen dichter
van elkaar. en lachen om het zwart
dat rond hun voeten hangt.

hoe legt hier elke boom en ieder huis
zich uit. zij zijn een stil moment. en
dragen slechts nog hier en daar de sporen
van hun leven. hier en daar dan ook
de wereld niet.

(ik heb gewandeld op de dagen. en
de wereld wist het niet. de lieve mensen
hadden zich gekeerd. zoals dat ook het licht
veel vroeger, en veel trager, deed.)


3.

deze avond heeft het licht in handen,
heeft zich heel wat stilte opgelegd.

(een late vogel komt van ver terug,
op smalle slagen en met stil gesloten ogen
vaart hij mee met licht)

ik heb gelachen met de bomen, wit
gelachen in de wind en met hen
meegebogen naar de grond.

ik heb de avond ingevuld. de trage
gang van zaken is mij bijgebleven.


Bernard Dewulf (Brussel, 30 januari 1960)

 

De Nederlandse schrijver Tijs Goldschmidt werd geboren op 30 januari 1953 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Tijs Goldschmidt op dit blog.

Uit: Een olifant in de Schwebebahn

“Door de lucht sneed, hangend aan kabels, een trammetje, dat afboog boven een rivierdal. Rasch woonde in een wit gepleisterd huis vlak bij het station. Alleen de begane grond stond nog overeind. Een bezorgd kijkende vrouw van een jaar of vijfenvijftig deed open. De dochter van Rasch die over was uit Hong-Kong. Een nauw donker gangetje, links aan de straat een tekenkamer. Maquettes van wolkenkrabbers, een tekening van een kerk.
We werden uitgenodigd in de woonkamer die wat onderkomen was. De chaos had vat gekregen op de strenge helderheid die er ooit was geweest. Die voelde je nog wel. Een mooi vorm gegeven rolluik in plaats van gordijnen en een in de muur verzonken boekenkast met glazen deuren, die waren gevat in een stalen frame. Met aandacht en overtuiging gemaakt. Stapels boeken, paperassen en tekeningen lagen her en der verspreid in de kamer.
O. begroette Rasch als eerste en stelde me aan hem voor. Ik kon zijn aangezicht nauwelijks zien, zo krom was hij gegroeid. Rasch was de negentig al gepasseerd. In zijn kale schedel zat een deuk, waardoor ik direct aan de oorlog moest denken. Met grote moeite keek Rasch langzaam op. Levendige, haast ondeugende ogen. Op zijn lichtblauwe overhemd droeg hij een bordeauxrood strikje. Een heer. Rasch: ‘Ah, ein grosser Mann. So gross wie Mart Stam.’ O.: ‘Hij houdt van schilderijen.’ Rasch kwam dichter bij me staan en fluisterde: ‘Maler?’ Ik ontkende dat. Rasch had eigenlijk zelf schilder willen worden, maar had altijd getwijfeld of hij genoeg aanleg had. Als architect was hij vooral mechanisch sterk geweest, een constructeur. Kon een gebouw neerzetten op één paal. Stevig, maar geen grote architectuur. ‘Zijn stoelen zijn misschien wel mooier dan zijn gebouwen,’ meende O. Rasch wenkte me vriendelijk en wees me een stoel. Een gebogen buis met rieten zitting, geen achterpoten. De stoel was oud, maar nog altijd gaaf: ‘Setzen Sie sich. Dieser ist von Mies, 1928.’ Er is veel kritiek op gekomen. Hij heeft geen leuningen en als je vooroverbuigt heeft hij de neiging naar achteren weg te schieten. Rasch: ‘Ik had eens een gast, een aantrekkelijke jonge vrouw die met haar kin op deze tafel terecht is gekomen en zich akelig bezeerd heeft.’
Rasch legde zijn hand op een tweede buisstoel en zei: ‘Dit is de concurrent. Probeert u hem eens.’ Ik wisselde van stoel. ‘Gesundheitsstuhl heet hij, omdat hij steun geeft in de onderrug.’
Rasch keek me vriendelijk afwachtend aan. ‘Zit goed, mooi gemaakt’, mompelde ik, terwijl ik O. en Rasch toeknikte. ‘Ontwerp Rasch’, zei Rasch ‘sla uw benen eens over elkaar en leg ze over de zijleuning. Jonge vrouwen hebben me verzekerd dat dit een groot voordeel is van deze stoel. Zo te kunnen zitten, met de benen over de zijleuning. Dat is uitgesloten met de stoel van Mies.’


Tijs Goldschmidt (Amsterdam, 30 januari 1953)

 

De Nederlandse schrijfster Anne-Gine Goemans werd geboren in Heemstede op 30 januari 1971. Zie ook alle tags voor Anne-Gine Goemans op dit blog.

Uit:Glijvlucht

“Ook de karakters en hobby’s van de broers verschilden. Zijn vader hield van vogels en stripboeken. Oom Fred van koken en literatuur. Het enige wat ze deelden was hun lengte van één meter negenennegentig en de zorg voor Gieles.
‘Denk je aan de ganzenpoep?’ vroeg oom Fred en overhandigde hem de krant met schillen. ‘We hebben gasten. Een echtpaar.’ Hij zei het verheugd.
Uit de schuur pakte Gieles een schep en een emmer. De deal met zijn vader was duidelijk. Hij mocht twee ganzen houden, zolang ze niet vlogen. Zodra ze de lucht in gingen, moesten ze weg. Ook was hij verantwoordelijk voor de verzorging, wat voornamelijk neerkwam op stront ruimen. De ganzen kakten gemiddeld om de minuut.
Naast de oude boerderij lag een stuk weiland waar oom Fred een camping runde. Hij had zijn camping onlangs laten opnemen in een kamperen-bij-de-boergids, hoewel de plek aan geen enkel criterium voldeed. Rust of stilte vond je er niet. In bijna hetzelfde moordende tempo als de ganzen scheten, kwamen de vliegtuigen. De samensteller van de gids typeerde het als een nichecamping. Daar was geen woord van gelogen. Gezinnen lieten zich niet zien. Kamperende spotters waren doorgaans zonderlinge figuren. Dat de camping geen succes was, kon oom Fred niet schelen. Hij maakte zich nergens druk om. Hij haalde ook zijn schouders op over de grauwsluier van kerosine op het houten bord met welkom op de hotspot.
De ganzen kwamen zijn kant op. Met uitgestrekte en slingerende halzen begroetten ze hem. Hij aaide de kuifjes op hun kop. Gieles zette de emmer met schillen in het gras. Weinig enthousiast staken ze hun kop erin en pikten toen tegen zijn bovenbenen. De ganzen aten liever speculaas. Ze waren verslaafd aan de koek. Gieles gaf ze die alleen tijdens de training. Anders luisterden ze helemaal niet meer.”


Anne-Gine Goemans (Heemstede, 30 januari 1971)

 

De Nederlandse dichter Han van der Vegt werd op 30 januari 1961 geboren te Utrecht. Zie ook alle tags voor Hans van der Vegt op dit blog.

Exhorbitans (Fragment)

De metalen lamellen van haar oogleden openen zich
lateraal en een brede ruit biedt ons zicht op buiten
In het glas tekenen zich in lijnen, bogen
de modaliteiten van onze reis uit:
naar hun belang gekleurde vectoren en cirkels
tonen waar zwaartekrachtvelden en zonnewind
zich uitstrekken in de ons omringende ruimte.

Dan wordt het geometrisch schema ingevuld
met sterren en nevels als de sluisdeuren voor ons
van elkaar schuiven. Het schip slaakt een luide zucht
en verheft haar trillende huif boven de boorden.
Achter ons zwelt een gezang van dissonerende
dwalende stemmen die zich naar elkaar richten.
Dan stort zij zich voorover op het vol akkoord.

Het is alsof we naar alle kanten tegelijk
vallen, vóór, boven en onder ons
suist dezelfde diepte ons voorbij.
Als door een mond worden wij naar achter gezogen
in onze stoel, die zich om ons stulpt als een
slijmvlies van artificiële zwaartekracht,
en ons tegen de effecten van druk houdt geborgen.

Wanneer wij een constante snelheid hebben bereikt
plooit het plastic terug, en wij zien
dat de strak in de ruit staande lijnen
vervloeid zijn tot golven. Onder Exorbitans’ kiel
spat het fluïdum van tijd en ruimte uiteen
in breed uitwaaierende sluiers van jaren en eeuwen.
In haar zog kolkt daar samen met hier.


Han van der Vegt (Utrecht, 30 januari 1961)

 

De Australische schrijfster Shirley Hazzard werd geboren op 30 januari 1931 in Sydney. Zij overleed op 12 december jongstleden op 85-jarige leeftijd. Zie ook alle tags voor Shrley Hazzard op dit blog.

Uit: Greene on Capri

“That evening, as we arrived at our fireside table in the inner room at Gemma’s restaurant, Graham, with his friend Michael Richey, stood up to greet us. We dined together. And so began our years of seeing Greene on Capri.
A day or so later, Graham asked us to lunch at his house in Anacapri. In rather better weather we took the bus up the vertiginous road of the Monte Solaro, the island’s presiding dolomitic mountain. Getting out in Piazza Caprile—a farthermost enclave of the little town of Anacapri, which runs along a ridge of the Solaro slope—we walked the couple of hundred yards to Graham’s gate. Il Rosaio, as the house is called, sharing its name with an adjacent property, dates in present form from about 1922. It belongs to a period when the ancient rustic architecture of Capri, compact, domed, and curved, was taken up by certain of the island’s more worldly residents—and in particular by an entrepreneurial mentor of Capri, Edwin Cerio—as a basis for constructing charming houses: white, but not starkly so; well made but never massive; not luxurious, but comfortable, and appropriate to climate and surroundings. A score or more of these houses, each different but linked in style, are scattered through the island, most of them still in private hands. The danger of such emulative architecture—that it may seem coy, or toy—has long since been exorcised by the Capri climate, which, through seasonal alternations of scorching and soaking, weathers any tactful, durable structure into authenticity. The island’s prolific growth of flowering plants, shrubs, and vines does the rest.
The wrought-iron gate of the Rosaio is set into the arch of a high white wall and provided with a bell and bellpull. You walk into a secluded garden reminiscent of Greece or North Africa, and characteristic, even today, of many Capri dwellings where the island’s history of “Saracen” assaults by sea, and its once imperative climatic needs, linger in structural patterns common to all the Mediterranean. Intersecting paths paved with old rosy bricks lead, as in a childhood dream, to the obscure front door. The slight suggestion of a maze would have attracted the author of Ways of Escape. The house is small, its ground floor having four rooms and the upper storey consisting only of a single ledge-like space. (At a later time, Graham had a portion of the roof fitted up as a sheltered terrace that looks down the island’s long western slope to the sea and over to the cone of Ischia on the horizon, providing vermilion views of extravagant sunsets.) The entire space of the property—imaginatively expanded, by censorious writers on Greene, into a site of sybaritic luxury—is that of a suburban English cottage with its pleasant plot of ground. The core of that particular criticism may be that the Rosaio is not suburban: it is on Capri.”


Shirley Hazzard (30 januari 1931 – 12 december 2016)
Cover

 

De Duitse dichter en schrijver Adelbert von Chamisso werd op het slot Boncourt in de Champagne geboren op 30 januari 1781. Zie ook alle tags voor Adelbert von Chamisso op dit blog.

Heimweh

O laßt mich schlafen! o ruft mich
In die Gegenwart nicht zurück!
Mißgönnt ihr dem kranken Mädchen
Den Traum, den Schatten von Glück?

Was sprecht ihr mir zu? vergebens!
Mein Herz verstehet euch nicht.
Bin fremd in eurem Lande;
Hier schmerzt mich das Tageslicht.

Hier dehnt sich das flache Gefilde
So unabsehbar und leer,
Darüber legt sich der Himmel
So freud- und farblos und schwer.

Es sieht mein müdes Auge,
Umflort von bitterm Tau,
Nur blasse Nebelgestalten,
Verschwindende, grau in grau.

Es rauschen fremde Klänge
Vorüber an meinem Ohr,
Es zählet die innere Stimme
Nur Schmerzen und Schmerzen mir vor.

Der Schlaf nur bringt allnächtlich
Vor Tagesgedanken mir Ruh’,
Es trägt mich der Traum mitleidig
Der lieben Heimat zu.

Und meine Berge erheben
Die schneeigen Häupter zumal
Und tauchen in dunkele Bläue
Und glühen im Morgenstrahl,

Und lauschen über den Hochwald,
Der schirmend die Gletscher umspannt,
In unser Thal herüber,
Und schauen mich an so bekannt.

Der Gießbach schäumet und brauset,
Und stürzt in die Schlucht sich hinab;
Von drüben erschallt das Alphorn, –
Das ist der Hirtenknab!

Aus unserm Hause tret’ ich,
Dem zierlich gefügten, herfür;
Die Eltern haben’s gebauet,
Die Namen stehn über der Thür;

Und unter den Namen stehet
Der Spruch, Gott segne das Haus
Und segne, die frommen Gemütes
Darin gehn ein und aus.

Ich bin hinaus gegangen – –
Weh’ mir, daß ich es that!
Ich bin nun eine Waise,
Die keine Heimat hat.

O laßt mich schlafen, o ruft mich
In die Gegenwart nicht zurück!
Mißgönnt nicht dem kranken Mädchen
Den Traum, den Schatten von Glück!


Adelbert von Chamisso (30 januari 1781 – 21 augustus 1838)
Borstbeeld in Berlijn

 

De Engelse dichter Les Barker werd op 30 januari 1947 geboren in Manchester. Zie ook alle tags voor Les Barker op dit blog.

Guide Cats for the Blind

The word futile springs to mind, mission impossible, yes, that’s the attempt
to harness for mankind, the intelligence of cats.
You’ve made a basic error, now let me expound.
This master/servant thing’s o.k. but not that way around
We don’t do the ‘faithful’ subject, we don’t do the daily grind
You should never have attempted this
Guide cats for the blind

Give kitty so much trust, and we’ll abuse the privilege
You think you’re going out, you’re opening the fridge
You think I’m trying to help you, I’m not serving man but mammon
You think you’ve gained a faithful friend, you’ve lost a plate of salmon
I might lead you down the high street, I’ll be back when I have dined
We get very very hungry being
Guide cats for the blind

It can’t be very pleasant, of this I’ve little doubt
With your head stuck in a cat flap, whether facing in or out
You could be here a day or two, half out in the rain
I’ve got to go, I’ve things to do, maybe I’ll pass this way again
A dog would go for help, but cats are not that way inclined
Cats have better things to do than being
Guide cats for the blind

Of some matters I am ignorant, but this I know for certain
The best place for a blind man isn’t half way up a curtain
Why do they have to be up on a roof at 4am
It’s a perfect place for me, but what’s in it for them?
It was where I had to go, and he just tagged along behind
I don’t know why, only a fool would follow
Guide cats for the blind

I once met a man called Pavlov, from time to time he rang a bell
Simple things make humans happy, but I have to say that well,
I found it a disturbance and poor chap I think he knew it
And soon he only rang his bell when I wanted him to do it
Did you ask for our assistance, if you did then we declined
Here we are, an oxymoron
Guide cats for the blind


Les Barker (Manchester, 30 januari 1947)

 

De Amerikaanse schrijver Michael Anthony Dorris werd geboren op 30 januari 1945 in Louisville, Kentucky. Zie ook alle tags voor Michael Dorris op dit blog.

Uit: The Broken Cord

“I sat in the lobby of the Pierre airport, waiting. The terminal resembled an oversized department store display case, the kind in which jewelry or cosmetics are arranged—a glass front, neutral colors, brightly lit—except that this one existed in isolation, a rectangular box on the flat, wind-scoured plain of central South Dakota. A draft of air had lifted the wings of the small commuter plane just before we landed, releasing first a collective moan of dread and then the embarrassed laughter of survival among my fellow passengers. On the ground I got a better look at them: three bureaucrats, dressed in wrinkle-free suits, with business in the state capital; two ranchers sporting their go-to-town buckles—large silver and tur-quoise affairs that divided barrel chests from thin, booted legs; a harried mother trying to convince a small child with pressure-stopped ears to yawn or swallow; a visiting in-law, met loudly by a woman in curlers and Bermuda shorts. I felt exhilarated and out of place, a stranger on a mission no one would suspect: within the hour, I was due to become an unmarried father. The year was 1971 and I was twenty-six years old, ex-would-be hippie, candidate for a Yale doctorate in anthropology, a first-year instructor at a small experimental college in New England. This cloudy afternoon in Pierre was the culmination of a journey I had begun nine months before when, while doing fieldwork in rural Alaska, it occurred to me that I wanted a child, I wanted to be a parent.
I remember precisely the context of this realization. I was living then in a cabin in Tyonek, an Athapaslcan•speaking Indian community on the west coast of Cook Inlet, collecting information about the impact of modernization and oil revenues on the life of this remote fishing village. Much of my time was spent in the study of the local language, linguistically related to Navajo and Apache but distinctly adapted to the subarctic environment. One of its most difficult features for an outsider to grasp was the practice of almost always speaking, and thinking, in a collective plural voice. The word for people. “dene.- was used as a kind of “we”—the subject for virtually every predicate requiring a personal pronoun—and therefore any act became, at least in conception, a group experience. It was my second autumn in Tyonek. I had spent the morning interviewing an elderly woman, Mrs. Nickefor Alexan, the respected expert on subjects ranging from traditional herbal medicine to the do’s and don’ts of appropriate courting behavior. In the course of our conversations, I consumed too much tea and my mouth was dry with the acidic taste. I returned to my house in the afternoon and was uninterrupted as I organized my notes: most adults in the community were busy in their smokehouses. preserving and canning August’s catch of fish, and the children, my frequent summer visitors, had returned to school.”

 
Michael Dorris (30 januari 1945 – 10 april 1997)
Persfoto voor de gelijknamige film uit 1992 met o.a. Jimmy Smits en Michael Spears

 

De Estlandse schrijver Anton Hansen Tammsaare werd geboren op 30 januari 1878 in Albu. Zie ook alle tags voor Anton Hansen Tammsaare op dit blog.

Uit: The boy and the butterfly

“He began by approaching it stealthily; but hardly had he taken a step when the butterfly flitted to another flower, just out of reach, fluttering its pretty wings as it to tease its pursuer.
The boy was getting impatient. Then began an unflagging chase; this way and that, to the north and to the south, a leap to the left, another to the right – over hummocks and bushes. Away he went in zigzag pursuit of the butterfly that one moment was flitting among the low growing flowers and the next was floating up high.
On and on they raced – one on his nimble feet, the other on its silky velvet wings that glittered like jewels in the sun. The fugitive did not tire, nor did the pursuer slacken his pace.
Until at last the butterfly rose higher and higher and flew away far over the forest that sheltered the meadow from the north wind.
Flushed and breathless the boy stopped, and with a beating heart he followed the flight of the butterfly, as if hoping it would turn back. As he stood there, gazing beyond the forest trees, a heavy fragrance was wafted to his nostrils by a passing breeze and he became aware again of the forgotten flowers that were waiting to be picked. Deeply affected by the fragrance, he turned with agitation and was about to stoop down and pick the nearest flower when he stopped in dismay, and his cheeks blanched. He had carelessly trampled over all of the flowers in his mad pursuit of the butterfly.
With a heavy heart, the boy dropped to the ground and cried bitterly, for he loved flowers passionately and would have picked them with pleasure.”

 
Anton Hansen Tammsaare (30 januari 1878 – 1 maart 1940)
Portret door Nikolai Triik, 1927

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e januari ook mijn blog van 30 januari 2016 deel 2.

Han van der Vegt

De Nederlandse dichter Han van der Vegt werd op 30 januari 1961 geboren te Utrecht. Zie ook alle tags voor Hans van der Vegt op dit blog.

Exhorbitans (Fragment)

I
Zingend, ronkend, zwanger van horizonten,
rook van haar geschubde flanken slakend,
zo hangt ze boven het dok, de vliezen kloppend
de vensters geloken, wachtend tot men haar gaan laat.
Exorbitans is haar naam, want zij zal buiten
elke bekende baan het heelal ontsluiten.
Aan ons de taak haar daarbij terzijde te staan.

Aan elke pier van de grote ruimtehevel
die over de rand van het zonnestelsel rolt
ligt wel een schip te wachten op het sein van vertrek,
maar geen smacht zo reisbelust als het onze.
Materie en antimaterie, gescheiden in
twee bollen, herscheppen het begin
van het universum in haar borst.

Door een luik tussen haar schouderplaten
zakken wij een voor een naar binnen en komen
in een gangenstelsel: gerimpelde membranen
overeind gehouden door ribbenbogen.
Boven ons wordt een lamp helderder
die ons, glijdend langs de nok, op de weg
voorgaat en ons naar de cockpit loodst.

Wij laten ons zinken in oranje kuipstoelen waarvan
de bekleding meteen naar onze lichamen staan gaat.
Wij schuiven de dubbele plug in onze neus, zodat
wij altijd met het schip in verbinding staan;
Rolfo doet het alsof het zijn plicht is en Zark
of het een pik is en Mim of ze lachen
moet en Brand of hij zoiets nog nooit heeft gedaan.

 

han_van_der_vegt
Han van der Vegt (Utrecht, 30 januari 1961)

Botho Strauß, Frédéric Leroy, Han van der Vegt

De Duitse schrijver Botho Strauß werd geboren op 2 december 1944 in Naumburg an der Saale. Hij is de zoon van een voedingsdeskundige; in Keulen en München studeerde hij in de jaren 60 germanistiek. Hij was tussen 1967 en 1970 redacteur bij Theater heute, een tijdschrift over de hedendaagse toneelkunst. Daarna begon hij zelf theaterstukken te schrijven, en werd reeds vroeg opgemerkt: samen met Peter Stein werkte hij vanaf 1970 voor de Schaubühne am Halleschen Ufer, waar hij vijf jaar actief bleef. Sinds medio jaren 70 woont hij in Berlijn. In 1980 publiceerde Strauß zijn eerste roman, Rumor, waarin duidelijk werd dat hij eveneens een begaafd prozaïsch verteller is, zelfs al is de samenhang soms ver te zoeken. Sedert de jaren 80 is zijn stijl, benevens pessimistisch, tevens ironisch geworden: hij schijnt de hedendaagse samenleving zowel te bekritiseren als te bespotten. Algemene bekendheid in de Duitstalige wereld verwierf hij in 1981 met zijn verhalenbundel Paare, Passanten, waarin hij alledaagse scènes uit het bestaan van doordeweekse mensen beschrijft, met speciale aandacht voor hoe ze zich uitdrukken en gedragen, en vanop een bepaalde afstand die ironiserend commentaar toelaat. Zijn daaropvolgend toneelstuk Kaldewey Farce vertoont de introductie van een mystiek element: het toneel wordt tot zijn oorspronkelijke, dithyrambische proporties herleid, en een irrationele Dionysus-cultus ontstaat op de scène. Der Park is een bewerking van A Midsummer Night’s Dream van Shakespeare. In 1993 werd Strauß een bijzonder controversieel figuur. In dat jaar schreef hij een — buitengewoon ingewikkeld — essay voor Der Spiegel, getiteld Anschwellender Bocksgesang, waarin hij opperde dat de stompzinnigheid van de media (die hij een „cloaca“ noemde), een onherroepelijke scheidingslijn tussen de massa en de intellectuele elite teweeggebracht had. Die elite was volgens hem verbrokkeld: mensen met werkelijk inzicht waren individuen die node hun eigen weg dienden te vervolgen, terwijl de overige mensen in de waan verkeerden dat ze goed geïnformeerd en daardoor wijs waren, maar in werkelijkheid hopeloos ten prooi waren gevallen aan de illusionaire realiteit die de media hun ten langen leste geïndoctrineerd hadden. Daarenboven sprak uit dit betoog een conservatieve reflex; Strauß werd dientengevolge als een nieuwe pleitbezorger voor een conservatieve revolutie beschouwd.

Uit: Anschwellender Bocksgesang

… „Sie treten den Gedanken breit, den wir nur eben vorbeihuschen ließen, sie machen zum Schema und füllen die Sendezeit mit Fragen, die sie sich niemals selber stellten, die Kommentatoren, die Debattanten, die Infotainer. Sie nehmen sogar Rätsel und Hieroglyphe auf in ihre seichte, nach allen Seiten hin durchschaubare Sprache, die Vermittler, die Weltmoderatmacher. Die Schande der modernen Welt ist nicht die Fülle ihrer Tragödien, darin unterscheidet sie sich kaum von früheren Welten, sondern allein das unerhörte Moderieren, das unmenschliche Abmäßigen der Tragödien in der Vermittlung.

Aber die Sinne lassen sich nur betäuben, nicht abtöten. Irgendwann wird es zu einem gewaltigen Ausbruch gegen den Sinnenbetrug kommen. Wenn man nur nicht mehr von “Medien” spräche, sondern von einem elektronischen Schaugewerbe, das seinem Publikum die Welt in dem äußersten Illusionismus, der überhaupt möglich ist, vorführte. Aber eines Tages geschähe es eben, über Nacht, wie in einer universellen Mutation, daß die Seher allesamt des Sinnenglaubens verlustig gingen vor dem Fernsehschirm, und dort würden noch fortgesetzt die seriösesten Anstrengungen unternommen, um das Publikum wieder einzufangen, es erneut zu illusionieren, einzupegeln auf die moderierten Frequenzen. Doch sie werden nicht mehr empfangen. Das Weltschaugewerbe wirkt auf einmal wie ein verstaubter Zirkus, hat auf einen Schlag alle suggestive, realitätszersplitternde Macht verloren. Die in den Kästen werben und werben noch, geradezu mit todesängstlicher Anstrengung – doch das Publikum lächelt unerbittlich und milde zugleich: es glaubt einen anderen Glauben.

 

Die Intelligenz der Massen hat ihren Sättigungsgrad erreicht. Unwahrscheinlich, daß sie noch weiter fortschreitet, sich transzendiert und 10 Millionen RTL-Zuschauer zu Heideggerianern würden. Hellesein ist die Borniertheit unserer Tage. Die High-Touch-Intelligenz, alle immer miteinander in Tuchfühlung, unterscheidet nicht mehr zwischen Fußvolk und Anführern. Was einmal die dumpfe Masse war, ist heute die dumpfe aufgeklärte Masse.

 

      Ich sehe zwischen einem Schau-Gespräch und einem Schau-Prozeß nur graduelle Unterschiede in der Vorführung von Denunzierten. Wer sich bei einer privaten Unterhaltung von Millionen Unbeteiligter begaffen läßt, verletzt die Würde und das Wunder des Zwiegesprächs, der Rede von Angesicht zu Angesicht und sollte mit einem lebenslangen Entzug der Intimsphäre bestraft werden. Das Regime der telekratischen Öffentlichkeit ist die unblutigste Gewaltherrschaft und zugleich der umfassendste Totalitarismus der Geschichte. Es braucht keine Köpfe rollen zu lassen, es macht sie überflüssig. Es kennt keine Untertanen und keine Feinde. Es kennt nur Mitwirkende, Systemkonforme. Folglich merkt niemand mehr, daß die Macht des Einverständnisses ihn mißbraucht, ausbeutet, bis zur Menschenunkenntlichkeit verstümmelt.“

 

 

Strauss
Botho Strauß (Naumburg an der Saale, 2 december 1944)

 

 

De Vlaamse dichter Frédéric Leroy werd geboren op 2 december 1974 in Blankenberge. Hij woont in Brussel en is behalve als dichter werkzaam als voedingstechnoloog en docent. Leroy publiceerde in verscheidene literaire tijdschriften (o.a. De Brakke Hond, Gierik & NVT, LAVA, Meander, Krakatau). Zijn debuutbundel ‘Gedichten’ maakt deel uit van de poëziereeks De Contrabas. Citaat uit een interview: “Dichters die ik bewonder zijn (onder andere) Paz, Montale, Gatsos en García Lorca, omwille van de magie van hun schrijven en omdat het visionairen zijn. En ook Dante en Ovidius, als ik even mag? Verder nog Rimbaud natuurlijk, die als tiener al meer poëtische maturiteit had dan wie dan ook.”

7:53 AM

Ik (nu ook onder de levenden) herinner
me het woord – nog net of net niet meer,
proefde het op mijn verwonde lippen,
het woord zoals het was: onuitgesproken
maar drachtig als een zeug, hoe het rook
naar ontucht en onophoudelijk wisselde
van vorm, hoe het alles was en dan weer
niets, een lege oceaan, de frêle glimlach
van een meisje, een ruwe noordenwind,
hoe het uiteindelijk stolde: tot een bevel,
tot het willen, het opeisen, de roepnaam
van het ingeslapen beest. Ja – ik wil,

als een god ontwaken wil ik, ontbloot
en zonbeschenen op krijtwitte lakens,
met dit door oorlogen getekend lichaam
dat smaakt naar zeezout en die knoert
van een stierenkop, dit groteske hoofd
dat de wereld dragen wil maar zichzelf
niet herkent, in het eigenste labyrint
verloren loopt, pijnlijk bevreemdend
is zoals een ochtendlijke motelkamer
die geneest van bourbon en netkousen
(terwijl de poetsploeg luiken opengooit
en de nacht in holen kruipt) – ontwaken

van mezelf wil ik, het eenzame en trage
openen van nachtelijk gebroken ogen,
krokussen zien ontluiken en het brood
van gisteren wil ik, de zon in het gezicht
spuwen, lasteren en bloed doen stromen,
als een moeder jongen uitsturen wil ik,
en de hemel wil ik, helemaal, op natte klei
dansen, met wilde honing in het speeksel,
vol van liefde wil ik, als kapitein ter zee,
als pooier, als vreemdeling wil ik, rood
van woede, triomferen wil ik. Ja, ik wil!

frederic

Frédéric Leroy (Blankenberge, 2 december 1974)

 

Vandaag is er weer wat ruimte voor een dichter die ik pas onlangs voor het eerst ter hand nam.

Han van der Vegt werd op 30 januari 1961 geboren te Utrecht, precies op het moment dat de hondsster zich boven de horizon verhief. Hij woonde enkele jaren in Antwerpen en is al door Piet Gerbrandy als ‘Vlaamse dichter’ erkend. Na acht jaar in Antwerpen te hebben gewoond is hij tegenwoordig inwoner van Arnhem. Hij heeft tot nu toe vier dichtbundels gepubliceerd: Oker, Pilonder, Ratel & Experimenten en vorig jaar Exorbitans. Naast gedichten schrijft hij essays, zoals ‘Een vaag gezoem om het leven’ over de poëzie van Rutger Kopland, en (samen met Peter Holvoet-Hanssen) ‘De vegtlijnen; Pathos, kapsones en conflict’, een manifest voor een dynamische, expansieve poëzie.

Uit: Pilonder  (Uitgeverij IJzer te Utrecht)

trek een lijn over je verhemelte
er valt een ster in je mond
en je hoeft niet meer te praten
vlammend langs de horizon
zoekt je stem zich een eigen weg

het universum musiceert weer
niet meer met sferen maar met snaren
de cirkel op je buik
heeft een naam voor zijn eigen klank

scheur het eelt van onder je voeten
de aarde rolt voort zonder je te raken
waar de horizon zijn adem inhoudt
zal je stem je vertellen wat
hij voor je heeft gevonden

*

met de zon in mijn mond ben ik opgestaan
van de mangrovebossen van mijn weten
ik heb mijn vorm uitgehangen aan de
haken van violette nevels
mijn voeten tot de grond

de sterren spelen in mijn oksels

Als de wind zwelt in mijn borst
ben ik het zeil waaraan de
wereld zich door haar uren takelt

en jij, in het bootje van je lichtste zinnen
trekt een lijn van tepel naar tepel
tekent met een losse slag van je riem
mijn hart op de plek van mijn hemel

*

vierkant in de band van het donker
kantelend door de damp van weifelende regens

hier is niemand
en niemand is hier

welk landschap zal ik over blauwe aarde uitleggen
om er de morgen mee te begroeten

een hand zal komen en vragen
en uitwissen wat hij heeft gevraagd

de avond waait niet

de avond ademt

de damp van weifelende regens

HANVANDERVEGT

Han van der Vegt (Utrecht, 30 januari 1961)