Zadie Smith, Sylvia Plath

De Engelse schrijfster Zadie Smith werd geboren op 27 oktober 1975 in Londen. Zie ook alle tags voor Zadie Smith op dit blog.

Uit: Intimations

“Just before I left New York, I found myself in an unexpected position: clinging to the bars of the Jefferson Market Garden, looking in. A moment before I’d been on the run as usual, intending to exploit two minutes of time I’d carved out of the forty-five-minute increments into which, back then, I divided my days. Each block of time packed tight and levelled off precisely, like a child prepping a sandcastle. Two ‘free’ minutes meant a macchiato. (In an ideal, cashless world, if nobody spoke to me.) In those days, the sharp end of my spade was primed against chatty baristas, overly friendly mothers, needy students, curious readers – anyone I considered a threat to the programme. Oh, I was very well defended. But this was a sneak attack . . . by horticulture. Tulips. Springing up in a little city garden, from a triangle of soil where three roads met. Not a very sophisticated flower – a child could draw it – and these were garish: pink with orange highlights. Even as I was peering in at them I wished they were peonies.
City born, city bred, I wasn’t aware of having an especially keen interest in flowers – at least no interest strong enough to forgo coffee. But my fingers were curled around those iron bars. I wasn’t letting go. Nor was I alone. Either side of Jefferson stood two other women, both around my age, staring through the bars. The day was cold, bright, blue. Not a cloud between the World Trade and the old seven-digit painted phone number for Bigelow’s. We all had somewhere to be. But some powerful instinct had drawn us here, and the predatory way we were ogling those tulips put me in mind of Nabokov, describing the supposed genesis of Lolita: ‘As far as I can recall, the initial shiver of inspiration was somehow prompted by a newspaper story about an ape in the Jardin des Plantes, who, after months of coaxing by a scientist, produced the first drawing ever charcoaled by an animal: this sketch showed the bars of the poor creature’s cage.’ I’ve always been interested in that quote – without believing a word of it. (Something inspired Lolita. I’m certain no primates were involved.) The scientist offers the piece of charcoal expecting or hoping for a transcendent revelation about this ape, but the revelation turns out to be one of contingency, of a certain set of circumstances – of things as they happen to be. The ape is caged in by its nature, by its instincts, and by its circumstance. (Which of these takes the primary role is for zoologists to debate.) So it goes. I didn’t need a Freudian to tell me that three middle-aged women, teetering at the brink of peri-menopause, had been drawn to a gaudy symbol of fertility and renewal in the middle of a barren concrete metropolis . . . and, indeed, when we three spotted each other there were shamefaced smiles all round.”


Zadie Smith (Londen, 27 oktober 1975)


De Amerikaanse dichteres en schrijfster Sylvia Plath werd geboren op 27 oktober 1932 in Jamaica Plain, een buitenwijk van Boston. Zie ook alle tags voor Sylvia Plath op dit blog.



Met blote handen reik ik de raten aan.
De man in het wit glimlacht, met blote handen,
Onze keurige schone kaphandschoenen van kaasdoek,
De keel van onze polsen dapper lelieblank.
Hij en ik

En tussen ons in wel duizend propere cellen,
Acht raten vol met kleine gele kopjes,
En de korf zelf: een theekop,
Wit, versierd met roze bloemen.
Met tederste zorg heb ik haar in glazuur gezet,

Denkend ‘Zoetheid, o zoetheid’.
De broedcellen, grijs als versteende schelpen,
Beangstigen me, zo oud zien ze eruit.
Wat koop ik hier, wormstekig mahonie?
Is er wel een koningin?

Als er een is, dan is ze oud,
Gescheurde shawls haar vleugels, het lange lijf
Kaal, het dons versleten –
Arm, naakt, erbarmelijk zelfs.
Ik sta in een rij

Van gevleugelde, heel gewone vrouwen,
Ik ben geen werkster
Al heb ik jaren stof gegeten
En borden gedroogd met mijn dikke bos haar.

En mijn vreemdheid zien verdampen,
Blauwe dauw uit gevaarvolle huid.
Zullen ze me haten,
Deze vrouwen die maar jachten,
Hun enige nieuws het ontbloeien van de kers, de klaver?

Het is bijna gebeurd.
Mijn wil regeert.
Dit hier is mijn honingapparaat,
Dat zonder nadenken zijn werk zal doen
En opengaan, in het voorjaar, als een nijvere maagd

Om de romige pluimen af te schuimen
Zoals de maan de zee afschuimt, om zijn ivorig stuifsel.
Een derde kijkt toe.
Met de bijenhandelaar, met mij, heeft hij niets te maken.
Nu is hij verdwenen

In acht grote sprongen, zondebok op de vlucht,
Daar ligt zijn slof, daar nog een,
En daar de witlinnen zakdoek
Die hij droeg inplaats van een hoed.
Hij was zoet,

Het zweet van zijn arbeid een regen
Die de aarde dwingt vruchten te dragen.
De bijen vonden hem,
Klonterden als leugens om zijn lippen,
Verwrongen zijn gezicht.

Ze dachten dat het hun dood wel waard was, maar ik
Heb een ik terug te winnen, een koningin.
Is ze dood, slaapt ze?
Waar is ze geweest
Met haar leeuwerood lijf, haar vleugels van glas?

Nu vliegt ze
Angstwekkender dan ooit, een rood
Litteken in de lucht, een rode komeet
Boven de machine die haar had gedood –
Het mausoleum, het wassen huis.


Vertaald door Anneke Brassinga


Sylvia Plath (27 oktober 1932 – 11 februari 1963)


Zie voor nog meer schrijvers van de 27e oktober ook mijn blog van 27 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Zadie Smith, Sylvia Plath

De Engelse schrijfster Zadie Smith werd geboren op 27 oktober 1975 in Londen. Zie ook alle tags voor Zadie Smith op dit blog.

Uit: On the Road: American Writers and Their Hair

Aleksandar Hemon is a young Bosnian writer who left his homeland to visit a friend in Chicago six years ago. Two weeks later a war started and he never returned. Instead he made a home in downtown Chicago, learnt English, and then wrote a book called The Question of Bruno which is alright I suppose if you appreciate multi-lingual genius types who learn the language in six months, write with great humour and style and then get compared to Nabokov in the New York Times. If you’re into that sort of thing. Personally, talent is not what I look for in my writers. I look for hair. And Aleksander Hemon is as bald as the day is long. But bald in a strong, big-guy way . Or, as he might put it, bald like the insolent back of a dolphin breaking the foamy surf, unashamed. But that’s talent for you. Always trying to shove its self in everybody’s face.
Aleksander, who is called Sascha by his friends, is a big, bald, handsome, mountain of a man with a passion for Soccer. In my opinion, he is one of the best of the new European writers, shaving his head out of choice, a tribute to his great talent that requires no adornment. For no reason that I can figure, Aleksander Hemon doesn’t sell that many books, and so does not make so much money, and so, as, he speeds through Chicago in his little red car – he drives like a guy in a war zone – the two of us try and think of things he could do to get a little more cash. Now, when you talk to most writers about extending their horizons, moving into new ventures and media – writing a movie, maybe, or teaching, or getting involved in theatre – they will hum and haw. Fretting about what effect any change might have on their aesthetic integrity, public image, yada yada yada – all that stuff. Sascha doesn’t give a shit for that stuff. There’s a larger obstacle in his path. Soccer. Sascha fits his writing around his soccer. Sascha got into writing because he considers it a soccer-friendly profession. Three times a week, irrespective of weather, Sascha pours himself into some long shorts, laces up his boots, and charges through midfield knocking defenders over like skittles. He plays with a mixture of Chicago bankers and Hispanic bus-boys. He knocks them all down. His is the hardcore, Bosnian, Eastern-block, full-contact version of the game.
“You talk to me of these various opportunities,” he says, yanking the steering wheel, taking a sharp bend like a Duke-of-freaking-Hazard,“ – and certainly, I could use some more money – but I say this to you: can I still play football three times a week? Can I still play football three times a week? You look at me with your monk’s face, full of an infinite pity, yes, but without understanding, loosened from the realities of this life like a boat that has slipped its rig and floats in the bay. Because you know the truth as I know it. The aesthetic, political, journalistic, academic opportunities afforded a writer in these Unites States of America – all of them are sadly incompatible with playing a game of football, three times a week.”


Zadie Smith (Londen, 27 oktober 1975)


De Amerikaanse dichteres en schrijfster Sylvia Plath werd geboren op 27 oktober 1932 in Jamaica Plain, een buitenwijk van Boston. Zie ook alle tags voor Sylvia Plath op dit blog.


De aankomst van de bijenkist

Ik bestelde hem ooit, deze keurige houten kist
Hoekig als een stoel en te zwaar haast om te tillen.
Een doodkist voor een dwerg, zou ik zeggen,
Of een hoekige baby,
Als er niet zo’n geraas uit opklonk.

De kist zit op slot: gevaar.
Ik moet ermee leven vannacht,
Er afblijven kan ik niet.
Geen raampjes zijn er, naar binnen kan ik niet kijken.
Niets dan een klein rooster, geen uitgang zelfs.

Ik breng mijn oog aan het rooster.
Donker, donker is het er,
Krioelend tasten er Afrikaanse handjes,
Minuscuul, voor de export gekrompen,
Zwart tegen zwart, hun woedend geklauter.

Hoe kan ik ze vrijlaten?
Het geluid, dat ontzet me het meest.
Het onduidbaar geroezemoes
Als van een Romeinse menigte,
Stuk voor stuk gering, maar tezamen, o god!

Ik leen het oor aan een woedend Latijn.
Ik ben geen Caesar.
Ik heb een kist bezetenen besteld, niet anders.
Ze zijn nog terug te sturen.
Ze kunnen sterven, voeren hoef ik ze niet, ze zijn van mij.

Ik vraag me af hoe hongerig ze zijn.
Ik vraag me af of ze mij zouden vergeten
Als ik de sloten verbrak, me terugtrok, een boom werd.
Daar staat de goudenregen met haar zuilen geel,
Daar de schuimige rokken van de kers.

Ze zouden me zonder meer links laten liggen misschien
In mijn maankleed en rouwsluier.
Ik breng geen honing voort
Dus hoe zouden ze mij genaken?
Morgen ben ik de goede God, dan zal ik ze laten vliegen.

De kist is maar tijdelijk.


Vertaald door Anneke Brassinga


Sylvia Plath (27 oktober 1932 – 11 februari 1963)


 Zie voor nog meer schrijvers van de 27e oktober ook mijn blog van 27 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Zadie Smith, Sylvia Plath

De Engelse schrijfster Zadie Smith werd geboren op 27 oktober 1975 in Londen. Zie ook alle tags voor Zadie Smith op dit blog.

Uit: Feel Free (The North West London Blues)

“On market day we permit ourselves the feeling that our neighbourhood, for all its catholic mix of people and architecture, remains a place of some beauty that deserves minimal preservation and care. It’s a nice day out, is my point. Still, there’s only so long a toddler will stand around watching her grandmother greet all the many people in Willesden her grandmother knows. My daughter and I took a turn. You can’t really take a turn in the high road so we went backwards, into the library centre. Necessarily backward in time, though I didn’t—couldn’t—bore my daughter with my memories: she is still young and below nostalgia’s reach. Instead I will bore you. Studied in there, at that desk. Met a boy over there, where the phone boxes used to be. Went, with school friends, in there, to see The Piano and Schindler’s List (cinema now defunct) and afterward we went in there, for coffee (café now defunct) and had an actual argument about art, an early inkling that there might be a difference between a film with good intentions and a good film.
Meanwhile my daughter is running madly through the centre’s esplanade, with another toddler who has the same idea. And then she reverses direction and heads straight for Willesden Green Book Shop, an independent shop that rents space from the council and provides—no matter what Brent Council, the local government for the London borough of Brent, may claim—an essential local service. It is run by Helen. Helen is an essential local person. I would characterize her essentialness in the following way: “Giving the people what they didn’t know they wanted.” Important category. Different from the concept popularized by Mr Murdoch: giving the people what they want. Everyone is by now familiar with the Dirty Digger’s version of the social good—we’ve had thirty years of it. Helen’s version is different and necessarily perpetrated on a far smaller scale.
Helen gives the people of Willesden what they didn’t know they wanted. Smart books, strange books, books about the country they came from, or the one that they’re in. Children’s books with children in them that look at least a bit like the children who are reading them. Radical books. Classical books. Weird books. Popular books. She reads a lot, she has recommendations. Hopefully, you have a Helen in a bookshop near you and so understand what I’m talking about. In 1999 I didn’t know I wanted to read David Mitchell until Helen pointed me to Ghostwritten. And I have a strong memory of buying a book by Sartre here, because it was on the shelf and I saw it. I don’t know how I could have known I wanted Sartre without seeing it on that shelf—that is, without Helen putting it there. Years later, I had my book launch in this bookshop and when it got too full, mainly with local friends of my mother, we all walked up the road to her flat and carried on over there.”


Zadie Smith (Londen, 27 oktober 1975)


De Amerikaanse dichteres en schrijfster Sylvia Plath werd geboren op 27 oktober 1932 in Jamaica Plain, een buitenwijk van Boston. Zie ook alle tags voor Sylvia Plath op dit blog.

Ik ben verticaal

Maar liever was ik horizontaal.
Ik ben geen boom met mijn wortels in de aarde
Die mineralen en moederliefde opzuigt
Zodat ik iedere maart van blad kan glanzen,
Noch ben ik de schoonheid van een bloembed
Mijn portie Ah’s uitlokkend en spectaculair beschilderd,
Niet wetend dat ik spoedig mijn bloembladen moet verliezen.
Vergeleken met mij is een boom onsterfelijk
En het kopje van een bloem niet hoog, maar verrassender,
En ik mis de levensduur van de een en de durf van de ander.

Vanavond, in het oneindig zwakke licht van de sterren,
Hebben de bomen en bloemen hun koele geuren rondgestrooid.
Ik loop tussen hen door, maar geen van hen merkt dat.
Soms denk ik dat als ik slaap
Ik nog het meest op hen moet lijken –
Gedachten vervaagd.
Het is natuurlijker voor mij, te liggen.
Dan zijn de lucht en ik ongehinderd met elkaar in gesprek.
En ik zal nuttig zijn wanneer ik voorgoed ga liggen:
Dan kunnen de bomen mij eindelijk aanraken, en hebben de bloemen tijd voor mij.



Jij brengt me goed nieuws van de kliniek,
Terwijl jij je zijden sjaal afrukt, de strakke witte
Mummiewindsels tonend en glimlacht: Het gaat goed met me.
Toen ik negen was, voerde een lindegroene anaesthesist
Mij lachgas door een kikvorsmasker. Het misselijk makend gewelf
Galmde van nare dromen en de Jupiterstemmen van chirurgen.
Toen kwam moeder bovendrijven, in haar hand een stalen bakje.
Oh wat moest ik overgeven.

Dat alles hebben ze veranderd. Onderweg
Naakt als Cleopatra in mijn uitgekookte ziekenhuishemd,
Borrelend van sedatieven en ongewoon geestig,
Rol ik naar een voorvertrek waar een vriendelijke man
Mijn vingers voor mij tot een vuist balt. Hij geeft me het gevoel dat iets kostbaars
Door de vingergleuven weglekt. Bij ‘twee’
Veegt duisternis mij uit als krijt op een schoolbord…
Ik weet niets meer.

Vijf dagen lig ik verborgen,
Afgetapt als een fust, vloeien de jaren weg in mijn kussen.
Zelfs mijn beste vriend denkt dat ik de stad uit ben.
Huid heeft geen wortels, hij laat net zo makkelijk los als papier.
Als ik grijns, trekken mijn hechtingen. Ik groei terug. Ik ben twintig,
Bedrukt en in een lange rok op de sofa van mijn eerste man, mijn vingers
Begraven in de lamswol van de dode poedel;
Ik had nog geen kat.

Nu is zij er geweest, de dame met de plooihals
Die ik zich, lijn voor lijn, in mijn spiegel zag vormen –
Gezicht van oude sokken, uitgelubberd op een maasbal.
Ze houden haar gevangen in een soort stopfles.
Laat haar daar sterven, of de komende vijftig jaar onophoudelijk verwelken,
Knikkend en schommelend en haar dunne haar betastend.
Moeder van mijzelf, ontwaak ik gezwachteld in gaas,
Roze en glad als een baby.


Vertaald door B.E. van Hasselt en P.J. Stokhof


Sylvia Plath (27 oktober 1932 – 11 februari 1963) Zelfportret, 1951


Zie voor nog meer schrijvers van de 27e oktober ook mijn blog van 27 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Sylvia Plath, Dylan Thomas, Steffie van den Oord, Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Albrecht Rodenbach

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Sylvia Plath werd geboren op 27 oktober 1932 in Jamaica Plain, een buitenwijk van Boston. Zie ook alle tags voor Sylvia Plath op dit blog.


Circus in Three Rings

In the circus tent of a hurricane
designed by a drunken god
my extravagant heart blows up again
in a rampage of champagne-colored rain
and the fragments whir like a weather vane
while the angels all applaud.

Daring as death and debonair
I invade my lion’s den;
a rose of jeopardy flames in my hair
yet I flourish my whip with a fatal flair
defending my perilous wounds with a chair
while the gnawings of love begin.

Mocking as Mephistopheles,
eclipsed by magician’s disguise,
my demon of doom tilts on a trapeze,
winged rabbits revolving about his knees,
only to vanish with devilish ease
in a smoke that sears my eyes.


Channel Crossing

On storm-struck deck, wind sirens caterwaul;
With each tilt, shock and shudder, our blunt ship
Cleaves forward into fury; dark as anger,
Waves wallop, assaulting the stubborn hull.
Flayed by spray, we take the challenge up,
Grip the rail, squint ahead, and wonder how much longer

Such force can last; but beyond, the neutral view
Shows, rank on rank, the hungry seas advancing.
Below, rocked havoc-sick, voyagers lie
Retching in bright orange basins; a refugee
Sprawls, hunched in black, among baggage, wincing
Under the strict mask of his agony.

Far from the sweet stench of that perilous air
In which our comrades are betrayed, we freeze
And marvel at the smashing nonchalance
Of nature : what better way to test taut fiber
Than against this onslaught, these casual blasts of ice
That wrestle with us like angels; the mere chance

Of making harbor through this racketing flux
Taunts us to valor. Blue sailors sang that our journey
Would be full of sun, white gulls, and water drenched
With radiance, peacock-colored; instead, bleak rocks
Jutted early to mark our going, while sky
Curded over with clouds and chalk cliffs blanched

In sullen light of the inauspicious day.
Now, free, by hazard’s quirk, from the common ill
Knocking our brothers down, we strike a stance
Most mock-heroic, to cloak our waking awe
At this rare rumpus which no man can control :
Meek and proud both fall; stark violence

Lays all walls waste; private estates are torn,
Ransacked in the public eye. We forsake
Our lone luck now, compelled by bond, by blood,
To keep some unsaid pact; perhaps concern
Is helpless here, quite extra, yet we must make
The gesture, bend and hold the prone man’s head.

And so we sail toward cities, streets and homes
Of other men, where statues celebrate
Brave acts played out in peace, in war; all dangers
End : green shores appear; we assume our names,
Our luggage, as docks halt our brief epic; no debt
Survives arrival; we walk the plank with strangers.


Sylvia Plath (27 oktober 1932 – 11 februari 1963)


De Engelse dichter Dylan Thomas werd geboren op 27 oktober 1914 in Swansea in Wales. Zie ook alle tags voor Dylan Thomas op dit blog.


How Shall My Animal

How shall my animal
Whose wizard shape I trace in the cavernous skull,
Vessel of abscesses and exultation’s shell,
Endure burial under the spelling wall,
The invoked, shrouding veil at the cap of the face,
Who should be furious,
Drunk as a vineyard snail, flailed like an octopus,
Roaring, crawling, quarrel
With the outside weathers,
The natural circle of the discovered skies
Draw down to its weird eyes?

How shall it magnetize,
Towards the studded male in a bent, midnight blaze
That melts the lionhead’s heel and horseshoe of the heart
A brute land in the cool top of the country days
To trot with a loud mate the haybeds of a mile,
Love and labour and kill
In quick, sweet, cruel light till the locked ground sprout
The black, burst sea rejoice,
The bowels turn turtle,
Claw of the crabbed veins squeeze from each red particle
The parched and raging voice?

Fishermen of mermen
Creep and harp on the tide, sinking their charmed, bent pin
With bridebait of gold bread, I with a living skein,
Tongue and ear in the thread, angle the temple-bound
Curl-locked and animal cavepools of spells and bone,
Trace out a tentacle,
Nailed with an open eye, in the bowl of wounds and weed
To clasp my fury on ground
And clap its great blood down;
Never shall beast be born to atlas the few seas
Or poise the day on a horn.

Sigh long, clay cold, lie shorn,
Cast high, stunned on gilled stone; sly scissors ground in frost
Clack through the thicket of strength, love hewn in pillars drops
With carved bird, saint, and suns the wrackspiked maiden mouth
Lops, as a bush plumed with flames, the rant of the fierce eye,
Clips short the gesture of breath.
Die in red feathers when the flying heaven’s cut,
And roll with the knocked earth:
Lie dry, rest robbed, my beast.
You have kicked from a dark den, leaped up the whinnying light,
And dug your grave in my breast.


Dylan Thomas (27 oktober 1914 – 9 november 1953)
Tim Hollander als Dylan Thomas in de televisiefilm “A Poet in New York” uit 2014


De Nederlandse schrijfster Steffie van den Oord werd geboren op 27 oktober 1970, in Ammerzoden, Gelderland. Zie ook alle tags voor Steffie van den Oord op dit blog.

Uit: Vonk, een noodlottige liefde

“Het was een prachtige dag voor een executie, en toch voelde Andries van Anhout niet de voldoening die zich meestal aandiende als hij op het punt stond het schepengericht te dienen. Als jongen was hij al gewend zijn vader op het schavot te assisteren, maar zojuist, toen hij haar kinderen had opgemerkt, kon hij, scherprechter op leeftijd, maar één ding doen, in een niet bij zijn ambt passende opwelling: grijpen naar zijn zwarte lap, voortijdig, zodat ze haar niet zouden herkennen en de illusie konden koesteren dat hier een andere vrouw stond, niet hun moeder. Ook had hij het gedaan voor haar. Vonk, zo was hij haar kortweg gaan noemen.
De stilte die altijd kwam maar die nu volkomen leek, was met het blinddoeken ingetreden. Een zuigeling krijste: een stem die scherper was dan zijn gewette zwaard. ‘Mama…!’: hij hoorde het opnieuw. Kon dan niemand haar kinderen weghalen, ontsnapten ze nu al aan hun voorlopige voogd? Als ze die hadden. Zo kon hij zijn werk niet doen. Hij vloekte onhoorbaar, alweer onprofessioneel, hij keek naar de heren schepenen die – nogal ongebruikelijk – met elkaar in discussie waren gegaan. Hij wachtte op een teken dat hij verder kon, of niet; al zou dat raar zijn, zelden vertoond.
De hele stad wachtte. Langer dan anders wachtte hij. De eerste zonnige dag was het, de laatste dinsdag van maart, 1713 alweer.
Andries van Anhout had zijn eerste lijfstraf, twee harige rechtervingers, al dertig jaar achter zich – in één slag – ; talloze keren had hij in deze stad en elders de doodstraf voltrokken, met het zwaard, met het koord; zelden tot nooit had hij zich ergens iets van aangetrokken, vakkundig roofde hij vet op misdadige lijken voor zijn heilzame smeersels; maar deze vrouw, Vonk, om wie een moord was gepleegd – en terecht! dacht hij in een opwelling –, deze vrouw beroerde hem. En dat mocht niet. Het kon niet: ze beroerde hem. Niet eens omdat ze rossig was en met duizend sproeten bedekt en zelfs halfnaakt toch waardig, nee, dat was het niet; het was omdat ze anders was dan wie ook met wie hij te maken kreeg.
In haar diepste nood had hij haar gezien en misschien wel beter gekend dan haar man ooit, misschien zelfs beter dan haar minnaar: ook haar geest werd opgelicht door iets mysterieus, een inwendig soort sproeten, iets dat hij nog niet eerder was tegengekomen en waarover hij in het boek dat sinds generaties in de familie was, bondig alle geheimen bevattend, een losse aantekening had gemaakt: Standvastig, doch niet van godsvr. of devote aard. Op een los blad. Niet bedoeld om te bewaren voor toekomstige generaties scherprechters, laat staan voor zijn zoon, die stevig optrad met de stok.”


Steffie van den Oord (Ammerzoden, 27 oktober 1970)


De Engelse schrijfster Zadie Smith werd geboren op 27 oktober 1975 in Londen. Zie ook alle tags voor Zadie Smith op dit blog.

Uit: Feel Free

“Last time I was in Willesden Green I took my daughter to visit my mother. The sun was out. We wandered down Brondesbury Park toward the high road. The “French Market” was on, which is a slightly improbable market of French things sold in the concrete space between the pretty turreted remnants of Willesden Library (1894) and the brutal red-brick beached cruise ship known as Willesden Green Library Centre (1989), a substantial local landmark that racks up nearly five hundred thousand visits a year. We walked in the sun down the urban street to the concrete space—to market. This wasn’t like walking a shady country lane in a quaint market town ending up in a perfectly preserved eighteenth-century square. It was not even like going to one of these farmers’ markets that have sprung up all over London at the crossroads where personal wealth meets a strong interest in artisanal cheeses. But it was still very nice. Willesden French Market sells cheap bags. It sells CDs of old-time jazz and rock and roll. It sells umbrellas and artificial flowers. It sells ornaments and knickknacks and doodahs, which are not always obviously French in theme or nature. It sells water pistols. It sells French breads and pastries for not much more than you’d pay for the baked goods in Greggs down Kilburn High Road. It sells cheese, but of the decently priced and easily recognizable kind—Brie, goat’s, blue—as if the market has traveled unchanged across the Channel from some run-down urban suburb of Paris. Which it may have done for all I know. The key thing about Willesden’s French Market is that it accentuates and celebrates this concrete space in front of Willesden Green Library Centre, which is at all times a meeting place, though never quite so much as it is on market day. Everybody’s just standing around, talking, buying or not buying cheese, as the mood takes diem. It’s really pleasant. You could almost forget Willesden High Road was ten yards away. This matters. When you’re standing in the market you’re not going to work, you’re not going to school, you’re not waiting for a bus. You’re not heading for the Tube or shopping for necessities. You’re not on the high road where all these activities take place. You’re just a little bit off it, hanging out, in an open-air urban area, which is what these urban high streets have specifically evolved to stop people from doing. Everybody knows that if people hang around for any length of time in an urban area without purpose they are likely to become “antisocial.” And indeed there were four homeless drunks sitting on one of the library’s strange architectural protrusions, drinking Special Brew. Perhaps in a village they would be sitting under a tree, or have already been driven from the area by a farmer with a pitchfork. I do not claim to know what happens in villages. But here in Willesden they were sitting on their ledge and the rest of us were congregating for no useful purpose in the unlovely concrete space, simply standing around in the sunshine, like some kind of community.”


Zadie Smith (Londen, 27 oktober 1975)


De Egyptische schrijfster, gynaecologe, moslimfeministe en politiek activiste Nawal el Saadawi werd geboren in Kafr Tahla op 27 oktober 1931. Zie ook alle tags voor Nawal el Saadawi op dit blog.

Uit: Women At Point Zero (Vertaald door Sherif Hetata)

“Without looking me in the face, he said, ‘What do you mean, you can’t carry on like this? `I cannot continue to live in your house,’ I stammered. ‘I’m a woman, and you’re a man, and people are talking. Besides, you promised I’d stay only until you found me a job.’ He retorted angrily, ‘What can I do, get the heavens to intervene for you?’ `You’re busy all day in the coffee-house, and you haven’t even tried to find me a job. I’m going out now to look for one.’ I was speaking in low tones, and my eyes were fixed on the ground, but he jumped up and slapped me on the face, saying, ‘How dare you raise your voice when you’re speaking to me, you street walker, you low woman?’
His hand was big and strong, and it was the heaviest slap I had ever received on my face. My head swayed first to one side, then to the other. The walls and the floor seemed to shift violently. I held my head in my hands until they grew still again, then I looked upwards and our eyes met. It was as though I was seeing the eyes that now confronted me for the first time. Two jet black surfaces that stared into my eyes, travelled with an infinitely slow movement over my face, and my neck, and then dropped downwards gradually over my breast, and my belly, to settle somewhere just below it, between my thighs. A cold shiver, like the shiver of death, went through my body, and my hands dropped instinctively to cover the part on which his gaze was fixed, but his big strong hands moved quickly to jerk them away. The next moment he hit me with his fist in the belly so hard that I lost consciousness immediately. He took to locking me in the flat before going out. I now slept on the floor in the other room. He would come back in the middle of the night, pull the cover away from me, slap my face, and then bear down on me with all his weight. I kept my eyes closed and abandoned my body. It lay there under him without movement, emptied of all desire, or pleasure, or even pain, feeling nothing. A dead body with no life in it at all, like a piece of wood, or an empty sock, or a shoe. Then one night his body seemed heavier than before, and his breath smelt different, so I opened my eyes. The face above me was not Bayoumi’s. `Who are you?’ I said. `Bayoumi,’ he answered. I insisted, ‘You are not Bayoumi. Who are you?’ `What difference does it make? Bayoumi and I are one.’ Then he asked, ‘Do you feel pleasure?’ `What did you say?’ I enquired. `Do you feel pleasure?’ he repeated. I was afraid to say I felt nothing so I closed my eyes once more and said, `Yes.’ He sank his teeth into the flesh of my shoulder and bit me several times in the breast, and then over my belly.”


Nawal el Saadawi (Kafr Tahla, 27 oktober 1931)


De Belgische dichter en schrijver Albrecht Rodenbach werd geboren te Roeselare op 27 oktober 1856. Zie ook alle tags voor Albrecht Rodenbach op dit blog.


Het klooster

‘k Kwam gewandeld gansch aleene.
De avond viel, de zonne zonk,
smeltend ginder ver in ’t westen,
langzaam weg in roeden gloed.
Váér mij’ lag het rustig kerkhof,
achter mij strekte de stee;
en ik ging voorbij het klooster,
langs de groene hagen heen,
tot ik stil bleef staan vóór ’t kerksken,
met zijn scherpe torennaald,
van de zone rood beschongen,
huis van vrede en heiligheid.
’t Kloksken viel opeens aan ’t luiden,
en ik trad het kerksken in.
’t Altaar stond van ’t licht te schitteren.
menschen knielden, hier en daar,
en de priester, de koralen,
traden op en ’t lof begon.
Nevens ’t altaar achter traliën,
schoof een groen gordijn nu weg,
en ik hoorde maagden zingen,
eerst gezamenlijk in koor,
dan opeens een enkle stemme,
wijl ’t Hoogweerdig, plechtig in
’s priesters handen, over ’t buigend
volk, het kruisgebaar volbracht.
’t Maagdenherte scheen te kloppen,
als zij zong « Adoro te.»
Lieve zusters, Jezus’ maagden,
ook mijn herte was ontroerd,
en ge zoudet ’t geerne schenken,
wist gij wat ik wenschte dan.
Een gebed voor mij, die jong ben,
een gebed voor dezen tijd,
die mij rollen zal en wentelen,
lijk de zee de bare rolt.
«Recht door zee» wil ik toch varen,
zusters, een gebed voor mij.


Albrecht Rodenbach (27 oktober 1856 – 23 juni 1880)


Zie voor nog meer swchrijvers van de 27e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

Sylvia Plath, Dylan Thomas, Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Albrecht Rodenbach, Jamie McKendrick, Fran Lebowitz, Josef Václav Sládek, Enid Bagnold

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Sylvia Plath werd geboren op 27 oktober 1932 in Jamaica Plain, een buitenwijk van Boston. Zie ook mijn blog van 27 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Sylvia Plath op dit blog.


Stasis in darkness.
Then the substanceless blue
Pour of tor and distances.

God’s lioness,
How one we grow,
Pivot of heels and knees!—The furrow

Splits and passes, sister to
The brown arc
Of the neck I cannot catch,

Berries cast dark

Black sweet blood mouthfuls,
Something else

Hauls me through air—
Thighs, hair;
Flakes from my heels.

Godiva, I unpeel—
Dead hands, dead stringencies.

And now I
Foam to wheat, a glitter of seas.
The child’s cry

Melts in the wall.
And I
Am the arrow,

The dew that flies
Suicidal, at one with the drive
Into the red

Eye, the cauldron of morning.



The woman is perfected.
Her dead

Body wears the smile of accomplishment,
The illusion of a Greek necessity

Flows in the scrolls of her toga,
Her bare

Feet seem to be saying:
We have come so far, it is over.

Each dead child coiled, a white serpent,
One at each little

Pitcher of milk, now empty.
She has folded

Them back into her body as petals
Of a rose close when the garden

Stiffens and odors bleed
From the sweet, deep throats of the night flower.

The moon has nothing to be sad about,
Staring from her hood of bone.

She is used to this sort of thing.
Her blacks crackle and drag.

Sylvia Plath (27 oktober 1932 – 11 februari 1963)

Lees verder “Sylvia Plath, Dylan Thomas, Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Albrecht Rodenbach, Jamie McKendrick, Fran Lebowitz, Josef Václav Sládek, Enid Bagnold”

Sylvia Plath, Dylan Thomas, Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Albrecht Rodenbach, Jamie McKendrick, Fran Lebowitz, Reza Allamehzadeh

 De Amerikaanse dichteres en schrijfster Sylvia Plath werd geboren op 27 oktober 1932 in Jamaica Plain, een buitenwijk van Boston. Zie ook mijn blog van 27 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Sylvia Plath op dit blog.

All Appearance

The smile of iceboxes annihilates me.
Such blue currents in the veins of my loved one!
I hear her great heart purr.

From her lips ampersands and percent signs
Exit like kisses.
It is Monday in her mind: morals

Launder and present themselves.
What am I to make of these contradictions?
I wear white cuffs, I bow.

Is this love then, this red material
Issuing from the steele needle that flies so blindingly?
It will make little dresses and coats,

It will cover a dynasty.
How her body opens and shuts-
A Swiss watch, jeweled in the hinges!

O heart, such disorganization!
The stars are flashing like terrible numerals.
ABC, her eyelids say.



The groundhog on the mountain did not run
But fatly scuttled into the splayed fern
And faced me, back to a ledge of dirt, to rattle
Her sallow rodent teeth like castanets
Against my leaning down, would not exchange
For that wary clatter sound or gesture
Of love : claws braced, at bay, my currency not hers.

Such meetings never occur in marchen
Where love-met groundhogs love one in return,
Where straight talk is the rule, whether warm or hostile,
Which no gruff animal misinterprets.
From what grace am I fallen. Tongues are strange,
Signs say nothing. The falcon who spoke clear
To Canacee cries gibberish to coarsened ears.


Dirge for a Joker

Always in the middle of a kiss
Came the profane stimulus to cough;
Always from the pulpit during service
Leaned the devil prompting you to laugh.

Behind mock-ceremony of your grief
Lurked the burlesque instinct of the ham;
You never altered your amused belief
That life was a mere monumental sham.

From the comic accident of birth
To the final grotesque joke of death
Your malady of sacrilegious mirth
Spread gay contagion with each clever breath.

Now you must play the straight man for a term
And tolerate the humor of the worm.

Sylvia Plath (27 oktober 1932 – 11 februari 1963)
Hier met dichter en echtgenoot Ted Hughes

Lees verder “Sylvia Plath, Dylan Thomas, Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Albrecht Rodenbach, Jamie McKendrick, Fran Lebowitz, Reza Allamehzadeh”

Sylvia Plath, Dylan Thomas, Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Albrecht Rodenbach, Jamie McKendrick, Reza Allamehzadeh

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Sylvia Plath werd geboren op 27 oktober 1932 in Jamaica Plain, een buitenwijk van Boston. Zie ook mijn blog van 27 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Sylvia Plath op dit blog.

Child’s Park Stones

In sunless air, under pines
Green to the point of blackness, some
Founding father set these lobed, warped stones
To loom in the leaf-filtered gloom
Black as the charred knuckle-bones

Of a giant or extinct
Animal, come from another
Age, another planet surely. Flanked
By the orange and fuchsia bonfire
Of azaleas, sacrosanct

These stones guard a dark repose
And keep their shapes intact while sun
Alters shadows of rose and iris —
Long, short, long — in the lit garden
And kindles a day’s-end blaze

Colored to dull the pigment
Of azaleas, yet burnt out
Quick as they. To follow the light’s tint
And intensity by midnight
By noon and throughout the brunt

Of various weathers is
To know the still heart of the stones:
Stones that take the whole summer to lose
Their dream of the winter’s cold; stones
Warming at core only as

Frost forms. No man’s crowbar could
Uproot them: their beards are ever-
Green. Nor do they, once in a hundred
Years, go down to drink the river:
No thirst disturbs a stone’s bed.


Doom of Exiles

Now we, returning from the vaulted domes
Of our colossal sleep, come home to find
A tall metropolis of catacombs
Erected down the gangways of our mind.

Green alleys where we reveled have become
The infernal haunt of demon dangers;
Both seraph song and violins are dumb;
Each clock tick consecrates the death of strangers

Backward we traveled to reclaim the day
Before we fell, like Icarus, undone;
All we find are altars in decay
And profane words scrawled black across the sun.

Still, stubbornly we try to crack the nut
In which the riddle of our race is shut.


Family Reunion

Outside in the street I hear
A car door slam; voices coming near;
Incoherent scraps of talk
And high heels clicking up the walk;
The doorbell rends the noonday heat
With copper claws;
A second’s pause.
The dull drums of my pulses beat
Against a silence wearing thin.
The door now opens from within.
Oh, hear the clash of people meeting —
The laughter and the screams of greeting :

Fat always, and out of breath,
A greasy smack on every cheek
From Aunt Elizabeth;
There, that’s the pink, pleased squeak
Of Cousin Jane, out spinster with
The faded eyes
And hands like nervous butterflies;
While rough as splintered wood
Across them all
Rasps the jarring baritone of Uncle Paul;
The youngest nephew gives a fretful whine
And drools at the reception line.

Like a diver on a lofty spar of land
Atop the flight of stairs I stand.
A whirlpool leers at me,
I cast off my identity
And make the fatal plunge.         

Sylvia Plath (27 oktober 1932 – 11 februari 1963)
Hier met dichter en echtgenoot Ted Hughes

Lees verder “Sylvia Plath, Dylan Thomas, Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Albrecht Rodenbach, Jamie McKendrick, Reza Allamehzadeh”

Sylvia Plath, Dylan Thomas, Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Albrecht Rodenbach, Jamie McKendrick, Reza Allamehzadeh

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Sylvia Plath werd geboren op 27 oktober 1932 in Jamaica Plain, een buitenwijk van Boston. Zie ook mijn blog van 27 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Sylvia Plath op dit blog.

The Everlasting Monday

Thou shalt have an everlasting
Monday and stand in the moon.

The moon’s man stands in his shell,
Bent under a bundle
Of sticks. The light falls chalk and cold
Upon our bedspread.
His teeth are chattering among the leprous
Peaks and craters of those extinct volcanoes.

He also against black frost
Would pick sticks, would not rest
Until his own lit room outshone
Sunday’s ghost of sun;
Now works his hell of Mondays in the moon’s ball,
Fireless, seven chill seas chained to his ankle.


April Aubade

Worship this world of watercolor mood
in glass pagodas hung with veils of green
where diamonds jangle hymns within the blood
and sap ascends the steeple of the vein.

A saintly sparrow jargons madrigals
to waken dreamers in the milky dawn,
while tulips bow like a college of cardinals
before that papal paragon, the sun.

Christened in a spindrift of snowdrop stars,
where on pink-fluted feet the pigeons pass
and jonquils sprout like solomon’s metaphors,
my love and I go garlanded with grass.

Again we are deluded and infer
that somehow we are younger than we were.


Ode For Ted

From under the crunch of my man’s boot
green oat-sprouts jut;
he names a lapwing, starts rabbits in a rout
legging it most nimble
to sprigged hedge of bramble,
stalks red fox, shrewd stoat.

Loam-humps, he says, moles shunt
up from delved worm-haunt;
blue fur, moles have; hefting chalk-hulled flint
he with rock splits open
knobbed quartz; flayed colors ripen
rich, brown, sudden in sunlight.

For his least look, scant acres yield:
each finger-furrowed field
heaves forth stalk, leaf, fruit-nubbed emerald;
bright grain sprung so rarely
he hauls to his will early;
at his hand’s staunch hest, birds build.

Ringdoves roost well within his wood,
shirr songs to suit which mood
he saunters in; how but most glad
could be this adam’s woman
when all earth his words do summon
leaps to laud such man’s blood!

Sylvia Plath (27 oktober 1932 – 11 februari 1963)
Hier met dichter  en echtgenoot Ted Hughes

Lees verder “Sylvia Plath, Dylan Thomas, Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Albrecht Rodenbach, Jamie McKendrick, Reza Allamehzadeh”

Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Enid Bagnold, Fran Lebowitz, Kazimierz Brandys, Reza Allamehzadeh

De Engelse schrijfster Zadie Smith werd geboren op 27 oktober 1975 in Londen. Zie ook alle tags voor Zadie Smith op dit blog en eveneens mijn blog van 27 oktober 2010


Uit: NW


“On the way back from the chain supermarket where they shop, though it closed down the local grocer and pays slave wages, with new bags though they should take old bags, leaving with broccoli from Kenya and tomatoes from Chile and unfair coffee and sugary crap and the wrong newspaper.

They are not good people. They do not even have the integrity to be the sort of people who don’t worry about being good people. They worry all the time. They are stuck in the middle again. They buy always Pinot Grigio or Chardonnay because these are the only words they know that relate to wine. They are attending a dinner party and for this you need to bring a bottle of wine. This much they have learned. They do not purchase ethical things because they can’t afford them Michel claims and Leah says, no, it’s because you can’t be bothered. Privately she thinks: you want to be rich like them but you can’t be bothered with their morals, whereas I am more interested in their morals than their money, and this thought, this opposition, makes her feel good. Marriage as the art of invidious comparison. And shit that’s him in the phone box and if she had thought about it for more than a split second she would never have said:

— Shit that’s him in the phone box.

— That’s him?

— Yes, but — no, I don’t know. No. I thought. Doesn’t matter. Forget it.

— Leah, you just said it was him. Is it or isn’t it?

Very quickly Michel is out of earshot and over there, squaring up for another invidious comparison: his compact, well-proportioned dancer’s frame against a tall muscled threat, who turns, and turns out not to be Nathan, who is surely the other boy she saw with Shar, though maybe not.“



Zadie Smith (Londen, 27 oktober 1975)

Lees verder “Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Enid Bagnold, Fran Lebowitz, Kazimierz Brandys, Reza Allamehzadeh”

Zadie Smith, Enid Bagnold, Albrecht Rodenbach, Fran Lebowitz, Reza Allamehzadeh, Kazimierz Brandys

De Engelse schrijfster Zadie Smith werd geboren op 27 oktober 1975 in Londen. Zie ook mijn blog van 27 oktober 2008 en ook mijn blog van 27 oktober 2009 en ook mijn blog van 27 oktober 2010


Uit: Changing My Mind

„My father had few enthusiasms, but he loved comedy. He was a comedy nerd, though this is so common a condition in Britain as to be almost not worth mentioning. Like most Britons, Harvey gathered his family around the defunct hearth each night to watch the same half-hour comic situations repeatedly, in reruns and on video. We knew the “Dead Parrot” sketch by heart. We had the usual religious feeling for Monty Python’s Life of Brian. If we were notable in any way, it was not in kind but in extent. In our wood-cabinet music center, comedy records outnumbered the Beatles. The Goons’ “I’m Walking Backwards for Christmas” got an airing all year long. We liked to think of ourselves as particular, on guard against slapstick’s easy laughs — Benny Hill was beneath our collective consideration. I suppose the more precise term is “comedy snobs.”

Left unchecked, comedy snobbery can squeeze the joy out of the enterprise. You end up thinking of comedy as Hemingway thought of narrative: structured like an iceberg, with all the greater satisfactions fathoms underwater, while the surface pleasure of the joke is somehow the least of it. In my father, this tendency was especially pronounced. He objected to joke merchants. He was wary of the revue-style bonhomie of the popular TV double act Morecambe and Wise and disapproved of the cheery bawdiness of their rivals, the Two Ronnies. He was allergic to racial and sexual humor, to a far greater degree than any of the actual black people or women in his immediate family. Harvey’s idea of a good time was the BBC sitcom Steptoe and Son, the grim tale of two mutually antagonistic “rag-and-bone” men who pass their days in a Beckettian pile of rubbish, tearing psychological strips off each other. Each episode ends with the son (a philosopher manque, who considers himself trapped in the filthy family business) submitting to a funk of existential despair. The sadder and more desolate the comedy, the better Harvey liked it.“


Zadie Smith (Londen, 27 oktober 1975)

Lees verder “Zadie Smith, Enid Bagnold, Albrecht Rodenbach, Fran Lebowitz, Reza Allamehzadeh, Kazimierz Brandys”