In Memoriam Umberto Eco

In Memoriam Umberto Eco

De Italiaanse schrijver Umberto Eco is vrijdagavond op 84-jarige leeftijd overleden. Zijn familie heeft dat vrijdagnacht bekend gemaakt. Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook alle tags voor Umberto Eco op dit blog.

Uit: In de naam van de roos (Vertaald door Jenny Tuin en Pietha de Voogd)

“En terwijl ik mijn gefascineerde blik van die raadselachtige polyfonie van heilige ledematen en helse spierbundels afwendde, zag ik aan de zijkanten van het portaal, en onder het diepe gewelf van de bogen, soms gebeeldhouwd op de steunmuren in de ruimte tussen de ranke zuilen die ze schraagden en versierden, en verder op de dichte haag van hun kapitelen van waaruit ze zich vertakten naar het woudachtige gewelf van de talrijke bogen, nog meer visioenen, verschrikkelijk om te zien en op die plek alleen gerechtvaardigd door hun parabolische en allegorische kracht of om de zedelijke lering die ervan uitging: en ik zag een wellustige, naakte vrouw met een ontvleesd lichaam, aangevreten door smerige padden, leeggezogen door slangen, gepaard met een dikbuikige sater met ruige griffioens poten en een liederlijk opengesperde keel die zijn verdoemenis uitschreeuwde; en ik zag een vrek, verstijfd in de starheid van de dood op zijn protserige hemelbed, tot weerloze prooi geworden van een horde duivels, van wie één hem de ziel in de vorm van een zuigeling (die helaas nimmer meer tot het eeuwige leven geboren zou worden) uit zijn reutelende mond rukte, en ik zag een hoogmoedige op wiens schouders een duivel neerstreek en hem zijn klauwen in de ogen stak, terwijl elders twee vraatzuchtigen elkaar in een weerzinwekkende worsteling in stukken reten, en nog meer wezens, met bokkenpoten, leeuwenmanen en pantermuilen, gevangen in een woud van vlammen waarvan men de schroeilucht bijna kon ruiken. En rondom hen, tussen hen in, boven hen en onder hun voeten, nog meer gezichten en nog meer ledematen, een man en een vrouw die elkaar bij de haren grepen, twee adders die de ogen van een verdoemde uitzogen, een hoonlachende man die met zijn haakvormige handen de muil van een hydra opensperde, en alle andere dieren van satans bestiarium, in vergadering bijeen en als bewakers en erewacht geschaard om de troon tegenover hen, om met hun nederlaag Zijn lof te zingen, faunen, tweeslachtige wezens, beestmensen met zes vingers aan elke hand, sirenen, centauren, gorgonen, harpijen, maren, dracontopoden, minotauren, lynxen, pardels, climaeren, draken met hondenkoppen die uit hun neusgater vuur spuwden, getande reuzenhagedissen, veelstaartige monsters, harige slangen, salamanders, hoornadders, waterschildpadden, ringslangen, tweekoppige adelaars met tanden op hun rug, hyena’s, otters, kraaien, krokedillen, zeemonsters met zaagvormige hoorns, kikkers, griffioenen, apen, bavianen, leeuw-hyena’s, mantichora’s, gieren, rendieren, wezels, draken, hoppen, steenuilen, basilisken, hypnalissen, praesters, schorpioenen, sauriërs, walvissen, rolslangen, ringelaars, pijlslangen, dispassen, smaragdhagedissen, zuigvissen, poliepen, murenen en schildpadden. De gehele bevolking van het dodenrijk scheen zich te hebben verzameld om, duister woud en troosteloze vlakte van uitgestotenen, als voorhal te dienen voor de verschijning op het timpaan van Hem die was gezeten, voor Zijn gelaat vol belofte en dreiging, zij, de verslagenen van Armageddon, voor het aangezicht van Hem die komen zal om voorgoed de levenden van de doden te scheiden.” 

 
Umberto Eco (5 januari 1932 – 19 februari 2016)

Siri Hustvedt, Helen Fielding, Jaan Kross, Helene Hegemann, Björn Kuhligk, Dmitri Lipskerov, Wolfgang Fritz

De Amerikaanse schrijfster en essayiste Siri Hustvedt werd geboren op 19 februari 1955 in Northfield, Minnesota. Zie ook alle tags voor Siri Hustvedt op dit blog.

Uit: The Summer Without Men

“Sometime after he said the word pause,I went mad and landed in the hospital. He did not say I don’t ever want to see you again or It’s over, but after thirty years of marriage pause was enough to turn me into a lunatic whose thoughts burst, ricocheted, and careened into one another like popcorn kernels in a microwave bag. I made this sorry observation as I lay on my bed in the South Unit, so heavy with Haldol I hated to move. The nasty rhythmical voices had grown softer, but they hadn’t disappeared, and when I closed my eyes I saw cartoon characters racing across pink hills and disappearing into blue forests. In the end, Dr. P. diagnosed me with Brief Psychotic Disorder, also known as Brief Reactive Psychosis, which means that you are genuinely crazy but not for long. If it goes on for more than one month, you need another label. Apparently, there’s often a trigger or, in psychiatric parlance, “a stressor,” for this particular form of derangement. In my case, it was Boris or, rather, the fact that there was no Boris, that Boris was having his pause. They kept me locked up for a week and a half, and then they let me go. I was an outpatient for a while before I found Dr. S., with her low musical voice, restrained smile, and good ear for poetry. She propped me up—still props me up, in fact.
I don’t like to remember the madwoman. She shamed me. For a long time, I was reluctant to look at what she had written in a black-and- white notebook during her stay on the ward. I knew what was scrawled on the outside in handwriting that looked nothing like mine, Brain shards, but I wouldn’t open it. I was afraid of her, you see. When my girl came to visit, Daisy hid her unease. I don’t know exactly what she saw, but I can guess: a woman gaunt from not eating, still confused, her body wooden from drugs, a person who couldn’t respond appropriately to her daughter’s words, who couldn’t hold her own child. And then, when she left, I heard her moan to the nurse, the noise of a sob in her throat: “It’s like it’s not my mom.” I was lost to myself then, but to recall that sentence now is an agony. I do not forgive myself.
The Pause was French with limp but shiny brown hair. She had signifcant breasts that were real, not manufactured, narrow rect- angular glasses, and an excellent mind. She was young, of course, twenty years younger than I was, and my suspicion is that Boris had lusted after his colleague for some time before he lunged at her signi?cant regions. I have pictured it over and over. Boris, snow-white locks falling onto his forehead as he grips the bosom of said Pause near the cages of genetically modifed rats. I always see it in the lab, although this is probably wrong. The two of them were rarely alone there, and the “team” would have noticed noisy grappling in their midst. Perhaps they took refuge in a toilet stall, my Boris pounding away at his fellow scientist, his eyes moving upward in their sockets as he neared explosion.”

 

 
Siri Hustvedt (Northfield, 19 februari 1955)

Lees verder “Siri Hustvedt, Helen Fielding, Jaan Kross, Helene Hegemann, Björn Kuhligk, Dmitri Lipskerov, Wolfgang Fritz”

In Memoriam Harper Lee

In Memoriam Harper Lee

De Amerikaanse schrijfster Nelle Harper Lee, de schrijfster van het boek ‘To Kill a Mockingbird’ is op 89-jarige leeftijd overleden. Dat heeft haar uitgever Random House vrijdag bevestigd. Nelle Harper Lee werd geboren in Monroeville op 28 april 1926. Zie ook alle tags voor Harper Lee op dit blog.

Uit: To Kill a Mockingbird

“Boo’s transition from the basement to back home was nebulous in Jem’s memory. Miss Stephanie Crawford said some of the town council told Mr. Radley that if he didn’t take Boo back, Boo would die of mold from the damp. Besides, Boo could not live forever on the bounty of the county.
Nobody knew what form of intimidation Mr. Radley employed to keep Boo out of sight, but Jem figured that Mr. Radley kept him chained to the bed most of the time. Atticus said no, it wasn’t that sort of thing, that there were other ways of making people into ghosts.
My memory came alive to see Mrs. Radley occasionally open the front door, walk to the edge of the porch, and pour water on her cannas. But every day Jem and I would see Mr. Radley walking to and from town. He was a thin leathery man with colorless eyes, so colorless they did not reflect light. His cheekbones were sharp and his mouth was wide, with a thin upper lip and a full lower lip. Miss Stephanie Crawford said he was so upright he took the word of God as his only law, and we believed her, because Mr. Radley’s posture was ramrod straight.
He never spoke to us. When he passed we would look at the ground and say, “Good morning, sir,” and he would cough in reply. Mr. Radley’s elder son lived in Pensacola; he came home at Christmas, and he was one of the few persons we ever saw enter or leave the place. From the day Mr. Radley took Arthur home, people said the house died.
But there came a day when Atticus told us he’d wear us out if we made any noise in the yard and commissioned Calpurnia to serve in his absence if she heard a sound out of us. Mr. Radley was dying.
He took his time about it. Wooden sawhorses blocked the road at each end of the Radley lot, straw was put down on the sidewalk, traffic was diverted to the back street. Dr. Reynolds parked his car in front of our house and walked to the Radley’s every time he called. Jem and I crept around the yard for days. At last the sawhorses were taken away, and we stood watching from the front porch when Mr. Radley made his final journey past our house.”

 
Harper Lee (28 april 1926 – 19 februari 2016)

Nick McDonell, Robbert Welagen, Bart FM Droog, Maarten Mourik, Huub Beurskens, Gaston Burssens, Charlotte Van den Broeck

De Amerikaanse schrijver Nick McDonell werd geboren op 18 februari 1984 in New York. Zie ook alle tags voor Nick McDonell op dit blog.

Uit: The End of Major Combat Operations

“Ricky was an interpreter who chain-smoked and always carried several packs of cigarettes. He was generous with his smokes, would shake one out for you each time you reached for your pack. His hands shook when he offered you one, though; Ricky seemed sometimes like he wanted something back. The guys he rode with liked him. He was a source of fun because of his nerves, but he played along with the jokes.
The strangest thing about Ricky was the way he perspired. The guys in the truck agreed that they had never seen anything like it. Ricky dripped. His hair was always damp. When he turned his head quickly, the saltwater sprayed off him. The canvas of his seat in the MRAP was always stained.
Ricky, like most terps, rotated between his company’s platoons, but recently everyone in the 1-12’s Bull company had been seeing more of him than usual. He had moved onto the FOB full time. In fact, he was living on a cot outside one of the lieutenant’s rooms. This particular LT, Drew Masone, was a broad twenty-three-year-old from Levittown, Long Island, distinguished most clearly by his tolerant nature. He only shook his head about Ricky, didn’t say that he was stinking up the hallway even though he was, lying on his cot in his undershirt whenever he wasn’t standing outside, smoking, saying hello too many times.
Most terps went home every couple of weeks. There was, sometimes, joking between them and the soldiers about how the terps could go home and get laid and have a beer up in Kurdistan. The platoons rotated the fortnightly “terp drop,” a boring and simple mission. The terps left their camo behind and piled into the back of the MRAP, often with a small refrigerator or television set or bag of clothes that they had procured in the previous two weeks of patrols. Then the patrol mounted up and drove north to a deserted stretch of road in Kurdistan where a couple of beat-up sedans idled. The terps would quickly dismount and load their stuff into the sedans and speed off down the road. Terp drop was easy and tedious for the GIs, but for the terps it was more important than almost anything else. It was transit between worlds. What if the wrong person saw them? What if they were followed? What if they brought the mayhem and killing back home?”

 
Nick McDonell (New York, 18 februari 1984)

Lees verder “Nick McDonell, Robbert Welagen, Bart FM Droog, Maarten Mourik, Huub Beurskens, Gaston Burssens, Charlotte Van den Broeck”

Yevgeni Grishkovetz, Chaim Potok, Mo Yan, Frederik Hetmann, Shahrnush Parsipur, Emmy Hennings

De Russische schrijver, regisseur en acteur Yevgeni Grishkovetz werd geboren op 17 februari 1969 in Kemerovo. Zie ook alle tags voor Yevgeni Grishkovetz op dit blog.

Uit:How I Ate the Dog

“They got out at every station and walked around the platform with an old cassette player, glancing to the sides, meaning – Are they looking at us or not?  Aha…they’re looking!  Very good!  I was surprised at the time by how their sailor hats stayed on the back of their heads, it was obvious that they should have fallen off, but they stayed on, all the same…. Without any sense of idiotic metaphor, they hung like haloes….  I only found out later, how they stayed on… sailor hats.  And that there’s no secret, they simply stay on, and that’s it.
The sailors were entertaining….  We came up to them with questions about how it is, and they gladly told us how…: “Well, we went through La Pérouse Strait, then we went to Cam Ranh, we stopped there…, then we went to New Zealand and they didn’t let us come ashore, but in Australia they let us come ashore, but only the officers went and…”
And I was thinking: “Geeeeee whiz… After all I studied English in school…  Why?”  Well, there were countries where they speak this language, there was Europe, well somewhere there… Paris, London, you know, Amsterdam, there were those, and leave it at all that.  What’s it to me?  They sometimes vaguely disturbed you in that they nevertheless kind of existed…, but they didn’t draw out any concrete desire.  The world was huge, like in a book….
And these sailors had been, my God, in Australia, New Zealand….  And the same awaits me, just put me in that same uniform….  And little by little, already quickly, the train takes us to Vladivostok, and there is still a little left – and some sort of sea, some sort of countries….  Reluctance!!!!  Because even though I didn’t know anything concrete, I suspected that, well, of course, it wasn’t quite that simple, Australia, New Zealand, and still some other place like that, the essential of what I didn’t want to know, of what I was afraid, of what I was very afraid  and what would very soon come up… without fail….“

 
Yevgeni Grishkovetz (Kemerovo, 17 februari 1969)

Lees verder “Yevgeni Grishkovetz, Chaim Potok, Mo Yan, Frederik Hetmann, Shahrnush Parsipur, Emmy Hennings”

Albert Kuyle

Nagekomen bericht

De Nederlandse schrijver Albert Kuyle werd geboren in Utrecht op 17 februari 1904. Zie ook alle tags voor Albert Kuyle op dit blog.

Uit: Harten en Brood

“Boven de slooten begint langzaam de dauw te rooken.
Een lage avondwind waait het water weg uit de sloot, en het komt dik liggen over oever en land. Waar het hakhout rond de weien staat kan de dauw niet vender, en kruit tot een hooge, tot een manshooge dam.
Loont het eigenlijk nog de moeite een roman te schrijven? Er zijn er duizenden en duizenden gescheven, en ze zijn overvloedig gelezen. Alle schrijvers hadden een bedoeling, en een geheim verlangen naar het overgroot resultaat. Er is bijna geen enkel stukje grand meer over dat niet beschreven is, geen menschentype of het heeft model gezeten. De hartstochten en de deugden, zij kregen beiden hun d.eel, en het leven bleef triestig spoelen rond de huizen waarin gelezen en geschreven werd.
Bijna zijn de boeken overbodig. Geen geschiedenis van jaren en levens lang hoeft meer te warden saamgedrongen op een handvol papier, nu het leven zelf een nieuw tempo kreeg, en het ongeluk sneller neerschiet en toegrijpt dan het woord, dat slechts van verre volgen kan.
In iedere courant ligt het leven bloot, tot op de moegezeulde spieren en de verwoeste zenuwen toe. Open, leeggehaald, van elkander gebogen. Wat blijft er nog •verborgen? Wat heeft de lezer niet dieper aan den lijve en aan de ziel ondervonden dan de schrijver hem zeggen kan?
Ik zal toch een roman schrijven. Een roman over harten en brood. Over gewone, ongetelde menschenharten, en over gewoon, doelloos en veelvuldig brood. Over harten die verlangen naar rust en ontferming, over brood dat, eens heilig, beduimeld en vertrapt geworden is, tot het gelijk was aan geld en schande.”

 
Albert Kuyle (17 februari 1904 – 4 maart 1958)

Willem Thies

De Nederlandse dichter Willem Thies werd geboren op 17 februari 1973 in Nijmegen. Hij studeerde geschiedenis te Groningen, was medeoprichter van het literaire punkrocktijdschrift Zeroxat, en redacteur van en schrijver voor cultureel jongerenmagazine Simpel. Thies publiceerde poëzie in onder meer Passionate,De Tweede Ronde, De Brakke Hond, Nymph, Krakatau, Hollands Maandblad, De Academische Boekengids en The Polranny Times. In 2006 debuteerde hij met de dichtbundel “Toendra”, die is bekroond met de C. Buddingh’-prijs. Zijn tweede bundel “Na de vlakte” (2008), werd genomineerd voor de J.C. Bloemprijs. In maart 2012 verscheen zijn derde bundel “Twee vogels één kogel”. Zijn vierde bundel “Meer mensen dan reddingsvesten” verscheen in 2015.

Elegie

Hij had hobby’s, eigenaardigheden, fascinaties.
Zo zachtzinnig was hij, fijngevoelig, hij had pianovingers.
Als hij zijn handen balde, waren zijn vuisten klein.

De onbemande auto heeft hem ingehaald.

Het kwam onverwacht, al is het altijd te vroeg.
Niemand gaat te laat. Wij zullen ons aan herinneringen
moeten vergrijpen, zoals je masturbeert bij de gedachte
aan de nachten met die ex.

Opgelucht gelach bij een levendig vertelde anekdote.

We ontbloten onze rouw, vergelijken wie de grootste.

Ik zing een treurig lied, een lied dat geen troost biedt,
maar ik ben de meeste woorden vergeten.
Ik zing het refrein twee keer om dat goed te maken.

‘….Laat nu de lijster zwijgen,
….Laat de linden stokken in hun knoppen.’

 

Stronk

Kauwen pikken de letters uit een krantenpagina,
een flessenhals glanst onder de bank, het omhooggestoken
wiel van een fiets naast het pad als de hand om hulp, een schoen
zonder veter, het molenrad dat zijn schaduw werp op de kant.

Nachtkoele poel, luchtbellen borrelen, vochtig gras,
een tribune zwammen tegen een boomstronk, nee de romp
van een bemoste jongen, alles ruikt naar levensdwang.

 
Willem Thies (Nijmegen, 17 februari 1973)

Elisabeth Eybers, Anil Ramdas, Ingmar Heytze, Iain Banks, Alfred Kolleritsch, Aharon Appelfeld

De Zuidafrikaanse dichteres Elisabeth Eybers werd geboren op 16 februari 1915 in Klerksdorp. Zie ook alle tags voor Elisabeth Eybers op dit blog.

 

Versinsels

Versinsels is eerstens ’n soort van bedryf
om dingen wat onderling klop op te skryf,
die gees te verhef bo die lydsame lyf:

verzinsels wil graag hul uiterste doen
om liggaam en siel met mekaar te versoen,

nie soseer om die werklikheid te onthul
as om sy tekortkoming aan te vul.

Wat van voortgezette verzinsels nou?
Hoe lank kan jy hulle nog blindelings vertrou
om jou dag na dag op die been te hou?

 

Sterwende

Nou knal die walle van die tyd
voor aantog van die ewigheid
 
en styg die gistende gety
die laaste bakenpen verby.
 
Sy neusvleuels swoeg, nog ongewend
aan hierdie strawwe element,
 
sy oordrom dreun van die rumoer
wat fondamente ruk en roer,
 
sy netvlies krimp, deur slierte lig
geklief. Sy vleeslose gesig
 
is blink gebeitel en geskaaf
tot sidderende seismograaf.

 

Verwyt
 
Woorde wil àl wat uit die duister wel
in hul spitsvondige patroon saamknel.
 
Die flikkering van aksiomas dring
soos angs-oë deur die nag wat ons omring.
 
Woorde wil die Verborgenheid laat swig
voor hul misleidende moerasgaslig.
 
‘Hier is die Wondermiddel wat nooit faal!
Hier is die Waarheid, binne perk en paal!’
 
Kwaksalwerkrete en kermismusiek
laat jou terugkrimp, eensaam en twyfelsiek.
 
Maar ná ’n week in die woestyn – wat bly
nog oor van jou onkreukbaarheid, as jy
 
dit opgesom en vereenvoudig het
tot ’n klein, selfgenoegsame sonnet?

 

 
Elisabeth Eybers (16 februari 1915 – 1 december 2007)
In 1979

Lees verder “Elisabeth Eybers, Anil Ramdas, Ingmar Heytze, Iain Banks, Alfred Kolleritsch, Aharon Appelfeld”

L. W. Wiener

De Nederlandse schrijver L. W. (Lodewijk Willem Henri) Wiener werd geboren in Amsterdam op 16 februari 1945. Wiener debuteerde met verhalen in Tirade in 1966 met “Mijne heren”. In 1967 verscheen zijn eerste verhalenbundel, “Seizoenarbeid”, die al direct tot commotie leidde. De houder van een strandpaviljoen in Zandvoort, die zich in een van die verhalen geportretteerd meende te zien op een wijze die niet strookte met zijn zelfbeeld, eiste dat het werk uit de handel werd genomen. In een herdruk werd diens naam gewijzigd in die van de schrijver, “Wiener”. Enige publiciteit leverde dit Wiener wel op, maar weinig extra verkopen. De herdruk belandde in de uitverkoop en een roman, “Zwarte Vrijdag” (1967), die hierop volgde, werd door de kritiek genegeerd, een lot dat gedeeld werd met Wieners verhalenbundels daarna: “Duivels jagen” (1968) en “Man met ervaring” (1972). Intussen bleef Wiener schrijven. Zijn verhalen werden van tijd tot tijd gebundeld; de kwaliteit werd beoordeeld als wisselend. Het werk kreeg, hoewel bewonderaars Wiener bleven volgen, weinig of geen aandacht in de pers. Het duurde ruim dertig jaar voordat hem enige erkenning te beurt viel: zijn tweede roman “Nestor” (2002) werd in 2003 bekroond met de F.Bordewijk-prijs. Dat was aanleiding tot een inhaalslag. In 2003-04 verschenen in twee delen zijn verzamelde verhalen, die in de pers in het algemeen gunstig werden besproken. “De verering van Quirina T.” was genomineerd voor de Libris literatuurprijs 2007. In 2015 werd Wiener 70 en kreeg het liber amicorum LHW70 aangeboden. Enige maanden later werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Uit: Duivels jagen

“Honderdtwintig.
Ik heb wind mee; ik kan op mijn snelheidsmeter zien dat ik de wind in de rug heb. Dat is niet zo bizonder want deze wagens hebben maar twee cylinders en de wind oefent zelfs invloed uit op wagens met een groter vermogen. Het enige verschil met de mijne wat dit aangaat is eigenlijk dat mee- of tegenwind bij mijn auto veel meer bepalend is voor de maximum snelheid dan voor andere wagens. Met tegenwind kom ik nauwelijks op negentig, terwijl wagens die onder ideale omstandigheden zeg honderddertig halen met sterke wind tegen nog even hard kunnen als deze nu.
Het zou geweldig zijn als ze een wagen konden ontwikkelen die met tegenwind sneller kan dan met wind mee. Op zichzelf misschien zinloos, maar in ieder geval een uitdaging aan de logika.
Ik raas de tunnel in. In een tunnel wordt altijd hard gereden. Waarom? Een tunnel benauwt. Men wil er snel weer uit. Dat zou het kunnen zijn. Tunnelvrees.
Ik minder vaart; ik ben vroeg genoeg. Ik denk dat ik nooit vaart geminderd zou hebben als ik er niet aan gedacht had dat men in tunnels altijd jaagt. Daarom wilde ik het niet doen. Ik wilde niet vol gas rijden, omdat ik vol gas reed, omdat iedereen dat doet; tenminste in tunnels, daarom minderde ik vaart, omdat ik niet iedereen ben.
Ik rij onder water, schepen varen boven mijn hoofd.
Als ik aan het andere eind van de tunnel het bord uw lichten zie, realiseer ik me dat ik die vergeten heb aan te doen. Het is de eerste keer tot nu toe dat ik dat heb nagelaten. De eerste keer in drie weken. Ik voel dat het een bizondere dag gaat worden vandaag.
Ik kan de wagen kwijt bij de loods waar de twee motorschoppen staan, de grote en de nog grotere, de metalen bisons.
Boven aan de trap blijf ik staan en kijk over de haven. Er ligt een nieuw schip aan de kade. Een enorme tanker. De zon glinstert op het water. In de verte mondt de vaargeul uit in de grote grijze buik van de zee. Het is niet zo’n goed beeld, maar ik kan aan niets anders denken. Ik heb al vaker gedacht aan de zee als aan een soort moeder, ik weet niet waarom, hoe kan ik altijd weten waarom ik iets denk. Trouwens, de zon heeft ook iets van een moeder. Dat is niet zo vaag. Het zal wel verband houden met de warmte en dat we zonder zon niet kunnen leven; het zal psychologies wel te verklaren zijn.”

 
L. W. Wiener (Amsterdam, 16 februari 1945)

Richard Blanco, Elke Heidenreich, Chrystine Brouillet, Hans Kruppa, Douglas Hofstadter, Wilhelm Jensen

De Amerikaanse dichter Richard Blanco werd geboren op 15 februari 1968 in Madrid. Zie ook alle tags voor Richard Blanco op dit blog.

 

Since Unfinished

I’ve been writing this since
the summer my grandfather
taught me how to hold a blade
of grass between my thumbs
and make it whistle, since
I first learned to make green
from blue and yellow, turned
paper into snowflakes, believed
a seashell echoed the sea,
and the sea had no end.

I’ve been writing this since
a sparrow flew into my class
and crashed into the window,
laid to rest on a bed of tissue
in a shoebox by the swings, since
the morning I first stood up
on the bathroom sink to watch
my father shave, since our eyes
met in that foggy mirror, since
the splinter my mother pulled
from my thumb, kissed my blood.

I’ve been writing this since
the woman I slept with the night
of my father’s wake, since
my grandmother first called me
a faggot and I said nothing, since
I forgave her and my body
pressed hard against Michael
on the dance floor at Twist, since
the years spent with a martini
and men I knew I couldn’t love.

I’ve been writing this since
the night I pulled off the road
at Big Sur and my eyes caught
the insanity of the stars, since
the months by the kitchen window
watching the snow come down
like fallout from a despair I had
no word for, since I stopped
searching for a name and found
myself tick-tock in a hammock
asking nothing of the sky.

I’ve been writing this since
spring, studying the tiny leaves
on the oaks dithering like moths,
contrast to the eon-old fieldstones
unveiled of snow, but forever
works-in-progress, since tonight
with the battled moon behind
the branches spying on the world—
same as it ever was—perfectly
unfinished, my glasses and pen
at rest again on the night table.

I’ve been writing this since
my eyes started seeing less,
my knees aching more, since
I began picking up twigs, feathers,
and pretty rocks for no reason
collecting on the porch where
I sit to read and watch the sunset
like my grandfather did everyday,
remembering him and how
to make a blade of grass whistle.

 

 
Richard Blanco (Madrid, 15 februari 1968)

Lees verder “Richard Blanco, Elke Heidenreich, Chrystine Brouillet, Hans Kruppa, Douglas Hofstadter, Wilhelm Jensen”