Simon Carmiggelt, Wilhelm Müller, James Whitcomb Riley

De Nederlandse schrijver en dichter Simon Carmiggelt werd geboren op 7 oktober 1913 in Den Haag. Carmiggelt groeide op in zijn geboortestad. Zie ook mijn blog van 7 oktober 2006.

 

De groeten

“Aan het eind van de middag kwam mijn vrouw met een tas vol boodschappen thuis en zei: ‘Je moet de groeten hebben.’

‘Van wie?’ vroeg ik.

Ofschoon het een redelijke vraag was, keek ze een beetje geïrriteerd. Ze begon haar mantel los te knopen en zei: ‘Ja, van wie? Dat is het nou juist. Ik weet de naam bijna, maar toch net niet. Hij ligt in m’n mond, maar wil er niet uit. Dat heb ik steeds meer tegenwoordig.’

‘Ik ook,’ zei ik.

Ze liep naar de gang om haar mantel op te hangen. Toen ze in de kamer terugkeerde, vroeg ik: ‘Was ’t een man of een vrouw?’

‘Een man natuurlijk.’

‘Wat is daar zo natuurlijk aan?’

‘Ik heb ‘m toch gezien.’

‘Ja, maar ik niet,’ zei ik. ‘Wat voor sóórt man? Wat doet-ie?’

‘Acteur. Een hele leuke jongen. We hebben wat afgelachen met hem.’

‘Is-ie in de twintig of in de dertig?’

‘Ben je gek, hij is minstens vijftig,’ riep ze.

‘Vijftig is de ouderdom der jeugd en de jeugd der ouderdom,’ zei ik.

‘Heel goed. Zeker niet van jou.’

‘Van Victor Hugo. Maar waarom noem jij een man van vijftig een jongen?’

‘Omdat-ie nog een jongen was toen we zoveel met hem lachten. Maar dat was vijfentwintig jaar geleden. Toen we nog dag en nacht bij de weg waren. We vonden hem in elke kroeg. Acteur. Veel komisch werk. Erg bekend, maar géén Ko van Dijk. Toe nou. Hij had geen gewone naam. Hè, zeg nou eens wat.’

‘Detlev Klaasvader?’ opperde ik.

‘Zo heet niemand,’ riep ze geërgerd. ‘Hij is klein en dun en beweeglijk. Televisie doet-ie ook wel. Dat ik nou niet op die naam kan komen… Als ik ‘m zei zou je meteen roepen: “O, die.” En ik heb ‘m bijna. Een beetje vreemde naam.’

‘Wiebe Worgdrager?’

‘Hè, doe nou niet zo lollig.’

‘Rustig,’ zei ik. ‘Laten we methodisch te werk gaan. We kunnen hem misschien opbouwen uit bijpassende gegevens. Jij hebt vanmiddag met hem gesproken. Wat vertelde hij?’

‘Niks.’

‘Niks? Hoe kan dat nou?’

‘Ik liep in de Leidsestraat,’ zei ze. ‘En hij liep op de andere stoep in de tegenovergestelde richting. We wuifden naar elkaar. En hij riep: “Doe de groeten.” Meer niet. Op dat ogenblik wist ik hoe hij heette, maar het zakte meteen weg. En het wil niet terugkomen.’

Ze schudde zorgelijk haar hoofd.

‘Ik word seniel, geloof ik,’ zei ze.

‘Zolang je mijn naam nog weet is er niets aan de hand. Laten we doorgaan. Vroeger hebben we hem vaak ontmoet. Weet je dáárover nog bijzonderheden die zouden kunnen leiden tot het vaststellen van zijn identiteit?’

‘Nou, veel gelachen, hè…’

‘Dat hebben we met alle acteurs gedaan.’

‘Wacht eens, hij was met zo’n blond meisje. Een mooi meisje.’

‘Naam?’ vroeg ik.

‘Weet ik niet. Maar haar vader was een soort schrijver, die ook altijd in de kroeg zat.’

‘Hoe heette die dan?’

‘Een heel gewone naam. Als Jansen, maar dan anders.’

‘Zal ik je de ledenlijst van de Vereniging van Letterkundigen even voorlezen?’ vroeg ik.

‘O nee, daar is-ie vast geen lid van. Een veel te dwarse man. Eénling. En geschreven heeft-ie niks, want hij ging later pas schrijven, als er een betere wereld was.’

‘Dat kan dus wel nog even een tijdje aanlopen,’ zei ik. ‘Hoe zag hij eruit?’

‘Een rond wit gezicht. Hij dronk altijd pils.’

‘Laten we het opgeven,’ zei ik. ‘Ze hebben allemaal ronde witte gezichten en ze drinken allemaal pils.’

Zo eindigde het gesprek in de middag. Maar ’s nachts werd ik met een schok wakker. Er brandde licht en mijn vrouw zat op de rand van het bed.

‘Wat doe je?’ vroeg ik.

‘Hè, ik had ‘m bijna, die naam,’ riep ze. ‘Nou is-ie weer weg.’

Ik draaide me op mijn andere zij en sprak: ‘Laten we gaan slapen. Hoofdzaak is dat ik de groeten heb.’

 

carmiggelt_foto2

Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987)

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 7 oktober 2006.

 

De Duitse, romantische dichter Wilhelm Müller werd geboren op 7 oktober 1794 in Dessau.

 

De Amerikaanse schrijver James Whitcomb Riley werd geboren op 7 oktober 1849 in Greenfield, Indiana.

 

 

 

Victor Vroomkoning, Ferdinand von Saar

De Nederlandse dichter Victor Vroomkoning (pseudoniem van Walter van de Laar) werd geboren op 6 oktober 1938 in Boxtel. Zie ook mijn blog van 6 oktober 2006.

 

Vuiniszakken

Zoals ze daar ’s morgens
op de stoep tegen elkaar aan
geleund warmte zoekend
in hun plastic jassen
staan te wachten, grijs,
vormeloos, vol afgedankt
leven, tegelijk broos
en weerloos. Je zou ze
weer naar binnen willen
halen, je ouders
wachtend op de bus

 

 

Bedijvigheid

Ik heb veel meegemaakt.

Vanaf mijn eerste dag

zocht ik mijn ouders

in mijn ouders tot hun

oogopslag vanmorgen.

Ook leefde ik veel levens

tussen vrouw en kinderen,

kreeg steeds kennis aan

de vrienden die ik had.

Onderwijl bereisde ik

de halve wereld in mijn

land, verhuisde aldoor in

mijn stad en zwierf door

de vier tuinen van mijn

tuin. Ik keek mijn ogen

uit naar het weekdier

in mijn dagelijkse bad,

herlas mijn twintig boeken

twintig maal, herschreef

mijn honderd verzen

onophoudelijk en had lief

alsof ik nooit had liefgehad.

 

 

Model

Laat mij hem uittekenen.
Hij zet de ezel op, beveelt mij
in de pose die hem lokt, zwijgend
moet ik nijgen, de stilte voor de vorm.

 

Het duurt wel even voordat iets
in hem beweegt. Kijk zijn mond
kieren, zie zijn tong week en vol
het lippenvlees toucheren.

 

Zijn adem rijst, uit zijn middel
zwelt de zucht, zijn hand aan het
penseel. Is hij met me klaar

 

geen veeg, geen fractie verf.
Het doek is leeg op het gebroken
wit na, dat ik uit hem heb geknepen.

 

victorvroomkoning

Victor Vroomkoning (Boxtel, 6 oktober 1938)

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 6 oktober 2006.

 

De Oostenrijkse schrijver en dichter Ferdinand von Saar werd geboren op 30 september 1833 in Wenen.

Charlotte Link, Václav Havel

De Duitse schrijfster Charlotte Link werd geboren op 5 oktober 1963 in Frankfurt am Main. Haar eerste roman Die schöne Helena schreef zij al toen zij zestien was. De trilogie die bestaat uit Sturmzeit, Wilde Lupinen en Die Stunde der Erben werd voor het ZDFverfilmd. Ook met Am Ende des Schweigens,  Die Rosenzüchterin en Das Echo der Schuld was zij zeer succesvol. Link zet zich ook in als dierenbeschermster voor met bame straathonden in Spanje.

 

Uit: Das Echo der Schuld

 

“Im Traum sah er den kleinen Jungen vor sich. Die blitzenden Augen. Das strahlende Lachen. Die Zahnlücken. Die Sommersprossen, die im Winter verblassten und im Frühjahr mit den ersten Sonnenstrahlen aufblühten. Die dichten dunklen Haare, die so gern eigenwillig in alle Himmelsrichtungen abstanden.
Er konnte sogar seine Stimme hören. Sehr hell, sehr melodisch. Eine weiche, fröhliche Kinderstimme.
Er konnte ihn riechen, Es war ein ganz besonderer Geruch, der nur zu dem Jungen gehörte. Es war ihm nie gelungen, diesen Geruch genau zu beschreiben, weil er so einzigartig war. Eine Mischung vielleicht aus dem Salz, das der Wind vom Meer her manchmal bis weit ins Landesinnere trug und das nur noch schwach, ganz zart wahrnehmbar war. Und aus dem würzigen Duft, den die Sonnenstrahlen der Baumrinde entlockten. Aus den Gräsern, die im Sommer am Wegrand wuchsen.
Manchmal hatte er seine Nase in den Haaren des Jungen vergraben, um den Geruch tief einzuatmen.
Im Traum nun tat er es wieder und empfand seine Liebe zu diesem Kind fast schmerzhaft.
Dann begann das Bild des strahlenden Jungen zu verblassen, und andere Bilder schoben sich darüber.
Der hellgraue Asphalt einer Straße. Ein lebloser Körper. Ein kalkweißes Gesicht. Sonne am blauen Himmel, blühende Narzissen, Frühling.
Er setzte sich ruckartig im Bett auf, hellwach von einem Moment zum anderen, schweißnass. Sein Herz hämmerte laut und schnell. Es verwunderte ihn, dass die Frau, die neben ihm lag und schlief, nicht wach wurde von diesem Herzschlag. Aber es war in jeder Nacht so, in jeder Nacht seit dem Unglück: Er verstand nicht, dass sie schlafen konnte, während ihn die Bilder quälten und aus den Träumen rissen. Immer die gleichen Bilder von der Straße, dem Körper, dem blauen Himmel, den Narzissen. Irgendwie machte das alles noch schlimmer: Dass es Frühling war. Er hegte den völlig irrationalen Gedanken, er würde die Bilder eher ertragen, wären sie von schmutzigen Schneerändern am Straßenrand begleitet. Aber vermutlich stimmte das nicht. Er würde sie so oder so nicht ertragen.
Er stand leise auf, schlich an den Schrank, zog ein frisches T-Shirt heraus. Das völlig verschwitzte, das er trug, streifte er über den Kopf, ließ es auf den Boden fallen. Er musste sein Hemd jede Nacht wechseln. Nicht einmal das bekam sie mit.
Vor dem Schlafzimmerfenster gab es keine Läden, und der Mond schien, so dass er sie recht gut sehen konnte. Ihr schmales, kluges Gesicht, die langen blonden Haare, die sich über das Kopfkissen ausbreiteten. Sie atmete ruhig und gleichmäßig. Er betrachtete sie voller Zärtlichkeit und stellte sich gleich darauf die Frage, die er sich in jeder seiner schlaflosen Nächte stellte: Liebte er den Jungen so sehr, weil er ihre Liebe nicht gewinnen konnte? Hatte er seinen Geruch so begierig eingesogen, weil sie ungeduldig wurde, wenn er mit geschlossenen Augen an ihren Haaren, an ihrer Haut zu riechen versuchte? Hatte er sich vom Lächeln des Kindes verzaubern lassen, weil sie ihm kaum mehr ein Lächeln schenkte?”

 

Link

Charlotte Link (Frankfurt am Main, 5 oktober 1963)

 

De Tsjechische schrijver en politicus Václav Havel werd op 5 oktober 1936 in Praag geboren. Zie ook mijn blog van 5 oktober 2006.

 

Oek de Jong, Cynthia Mc Leod, George Cosbuc, Jurek Becker

De Nederlandse schrijver Oek de Jong werd geboren in Breda op 4 oktober 1952. Zijn jeugd bracht hij onder meer door in Dokkum en Goes, verhuizingen die hem het gehele land deden doorkruisen en een gevoel van vervreemding achterlieten. Hij studeerde kunstgeschiedenis in Amsterdam. Hij debuteerde in 1976 met De hemelvaart van Massimo, een verzameling korte verhalen waarvoor hij de Reina Prinsen Geerligsprijs kreeg. Destijds zat hij al in de redactie van De Revisor, een stroming waar hij lang deel van uitmaakte. In 1979 volgde zijn doorbraak met Opwaaiende zomerjurken, een roman die overwegend positief ontvangen werd en ook met de F. Bordewijkprijs beloond werd. Daarna volgden er zes jaren waarin De Jong geen boeken publiceerde, tot 1985 waarin Cirkel in het Gras uitkwam. Dit boek was in vergelijking met de Bildungsroman Opwaaiende zomerjurken van een heel ander slag, veeleer een Ideeënroman, dit boek werd desalniettemin ook goed ontvangen.

Daarna bleef het weer geruime tijd stil rond De Jong tot 1993, toen hij een bundel novellen publiceerde. Zijn productie bleef niet hoog, en het duurde ook tot 2002 totdat er weer een roman van zijn hand verscheen, namelijk Hokwerda’s kind, een boek dat hem weer terug in de belangstelling bracht.

 

Uit: Hokwerda’s kind

 

Toen had ze zich de vijgenboom herinnerd die ze in Spanje had gezien. Hij was in een holte van een rotswand gegroeid, half boven een ravijn. Een koude en ongunstige plek. Daar stond hij toch of liever, hing hij. Zijn wortels waren in de rots gedrongen. Ze had niet kunnen ontdekken waar ze een spleet gevonden hadden, zelfs niet toen ze haar vingertoppen er langs had laten glijden. Ergens moest hij toch een opening gevonden hebben. Marcus had er een foto van gemaakt: zij in die rotsholte bij de wortels van de vijgenboom, met haar vingertoppen op zoek naar de opening in de steen. Er waren meer bomen die indruk op haar hadden gemaakt, maar deze was haar het meest bijgebleven. Ze had zijn bladeren geteld, niet meer dan zestien waren het er, toch leefde hij.’

 

oek-dejong

Oek de Jong (Breda, oktober 1952)

 

Voor onderstaande schrijvers zie ook mijn blog van 4 oktober 2006.

 

De Surinaamse schrijfster Cynthia Henri Mc Leod werd geboren op 4 oktober 1936 in Paramaribo als Cynthia Ferrier.

 

De Roemeense schrijver, dichter en vertaler George Cosbuc werd geboren op 20 september 1866 in Hordou, Bistriþa-Nãsãud.

 

De Duitse schrijver, draaiboekauteur en DDR-dissident Jurek Becker werd geboren op 30 september 1937 in  £ódŸ, Polen.

 

 

Louis Aragon, Gore Vidal, Thomas Wolfe, Stijn Streuvels

De Franse dichter, schrijver en essayist Louis Aragon werd geboren in 1897 in Parijs als zoon van Louis Andrieux, een oud-politieprefect en ambassadeur, en Marguerite Toucas-Massillon. Zijn familie liet hem echter doorgaan voor de adoptiezoon van zijn grootmoeder Claire Toucas, omdat Louis het product was van een buitenhuwelijkse relatie. Zijn moeder was dus verondersteld zijn zus te zijn en zijn vader trad op als peter en voogd. De ware toedracht werd voor de jonge Aragon geheim gehouden. In maart 1919 verscheen het eerste nummer van het tijdschrift Littérature, dat Aragon samen met André Breton en Philippe Soupault uitgaf. Het tijdschrift begon als een dadaïstische spreekbuis, maar evolueerde al vrij vlug in de richting van het surrealisme. Hij werd ook uit het leger ontslagen en hervatte zijn geneeskundestudies, die hij in 1922 zou opgeven. In 1920 verscheen Aragons eerste gedichtenbundel Feu de joie. Het volgende jaar verscheen Aragons eerste roman: Anicet ou le panorama. In de jaren twintig nam Aragon ook steeds meer deel aan de surrealistische beweging: hij schreef voor het tijdschrift Littérature, hielp mee bij het organiseren van tentoonstellingen (vb. die van Max Ernst in 1921), woonde verscheidene vergaderingen bij en werkte mee aan het Bureau de recherches surréalistes. In 1924 verscheen zijn surrealistisch manifest, Une Vague de rêves, in het tijdschrift Commerce en ook zijn bundel Le libertinage.

 

Le vieil homme

 

Moi qui n’ai jamais pu me faire à mon visage

Que m’importe traîner dans la clarté des cieux

Les coutures les traits et les taches de l’âge

 

Mais lire les journaux demande d’autres yeux

Comment courir avec ce cœur qui bat trop vite

Que s’est-il donc passé La vie et je suis vieux

 

Tout pèse L’ombre augmente aux gestes qu’elle imite

Le monde extérieur se fait plus exigeant

Chaque jour autrement je connais mes limites

 

Je me sens étranger toujours parmi les gens

J’entends mal je perds intérêt à tant de choses

Le jour n’a plus pour moi ses doux effets changeants

 

Le printemps qui revient est sans métamorphoses

Il ne m’apporte plus la lourdeur des lilas

Je crois me souvenir lorsque je sens les roses

 

Je ne tiens plus jamais jamais entre mes bras

La mer qui se ruait et me roulait d’écume

Jusqu’à ce qu’à la fin tous les deux fussions las

 

Voici déjà beau temps que je n’ai plus coutume

De défier la neige et gravir les sommets

Dans l’éblouissement du soleil et des brumes

Même comme autrefois je ne puis plus jamais

Par
tir dans les chemins devant moi pour des heures

Sans calculer ce que revenir me permet

 

Du Poète à son Parti


Mon parti m’a rendu mes yeux et ma mémoire
Je ne savais plus rien de ce qu’un enfant sait
Que mon sang fût si rouge et mon coeur fût français
Je savais seulement que la nuit était noire
Mon parti m’a rendu mes yeux et ma mémoire


Mon parti m’a rendu le sens de l’épopée
Je vois Jeanne filer Roland sonne le cor
C’est le temps des héros qui renaît au Vercors
Les plus simples des mots font le bruit des épées
Mon parti m’a rendu le sens de l’épopée


Mon parti m’a rendu les couleurs de la France
Mon parti mon parti merci de tes leçons
Et depuis ce temps-là tout me vient en chansons
La colère et l’amour la joie et la souffrance
Mon parti m’a rendu les couleurs de la France

 

aragon

Louis Aragon (3 oktober 1897 – 24 december 1982)

 

De Amerikaanse schrijver, dramaticus en essayist Gore Vidal werd geboren op 3 oktober 1925 in West Point, New York. Zie ook mijn blog van 3 oktober 2006.

 

Uit: Perpetual War for Perpetual Peace

 

“The telephone keeps ringing. In summer I live south of Naples, Italy. Italian newspapers, TV, radio want comment. So do I. I have written lately about Pearl Harbor. Now I get the same question over and over: Isn’t this exactly like Sunday morning, December 7, 1941? No, it’s not, I say. As far as we now know, we had no warning of Tuesday’s attack. Of course, our government has many, many secrets that our enemies always seem to know about in advance but our people are not told of until years later, if at all. President Roosevelt provoked the Japanese to attack us at Pearl Harbor. I describe the various steps he took in a book, The Golden Age. We now know what was on his mind: coming to England’s aid against Japan’s ally, Hitler, a virtuous plot that ended triumphantly for the human race. But what was—is—on bin Laden’s mind?

    For several decades there has been an unrelenting demonization of the Muslim world in the American media. Since I am a loyal American, I am not supposed to tell you why this has taken place, but then it is not usual for us to examine why anything happens; we simply accuse others of motiveless malignity. “We are good,” G.W. proclaims, “They are evil,” which wraps that one up in a neat package. Later, Bush himself put, as it were, the bow on the package in an address to a joint session of Congress where he shared with them—as well as with the rest of us somewhere over the Beltway—his profound knowledge of Islam’s wiles and ways: “They hate what they see right here in this Chamber.” I suspect a million Americans nodded sadly in front of their TV sets. “Their leaders are self-appointed. They hate our freedoms, our freedom of religion, our freedom of speech, our freedom to vote and assemble and disagree with each other.” At this plangent moment what American’s gorge did not rise like a Florida chad to the bait?

    Should the forty-four-year-old Saudi Arabian, bin Laden, prove to be the prime mover, we still know surprisingly little about him. The six-foot seven-inch Osama enters history in 1979 as a guerrilla warrior working alongside the CIA to defend Afghanistan against the invading Soviets. Was he anticommunist? Irrelevant question. He wants no infidels of any sort in the Islamic world. Described as fabulously wealthy, Osama is worth “only” a few million dollars, according to a relative. It was his father who created a fabulous fortune with a construction company that specialized in building palaces for the Saudi royal family. That company is now worth several billion dollars, presumably shared by Osama’s fifty-four brothers and sisters. Although he speaks perfect English, he was educated entirely at Jiddah. He has never traveled outside the Arabian Peninsula. Several siblings lived in the Boston area and have given large sums to Harvard. We are told that much of his family appears to have disowned him and many of his assets in the Saudi kingdom have been frozen.”

 

Vidal

Gore Vidal (West Point, 3 oktober 1925)

 

Zie voor onderstaande schrijvers mijn blog van 3 oktober 2006.

 

De Amerikaanse schrijver Thomas Wolfe werd geboren op 3 oktober 1900 in Asheville, North Carolina.

 

De Vlaamse schrijver Stijn Streuvels, pseudoniem voor Frank Lateur werd geboren in Heule op 3 oktober 1871

 

 

 

 

Graham Greene, Andreas Gryphius, Goran Sonnevi

De Engelse schrijver Graham Greene werd geboren op 2 oktober 1904 in Berkhamsted, Hertfordshire. Zie ook alle tags voor Graham Greene op dit blog.

 

Uit: Travels with my aunt

 

“Mr Visconti was a good catholic, but he was very very anti-clerical, and yet in the end it was the priesthood which saved him. He went to a clerical store in Rome, when the Allies were coming close, and he paid a fortune to be fitted out like a monsignor even to the purple socks. He said that a friend of his had lost all his clothes in a bombing raid and they pretended to believe him. Then he went with a suitcase to the lavatory in the Excelsior Hotel, where we had given all those cocktail parties to the cardinals, and changed. He kept away from the reception-desk, but he was unwise enough to look in at the bar – the barman, he knew, was very old and short-sighted. Well, you know, in those days a lot of girls used to come to the bar to pick up German officers. One of the girls – I suppose it was the approach of the Allied troops that did it – was having a crise de conscience. She wouldn’t go to her friend’s bedroom, she regretted her lost purity, she would never sin again. The officer plied her with more and more cocktails, but with every drink she became more religious. Then she spied Mr Visconti, who was having a quick whisky in a shady corner. “Father,” she cried to him, “hear my confession.”

So off went Mr Visconti with the hysterical girl – he remembered just in time to put down his whisky. He had no choice, though he hadn’t been to confession himself for thirty years and he had never learnt the priest’s part. Luckily there was an air-conditioner in the room breathing heavily, and that obscured his whispers, and the girl was too much concerned with her role to pay much attention to his. She began right away; Mr Visconti had hardly time to sit on the bed, pushing aside a steel helmet and a bottle of schnapps, before she was getting down to details. He had wanted the whole thing finished as quickly as possible, but he told Mario that he couldn’t help becoming a little interested now she had got started and wanting to know a bit more. After all he was a novice – though not in the ecclesiastical sense.”

 

Greene

Graham Greene (2 oktober 1904 – 3 april 1991)

 

De Duitse dichter en schrijver Andreas Gryphius (gelatiniseerde naam van Andreas Greif) werd geboren op 2 oktober 1616 in Glogau (Silezië). Zie ook alle tags voor Andreas Gryphius op dit blog.

 

An Gott den Heiligen Geist

I.

 

O Feuer wahrer Lib! O Brunn der guten Gaben!

O Meister aller Kunst! O Höchste Heilikeit!

O dreymal grosser GOtt! O Lust / die alles Leid

Vertreibt! O keusche Taub! O Furcht der Höllen Raben!

 

Die / eh das wüste Meer / mit Bergen rings umbgraben /

Ehr Lufft und Erden ward / eh das gestirnte Kleid

Dem Himmel angelegt / vor Anbegin der Zeit /

Die zwey / die gantz dir gleich
/ von sich gelassen haben:

 

O Weißheit ohne Maß; O reiner Seelen Gast!

O teure Gnaden-Quell’ / O Trost in herber Last!

O Regen / der in Angst mit Segen uns befeuchtet!

 

Ach laß ein Tröpfflein nur von deinem Lebens-Tau

Erfrischen meinen Geist! Hilff dass ich doch nur schau’

Ein Füncklein deiner Glutt! so bin ich gantz erleuchtet.

 

Gryphius

Andreas Gryphius (2 oktober 1616 – 16 juli 1664)

 

De Zweedse dichter en vertaler Göran Sonnevi werd geboren in Lund op 2 oktober 1939. Sonnevi heeft vele prijzen op zijn naam staand, wordt beschouwd als vernieuwend en is een van de grote namen uit de Zweedse lyriek.

 

Uit: Mozart’s Third Brain (Vertaald door Rika Lesser)

 

LV

 

Democracy’s secret   In free, general elections, with secret ballots

There, too, is music’s concealment, its inaccessibility, eye

to eye   Where coercive power, over the other, does not

exist   This is music’s secret   When music moves,

sovereign, in time, its own time   For that is what defines it

 

South African faces, in the first free election   The dignity,

the joy breaking through, the laughter, the tears   And the wave

of warmth   As if the terrorist bombs, the violence, did not even exist

Amandla!  The strength to do what?  The power to do what?  We shall see –

 

There’s the fear that disappointment will come  Also inside

myself   But that is not I   Objective music sounds

for a moment   That which is history   If that summary word has

          any meaning whatsoever

I have been here before   When in the city park in Lund

I took off my hat on the first of May, when we sang

the Internationale, at a Social-Democratic gathering, in the early

60s   A warm rain fell on my head   New, light-green leaves

That I, too, grasped democracy’s secret   The unification of

fellowship and sovereignty   Respect for the worth of every

human being   Later another kind of transparency came, the blinding

 

Every moment democracy must be won anew   As if

it were always indefensible, defensively   As if it just

existed as light actively moving outward   For a short time it can eliminate

violence   But violence can grow overpowering   As can the violence of others against others

This is no excuse   Worth itself is always obliterated by murder

 

goran_sonnevi1_pres

Göran Sonnevi (Lund, 2 oktober 1939)

P. N. van Eyk, Charles Cros, Günter Wallraff

De Nederlandse dichter criticus, essayist en letterkundige Pieter Nicolaas van Eyk (naamsverandering omstreeks 1907 in Van Eyck) werd geboren op 1 oktober 1887 in Breukelen. Van Eyck studeerde rechten te Leiden en promoveerde in 1914. Hij was onder andere correspondent van de NRC te Rome en Londen. Na Verwey’s aftreden in 1935 volgde hij deze op als hoogleraar in de Nederlandse taal- en letterkunde aan de universiteit van Leiden, welke functie hij tot zijn dood heeft bekleed. Hij aanvaardde het ambt met een inaugurele rede Over leven en dood in de poëzie (1938) waarin hij zijn levensbeschouwelijke en poëticale standpunten verdedigde. Van mei 1912 tot de opheffing van De Beweging in 1919 werkte hij als kroniekschrijver aan dit blad mee. Kort, maar belangrijk, was zijn kritische arbeid bij De Gids (1924-1925). Met Gerretson en Geyl redigeerde hij Leiding, dat alleen in 1930 en 1931 verscheen en waarin hij o.a. Een halve eeuw Noord-Nederlandsche poëzie publiceerde. De gemeentelijke universiteit van Amsterdam verleende hem in 1947 een eredoctoraat. Den Haag kende hem in 1947 de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele werk toe. Van Eyck behoort tot de generatie van J.C. Bloem, A. Roland Holst, Geerten Gossaert en J.I. de Haan.

 

 

DE TUINMAN EN DE DOOD

 

Een Perzisch edelman:

Vanmorgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: “Heer, Heer, één oogenblik!

 

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

 

Ik schrok, en haastte mij langs de andre kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

 

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahân!”-.

 

Van middag – lang reeds was hij heengespoed –
Heb ik in ’t cederpark de Dood ontmoet.

 

“Waarom”, zoo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
“Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?”

 

Glimlachend antwoordt hij: “Geen dreiging was ’t,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

 

Toen ‘k ’s morgens hier nog stil aan ’t werk zag staan,
Die ‘k ’s avonds halen moest in Ispahân”.

 

van_eyck

P. N. van Eyk (1 oktober 1887 – 10 april 1954)

 

De Franse dichter Charles Cros werd geboren in Fabrezan op 1 oktober 1842.  De eerste gedichten van Charles Cros verschenen in “Parnasse contemporain”. Hij hield zich op in de surrealistische en symbolistische schrijverskringen van die tijd, bij de Zutisten en de Hydropathes. Bekendheid verwierf Cros met zijn lange literaire monologen, die hij onder andere in Le Chat noir voordroeg.

 

Ballade du dernier amour

Amours heureux ou malheureux,
Lourds regrets, satiété pire,
Yeux noirs veloutés, clairs yeux bleus,
Aux regards qu’on ne peut pas dire,
Cheveux noyant le démêloir
Couleur d’or, d’ébène ou de cuivre,
J’ai voulu tout voir, tout avoir
Je me suis trop hâté de vivre.

 

Je suis las. Plus d’amour. Je veux
Vivre seul, pour moi seul d’écrire
Jusqu’à l’odeur de tes cheveux,
Jusqu’à l’éclair de ton sourire,
Dire ton royal nonchaloir,
T’évoquer entière en un livre
Pur et vrai comme ton miroir,
Je me suis trop hâté de vivre.

En tes bras j’espérais pouvoir
Attendre l’heure qui délivre ;
Tu m’as pris mon tour. Au revoir.
Je me suis trop hâté de vivre.

 

Saint Sébastien

Je suis inutile et je suis nuisible ;
Ma peau a les tons qu’il faut pour la cible.
Valets au pouvoir public attachés,
Tirez, tirez donc, honnêtes archers !

La première flèche a blessé mon ventre,
La seconde avec férocité m’entre
Dans la gorge, aussi mon sang précieux
Jaillit, rouge clair, au regard des cieux.

Je meurs et là-haut sont dans les platanes
Des oiseaux charmeurs. En bas de bons ânes
Mêlés à des ours, brutes qu’il ne faut
Jamais occuper des choses d’en haut

Charles_Cros

Charles Cros (1 oktober 1842 – 9 augustus 1888)

 

De Duitse schrijver en undercoverjournalist.Günter Wallraff werd geboren op 1 oktober 1942 in Burscheid bij Keulen. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2006.

 

Truman Capote, Hendrik Marsman, Roemi, Eli Wiesel

De Amerikaanse schrijver Truman Capote werd geboren op 30 september 1924 als Truman Streckfus Persons in New Orleans. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2006.

 

Uit: The Walls Are Cold

 

“… so Grant just said to them come on along to a wonderful party, and, well it was as easy as that. Really, I think it was just genius to pick them up, God only knows they might resurrect us from the grave.” The girl who was talking tapped her cigarette ash on the Persian throw rug and looked apologetically at her hostess.

The hostess straightened her trim, black dress and pursed her lips nervously. She was very young and small and perfect. Her face was pale and framed with sleek black hair, and her lipstick was a trifle too dark. It was after two and she was tired and wished they would all go, but it was no small task to rid yourself of some thirty people, particularly when the majority were full of her father’s scotch. The elevator man had been up twice to complain about the noise; so she gave him a highball, which is all he is after anyway. And now the sailors. .. oh, the hell with it.

“It’s all right, Mildred, really. What are a few sailors more or less? God, I hope they don’t break anything. Would you go back in the kitchen and see about ice, please? I’ll see what I can do with your new-found friends.”

“Really, darling, I don’t think it’s at all necessary. From what I understand, they acclimate themselves very easily.”

The hostess went toward her sudden guests. They were knotted together in one corner of the drawing-room, just staring and not looking very much at home.

The best looking of the sextet turned his cap nervously and said, “We didn’t know it was any kind of party like this, Miss. I mean, you don’t want us, do you?”

“Of course you’re welcome. What on earth would you be doing here if I didn’t want you?”

The sailor was embarrassed.

“That girl, that Mildred and her friend just picked us up in some bar or other and we didn’t have any idea we was comin’ to no house like this.”

“How ridiculous, how utterly ridiculous,” the hostess said. “You are from the South, aren’t you?”

He tucked his cap under his arm and looked more at ease. “I’m from Mississippi. Don’t suppose you’ve ever been there, have you, Miss?”

She looked away toward the window and ran her tongue across her lips. She was tired of this, terribly tired of it. “Oh, yes,” she lied. “A beautiful state.”

He grinned. “You must be mixed up with some other place, Miss. There sure’s not a lot to catch the eye in Mississippi, ‘cept maybe around Natchez way.”

“Of course, Natchez. I went to school with a girl from Natchez. Elizabeth Kimberly, do you know her?”

“No, can’t say as I do.”

Suddenly she realized that she and the sailor were alone; all of his mates had wandered over to the piano where Les was playing Porter. Mildred was right about the acclimation.

“Come on,” she said, “I’ll fix you a drink. They can shift for themselves. My name’s Louise, so please don’t call me Miss.”

“My sister’s name’s Louise, I’m Jake.”

 

Capote

Truman Capote (30 september 1924 – 25 augustus 1984)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Hendrik Marsman werd geboren op 30 september 1899 in Zeist Zie ook mijn blog van 30 september 2006.

Vrees

Ik vraag mij af

hoe lang het nog duren zal

dat ik als een bal

heen en weer word geslingerd

en van vreezen verval

tot steeds dieper vreesachtigheid

en hoe kort is de tijd

dat ik als een bevende voorjaarswingerd

tegen den machtigen muur van het leven hang!

 

waarvoor ben ik bang?

 

ik ben bang voor het uur

dat de dood mijn lichaam ontbinden zal

en mijn ziel wordt gezet in het vuur,

ik ben bang dat ik staan zal tegen den muur

en dat de kogel niet missen zal…

ik ben bang, dat ik noch in den duur

noch daarna in de schaduwen van het Dal

den weg naar het hart des levens

meer vinden zal –

 

ach, de vreezen zijn zonder tal…

 

 

Maannacht

 

De maan breekt de wolken uiteen;

en stroomende uit die wel breken

kolken en kreken, gletschers en meren

naar alle verten uiteen.

 

de aarde is klein en alleen,

een slingerend schip in het ruim,

dat zich stampend en schuin

overstag gaand in doodsangst

kampende boven houdt

op het kolkende water des donkers

onder het stormende schuim.

 

ik lig in het ruim naast een vrouw.

haar borsten rijzen en dalen;

zij slaapt, zij denkt nu alleen

in haar droomen aan het geluk;

hoe vredig haar ademhalen:

zij weet niets van den nood

van ons schip, zij hoort

de seinen niet gillen,

noch het angstige fluiten driemaal

als een signaal

van den dood.

 

gun mij nog twee uren slaap,

ik kan zoo niet blijven waken

 

– neem dan nu afscheid van haar,

misschien zult gij den morgen niet halen,

tenzij in een ander land….

 

ik schuif mijn hand in haar hand

– zie, even beven haar wimpers, –

– zoo liggen wij naast elkaar

als tweelingen, sluim’rende kinderen –

zullen wij elkaar niet meer vinden

dan zij mij dood – of ik haar?

 

marsman1

Hendrik Marsman (30 september 1899 – 21 juni 1940)

 

De Perzische dichter en soefistisch mysticus Jalal ad-Din Rumi (of Roemi met diverse spellingsvarianten) werd geboren op 30 september 1207 in Balkh. Rumi is één van de belangrijkste personen uit de Perzische dichtkunst. In religieuze kringen wordt hij ook wel Maulana of Mevlana (soms met toevoeging Balkhi naar zijn geboorteplaats) genoemd; dit betekent ‘onze meester’. Hij is geboren in de streek Khorasan, toen Perzië en nu in Afghanistan, en verhuisde later naar de noordwestelijke Perzische stad Tabriz en later naar Konya in het huidige Turkije. Hij was de leidende figuur van de soefi beweging in het middeleeuwse Konya. Zijn graf is nog steeds een heilige plaats voor volgelingen. Hij stichtte er onder andere de dansende derwisjen, een soefi orde van religieuze dansers en muzikanten. In de dans draaien zij om hun as, waarbij zij mediteren en de naam van God aanroepen.

 

Uit: Divan-I Shams-I Tabriz

 

1

The man of God is drunken without wine,
The man of God is full without meat.
The man of God is distraught and bewildered,
The man of God has no food or sleep.
The man of God is a king neath dervish-cloak,
The man of God is a treasure in a ruin.
The man of God is not of air an
d earth,
The man of God is not of fire and water.
The man of God is a boundless sea,
The man of God rains pearls without a cloud.
The man of God has hundred moons and skies,
The man of God has hundred suns.
The man of God is made wise by the Truth,
The man of God is not learned from book.
The man of God is beyond infidelity and religion,
To the man of God right and wrong are alike.
The man of God has ridden away from Not-being,
The man of God is gloriously attended.
The man of God is concealed, Shamsi Din;
The man of God do you seek and find!

 

rumi

Roemi (30 september 1207 – 17 december 1273)

 

De Joods-Roemeens-Frans-Amerikaanse schrijver Eli Wiesel werd geboren op 30 september 1928 in Sighet (nu Sighetu Marmaţiei), Roemenië, als een zoon van Sjlomo en Sara, orthodoxe joden van Hongaarse afkomst die een kruidenierszaak hadden. Hij had drie zussen, Bea, Hilda en Tzipora. Sighet werd een gedeelte van Hongarije in 1940, en in 1944 deporteerden de nazis de Hongaarse joden naar Auschwitz-Birkenau. Zijn moeder en Tzipora, de jongste zus, werden er vermoord; hij en zijn vader werden naar het aangrenzende werkkamp Auschwitz III Monowitz gestuurd. In januari 1945, werden vader en zoon gedwongen te marcheren naar Buchenwald, waar Elies vader overleed. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij in een Frans weeshuis gestopt. In 1948 begon Wiesel een studie aan het Sorbonne. Hij vond een baan bij de Franse krant, L’arche als journalist en raakte in contact met de Nobelprijs voor Literatuur-winnaar François Mauriac, die hem uiteindelijk kon overtuigen zijn Holocaustervaringen op te schrijven. Dat leverde zijn eerste roman, in het Jiddisch, Un di velt hot geshvign (En de wereld zweeg) op, die in 1956 in Buenos Aires verscheen. Twee jaar later zag de sterk ingekorte bewerking La nuit bij Les Éditions de Minuit het licht, waarschijnlijk Wiesels beroemdste werk en het begin van een lange reeks werken in het Frans. In 2007 schreef hij een nieuw voorwoord bij een heruitgave van La nuit. Eli Wiesel ontving in 1986 de Nobelprijs voor de vrede.

 

Uit: Night

 

“At four o’clock in the afternoon of the same day, as usual the bell summoned all

the heads of the blocks to go and report.

They came back shattered. They could only just open their lips enough to say the

word: evacuation. The camp was to be emptied, and we were to be sent farther back.

Where to? To somewhere right in the depths of Germany, to other camps; there was no

shortage of them.

“When?”

“Tomorrow evening.”

“Perhaps the Russians will arrive first.”

“Perhaps.”

We knew perfectly well that they would not.

The camp had become a hive. People ran about, shouting at one another. In all the

blocks, preparations for the journey were going on. I had forgotten about my bad foot. A doctor

came into the room and announced:

“Tomorrow, immediately after nightfall, the camp will set out. Block after block.

Patients will stay in the infirmary. They will not be evacuated.”

This news made us think. Were the SS going to leave hundreds of prisoners to

strut about in the hospital blocks, waiting for their liberators? Were they going to let the

Jews hear the twelfth stroke sound? Obviously not.

“All of the invalids will be summarily killed,” said the faceless one. “And sent to

the crematory in a final batch.”

“The camp is certain to be mined,” said another. “The moment the evacuation’s

over, it’ll blow up.”

As for me, I was not thinking about death, but I did not want to be separated from

my father. We had already suffered so much, borne so much together; this was not the

time to be separated.

I ran outside to look for him. The snow was thick, and the windows of the blocks

were veiled with frost. One shoe in my hand, because it would not go onto my right foot,

I ran on, feeling neither pain nor cold.

“What shall we do?”

 

WieselElie

Eli Wiesel (Sighet, 30 september 1928)

Pé Hawinkels, Miguel de Unamuno, Elizabeth Gaskell, Miguel de Cervantes

De Nederlandse schrijver, vertaler en dichter  Pé Hawinkels werd geboren op 29 september 1942 in Heerlen. Zie ook mijn blog van 29 september 2006.

 

Het leven op aarde
Naar ‘Het hooien’ van Pieter Brueghel

 

Nu zal het spoedig avond zijn.

 

In de bomen als een goede stroom

uit de hoorn der bergen verzamelen op vilten zolen

zich de bendes van de nacht al; zo meteen

zullen zij, doelmatig en geruisloos als abstracte katten

uitzwermen en de duisternis uitzetten, zoals een plant

dat doet; maar nu

heerst stilte.

 

De zon heeft al vaarwel gezegd; de horizon

draagt nog de stille bleekheid om zijn dood,

maar in de landen, al de lagen,

waarin die zich voor het oog groeperen,

is een korte poos

van rust.

De mensen gaan vermoeid naar huis,

of werken nog wat door, met wat de aarde

en de dag hun opgeleverd hebben,

maar de hemel werk nu eenmaal samen met de nacht:

boven hun doen, ’t lijkt op spel, boven hun gang

op weg naar huis, hangt zwaar ’t ooglid,

donkerblauw, te talmen.

 

Meisjes draaien als altijd voorbij,

hun lach rilt en stoot zichzelf vooruit

naar dat onmetelijk zwijgen,

dat vogels in zich opneemt net zo goed als burchten,

molens en handelssteden, rivieren waar een schip in snijdt,

en nogmaals bomen, wier gebladerte niet eens

beeft in ’t bijzijn van de grote nacht.

 

Hoe goed nu dat men toebereidselen treft om weg,

om naar het dorp van de vergetelheid te gaan; schatrijk

blaast de weide zijn veelvoud aan wangen op,

dronken graait de boer ’t corrupte hooi naar zich toe.

 

Nu zal het weldra avond zijn.

 

Groots, onverbiddelijk zal ’t enorme oog

van het heelal zich sluiten, en daarmee

 

zal al ’t verbazen, heel de menigvuldigheid, o,

het rood van uw kleren, uw vruchten, uw rinkelend lachen

en uw donkere bemoeienis met zwijnen, met god en met

de vertwijfelde, vriendelijke noodsprongen van

de klaproos hier en de braamstruik daar,

het afleggen tegen, bezwijken aan

het alleswegvagend niets dat nu

zijn uur wacht in de hoogte.

 

En wie of wat zal straks

als de dood egaal zijn lijf

laat zakken op deze weelde, de tot waanzin drijvende

pracht, iets baten? Wie?

De boer soms, die innig als een vlieg in zijn pootjes,

zijn zeis wet? De ruiters, die razen

over verre welvingen gras, de man die alleeen

de nacht in de ogen ziet, als een held of als een konijn?

De daad onder daken, in de schoot vol onraad

en een geringer bezwijken?

 

De bomen beven niet in ’t minst; vogels zweven heel kalm

en zonder kopzorg onder boven; mannen keren vrij van angst

en gaan het land in waar hen de nacht verrassen zal;

de einder is lichtblauw, en de vrouw

die van de wereld weg lacht

heeft een ongezien gezicht.

 

Hawinkels

Pé Hawinkels (29 september 1942 – 16 augustus 1977)

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 29 september 2006.

 

De Spaanse dichter en filosoof Miguel de Unamuno y Jugo werd geboren op 29 september 1864 in Bilbao.

 

De Britse schrijfster Elizabeth Gaskell werd geboren op 29 september 1810 in Londen.

 

De Spaanse dichter en schrijver Miguel de Cervantes werd geboren op 29 september 1547 in Madrid.

Albert Vigoleis Thelen, Prosper Mérimée, Francis Palgrave, Rudolf Baumbach

De Duitse schrijver Albert Vigoleis Thelen werd geboren in Süchteln op 28 september 1903. Hij werd, evenals zijn drie broers, streng katholiek opgevoed. In 1925 begon hij de studie germanistiek, filosofie en kunstgeschiedenis aan de Keulse universiteit. In het daarop volgende jaar zette hij zijn studie voort aan de universiteit van Münster, waar hij ook Nederlands studeerde. Bij zijn eerste pogingen literair werk te vervaardigen, koos hij als alter ego de tweede voornaam Vigoleis, naar eigen zeggen afkomstig uit het middeleeuwse epos Wigalois van Wirnt von Grafenberg. In 1928 werkte Thelen als assistent van professor Karl Dester in Keulen mee aan de Internationale Presseausstellung Pressa. Daar leerde hij zijn latere vrouw Beatrice Bruckner kennen. Tussen 1928 en 1931 voorzag hij in zijn levensonderhoud als arbeider op de boerderij van zijn oudere broer Joseph. Hij trachtte vele malen te debuteren, hetgeen hem uiteindelijk lukte met de tekst Versuch einer Deutung (een artikel over de schilder Hermann Schmitz in de Vereinigten Drei-Städte-Zeitung).

Van 1931 tot 1936 woonden Thelen en zijn echtgenote op Mallorca, waar hij o.a. de vertaling in het Duits voltooide van Het carnaval der burgers van de Nederlandse essayist Menno ter Braak, met een voorwoord van Thomas Mann; door het aan de macht komen van de nazi’s in Duitsland, kon daarvoor echter geen uitgever meer worden gevonden. Om dezelfde reden leden zijn Duitse vertalingen van de Nederlandse schrijvers Van Vriesland en Slauerhoff schipbreuk. Thelen genoot in Nederland al voor de oorlog in kleine kring, voornamelijk onder schrijvers, een bijzondere reputatie vanwege zijn zeer bewogen leven; een selectie uit zijn brieven, die Ter Braak had willen uitgeven, had in 1940 al schipbreuk geleden door Ter Braaks vroege dood en het uitbreken van de oorlog, waarin de originelen verloren waren gegaan. Uitgever Geert van Oorschot moedigde hem nu aan, alsnog zijn herinneringen op schrift te stellen en publiceerde zo als eerste Thelens autobiografische roman die Insel des zweiten Gesichts, in het Duits. Die Insel des zweiten Gesichts verscheen in 1953, en werd door Thomas Mann geprezen als een van de grootste autobiografieën van de twintigste eeuw; zijn boek laat zich vergelijken met andere grote autobiografieën, zoals Het land van herkomst van Eduard du Perron en Jahrestage van Uwe Johnson. Het boek verscheen in 1953, en leverde Thelen o.a. de Theodor-Fontane-prijs op.

Uit: Die Insel des zweiten Gesichts

“Es hieße diese Aufzeichnungen mit Erdichtetem beginnen, wollte ich mich anheischig machen, nach zwanzig Jahren noch an den Tag zu bringen, wer mich auf der nächtlichen Meerfahrt mit ärgerer Tücke gequält hat: der gemeine Menschenfloh in dem von einem Matrosen entliehenen Schlafsack oder der garstige Traumalb, der mich in die Nicolaas Beets Straat nach Amsterdam entführte, wo sich das Grab über einer jungen Frau geschlossen hatte, deren Todesursache ich, Doppelgänger ihres treulosen Geliebten, geworden war. Ein schichtig-schauerlicher Anfang für ein Buch, könnte man meinen. Nun, es bleibt wohl bei diesem in der Ferne verzuckenden Wetterleuchten, und soweit ich als Autor ein Wörtchen mitzureden habe, glaube ich vorhersagen zu dürfen, dass es auf die lange Dauer gar nicht makaber hier zugehen wird, sehen wir von dem noch unabsehbaren Ende ab, wo Bomben platzen und der Hass, die Nacht, die Angst, kurz die Schießgewehre des spanischen Bürgerkrieges in Anschlag gebracht werden – lebt wohl, ihr Brüder, hier die Brust! “

Uit: Die Literatur in der Fremde

“Viel weiter zurück in die Vergangenheit muß man gehen, wenn man Alfred Döblin in seinem Roman Der blaue Tiger (Querido Verlag, Amsterdam) folgen will. Dieses Buch ist die Fortsetzung des hier früher bereits besprochenen Die Fahrt ins Land ohne Tod. Blicken wir zurück auf das Werk des jetzt 60-jährigen Autors, dann finden wir, daß seine historischen Romane eine ununterbrochene Abrechnung mit dem Problem des »Ich über der Natur« beinhalten. Geographisch gesprochen, ging die mythische Fahrt Döblins über China nach Indien, mit dem utopischen Intermezzo Berge, Meere und Giganten, das dem Leser von 1938 übrigens beweist, wieviel an Zukunftsphantasie das Buch bereits eingebüßt hat. Ist das ein Beweis für die prophetischen Qualitäten des Autors oder für die diagnostische Scharfsinnigkeit des Arztes Döblin?
Es ist nicht immer leicht, Döblin auf seiner Fahrt ins Land ohne Tod zu begleiten. Bei diesem Autor wird alles ins Kosmische gezogen die Revue der Gestalten, historischen Namen, einzelnen Fakten (die oft nur zur Peripherie des Ganzen gehören) betäubt den Leser öfter, so daß er fürchtet, selbst in den Strom der Anhänger des Loyola gezogen zu werden, die den Völkern Südamerikas das Evangelium verkündigen. Ich fühle mich nicht kompetent, das historische Fundament des Romans auf seine Echtheit hin zu prüfen. Es scheint mir jedoch auch nicht von großer Wichtigkeit zu sein, ob der Mythos Döblins mit dem übereinstimmt, was in den Archiven als »geschichtswissenschaftliche Wirklichkeit« klassifiziert ist.“

 

thelen

Albert Vigoleis Thelen (28 september 1903 – 9 april 1989)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 28 september 2006.

De Franse auteur, historicus en archeoloog Prosper Mérimée werd geboren in Parijs op 28 september 1803. Zie ook mijn blog van 28 september 2006.

De Britse criticus en dichter Francis Turner Palgrave werd geboren op 28 september 1824 in Great Yarmouth.

De Duitse dichter en schrijver Rudolf Baumbach werd op 28 september 1840 geboren in Kranichfeld/Ilm.