Rupert Brooke

De Britse dichter Rupert Chawner Brooke werd geboren op 3 augustus 1887 in Rugby, Engeland. Brooke was de zoon van een leraar aan de bekende school in Rugby en werd daar zelf ook opgeleid. Vervolgens bezocht hij de Universiteit van Cambridge, waar hij in 1909 afstudeerde. Daarna reisde hij door Europa en in de jaren 1913-1914 ook door de Verenigde Staten, Canada en Nieuw-Zeeland. Voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was hij terug in Engeland en nam dienst bij de marine. In 1915 vertrok hij op expeditie naar de Dardanellen, maar aan de militaire campagne zou hij niet deelnemen: hij overleed aan bloedvergiftiging en werd begraven op het eiland Skyros. De gedichten uit 1914 schreef Brookes in de herfst die volgde op het uitbreken van WO I.. The soldier is het beroemdste van deze gedichten, maar het favoriete gedicht van Brookes zelf was The Dead (IV).

 

The Way That Lovers Use

The way that lovers use is this;
They bow, catch hands, with never a word,
And their lips meet, and they do kiss,
— So I have heard.

They queerly find some healing so,
And strange attainment in the touch;
There is a secret lovers know,
— I have read as much.

And theirs no longer joy nor smart,
Changing or ending, night or day;
But mouth to mouth, and heart on heart,
— So lovers say.

1913.

1914 IV. The Dead

These hearts were woven of human joys and cares,
Washed marvellously with sorrow, swift to mirth.
The years had given them kindness. Dawn was theirs,
And sunset, and the colours of the earth.
These had seen movement, and heard music; known
Slumber and waking; loved; gone proudly friended;
Felt the quick stir of wonder; sat alone;
Touched flowers and furs and cheeks. All this is ended.

There are waters blown by changing winds to laughter
And lit by the rich skies, all day. And after,
Frost, with a gesture, stays the waves that dance
And wandering loveliness. He leaves a white
Unbroken glory, a gathered radiance,
A width, a shining peace, under the night.

 

 1914  V. The Soldier

If I should die, think only this of me:
That there’s some corner of a foreign field
That is for ever England. There shall be
In that rich earth a richer dust concealed;
A dust whom England bore, shaped, made aware,
Gave, once, her flowers to love, her ways to roam,
A body of England’s, breathing English air,
Washed by the rivers, blest by suns of home.

And think, this heart, all evil shed away,
A pulse in the eternal mind, no less
Gives somewhere back the thoughts by England given;
Her sights and sounds; dreams happy as her day;
And laughter, learnt of friends; and gentleness,
In hearts at peace, under an English heaven.

Rupert Brooke (3 augustus 1887 – 23 april 1915)

Menno Wigman en James Baldwin

Nu we de warmste juli maand ooit achter ons hebben plaats ik hier een zomergedicht waarin Menno Wigman terugkijkt op een andere juli maand, uit de bundel Zomers stinken alle steden:

 

Bijna Dertig

Nee, die juli bracht bepaald geen
revolutie in mijn bed. Hoe de zomer
zich ook gaf, het leek te laat om nog
een nieuwe hartstocht op te lopen.

Dus dook ik onder voor het zwermen
van de lust en heulde vrolijk
met de slaap. Bijna dertig dacht ik,
wordt mij toch iets helder. En ik zag
hoe alle parken overbloeiden,
hoe de hitte uit de hemel sloeg,

hoe de horde joeg op ander bloed
en zich vergrijpen wilde aan
een blonde levensgloed. En ik zag af.
Versliep de revolutie in mijn bed.
Vergat alvast te leven.

 

Menno Wigman (Beverwijk, 10 oktober 1966)

 

De op 2 augustus 1924 in Harlem geboren James Arthur Baldwin was de stiefzoon van een priester en combineerde een levenslange interesse in het geloof met politiek en seksueel activisme. Zijn romandebuut uit 1953, Go Tell It on the Mountain (genoemd naar een beroemde ‘negro spiritual’), was gebaseerd op zijn ervaringen als jeugdpriester in de Pinkstergemeente. Het was het verslag van twee dagen uit het leven van de veertienjarige John Grimes, die zoekt naar zijn identiteit in een door religieuze twist verscheurde familie. Zijn boek Giovanni’s Room speelt zich af in Parijs, waar Baldwin zelf een tijd gewoond heeft. 

Uit: Giovanni’s Room

`You may laugh,’ she said, humorously, `but there s something in what I say. I began to realize it in Spain — that I wasn’t free, that I couldn’t be free until was attached — no, committed — to someone.’

`To someone? Not something?’

She was silent. `I don’t know,’ she said at last, `but I’m beginning to think that women get attached to something really by default. They’d give it up, if they could, anytime, for a man. Of course they can’t admit this, and neither can most of them let go of what they have. But I think it kills them – perhaps I only mean,’ she added, after a moment, `that it would have killed me.’

`What do you want, Hella? What have you got now that makes such a difference?’

She laughed. `It isn’t what I’ve got. It isn’t even what I want. It’s that you’ve got me. So now I can be — your obedient and most loving servant.’

I felt cold. I shook my head in mock confusion. `I don’t know what you’re talking about.’

‘Why,’ she said, `I’m talking about my life. I’ve got you to take care of and feed and torment and trick and love — I’ve got you to put up with. From now on, I can have a wonderful time complaining about being a woman. But I won’t be terrified that I’m not one.’ She looked at my face, and laughed. `Oh, I’ll be doing other things,’ she cried. `I won’t stop being intelligent. I’ll read and argue and think and all that — and I’ll make a great point of not thinking your thoughts –and you’ll be pleased because I’m sure the resulting confusion will cause you to see that I’ve only got a finite woman’s mind, after all. And, if God is good, you’ll love me more and more and we’ll be quite happy.’ She laughed again. `Don’t bother your head about it, sweetheart. Leave it to me.’

 

James Baldwin (2 augustus 1924 – 1 december 1987)

 

Gerrit Krol

De Nederlandse schrijver Gerrit Krol werd in 1934 in Groningen geboren. Na een studie wiskunde werkte hij als computerspecialist bij Shell en vanaf 1970 bij de Nederlandse Aardolie Maatschappij. Gerrit Krol bracht enige perioden in het buitenland door. Hij werkte in Nigeria en in Venezuela. Krol debuteerde in 1962 met “De rokken van Joy Scheepmaker”. Naast gedichten, romans en verhalen schreef Krol ook een groot aantal essays. In 1986 werd hij onderscheiden met de Constantijn Huygensprijs en hij ontving in 2001 de P.C. Hooftprijs voor zijn gehele oeuvre.

Over het stuur

Want wie vrij is heeft een stuur
dat hem met een kleine beweging
brengt waarheen hij wil.
Wie geen stuur heeft behoeft meer kracht
of duur.

Stuur is hetzelfde als inzicht,
als het geen inzicht is is het de wil –
ik persoonlijk heb liever de wil,
want dat is potentiaal,
inzicht heeft geen potentiaal,
met inzicht sta je stil
(want je bent er al).

Er zijn mensen die stil staan
maar die daarbij geen inzicht hebben
en geen stuur.
Ze zijn niet ontevreden maar
het is het soort dat gemakkelijk
de controle over zich zelf verliest.

Nee (refrein), ik heb liever de wil,
want dat is potentiaal, enz…

 

Ach je moet gewoon alles optellen

Ach je moet gewoon alles optellen

Je telt gewoon alles op

Het slechte vergeet de mens en
het goede vergroot-ie,
je telt gewoon alles op.

Dat zeg jij, zegt zij, maar zo werkt het niet
niet bij mij.

Maar we zijn tenminste één.

Welnee, toen wij zogenaamd heerlijk
in het gras lagen zegt zij, lagen we in scheiding,
dat zeg je er niet bij.
En dat van Madurodam is ook niet zo gegaan.

Maar we waren één.

En die liefjes van jou
zegt zi
j, en die van mij…

En die keren dat we toch weer
bij elkaar kwamen, zeg ik,
– en hebben geschreid, zeg ik er niet bij -.

Je telt uiteindelijk
gewoon alles op.

 

Roodborstje

Een roodborstje dat tegen het raam tikt.
Niet tegen het raam, maar tegen het ei waarin het zit en het

ei breekt in tweeën.
Niet het ei, maar het ijs dat scheurt van Groenland naar beneden.

Een zwarte zee, waarin witte vlakten drijven.
Geen vlakten maar bergen.
Geen ijs, maar graniet.
Nodig voor het roodborstje om zijn snaveltje te scherpen.

Zijn snaveltje sterker dan het ei.

Sterker dan Groenland.

 

Gerrit Krol (Groningen, 1 augustus 1934 )

 

Cees Nooteboom

Op 31 juli 1933 werd Cornelis Johannes Jacobus Maria Nooteboom geboren te Den Haag. Als Cees Nooteboom debuteerde hij in 1955 met de roman Philip en de Anderen die al snel gevolgd werd met de dichtbundel ‘De Doden zoeken een Huis’ (1956). Voor deze dichtbundel ontving hij een reisbeurs van de Nederlandse regering. De drie passies van Nooteboom zaten er dus al vroeg in: dichten, reizen en romanschrijven. Voor wie online een reisverhaal weil lezen is er dit: “Spaanse herinneringen – vreemdeling in Córdoba”.

 

Harbalorifa

Zoveel soorten bestaan! Zoveel bevolking
om te lijden en lachen in deze heuvels vol stenen!

De vijgeboom staat gebogen in de richting van het zuiden,
boven ons het zachte snurken van een vliegtuig.

Mijn vriend wacht bij een struik met scherpe doornen.
Hij kent het verhaal van zijn ondergang,

we zien de glans van de zee
tussen galappels en distels, een zeil in de verte.

Alles slaapt. Geef mij een ander leven en ik wil het niet.
Schelpen en krekels, mijn kelk is vol eeuwige middag.

De stroom waaruit ik gisteren dronk had koel, helder water.
Ik zag de laurierboom weerspiegeld, ik zag hoe de schaduw

van de bladeren wegdreef over de bodem.
Dit was alles wat ik wilde. Halbaloriefa.

Mijn leeftijd hangt aan een draad. Zo ben ik de spin
boven het pad. Die weeft zijn veelhoekige tijd

tussen braambos en braambos,
tot de wandelaar voorbijkomt op weg naar de haven,

de wandelaar die slaat met zijn stok.

 

 

Cauda

Kijk naar de dingen, zie ze staan
in hun metafysische onschuld,
niet zeker van hun bestaan.

Herinner je het gesprek
in een prieel, een noordelijke zomer,
hortensia’s, het gelijk van een kikker,
rozen, maskers.
Wierook zonder een kerk.

Een vlinder die opvliegt in China
verandert een stormvlaag in Finland.
Iemand zei het, jij zweeg.
Dit was wat je al wist.

Wanneer ontdoen schilderijen zich
van de schilder, wanneer wordt dezelfde materie
een andere gedachte? De avondnevel sloop over
het grasveld, verdronk de laan, de fontein,
en het huis.

Muziek, geplas van riemen.
Iemand doet het licht aan, iemand
gelooft niet in de schemer.
De vraag zonder antwoord dwaalt
langs het raam.

 

 

 

Kleine bang

Het gedicht hoorde hoe het werd geschreven,
het zag de reusachtige hand
waaruit het leek te ontstaan, woord voor woord,
het hield zichzelf nauwelijks bij.

Bij, zag het geschreven, en als echo
zei het zichzelf, bij, bij, maar toen
was de hand alweer verder, gejaagd
door de zweep van het krassen,
het heimwee naar vorm.

Het doet pijn om niet af te zijn
voor wie nergens vandaan komt.
Zonder lucht liggen de woorden op tafel,
de hand is verdwenen, komt terug, is verdwenen,
het gedicht herinnert zich niets,

en het hoofd, zo ver daarboven,
nog steeds als niets anders herkenbaar
dan als masker van baaierd en oorsprong,
wendt zich af van de regels,

het zegt in zijn adem
de cadens van het denken
en sluit het gedicht
met een zucht.

 


Cees Nooteboom (Den Haag, 31 juli 1933)

Harry Mulisch

Harry Mulisch (Haarlem 29 juli 1927) is van Tsjechisch-Hongaars-Oostenrijkse afkomst en hij is in de Nederlandse letteren zo alom tegenwoordig dat ik het hier bij laat. Behalve dit: Voor een schrijver heeft hij een wel zeer opmerkelijke en professioneel vormgegeven homepage. Surf maar eens naar  Het nieuwe lichaam.

 Ongerijmdheden

Dat komt gewoon omdat zijn vader eens.
gewoon omdat zijn vader in zijn jeugd.
doordat zijn vader in zijn jeugd gewoon.
gewoon al in zijn jeugd zijn vader toen.

omdat zijn vader ooit eens tegen hem
ooit gewoon eens in zijn jeugd hem tegen.
dat komt gewoon doordat zijn vader ooit.
gewoon hem in zijn jeugd toen ooit al eens.

ooit eens tegen hem en nooit zijn moeder.
nooit zijn moeder in zijn jeugd zijn vader.
gewoon toen tegen hem zijn moeder ooit.
nooit eens in zijn jeugd gewoon ooit vader.

 

 

Verzoening

op een late avond
keek ik door een kier:

moeder zat te naaien,
vader dronk zijn bier.

op de televisie
brandde een kaars.

hadden zij soms ruzie?
niemand zei een woord.

vader keek de kaars uit.
dat ik toen niet stierf!

moeder keek de kaars aan.
ik weer moed verwierf.

uit mijn schuilplaats hollend
hief ik toen de kaars.

(op mijn hand viel stollend
toen meteen iets raars.)

vader! moeder! riep ik,
vrede zij gesticht:

moogt gij nimmer kijven
door middel van het licht.

 

Citaten:

 “Sommige vragen zijn zo goed dat het jammer zou zijn ze met een antwoord te verknoeien.”

“U hebt het begrepen, ik ben een groot schrijver.”

 ‘Het enige waar de hemel iets aan heeft is het geloof van de mens.
Aan kennis heeft de hemel niets.’

Harry Mulisch (Haarlem 29 juli 1927)

Remco Campert

De Nederlandse schrijver Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Zijn vader was de dichter en journalist Jan Campert, die in 1943 overleed in het concentratiekamp Neuengamme. De moeder van Remco was de actrice Joekie Broedelet. Na de scheiding van zijn ouders woonde Remco Campert afwisselend bij zijn ouders en grootouders. Campert debuteerde in 1951 met de dichtbundel “Vogels vliegen toch”. Hij behoorde als dichter tot de Vijftigers. Zijn werk wordt gekenmerkt door het gebruik van spreektaal, een lichte ironie en een scherpe observatie.

 

Gedicht

Als wij dan liefhebben, liefhebben
Tussen teveel papier, holle mannen en metaal,
Laten wij dan liefhebben zoals mij goeddunkt:

Liefhebben met de rust van de onrust, niet
Die van de routine, elkaars ogen verliezen
En weer ontdekken, voorbij de huizen gaan

Het land in, de streling van onbekende struiken
Ondergaan, de wind proeven op een steeds andere tong,
De maan zien en de zon in een kaartloze maan.

En laten de vrienden snel verouderen, worden
Tot waardevolle verhalen, en die meter aarde
Is slechts vruchtbaar waarop wij gaan. 

 

Credo

ik geloof in een rivier
die stroomt van zee naar de bergen
ik vraag van poëzie niet meer
dan die rivier in kaart te brengen

ik wil geen water uit de rotsen slaan
maar ik wil water naar de rotsen dragen
droge zwarte rots
wordt blauwe waterrots

maar de kranten willen het anders
willen droog en zwart van koppen staan
werpen dammen op en dwingen
rechtsomkeert

 

Poëzie is een daad…

Poëzie is een daad
van bevestiging. Ik bevestig
dat ik leef, dat ik niet alleen leef

Poëzie is een toekomst, denken
aan de volgende week, aan een ander land,
aan jou als je oud bent.

Poëzie is mijn adem, beweegt
mijn voeten, aarzelend soms,
over de aarde die daarom vraagt.

Voltaire had pokken, maar
genas zichzelf door o.a. te drinken
120 liter limonade: dat is poëzie

Of neem de branding, stukgeslagen
op de rotsen is zij niet werkelijk verslagen,
maar herneemt zich en is daarin poëzie

Elk woord dat wordt geschreven
is een aanslag op de ouderdom
Tenslotte wint de dood, jazeker,

maar de dood is slechts de stilte in de zaal
nadat het laatste woord geklonken heeft.
De dood is een ontroering

 

Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)

Hilde Domin

De Duirse schrijfster, dichteres en vertaalster Hilde Domin werd geboren als Hilde Löwenstein op 27 juli 1909. Zij was van Joodse afkomst en vluchtte daarom tijdens de Tweede Wereldoorlog samen met haar toekomstige echtgenoot weg uit Duitsland waarnaar ze achtereenvolgens in Italië, Groot-Brittannië en de Dominicaanse Republiek (haar pseudoniem “Domin” verwijst naar de hoofdstad Santa Domingo) belandden. In 1954 keerde ze weer terug naar het toenmalige West-Duitsland. Na de oorlog begon ze met schrijven en dichten en één van haar bekendste gedichten was De moeilijkste wegen. Hilde Domin overleed op ruim 96-jarige leeftijd in het ziekenhuis van Heidelberg aan de complicaties van een beenbreuk ten gevolge van een val.

Frage

Nach dem kleinen Zusammenstoß
– ein Druck der Lippe genügt -,
wenn ich eine Wolke werde
oder ein Schiff ohne Anker
auf deinem Meer
oder, ganz einfach,
eine andere Form
für dich,
was wird aus dir?
Und wie vermeidest du’s,
am nächsten Morgen
ein wenig befangen zu sein?

 

 

Heckenrose

mit blassen Blättern
über dem engen Kelch.
Du gingst vorbei.
Da war ich eine Hagebutte,
bunt und voll Samen.

 

Ich träumte von einem gepflügten Feld,
du wie quellendes Korn
in der Furche.
Doch wie ich erwachte
da war mein Leib
kaum gewölbt
und unsere Stimmen
leichter als Wind
der mit dem Laub einer Birke spielt.

 

 

 

Schöner

Schöner sind die Gedichte des Glücks.

 

Wie die Blüte schöner ist als der Stengel
der sie doch treibt
sind schöner die Gedichte des Glücks.

 

Wie der Vogel schöner ist als das Ei
wie es schön ist wenn Licht wird
ist schöner das Glück.

 

Und sind schöner die Gedichte
die ich nicht schreiben werde.

 

Hilde Domin (27 juli 1909 –  22 februari 2006)

George Bernard Shaw en Aldous Huxley

De Ierse toneelschrijver, socialist en theatercriticus George Bernard Shaw werd geboren op 26 juli 1856. Hij won de Nobelprijs voor literatuur in 1925 – hij accepteerde de eer maar weigerde het geld. Hij werd geboren in Dublin en verhuisde in 1876 naar Londen; in de 30 jaar daarop keerde hij niet terug naar Ierland. Hij zette zijn eigen opleiding voort door veel tijd door te brengen in het British Museum. In 1895 werd hij de toneelcriticus van de Saturday Review. In 1898 trouwde hij een Ierse erfgenaam, Charlotte Payne-Townshend. In dat jaar ook werd zijn eerste succesvolle toneelstuk ‘Candida’ geproduceerd. Hierna volgde een rij klassieke comedy-dramas.Na de Eerste Wereldoorlog bracht hij meer serieus werk uit, waaronder Heartbreak House (1919) en Saint Joan (1923).

 Citaten:

  “A life spent making mistakes is not only more honorable, but more useful than a life spent doing nothing.”

 

“Americans adore me and will go on adoring me until I say something nice about them.”

 

“Few people think more than two or three times a year; I have made an international reputation for myself by thinking once or twice a week.”

George Bernard Shaw (26 juli 1856 – 2 november 1950)

 

De Engelse schrijver en criticus Aldous Huxley werd  geboren op 26 juli 1894 in Godalming, Surrey. Het voornaamste onderwerp in zijn werk was het “onmenselijke” aspect dat aan de wetenschappelijke vooruitgang verbonden zou zijn. Een van zijn meesterwerken in dat opzicht is Brave New World uit 1932 waarin Huxley een compleet technocratische maatschappij portretteert. Een samenleving waarin leven en dood voorgeprogrammeerd zijn, waar de bevolking door middel van drugs zoet gehouden wordt, en waar wisselende seksuele contacten tot norm verheven zijn. Wrang genoeg werd een deel van Huxleys fantasie gedurende de Tweede Wereldoorlog waarheid.

Citaten:

“A democracy which makes or even effectively prepares for modern, scientific war must necessarily cease to be democratic. No country can be really well prepared for modern war unless it is governed by a tyrant, at the head of a highly trained and perfectly obedient bureaucracy.”

 

“Great is truth, but still greater, from a practical point of view, is silence about truth. By simply not mentioning certain subjects… totalitarian propagandists have influenced opinion much more effectively than they could
have by the most eloquent denunciations.”

 

 “Ignore death up to the last moment; then, when it can’t be ignored any longer, have yourself squirted full of morphia and shuffle off in a coma. Thoroughly sensible, humane and scientific, eh?”

 

Aldous Huxley (26 juli 1894 – 22 november 1963)

Charles Baudelaire en Elias Canetti

Nog meer Franse poëzie tijdens deze zwoele zomeravonden. Ditmaal van Charles Baudelaire.

Correspondances

La Nature est un temple où de vivants piliers
Laissent parfois sortir de confuses paroles;
L’homme y passe à travers des forêts de symboles
Qui l’observent avec des regards familiers.

Comme de longs échos qui de loin se confondent
Dans une ténébreuse et profonde unité,
Vaste comme la nuit et comme la clarté,
Les parfums, les couleurs et les sons se répondent.

II est des parfums frais comme des chairs d’enfants,
Doux comme les hautbois, verts comme les prairies,
— Et d’autres, corrompus, riches et triomphants,

Ayant l’expansion des choses infinies,
Comme l’ambre, le musc, le benjoin et l’encens,
Qui chantent les transports de l’esprit et des sens.

 

 

Correspondenties

 

De Natuur is een tempel met bezielde zuilen

Die soms hun stemmen in verwarring op doen gaan;

De mens doorkruist dit woud waarin symbolen schuilen

Die hem er met vertrouwde blikken gadeslaan.

 

Als langgerekte echo’s die van verre mengen

Tot eenheid vol van duister  en diepzinnigheid

Ontzaglijk als de nacht en als het zonnezengen,

Zijn geuren, kleuren, klanken tot één zin herleidt.

 

En zulke geuren zijn er, fris als kinderhuid,

Mild klinkend als hobo’s en groen zoals de steppen,

En andere – bedorven, zat van winst en buit,

 

Die onverholen van oneindigheden reppen,

Waaronder amber, muskus, mirre, wierookwalmen,

Die zins- en geestvervoering zingen in hun psalmen.

 

 

 

A une passante

 

La rue assourdissante autour de moi hurlait.
Longue, mince, en grand deuil, douleur majestueuse,
Une femme passa, d’une main fastueuse
Soulevant, balançant le feston et l’ourlet ;

 

Agile et noble, avec sa jambe de statue.
Moi, je buvais, crispé comme un extravagant,
Dans son oeil, ciel livide où germe l’ouragan,
La douceur qui fascine et le plaisir qui tue.

 

Un éclair… puis la nuit ! – Fugitive beauté
Dont le regard m’a fait soudainement renaître,
Ne te verrai-je plus que dans l’éternité ?

 

Ailleurs, bien loin d’ici ! trop tard ! jamais peut-être !
Car j’ignore où tu fuis, tu ne sais où je vais,
Ô toi que j’eusse aimée, ô toi qui le savais !

 

 

 

 

In het voorbijgaan

 

Rondom mij kreet de straat haar oorverdovend leven.

Een vrouw, lang, slank in rouwkleed, triest als een vorstin,

Schreed mij voorbij: vol luister was de hand, waarin

Festoen en rokzoom deinden in balans, geheven;

 

Als beeldsnijwerk de benen, adellijk en vlot:

Ik dronk, als een uitzinnige die krampen kwellen,

Uit ogen, bleek als lucht waarin orkanen zwellen.

Naast tederheid die kluistert dodelijk genot.

 

Een weerlicht… Dan de nacht! – O pracht die mij ontglijdt,

Die met haar aanblik maakte dat ik werd herboren,

Zal ik je nimmer weerzien eer de eeuwigheid?

 

Niet hier, ver weg van hier! Te laat! Nooit meer misschien!

Want jóúw weg ken ik niet en jij volgt niet míjn sporen,

Jij die ik minnen zou, jij, die het hebt gezien!

 

 

 

De vertalingen zijn van Petrus Hoosemans en ze zij te vinden in:
Dichters van de avant-garde – de moderne Franse poëzie,

Samengesteld en ingeleid door Guus Luijters,

L.J. Veen, Amsterdam, 2003

Charles Baudelaire

 

De Duitstalige schrijver Elias Canetti werd geboren op 25 juli 1905 in Russe in Bulgarije. Hij is vooral bekend geworden door ‘Het Martyrium’, zijn eerste en enige roman, en de sociaalfilosofische studie ‘Massa en Macht’.
Daarnaast schreef hij boeken vol met aantekeningen en aforismen; kleine puntige notities over leven en dood. Ook beoefende hij het genre van het reisverhaal en schreef talloze essays, o.a. over Franz Kafka, zijn grote voorbeeld. Canetti ontving in 1981 de Nobelprijs voor de literatuur.

 

Citaten:

 

„Man mag drei- oder viertausend Menschen gekannt haben, man spricht aber immer nur von sechs oder sieben.“

 

„Feig, wirklich feig ist nur, wer sich vor seinen Erinnnerungen fürchtet“.

 

„Wie wenig du gelesen hast, wie wenig du kennst – aber vom Zufall des Gelesenen hängt es ab, was du bist.“

 

„Ich habe noch nie von einem Menschen gehört, der die Macht attackiert hat, ohne sie für sich zu wollen.“

 


Elias Canetti (25 juli 1905 – 14 augustus 1994)

 

 

Johan Andreas dèr Mouw

Johan Andreas dèr Mouw werd  geboren op 24 juli 1863 in Westervoort. Hij studeerde en promoveerde te Leiden in de klassieke letteren, en was leraar aan het gymnasium te Doetinchem, totdat een conflict inzake zijn antichristelijke theorieën, met een felle lastercampagne, een dubbele poging tot zelfmoord en een rechtszaak daaraan in 1902 een eind maakte. Daarna woonde hij als privé-leraar in Den Haag. Als dichter is hij ook wel bekend onder het pseudoniem Adwaita

IJl ligt de wilgenschaduw op de wei

IJl ligt de wilgenschaduw op de wei;
Het slootje-in plonst, lichtgroene boog, een kikker;
Over het riet beweegt zich blauw geflikker,
Wanneer de wind zijn wimpels schuift op zij.

 

In ’t gras bij ’t water, naast de wilgenrij,
Speelt een blond jochie ernstig met een knikker;
Wegjaagt in ’t bongerdje een vogelverschrikker
De Zondagsstilte over de boerderij.

 

Houdt even op de droogratelende r,
Dan is ’t, of zich de stilte van heel ver
Hier samentrekt en plots’ling vreemd verdicht:

 

Op ’t lege zand voor te gesloten stal,
In ’t vierkant tuintje, in ’t bongerdje, overal,
Is ’t of een vraag en een verwond’ring ligt.

 

 

’t Is zomer, zondagmorgen, een toneel

‘T is zomer; Zondagmorgen. Een toneel
Zie ‘k plots’ling voor me uit verre jongensjaren:
Ik lig in ’t gras; er liggen rozeblaren
Overal om me, roze en wit en geel;

 

Mijn moeder speelt piano, ’t laatste deel
Van Gounod’s Faust. En ’t leek op eens, als waren
Aan ’t trillen ergens in mij zelf de snaren,
En ’t bonsde door mijn borst tot aan mijn keel.

 

En ‘k huilde en huilde, tot mijn moeder kwam,
En me aaide en kuste en me in haar armen nam,
En ‘k gaf, gelukkig, haar de liefste naam. –

 

‘K zie rozen. Ik word grijs. De herinnering
Voel ‘k trillen in mijn keel, en ’t is me, als zing
Ik stil: Anges des cieux, portez mon âme.

 

 

‘k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid

‘k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.
Ik doe in huis het een’ge dat ik kan:
‘K gooi mijn vuilwater weg en vul de kan;
Maar ‘k heb geen droogdoek; en ik mors altijd.
Zij zegt, dat dat geen werk is voor een man.
En ‘k voel me hulp’loos en vol zelfverwijt,
Als zij mijn lang verwende onpraktischheid
Verwent met wat ze toverde in de pan.

 

En steeds vereerde ik Hem, die zich ontvouwt
Tot feeërie van wereld, kunst en weten:
Als zij me geeft mijn bordje havermout,
En ‘k zie, haar vingertoppen zijn gespleten,
Dan voel ik éénzelfde adoratie branden
Voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen.

 

Johan Andreas dèr Mouw (24 juli 1863 – 8 juli 1919)