Met weinig tijd en met de meeste bloggers sowieso op vakantie, maar geïnspireerd door het weer met een zoekmachine (nee, niet die van dat werkwoord) gezocht naar gedichten voor de zomer en dan vind je deze vanAbdelkader Benali:
MIJN HAAT
Mijn haat voor jou gaat diep, vriend, nog dieper nog Dan mijn liefde, graag zou ik een verse zak stront Over je hoofd willen trekken, dat het bruin naar Beneden loopt, de gele groene strepen van
Diarree die goed kleurt bij je mooie kleding, Een zak pudding onder je oksels zou je ook Goed staan, alles staat je goed, als het maar Vervuld is van mijn walging en afkeer van jou
Die oneindig en voor eeuwig is, die `s nachts Gewoon nog wortel in mij schiet, hard en stug Doorgroeit alsof er niks aan de hand is, zoals De waarheid is hij, of het kussen nu warm of
Koud is, wat zou ik graag zien dat je werd door Boord door een gorilla, jij, je pijn, je gillen.
WELLUST
Ik ben altijd open en mocht ik zin hebben Dan klop ik ergens aan. `t Is waar: genot Kun je niet kopen, en wie het onveilig doet Danst op een vulkaan die veel weg heeft
Van mijn aars. Rauw lust ik ze, maar ook In opgezwollen staat, cup d, tepels zacht Als leer, een jongeheer om door een ringetje Te halen. Gêne en lust gaan niet goed samen
Daarom ken ik geen schaamte meer. Zo wil Ik oud worden om eeuwig jong te blijven Laatst was mama op bezoek, zo lief keek ik Haar aan, het zit ook in haar geil ding, geen
Eens vroeg ze wat ik deed, op het toppunt van Mijn kunnen! Steek me geen oog uit, heb er maar één.
Gedichten voor de zomer Abdelkader Benali Uitgeverij 521, Amsterdam 2003
Emma Lazarus was een joodse, Amerikaanse dichteres die vooral bekend is door het gedicht dat in de voet van het Vrijheidsbeeld gegraveerd staat: The New Colossus Zij was het vierde van in totaal zeven kinderen van Esther en Moses Lazarus. Zij kreeg les van privé-docenten, o.a. in Amerikaanse en Europese Literatuur. Gesteund door haar vader begon zij al op jonge leeftijd gedichten te schrijven. Ralph Waldo Emerson die destijds een van de belangrijkste Amerikaanse dichters en essayisten was kreeg belangstelling voor haar werk en zij correspondeerde met hem tot aan zijn dood in 1882. Naast het schrijven van haar eigen poëzie vertaalde Emma Lazarus ook gedichten van Goethe en Heine. Door het lezen van de roman Daniel Deronda ontstond bij haar het interesse voor het jodendom. De Russische pogroms in het begin van de jaren 1880 versterkten haar interesse nog en zo begon voor haar een productieve tijd, waarin ze veel joodse dichters vertaalde. Ook in haar essays hield ze zich met joodse thema’s bezig. Emma Lazarus reisde twee keer naar Europa: in 1883 en in mei 1885 na de dood van haar vader. Van de tweede reis keerde ze in september 1887 ernstig ziek terug naar New York. Twee maanden later stierf ze, vermoedelijk aan kanker.
The New Colossus
Not like the brazen giant of Greek fame, With conquering limbs astride from land to land; Here at our sea-washed, sunset gates shall stand A mighty woman with a torch, whose flame
Is the imprisoned lightning, and her name Mother of Exiles. From her beacon-hand Glows world-wide welcome; her mild eyes command The air-bridged harbor that twin cities frame.
“Keep ancient lands, your storied pomp!” cries she With silent lips. “Give me your tired, your poor, Your huddled masses yearning to breathe free,
The wretched refuse of your teeming shore. Send these, the homeless, tempest-tost to me, I lift my lamp beside the golden door!”
Long Island Sound
I see it as it looked one afternoon In August,–by a fresh soft breeze o’erblown The swiftness of the tide, the light thereon. A far-off sail, white as a crescent moon.
The shining waters with pale currents strewn, The quiet fishing-smacks, the Eastern cove, The semi-circle of its dark, green grove. The luminous grasses, the merry sun
In the grave sky; the sparkle far and wide Laughter of unseen children, cheerful chirp Of crickets, and low lisp of rippling tide
Light summer clouds fantastical as sleep Changing unnoted while I gazed thereon All these fair sounds and sights I made my own.
De Nijmeegse zomerfeesten afgesloten met een optreden van Sven Ratzke. Het werd vandaag dus allemaal wat later.
Ernest Hemingway werd geboren op 21 juli 1899 in Oak Park, Illinois. Hij won met het boek The old man and the sea in 1953 de prestigieuze Pulitzer Prize en in 1954 de Nobelprijs voor de Literatuur. Zijn laatste levensjaren, waarin hij aan zware depressies leed, bracht hij hoofdzakelijk op Cuba door. Op 2 juli1961 benam hij zich met twee schoten uit zijn favoriete geweer het leven. Hij was niet de enige zijn familie die zelfmoord pleegde. Zijn vader, broer en zuster en zijn kleindochter kwamen op dezelfde manier aan hun eind.
Uit: The old man and the sea
“…
When the old man saw him coming be knew that this was a shark that had no fear at all and would do exactly what he wished. He prepared the harpoon and made the rope fast while he watched the shark come on. The rope was short as it lacked what he had cut away to lash the fish. The old man’s head was clear and good now and he was full of resolution, but he had little hope. It was too good to last, he thought. He took one look at the great fish as he watched the shark close in. It might as well have been a dream, he thought. I cannot keep him from hitting me but maybe I can get him. Dentuso , he thought. Bad luck to your mother. The shark closed fast astern and when he hit the fish the old man saw his mouth open and his strange eyes and the clicking chop of the teeth as he drove forward in the meat just above the tail. The shark’s head was out of the water and his back was coming out and the old man could hear the noise of skin and flesh ripping on the big fish when he rammed the harpoon down onto the shark’s head at a spot where the line between his eyes intersected with the line that ran straight back from his nose. There were no such lines. There was only the heavy sharp blue head and the big eyes and the clicking, thrusting all-swallowing jaws. But that was the location of the brain and the old man hit it. He hit it with his blood-mushed hands driving a good harpoon with all his strength. He hit it without hope but with resolution and complete malignancy. The shark swung over and the old man saw his eye was not alive and then he swung over once again, wrapping himself in two loops of the rope. The old man knew that he was dead but the shark would not accept it. Then, on his back, with his tail lashing and his jaws clicking, the shark plowed over the water as a speed-boat does. The water was white where his tail beat it and three-quarters of his body was clear above the water when the rope came taut, shivered, and then snapped. The shark lay quietly for a little while on the surface and the old man watched him. Then he went down very slowly. “He took about forty pounds,” the old man said aloud. He took my harpoon too and all the rope, he thought, and now my fish bleeds again and there will be others. He did not like to look at the fish anymore since he had been mutilated. When the fish had been hit it was as though he himself were hit. But I killed the shark that hit my fish, he thought. And he was the biggest dentuso that I have ever seen. And God knows that I have seen big ones.
…”
Ernest Hemingway (21 juli 1899 – 2 juli 1961)
De Nederlandse schrijver Belcampo werd in Naarden geboren op 21 juli 1902 als Herman Pieter Schönfeld Wichers. De vader van Belcampo was notaris. Het gezin verhuisde naar Sappemeer en later naar Rijssen. Belcampo studeerde rechten in Amsterdam. Hij zwierf enkele jaren door Europa en ging na terugkomst in Nederland werken op een notariskantoor. Van 1937 tot 1949 studeerde hij vervolgens medicijnen. Hij was huisarts in Bathmen en vanaf 1967 studentenarts in Groningen. Hij debuteerde in 1923 in het studentenblad Propria Cures. Als schrijver nam Schönfeld Wichers het pseudoniem Belcampo aan, dat een letterlijke vertaling van Schönfeld in het Italiaans is. In 1935 verscheen zijn eerste bundel: “Verhalen”. Zijn beroemdste verhaal is “Het grote gebeuren” (1958), dat zich afspeelt in het stadje Rijssen op de dag van het Laatste Oordeel. Het verhaal werd door Jaap Drupsteen in 1975 voor de televisie bewerkt. Belcampo schreef een omvangrijk oeuvre van fantastisch-romantisch proza.
“Ik moest met de trein naar Amsterdam. Juist op tijd kwam de zware metalen reeks voor het stationnetje van mijn geboorteplaats tot stilstand. Het stadje is zoo klein, dat het geknars van de remmen door alle inwoners gehoord werd, ook door mijn vader en mijn moeder. Nou is onze jongen al dertig jaar, zouden ze denken en elkaar daarbij aanzien, en nog dobbert hij als een stuk wrakhout op den oceaan des levens. Mijn vader is dominee en houdt van degelijke beeldspraak. Ja ouders, dacht ik nog even, terwijl ik over het eerste spoor stapte, zeg het gerust, als een stuk rottend hout beschouwt gij uw zoon, maar blind zijt gij voor het wonderbaarlijke licht, dat van zoo’n stuk rottend hout kan uitgaan.
Toen ik het portier geopend had, bleef ik verlamd staan.
Ik zat er al.
Ik was al ingestapt.
Daar in de hoek, in achtelooze, eenigszins bekommerde houding, zat ik.
Ik hoefde dus niet meer in te stappen, ik was mezelf dus al vooruitgeloopen.
Langzaam sloot ik het portier weer en bleef aan het perron genageld; zag toe, dat de stationchef de plaatstok ophief.
Maar daar voelde ik in mijn hand het bruine kaartje.
Maar dan reisde ik zonder kaartje!
In een oogwenk was ik weer in de reeds voortkruipende trein en bevond me tegenover mezelf en alleen met mezelf. lk durfde geen woord te spreken, nauwelijks durfde ik mij op de bank neer te zetten, nooit had ik geweten, dat ik zulk benauwend gezelschap was. Ik keek mij aan en ik keek mij aan. Het kon niet anders. Hetzelfde trotsche voorhoofd, waarvan de edele welving zich verliest in de schaduw van welig bruin haarloof; dezelfde klare en toch mild indringende oogen, die ik zoo goed van de spiegel kende, de nemende mond mijner moeder, de echte ruikneus mijns vaders en daarbij mijn slanke en toch krachtige gestalte met de iets te groote handen. En daar ‑ dezelfde misvormde duim, die ik als jongen, onder de trein … “
Begin van het verhaal Bekentenisuit: ‘De verhalen van Belcampo’Uitgeverij Kosmos 1947
De Amerikaanse schrijver Ernest Hemingway werd geboren op 21 juli 1899 in Oak Park, Illinois. Hij won met het boek The old man and the sea
in 1953 de prestigieuze Pulitzer Prize en in 1954 de Nobelprijs voor de
Literatuur. Zijn laatste levensjaren, waarin hij aan zware depressies
leed, bracht hij hoofdzakelijk op Cuba door. Op 2 juli1961 benam hij
zich met twee schoten uit zijn favoriete geweer het leven. Hij was niet
de enige zijn familie die zelfmoord pleegde. Zijn vader, broer en zuster
en zijn kleindochter kwamen op dezelfde manier aan hun eind.
Uit: The old man and the sea
“He hasn’t much faith.” “No,” the old man said. “But we have. Haven’t we?” “Yes,” the boy said. “Can I offer you a beer on the Terrace and then we’ll take the stuff home.” “Why not?” the old man said. “Between fishermen.” They
sat on the Terrace and many of the fishermen made fun of the old man
and he was not angry. Others, of the older fishermen, looked at him and
were sad. But they did not show it and they spoke politely about the
current and the depths they had drifted their lines at and the steady
good weather and of what they had seen. The successful fishermen of that
day were already in and had butchered their marlin out and carried them
laid full length across two planks, with two men staggering at the end
of each plank, to the fish house where they waited for the ice truck to
carry them to the market in Havana. Those who had caught sharks had
taken them to the shark factory on the other side of the cove where they
were hoisted on a block and tackle, their livers removed, their fins
cut off and their hides skinned out and their flesh cut into strips for
salting. When
the wind was in the east a smell came across the harbour from the shark
factory; but today there was only the faint edge of the odour because
the wind had backed into the north and then dropped off and it was
pleasant and sunny on the Terrace. “Santiago,” the boy said. “Yes,” the old man said. He was holding his glass and thinking of many years ago. “Can I go out to get sardines for you for tomorrow?” “No. Go and play baseball. I can still row and Rogelio will throw the net.” “I would like to go. If I cannot fish with you. I would like to serve in some way.” “You bought me a beer,” the old man said. “You are already a man.” “How old was I when you first took me in a boat?” “Five and you nearly were killed when I brought the fish in too green and he nearly tore the boat to pieces. Can you remember?” “I
can remember the tail slapping and banging and the thwart breaking and
the noise of the clubbing. I can remember you throwing me into the bow
where the wet coiled lines were and feeling the whole boat shiver and
the noise of you clubbing him like chopping a tree down and the sweet
blood smell all over me.” “Can you really remember that or did I just tell it to you?” “I remember everything from when we first went together.” The old man looked at him with his sun-burned, confident loving eyes. “If
you were my boy I’d take you out and gamble,” he said. “But you are
your father’s and your mother’s and you are in a lucky boat.” “May I get the sardines? I know where I can get four baits too.” “I have mine left from today. I put them in salt in the box.”
De Nederlandse dichter Hans Lodeizen was de auteur van slechts één bundel en nagelaten werk. Hij studeerde korte tijd rechten in Leiden, maar ging over op biologie en liep college te Amherst, Massachusetts in de VS. Daar trof hij de dichter James Merrill en andere jonge talenten. Lodeizen leed echter aan leukemie en keerde voortijdig terug naar Europa, om de laatste maanden van zijn leven te verblijven in een Zwitsers sanatorium.
ik heb mij met moeite alleen gemaakt
ik heb mij met moeite alleen gemaakt je zou niet zeggen: je zou niet zeggen dat het zoveel moeite kost alleen te zijn als een zon rollende over het grasveld neem dan – vriend!- de mieren waar wonend in hun paleizen als een mens in zijn verbeelding -; wachten zij op regen en graven dan verder: het puur kristal is hen zand geworden. in het oog van de nacht woon je als een merel, of als een prins in zijn boudoir: de kalender wijst het zeventiende jaar van Venetië en zachtjes, zachtjes slaan zij het boek dicht kijk! je schoenen zijn van perkament o – mijn vriend – deze wereld is niet de echte.
dit leven zachtjes ken ik het
dit leven zachtjes ken ik het zachtjes loop ik eruit als een kind uit de zandbak ik stroom vol met vredige zoetigheid deze man goed kende ik hem ik liep steeds met hem mee zoals een kind langs het strand gaat de zee groet in langzame statigheid er zijn zoveel andere levens en zoveel andere mannen een jongen speelt op een fluitje in de avond met vredige zoetigheid dit leven zachtjes ken ik het ik loop steeds eruit zoals een kind uit het strand gaat vol zee stroomt in langzame statigheid.
Wij zullen het leven…
Wij zullen het leven op grootse wijze behandelen zoals wij een moordenaar behandelen onder ons. Ik houd niet van kunst die sterft in de mond van de zeer geliefde dichter. Nu Nyjinski dood is moeten wij voor alle vensters bloemen zetten, want zo alleen blijft de schoonheid levend. Wij willen een handvol kinderen, wijn, en een speelplaats flink door de zon afgerost.
De Nederlandse dichteres en schrijfster Anna Enquist werd geboren op 19 juli 1945 in Amsterdam als Christa Boer. Ze studeerde Klinische Psychologie in Leiden en daarna speelde ze piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Enquist publiceerde pas op latere leeftijd. Haar liefde voor poëzie werd haar echter al op de middelbare school bijgebracht door haar docent Nederlands, de dichter Dick Steenkamp. Ze debuteerde in 1991 met de gedichtenbundel Soldatenliederen, waarvoor ze de C. Buddingh’-prijs kreeg. Voor haar bundel Jachtscènes’ werd ze beloond met de Lucy B.- en C.W. van der Hoogt-prijs. Enquist werd bij het grotere publiek voornamelijk bekend met haar prozawerken Het meesterstuk (Debutantenprijs) en Het geheim (Trouw Publieksprijs). Ze schrijft ook regelmatig over voetbal voor het tijdschrift Hard Gras. Ook verscheen van haar hand de novelle De ijsdragers, het boekenweekgeschenk van 2002. In Enquists poëzie staan angst en woede vaak centraal. Het leven wordt gepresenteerd als strijd. Tevens komt haar liefde voor muziek vaak naar voren in haar werk.
Rivier
Zeer vaak heb ik gezocht in de buurt van rivieren
naar bewijs dat het kon; zo tref ik mijzelf
soms aan parend in hoog gras, hoor water, wind-
zwanen die overvliegen markeren ongeboren tijd
met houten vleugels, het copulatieritme zegt
zwart-wit, ja-nee, zo ook je hart en verder
niets, op schoot graag, en voor altoos
In slechte tijden zocht ik, perfide, halfhartig
het tegendeel: zo zou ik mij met borsten,
kut en al kunnen laten glijden in die kabbelende
zwarte moeder, gewiegd in giftige omarming troostrijk
omgebracht worden. Hoe ik dan blauw
en gezwollen tussen rietstengels zou liggen,
de schrik der waterhoentjes, nee
Een vreemd compromis deed zich voor in
de heldere winternacht toen ik,
tegen tienen, bij Ouderkerk de schaatsen
aanbond en voortgleed, voort over
zwart ijs met hier en daar een zilveren
vis daarin gevat, mij flink voortspoedde
naar nooit meer, naar nergens
Essentie van het missen
Ik mis de linkshandige, schitterend
spiegelbeeld naast mij aan tafel, ik mis
haar tot brakens toe, dagelijks. Het is
de kern van het gemis, het missen zelf,
zegt men. Dat zal ik, met gestrekte
hals, fijntjes ontkennen. Dat zal ik
schuimbekkend tegenspreken. de tijd
is een ruimte, je bent altijd bij haar,
zegt men. Ik kijk in de lege spiegel.
Geleerde onzin, schandalige troost.
Ze reed weg met mijn goud, mijn geluk
in haar fietstas, hief haar smalle hand
en verdween tussen de weiden. De kern van gemis laat mij koud, geen wijsgerige
held gaat mij helpen. Ik mis het vlees, haar linkshandige lichaam.
Met stomheid
Loodzware dagen zeggen we maar
wat weegt zo’n woord weinig; het laatste
zeilt op stadsdamp neerwaarts, kromt
zich keer op keer om zijn betekenis.
Argeloos keren de huizen hun dierbaarste
wanden naar buiten, fluisteren Lissabon,
Lissabon. Tussen keuken – en badkamertegels
zoeken wij traag naar de tekens, verrijzenis.
Het water staat laag. In marmeren armen
murmelt het zacht tegen schepen aan. Stad,
leer mij het onverstaanbare, het openbare,
de sporen van kleine roeiers over de Taag.
De Engelse schrijver William Makepeace Thackeray werd geboren in Calcutta op 18 juli 1811. Hij stamde uit een ambtenaarsfamilie in India maar trok op 16-jarige leeftijd naar Engeland om in Cambridge te studeren. Thackeray verbleef enkele jaren op het Europese vasteland, veelal in Parijs, waar zijn interesse voor de schilderkunst opdook. In 1833 verloor hij zijn fortuin en werd hij verplicht om zijn talent als journalist te gebruiken om van te leven. Onder verschillende pseudoniemen werkte hij mee aan tijdschriften zoals Fraser’s Magazine en Punch. “The Book of Snobs” uit 1846 gaf hem de faam als satiricus van de hypocrisie van de Engelse maatschappij. Zijn doorbraak als romanschrijver kwam er met de publicatie van Vanity Fair in 1847.
Uit: Vanity Fair
1 – Chiswick Mall
“While the present century was in its teens, and on one sunshiny morning in June, there drove up to the great iron gate of Miss Pinkerton’s academy for young ladies, on Chiswick Mall, a large family coach, with two fat horses in blazing harness, driven by a fat coachman in a three-cornered hat and wig, at the rate of four miles an hour. A black servant, who reposed on the box beside the fat coachman, uncurled his bandy legs as soon as the equipage drew up opposite Miss Pinkerton’s shining brass plate, and as he pulled the bell at least a score of young heads were seen peering out of the narrow windows of the stately old brick house. Nay, the acute observer might have recognised the little red nose of good-natured Miss Jemima Pinkerton herself, rising over some geranium pots in the window of that lady’s own drawing-room.
“It is Mrs. Sedley’s coach, sister,” said Miss Jemima. “Sambo, the black servant, has just rung the bell; and the coachman has a new red waistcoat.”
“Have you completed all the necessary preparations incident to Miss Sedley’s departure, Miss Jemima?” asked Miss Pinkerton herself, that majestic lady; the Semiramis of Hammersmith, the friend of Doctor Johnson, the correspondent of Mrs. Chapone herself.
The girls were up at four this morning, packing her trunks, sister,” replied Miss Jemima; “we have made her a bow-pot.”
“Say a bouquet, sister Jemima, ’tis more genteel.”
“Well, a booky as big almost as a haystack; I have put up two bottles of the gillyflower water for Mrs. Sedley, and the receipt for making it, in Amelia’s box.”
“And I trust, Miss Jemima, you have made a copy of Miss Sedley’s account. This is it, is it? Very good–ninety- three pounds, four shillings. Be kind enough to address it to John Sedley, Esquire, and to seal this billet which I have written to his lady.”
William Makepeace Thackeray (18 juli 1811 – 24 december 1863)
Josepha Judica Mendels werd geboren op 18 juli 1902 te Groningen, als dochter van een orthodox joods echtpaar. Josepha was de derde dochter, en haar vader had haar liever als zoon gehad. Josepha werd eerst naar de lagere en toen naar de middelbare meisjesschool gestuurd. In 1920 haalde zij haat MMS diploma.
Van 1923 tot 1927 was zij au pair-gouvernante. Van 1927 tot 1936 werd zij al snel directrice bij het ‘Zwaluwnest’ een avondopleiding voor joodse meisjes. Daar leert zij Berthe Edersheim kennen. Van 1958 tot 1993 zijn zij onafscheidelijk geweest. In 1936 is Mendels naar Parijs gegaan om daar journaliste te worden. Tussen 1940 en 1942 schrijft zij ‘Rolien en Ralien’ omdat ze niet meer onder haar eigen (joodse) naam kan publiceren. In 1942 vlucht zij. Na vele omzwervingen (via Spanje en Portugal) komt ze in Londen terecht.
Ze is nooit getrouwd, en op haar zesenveertigste toch moeder geworden. Tot 1992 woonde Josepha met Berthe in Parijs. In ’92 verhuisde ze naar Eindhoven. Josepha Mendels overleed, drieënnegentig jaar oud, op 10 september 1995 te Eindhoven.Josepha Mendels werd in stilte begraven met een pen en 93 rozen, en wel op 13 september op de Gemeentelijke Begraafplaats Woensel in Eindhoven.
In een interview met de NRC zei Mendels ooit: ‘De ouderdom is een rot-iets, een onuitstaanbaar, bespottelijk iets. Jarenlang doe je je best voor je lichaam; je koestert het, je levert er strijd mee. En waar word je mee beloond? Met aftakeling!’
Josepha Mendels (18 juli 1902 – 10 september 1995)
Uit:De redding van de Saragossazee(Vertaald door J.F. Vogelaar)
“Het
waren een groene en een rode walvis, beide zwommen in zee. Zullen we
elkaar iets over de wereld vertellen, zei de een, ik stel voor het over
plankton te hebben. Je bedoelt dat je het over jezelf wil hebben, zei de
ander, het is je lievelingsvoedsel, ook ik moet het dus over jou
hebben. Denk je er wel aan dat het hier de ijszee is, zei de groene
walvis, soms ben ik bang dat we te groot zijn. Omdat we groot zijn
blijven we op temperatuur, zei de ander. Laten we een duik nemen en
ervaringen opdoen. De Saragossazee bestaat of bestaat niet, in elk
geval voer er een zeilschip, aan dek een jongeman, zijn haar woei in de
wind. Er zijn eenvoudige handelingen, zei de jonge man, die zeker zijn,
ík wil ze zeker noemen. Een zeil hijsen, op het dek staan, de koers
wijzigen of de koers houden. De zon is een natuurverschijnsel, maar ook
die heeft een betekenis, ze gaat op en onder, ik zeil, zulke dingen
vormen samen het geluk. En ook staat vast dat de Balearen eilanden zijn
en in de oceaan liggen. Je vergeet de afstand, zei een stem. De
jongeman schrok want er was niemand aan dek. Hij zei: ik word nog eens
een filosoof want ik praat in mezelf. Hij hield zich met de linkerhand
vast en beschermde met de rechter zijn ogen tegen de zon. Er zwom naast
het schip iets blinkends snel door de golven. Dolfijnen, zei de
jongeman. Hij hoorde lachen. Wil je zeggen dat ik mij vergis, zei de
jongeman, geloof maar niet dat ik nooit iets over hallucinaties heb
gehoord, een reis naar de Balearen duurt lang, zo kom je tenminste je
tijd door. Ik ben een heks, zei de stem. Zij kwam naderbij, hij zag
haar rug en rossig haar. Zij zwom even snel als het schip, zonder de
armen te bewegen. Het leven is interessant, zei de jongeman, ik maak
voortdurend wel iets mee. O ja, zei de heks en hij meende een spottende
toon in haar stem te horen. Ik vergelijk nieuwsgierigheid met het varen
op schoeners, zei de jongeman, toch stoort mij iets in je manier van
praten. Je bent jong en zwemt behendig, wanneer je zoals nu op je zij
ligt laat je linkerborst een eigen smal kielzog achter. Heb je een
staartvin?”
De Nederlandse schrijver Louis Couperusvestigde zich in maart 1923 in De Steeg, gemeente Rheden, in een door vrienden en bewonderaars aangeboden huis. Op 4 juni werd hij benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Op 9 juni vond de huldiging ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag plaats. Op 16 juli overleed Louis Couperus aan longvliesontsteking en bloedvergiftiging. De crematie vond plaats op Westerveld. Zijn as is enige tijd later overgebracht naar zijn graf op de begraafplaats Oud Eik en Duinen te Den Haag.
Uit: De stille Kracht
I
“De volle maan, tragisch die avond, was reeds vroeg, nog in de laatste dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol, vlamde als een zonsondergang laag achter de tamarindebomen der Lange Laan en steeg, langzaam zich louterende van haar tragische tint, in een vage hemel op. Een doodse stilte spande alom als een sluier van zwijgen, of, na de lange middagsiësta, de avondrust zonder overgang van leven begon. Over de stad, wier wit gepilaarde villa-huizen laag wegscholen in het geboomte der lanen en tuinen, hing een donzende geluideloosheid, in de windstille benauwdheid der avondlucht, als was de matte avond moe van de zonneblakende dag der Oostmoesson. De huizen, zonder geluid, doken weg, doodstil, in het lover van hun tuinen, met de regelmatig opblankende rissen der grote gekalkte bloempotten. Hier en daar werd een licht al ontstoken. Plotseling blafte een hond, en antwoordde een andere hond en verscheurde de donzende stilte in lange, ruwe flarden; de nijdige hondekelen, hees, ademloos, schor vijandig; plotseling ook zwegen zij stil.
Aan het einde der Lange Laan lag diep in zijn voortuin het Residentie-huis. Laag, dadelijk in de nacht der waringinbomen, zigzagde het zijn pannendaken, het ene achter het andere, naar de schaduw van de achtertuin toe, met een primitieve lijn van daktekening, over iedere galerij een dak, over iedere kamer een dak, tot éen lange daksilhouet. Vóor echter, rezen de witte zuilen der voorgalerij, met de witte zuilen der portiek, hoog blank en aanzienlijk op, met brede tussenruimten, met grote openheid van ontvangst, met een uitbreiding van indrukwekkend paleisportaal”
Uit:De stille Kracht
VI
”….
In lange vlakke stralen viel het zwaar van haar neer, en als marmer glansde zij, gepolijst op schouders, borst en heupen, in het licht van het kleine lampje. Nog meer wilde zij zich haasten, opziende naar het venster of de kamprets weer binnen zouden vliegen… Ja, zij zou voortaan zich toch vroeger baden. Buiten was het al nacht. Zij droogde zich schielijk, in een ruwe handdoek. Zij wreef zich even, vlug, met de witte zalf, die Oerip altijd bereidde, haar tovermiddel van jeugd, lenigheid, harde blankheid. Op dit ogenblik zag zij op haar dij een klein rood spatje. Zij lette er niet op, denkend aan iets in het water, een blaadje, een dood insect. Zij wreef het af. Maar zich wrijvend, zag zij op haar borst twee drie grotere spatjes, donker vermiljoen. Zij werd plotseling koud, niet wetend, niet begrijpend. Weer wreef zij zich af; en zij nam de handdoek, waar de spatjes al achterlieten iets viezigs als van dik bloed. Een rilling huiverde over haar van hoofd tot voeten. En plotseling zag zij. Uit de hoeken van de badkamer, hoe, en vanwaar zag zij niet, kwamen de spatjes aan, eerst klein, nu groter, als uitgespogen door een kwijlende sirih-mond. Stervenskoud gaf zij een gil. De spatten, dikker, werden vol, als purperen kwalsters uitgespogen, tegen haar aan. Haar lichaam was vuil bezoedeld met een groezelig, rinnende rood. Eén spat sloeg neer op haar rug… Op het groenige wit van de vloer vlakkelden de smerige spuugselen, dreven zij uit in het nog niet weggelopen water. In het bassin bezoedelden zij het water ook en smolten viezig uiteen. Zij zag geheel rood, vuil bezoedeld, als onteerd door een schande van vies vermiljoen, dat onzichtbare sirih-kelen vanuit de hoeken der kamer samenschraapten en spogen naar haar toe, mikkend in haar haren, op haar ogen, op haar borsten, op haar onderbuik. Zij gaf gil op gil, geheel krankzinnig van het vreemde gebeuren. Zij stortte op de deur, wilde ze openen, maar er haperde iets aan de kruk. Want het slot was niet gesloten, de grendel was er niet voor. In haar rug voelde zij herhaaldelijk spugen, en van haar billen droop het rood. Zij gilde om Oerip en zij hoorde de meid aan de andere zijde der deur, buiten, trekken, en duwen. Eindelijk gaf de deur toe. En radeloos, gek, dol, krankzinnig, naakt, bezoedeld, stortte zij in de armen van haar meid.”
Filmproducenten IdtV Film, Motel Films en Fu Works werken aan een verfilming van de roman De stille kracht van Louis Couperus uit het jaar 1900. Het is de tweede keer dat het boek wordt verfilmd: in de jaren zeventig werd er al een televisieserie van gemaakt. Hierin speelden Pleuni Touw, Willem Nijholt en Bob de Lange de hoofdrol. (Hierboven een scène uit deze serie) Het is de bedoeling dat de film volgend jaar in 2007 in première gaat.
Vandaag een iets ander bericht, in die zin dat niet een of meer schrijvers, maar een schilder het onderwerp vormt. 2006 Is een Rembrandtjaar. Donderdag was ik in het Rembrandthuis in Amsterdam voor een tentoonstelling over de etsen van Rembrandt. Op 15 juli 1606 werd Rembrandt van Rijn in Leiden geboren als negende kind van Harmen Gerritszoon van Rijn en Neeltje Willemsdochter van Suydbroeck. Hier vier gedichten bij schilderijen van de beroemde kunstenaar.
De nachtwacht
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten. Nooit had een nachtwacht zo’n verdriet. Want, schoon hij wist dat hij moest wachten, Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen, Getooid met een fluwelen hoed, Dan had die nachtwacht nooit geweten Waarop een nachtwacht wachten moet.
Ik heb het Rood van ’t Joodse bruidje lief, van toen ik het zag voor het eerst en ik nog niet begreep, welk een verkering ik die dag begon. Ik kwam er ook op dagen zonder zon, of dat haar licht zich even maar verhief en vloeide weg in een wankele streep, dan zocht ik de nuance, die het teerst en toch nooit diep genoeg mij lang te blijven vroeg. Ik zag het Bruidje met de linkerhand piano spelen op de rechter- van haar door de tijd bedeesde man en ik werd niet jaloers. Dat was hún band. Ik kwam niet door hun minne-schikking treden, het is mij om het Rood van haar kleed en anders niets te doen, ook niet om de entourage in goudig-groen. Alleen díe kleur zien als een kleur van heden, of Rembrandt naast mij er mee speelde binnen de bronzen van de achtergrond en welke kleuren hij er nog penseelde, er toch die kleur voor alle tijden vond. Ontstond zij met of zonder schilderstok, het is zijn Rood, waarin hij zong Bruidjes rok; het is mijn Rood, rondom haar rechterhand, neen, geen juwelen, franjes of kant, het is maar rood, het Rood, dat ik aanbid, vooral als ik in de zon naast Rembrandt zit.
Bij het schilderij van Rembrandt – David speelt harp voor
Saul:
Meesterwerk
Wat nu de Saul van Rembrandt betreft, mij ontbreekt het wel eens aan een tulband en iemand die harp of harpsichord speelt, aan een scepter en een bescheiden gordijn waarmee ik tranen kan drogen.
König, hörst
du, wie mein Saitenspiel
Fernen wirft, durch die wir uns bewegen:
Sterne treiben uns verwirrt entgegen,
und wir fallen endlich wie ein Regen,
und es blüht, wo dieser Regen fiel.
Mädchen
blühen, die du noch erkannt,
die jetzt Frauen sind und mich verführen;
den Geruch der Jungfraun kannst du spüren,
und die Knaben stehen, angespannt
schlank und atmend, an verschwiegnen Türen.
Daß mein Klang
dir alles wiederbrächte.
Aber trunken
taumelt mein Getön:
Deine Nächte, König, deine Nächte -,
und wie waren, die dein Schaffen schwächte,
o wie waren alle Leiber schön.
Dein Erinnern
glaub ich zu begleiten,
weil ich ahne. Doch auf welchen Saiten
greif ich dir ihr dunkles Lustgestöhn? –
II
König, der du
alles dieses hattest
und der du mit lauter Leben mich
überwältigest und überschattest:
komm aus deinem Throne und zerbrich
meine Harfe, die du so ermattest.
Sie ist wie
ein abgenommner Baum:
durch die Zweige, die dir Frucht getragen,
schaut jetzt eine Tiefe wie von Tagen
welche kommen -, und ich kenn sie kaum.
Laß mich nicht
mehr bei der Harfe schlafen;
sieh dir diese Knabenhand da an:
glaubst du, König, daß sie die Oktaven
eines Leibes noch nicht greifen kann?
III
König, birgst
du dich in Finsternissen,
und ich hab dich doch in der Gewalt.
Sieh, mein festes Lied ist nicht gerissen,
und der Raum wird um uns beide kalt.
Mein verwaistes Herz und dein verworrnes
hängen in den Wolken deines Zornes,
wütend ineinander eingebissen
und zu einem einzigen verkrallt.
Fühlst du jetzt, wie wir uns umgestalten? König, König, das Gewicht wird Geist. Wenn wir uns nur aneinander halten, du am Jungen, König, ich am Alten, sind wir fast wie ein Gestirn das kreist.