Chang-Rae Lee, Thomas Rosenlöcher

De Koreaans-Amerikaanse schrijver Chang-Rae Lee werd geboren op 29 juli 1965 in Seoel. Zie ook alle tags voor Chang-Rae Lee op dit blog.

Uit: My Year Abroad

“I WON’T SAY WHERE I am in this greatish country of ours, as that could be dicey for Val and her XL little boy, Victor Jr., holies a place like most others, nothing Ice awful or uncomfortable, with no enduring vistas or distinctive traditions to admire, no funny accents or habits of the locals to wonder at or find repellent .Call it whatever you like, but I’ll refer to it as Stagno, for while ifs definitely landlocked here, several bodies of murky water dot the area. There’s a way that the days here curdle like the gunge that collects on the surface of a simmering broth, gunge you must constantly gunge away. Still, Stagno serves its purpose. Ifs so ordinary that no one too special would ever choose to live here, though well populated enough that Val and Vigor Jr. and I don’t stand out. And we ought to stand out. For it would be natural to ask what a college-age kid was doing shacked up with a thirtysomething mom and her eight-year-old son, and why neither of us worked a job, or why the boy didn’t go off to school. Do we ever leave the house? For a brief period, we did, but not much anymore. We stream movies and shows. Val is ordering everything online again, including groceries, the only item she regularly ventures out for being a grease-soaked foot-long hoagie named the Widowmaker that is the carrot for Victor Jr. when he reaches his daily tolerance for our homeschooling. There is no slick- Val handles social studies and arts and I cover math and science, but all in all we get a C+ for conception, execution, and effort, which Victor Jr. is well aware of and is undoubtedly banking on using against his mother someday,. He’s a exceedingly smart, cute kid, if notably hirsute, something genetically cross-wired for sure because a kid his age shouldn’t have arm and leg and back hair and definitely not the downy mustache, the nap of which the boy caresses whenever he’s noodling his human child’s plight. In the future Victor Jr. may strategically deploy my name, but we still can’t predict the full extent of my presence in his life. What we know is this: Val and I have a good thing going. We try to see our roles as limited in scope and intensity. We aren’t aspiring to all-time greatness, whether in homeschooling or partnering. We aren’t each other’s stand-ins for the world-as-it-should-be.”

 


Chang-Rae Lee (Seoel, 29 juli 1965)

 

De Duitse dichter en schrijver Thomas Rosenlöcher werd geboren op 29 juli 1947 in Dresden. Zie ook alle tags voor Thomas Rosenlöcher op dit blog.

 

Het bevende beeld

Langs de grenshelling, afwaarts waar het stil was,
Liep nog een bergbeek neer over een steen.
Het oppervlak, dat lichtelijk gebold was,
was vast als glas en beefde nauwelijks
toen ik mijn lippen legde op het vlak.
En onder mij, diep onder ’t ijs van ’t water,
de bloemen en de varens wuiven zag
en dieper nog, in een spelonk
van roerloos glanzende metalen,
de keverkoning en de schuimcicade,
de schuimcicade en de keverkoning
op gouden voeten zich naar achter spoeden,
als zag ik van mijn kindertijd de grond.
IJzige kou drong door tot in mijn brein.
Vlamdiamanten schoten heen en weer.
Mijn diepgezonken ogen echter keken
tijdens het zinken mij vreemd smekend aan.
En daar verrees het bleek beeld van een sater.
’t Voorhoofd in ridicule ernst geplooid,
Het oog tevreden als met lood verzegeld.
De bril van nikkel. En de neus een knol.
Totdat, genadig, ’t water rimpelde.
De onschuld weet niet, welke pijp zij rookt.
De voettocht hiernaartoe kostte drie dagen
en vijf minuten verder ging een bus.

 

Vertaald door Wiebe Hogendoorn

 


Thomas Rosenlöcher (29 juli 1947 – 13 april 2022) 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e juli ook mijn blog van 29 juli 2024 en ook mijn blog van 29 juli 2022 en ook mijn blog van 29 juli 2017 deel 1 en ook deel 2.

Remco Campert, Claudia Gabler

De Nederlandse dichter en schrijver Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Zie ook alle tags voor Remco Campert op dit blog.

 

Voorbeeldig

Altijd valt het voorgeschreven blad
in altijd weer andere warreling
op het altijd weer meer of minder natte
meer of minder tanige gras.

Het is nadoen
maar anders.

Het is voordoen.

 

Vluchtelingen

Vluchtelingen worden bij voorkeur vertoond
voor het prikkeldraad van een land in Europa
dat zijn grens gesloten houdt

vluchteling
het is zo’n veilig woord
je vergeet bijna dat het een mens is
eens vol van het licht van zijn toekomst
verknald door het streven
van een machtsbeluste dictator

mensen knippen gaten in prikkeldraad
zwaarbewapenden houden hen tegen
onmenselijkheid viert triomf

 

Kerken

Overal
Staan nog kerken, steeds weer
Opgebouwd. Men kan er altijd wel
Eén of twee vrouwen in vinden,
Biddend voor neven, voor eigen heil,
Voor dat van de wereld zodoende.

Het is stil in de kerken, stiller
Dan in een windstille natuur.
Kouder ook, kouder dan
Op een bevroren meer. Stil en koud
Zijn de kerken; men zegt, sereen.
Op vastgestelde uren kunt u er zingen.

Kerken staan in steden en dorpen,
Verspreid door het land, zoals
Benzine-stations: een man in
Overall poetst de ruiten, vult
De tank, ontvangt zijn geld, gaat
Naar binnen, leest zijn krant.

 


Remco Campert (28 juli 1929 – 4 juli 2022)

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

Hier werd niets uitgemeten dat niet volledig
verwilderd was. Zelfs vochtige chipszakken en nog

warme theekopjes stonden nauwelijks scheef. Dit huis
had maar één kamer met meerdere

kroonlijsten, maar of het een echte knie was, was vanaf hier-
boven moeilijk te zien. Provincialiteit stond hoog

aangeschreven, maar toen stond er plotseling
een zestienjarig meisje met gestreept T-shirt en mobieltje

voor ons. Dat was geen vroomheid, en ik zag
hoe onze ego’s het opnamen tegen de ruïnes:

de middagzon, de structuur van de gebedenboeken,
het ritme van de refreinen, en overal klaprozen in

onze kleren, in onze bagage overal klaprozen, en
tot slot de scheve vouw van de wandelkaarten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)

 

Zie voor de schrijvers van de 28e juli ook mijn blog van 28 juli 2020 en eveneens mijn blog van 28 juli 2019 en ook mijn blog van 28 juli 2017 en ook mijn blog van 28 juli 2011 deel 2.

Arthur Japin, Dan Coman

De Nederlandse schrijver Arthur Japin werd geboren in Haarlem op 26 juli 1956. Zie ook alle tags voor Arthur Japin op dit blog.

Uit: Het Stravinsky-spel

“Al wat leefde, zweeg. Dit was het eerste wat opviel en het enige waaraan ik al die weken niet zou wennen. Vanuit het gebroken stadshart, niet meer dan een paar straten tussen de heuvels langs de smalle bedding van de bloedrode Miljacka, welde stilte op. Wijk na wijk raakte erdoor overspoeld, van de bazaar en stegen in de Ottomaanse buurt naar de statige straten in het Oostenrijks-Hongaarse deel tot diep in Tito’s droom, de breed opgezette communistische betonbouw. Toen ik aankwam, lag Sarajevo overweldigend geruisloos voor me; doodse pleinen, sprakeloze stegen.
Van een belegering had ik het denderend tegendeel verwacht, schoten, ontploffingen, gejammer, zoals de wereld het dagelijks in de journaals te horen krijgt, nooit deze afwezigheid van leven. Of nee, afwezig was het niet. Hiervoor ontbrak ieder geluid er te nadrukkelijk. Intens, alsof de stad haar adem inhield, handen stijf tegen de mond gedrukt om de minste ruis van rouw uit alle macht te onderdrukken. Zoveel huiskamers waar al maanden niets meer viel te zeggen, te veel bedden waarin voorgoed gezwegen werd. Hoeveel van die brokkelende appartementen, vroeg ik me af, hoeveel etages in de flatgebouwen, gruizig na een jaar als schietschijf, waren er van gesneuvelden geweest en stonden leeg? Dit was een stilte waarvan geen enkele rust uitging, zoals in de natuur, maar dreiging, de zekerheid dat een schreeuw haar weldra zou doorbreken.
Ten westen van de stad, aan de voet van schitterende bergen, hadden wij een zogenaamde hete landing gemaakt, waarbij de motoren ook tijdens het uitstappen blijven draaien. Van het toestel sprintten we naar de zwaar beschadigde terminal, die voor de Olympische Spelen, negen jaar eerder, nieuw was gebouwd. Wij moesten een hoge stalen afzetting passeren en het kordon van zwaarbewapende UNPROFOR-soldaten, die met gespannen blik hun geweer richtten op alles wat bewoog. Hierna viel er geen ziel meer te bespeuren. Of misschien waren er wel mensen, maar hadden ze geleerd weg te duiken, zodra er iets of iemand naderde. Langs de straten waren muren van containers geplaatst om achter te schuilen zodra er werd geschoten. Hoe het ook zij, buiten het vliegveld zag ik geen levend wezen.
Veel kans om rond te kijken kreeg ik trouwens niet. lk had gehoopt op een van de witte VN-pantserwagens die je op tv ziet, maar die waren deze ochtend in gebruik voor hoog bezoek. Hasan, de chauffeur die de UNHCR had ingehuurd voor Susan, moest me dus ophalen in zijn eigen auto, een oude Volkswagen Golf, waarin ik plankgas naar het Holiday Inn vervoerd werd, plat op de achterbank, schuil achter afgeplakte ramen.”

 


Arthur Japin (Haarlem, 26 juli 1956)

 

De Roemeense dichter en schrijver Dan Coman werd geboren op 27 juli 1975 in Gersa in de provincie Bistrita-Nasaud. Zie ook alle tags voor Dan Coman op dit blog.

 

De Verkrachting

Ik ben geen moment gestopt met tegen mezelf te praten als tegen een vrouw,
maar vandaag overtreft mijn schaamteloosheid mijn verbeelding.
Het is na middernacht en al een uur lang draai ik rond en rond,
met duizelingwekkende snelheid, en kus ik mijn handen.
Ik heb geen macht om me in te houden. Het gaat mijn macht te boven.
Alleen al de wetenschap dat ik daar in hem ben en mijn lichaam reageert,
als tien krolse katten bij elkaar, als geen ander.
Ik heb alles geprobeerd. Volledige stilte, totale rust. Het is tevergeefs.
Elke keer dat ik sprak, stond mijn mond klaar om zichzelf te verslinden,
vanwege zulke sonore pracht, zulke beheersing.
Maandenlang heb ik geprobeerd mezelf te vernederen. Volkomen tevergeefs.
Eerlijk gezegd: ik ben nooit gestopt met tegen mezelf te praten als tegen een vrouw,
maar vandaag, toen ik er nauwelijks in was geslaagd mijn lichaam in slaap te krijgen,
was de spanning tussen hem en mij bijna verdwenen. Hoewel niets krachtiger was en niets me kon stoppen:
Ik verhief mezelf in al mijn pracht boven mijn lichaam, ik klemde hem vast tussen de kussens
en alsof hij een vrouw was, waren een paar krachtige en precieze manoeuvres genoeg
om met zijn onderdrukte geschreeuw mijn geschreeuw te overstemmen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Dan Coman (Gersa, 27 juli 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e juli ook mijn blog van 26 juli 2020 en eveneens mijn blog van 26 juli 2018 en ook mijn blog van 26 juli 2017 en eveneens mijn blog van 26 juli 2015 deel 2.

Lieke Marsman, Claudia Gabler

De Nederlandse dichteres Lieke Marsman werd op 25 juli 1990 geboren te Den Bosch. Zie ook alle tags voor Lieke Marsman op dit blog.

 

Ik sta klimop opzij en zie

Iemand heeft me zojuist vijf keer door de borst geschoten.
Uit mijn eigen revolver kwamen enkel stuiterballen.

Uit mijn eigen leven gegrepen zaken kunnen niet begrepen worden,
enkel ontwaard totdat ze waar lijken.

Stel je voor dat er een einde was aan ontegenzeggelijk zwijgen
ten overstaande van het gehamer vanbinnen.

Stel je voor dat verdriet niet langer je tweede naam is,
maar wat als het de naam van je zonen en dochters zal zijn?

 

De hele wereld

Het allerliefst zou ik zo hard spreken dat ik iedereen de hele
wereld rond sprak, dan kwam iedereen altijd terug. Maar als je
zo hard praat krijg je te maken met de terugslag van je adem,
waarna we elkaar opnieuw voorbij zouden zweven.

Het allerdomst zijn de mensen die zich afvragen of een vallende
boom wel geluid maakt als er niemand is om toe te horen. Wie
durft te beweren dat een gevallen kind niet huilt omdat er
niemand is die het troost?

Het allerbest zijn de mensen met een broodtrommel, voor hen
wil ik lunch maken.

Het allervervelendst is het feit dat niet alles in woord te vatten is.
Als je verdriet kon vangen kon je het in een kooi stoppen en het
als een papegaai verzorgen, het dit woord laten zeggen: geluk.
Het je laten herhalen. Als je jezelf kon herhalen, zou je nu
zeggen: geluk.

Het allermoeilijkst vind ik dingen uit handen geven. Wie geen
dingen uit handen geeft, zal in ieder geval geen blaren zien, maar
ook nooit een tamme kanarie vast kunnen houden.

Het allermooist vond ik je toen we elkaar voor het eerst
aankeken, hoewel je dan eigenlijk alleen de ogen ziet, die bij
iedereen hetzelfde zijn.

Het allerbijzonderst ter wereld is liefde, zeg je, maar ik kijk naar
de grijze massa van mensen, die het allemaal voelen.

 

Ik hoef geen einde te breien

Ik hoef geen einde te breien
Aan iets dan onherroepelijk stilstaat.

Ik moet niet schuilen in iemand anders gezicht,
of daar moedeloos van worden. Ik moet iets uittekenen

dat een landkaart zal blijken, een tocht beginnen,
mooi en onuitputtelijk zijn, als woorden, als worden.

Ik hoef geen deur open te zetten
om haar binnen te laten. Alleen een raam dicht te doen
dat ze in zal willen slaan.

 


Lieke Marsman (Den Bosch, 25 juli 1990)

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

Onze plaatselijke tuinen hadden ons afgewezen

Onze plaatselijke tuinen hadden ons afgewezen,
zelfs de bloemen waren als onze vroegere vrienden nu verdwenen.
Dus kozen we voor andere steden,
hun geluidskwaliteit was doorslaggevend.

De nieuwe zwembaden lesten snel onze dorst naar douchewater,
maar tegen insecten beschermt de groene grens niet.
Ook niet tegen wilde dieren.
De buren waren echte gevoelsterroristen.

Wijzelf klaagden over berengeluiden
en werden heel terloops onze eigen ergste vijanden.
Ons vroegtijdige gezoem hing nu boven de nieuwe tuinen als een provinciale symfonie.
Maar het was opnieuw het water, dat redding bracht.

Warmwaterbronnen en de daarin gevierde, enigszins tsaristische levenslust
verhinderde het gebruik van vuurwapens. Heel plotseling waren we erg vrolijk.
Ook al waren we omringd door bontproducten en wisten we duidelijk:
Hier blaft een Siberische hond.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970

 

Zie voor de schrijvers van de 25e juli ook mijn blog van 25 juli 2020 en eveneens mijn blog van 25 juli 2018 en eveneens mijn blog van 25 juli 2017.

Robert Graves, Katia Mann

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

 

In the Beginning Was a Word

The difficulty was, it was
Simple, as simple as it seemed;
Needing no scrutinizing glass,
No intense light to be streamed.

Upon it. It said what it said
Singly, without backthought or whim,
With all the strictness of the dead,
Past reason and past synonym.

But they, too dull to understand,
Laboriously improvised
A mystic allegory, and
A meaning at last recognized:

A revelation and a cause,
Crowding the cluttered stage again
With saints’ and sinners’ lies and laws
For a new everlasting reign.

 

Recalling War

Entrance and exit wounds are silvered clean,
The track aches only when the rain reminds.
The one-legged man forgets his leg of wood
The one-armed man his jointed wooden arm.
The blinded man sees with his ears and hands
As much or more than once with both his eyes.
Their war was fought these twenty years ago
And now assumes the nature-look of time,
As when the morning traveller turn and views
His wild night-stumbling carved into a hill.

What, then, was war? No mere discord of flags
But an infectionof the common sky
That sagged ominously upon the earth
Even when the season was the airiest May.
Down pressed the sky, and we, oppressed, thrust out
Boastful tongue, clenched fist and valiant yard.
Natural infirmiries were out of mode,
For Death was young again: patron alone
Of healthy dying, premature fate-spasm.

Fear made fine bed-fellows. Sick with delight
At life’s discovered transitoriness,
Out youth became all-flesh and waived the mind.
Never was such antiqueness of romance,
Such tasty honey oozing from the heart.
And old importances came swimming back
Wine, meat, log-fires, a roof over the head,
A weapon at the thigh, surgeons at call.
Even there was a use again for God &mdash
A word of rage in lack of meat, wine, fire,
In ache of wounds beyond all surgeoning.

War was return of earth to ugly earth,
War was foundering of sublimities,
Extinction of each happy art and faith
By which the world had still kept head in air,
Protesting logic or protesting love,
Until the unendurable moment struck
The inward scream, the duty to run mad.

And we recall the merry ways of guns
Nibbling the walls of factory and church
Like a child, piecrust; felling groves of trees
Like a child, dandelions with a switch.
Machine-guns rattle toy-like from a hill,
Down in a row the brave tin-soldiers fall:
A sight to be recalled in elder days
When learnedly the future we devote
To yet more boastful visions of despair.

 

Het strand

Harder dan meeuwen schreeuwen de kleine kinderen
die vaders het vrolijke schuim in trekken;
maar anderen rennen er onbevreesd in, tot borsthoogte,
en lachen het zoute water uit hun monden –
helden van de kinderkamer.

De geile schipper, die walvissen heeft gezien
en vliegende vissen, die zo ver is gevaren
als Demerara en Ivoorkust,
zal hen waarschuwen, wanneer ze zich verdringen
om zijn verhalen te horen,
dat elke oceaan naar teer ruikt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)

 

De Duitse schrijversvrouw Katia Mann, steun en toeverlaat van de Duitse schrijver Thomas Mann, werd geboren als Katharina Pringsheim op 24 juli 1883 in Feldafing. Zie ook alle tags voor Katia Mann op dit blog.

Uit: Katia Mann: Meine ungeschriebenen Memoiren

„Wir fuhren zusammen nach Meran, mein Mann und ich und Urmiemchen. So nannten wir sie, weil meine Kinder sie Urmiemchen nannten. Urmiemchen fuhr mit, und da sagte sie: Ach, Tommy! Tommy! Komm doch bitte mal schnell in mein Coup& denn weißt du, hier im Schlafwagen ist ja alles für Riesen eingerichtet. Sie war eine sehr kleine, sehr putzige und in ihrer Art reizvolle, alte Dame. Annette Kolb kannte ich lange, ehe ich Thomas Mann kannte. Ich kannte sie seit meinem zwölften Jahr. Sie verkehrte in meinem Elternhaus und schrieb damals schon. Wir standen uns immer sehr herzlich. Ich duzte mich auch mit ihr von Kindheit an. Dann verkehrte Paul Heyse bei uns, und er wollte es gar nicht glauben, daß ich noch nie etwas von ihm gelesen hatte; er war sehr enttäuscht. Damals war ich vielleicht vierzehn. Er besuchte meine Mutter, und da sagte sie: Ich muß Ihnen doch mal meine Tochter Katia vorstellen. Und dann sagte er: Na, Sie haben doch …? Ich sagte: ja, ich denke doch … Er war ein sehr eitler Mensch und hatte so eine sanfte Stimme und einen weichen kleinen Vollbart und schöne blaue Augen. Max Halbe kannte ich, Wolfskehl, die Gräfin Reventlow. Aber näher habe ich sie alle nicht gekannt. Mein Vater war nicht so sehr dafür, daß ich einen Schriftsteller heirate. Er dachte immer: ein Schriftsteller ist doch nicht so ganz das Richtige, nicht wahr? Das ist doch eher etwas Unseriöses. Er dachte, es müßte ein junger Gelehrter, ein Universitätsprofessor sein, und ich hatte damals, neben anderen, sogar einen Bewerber, der Professor war. Meine Mutter war gleich für eine Heirat mit Thomas Mann, ihr leuchtete es sofort ein. Meinem Vater nicht in dem Maße; aber er hat die Heirat mit Thomas Mann auch nicht verhindert. Er hätte es auch gar nicht gekonnt. Gern sah er es nicht, auch deshalb: als das einzige Mädchen mit den vier Buben war ich so ein kleiner Sonnenschein, nicht? Ich sollte nicht so früh aus dem Haus. Es war ihm nicht recht, wie Väter so sind. Thomas Mann hat das auch ein bißchen in >Königliche Hoheit< geschildert. In meiner Jugend war ich, glaube ich, recht hübsch. Das Traurige ist, daß ich es gar nicht wußte. Es hat eigentlich nie jemand in meiner Familie die Freundlichkeit gehabt, es mir zu sagen.“

 


Katia Mann (24 juli 1883 – 25 april 1980)
Katia Mann in 1927

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juli ook mijn blog van 24 juli 2019 en ook mijn blog van 24 juli 2018 en eveneens mijn blog van 24 juli 2016 deel 2.

Lauren Groff, Claudia Gabler

De Amerikaanse schrijfster Lauren Groff werd geboren op 23 juli 1978 in Cooperstown, New York. Zie ook alle tags voor Lauren Groff op dit blog.

Uit: De weidse wildernis (Vertaald door Lucie Schaap)

“De maan verschool zich achter de wolken. De wind spuwde striemende sneeuwvlagen. Door een kier in de hoge zwarte wand van de palissade, ogenschijnlijk te nauw om een mens door te laten, wrong het meisje zich de grote, griezelige wildernis in. Ze had een kap tot ver over haar gezicht getrokken en ze was van nature tenger, zowel knokig als kinderlijk klein, maar de honger had haar nog verder uitgemergeld, zodat ze vel over been was, haar vlees mager, uitgeteerd, pezig. Maar ook uitgehongerd en verblind door de duisternis was ze nog watervlug. Ze krabbelde op, struikelde bij haar eerste stap, viel bijna, maar wist overeind te blijven en begon te rennen, snel en ineengedoken over de bevroren groeven van de akker en de vele dode maïsstengels die toen ze opkwamen in de zomer al grauw, vruchteloos en verschrompeld waren door de rot. Sneller, meid, zei ze tegen zichzelf, en voortgedreven door angst en vrees holden haar benen sneller.
De stevige schoenen had het meisje gestolen van de zoon van een heer, een jonge knaap half zo oud als zij, maar even groot, die de vorige nacht was bezweken aan de pokken, zijn uitgehongerde gestel als met een roestlaag bezaaid met uitslag. De leren handschoenen en de dikke mantel had ze gestolen van haar mevrouw. Ze verjoeg de herinnering aan de nog wenende vrouw geknield op de bevroren grond van de binnenplaats van dat helse oord. Met elke stap waarmee ze zich verwijderde, verslapte de greep van alles wat daar was op het meisje. Verderop ontwaarde ze een vreemde weerglans op de donkere akkergrond, eenmaal dichterbij zag ze dat het het hemd was van de soldaat die veertien dagen eerder gesnapt was toen hij op zijn buik zijn vege lijf langzaam wegschoof van de gruwelen van het fort naar de andere gruwelen van het bos. Halfweg tussen fort en bomen  verdonkerde in alle stilte een schaduw die op de grond had gelegen, die groeide en zich ten slotte toonde als de meest gevreesde man van dit land, de krijgsman twee koppen groter dan de mannen van het fort, die zichzelf nog vervaarlijker maakte met een wijde donkere mantel van kalkoenveren die hij over zijn schouders droeg. Met één hand trok hij de kruipende angstige soldaat aan zijn haren omhoog en sneed met een mes een lange, natte rode jaap in de keel van de man. Hij liet hem weer vallen, het levensbloed van de inmiddels dode man gutste over de bevroren bodem en eerloos uitgespreid bleef hij daar liggen. Al die tijd had hij daar onbegraven gelegen, want de soldaten van de nederzetting waren van de honger te verzwakt en te laf geraakt om het lijk op te halen.”

 


Lauren Groff (Cooperstown, 23 juli 1978)

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

Pioniers van de herprogrammering als een vreemd beeld.
De haastig opgeroepen afdelingen maakten onderscheid

voor ons. Tussen de waargenomen en de geleefde stad lagen
hun tijdelijke gebouwen. Emigratie werd dus als zakendoen beschouwd,

maar men onderzocht desalniettemin de ziekte van deze clichés.
Een enorm spektakel voltrok zich, mijn wilde haren

waren verdwenen (verdwenen tussen de slopen). De verandering van tijdperk
in het gesprek werd mijn persoonlijke cross-over,

de koffie op de lakens was dan wel weer grappig.
Maar natuurlijk zien we de vlaggen wapperen aan de rand van de stad.

We strooien suiker in de cacao, en ons ruimtegebruik
wordt onmiddellijk nieuw leven ingeblazen. De thermische broek

en zijn positieve relatie met vochtigheid. Rond de heupen
geleidelijke verdichting, hoe lees je

hoe lees je de wolken ook alweer in de stedelijkheid?

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e juli ook mijn blog van 23 juli 2020 en eveneens mijn blog van 23 juli 2019 en ook mijn blog van 23 juli 2018 en ook mijn blog van 23 juli 2017 deel 2.

Arno Geiger, Michael Longley

De Oostenrijkse schrijver Arno Geiger werd geboren op 22 juli 1968 in Bregenz, Vorarlberg. Zie ook alle tags voor Arno Geiger op dit blog.

Uit: Reise nach Laredo

„So gegen zehn Uhr am Vormittag in dein Hof, in dem sich die Sonnenuhr befindet, soll der Privatmann Karl mittels einer Hebevorrichtung in einen Zuber mit heißem Wasser gehoben werden. Sein Leibarzt, Henri Mathys, der glaubt sich auszukennen mit dem, was ratsam ist, murmelt verärgert: »Das kann nicht gutgehen, das ist Selbstmord.« So ein Bad ist ein Bett, ein Leintuch, ein Leichentuch, eine Leiter. Karl denkt: Der Tod könnte schön sein, wenn man gelebt hat. Eine Zeitlang starrt er zu Boden, als versuche er wieder und wieder mit dumpfer Verwunderung zu begreifen, dass seine Beine ihn nicht tragen, wie sie ihn früher getragen haben. Dicht neben ihm, bereit zum Auffangen, steht wachsam der Sekretär, Willem Van Male, er weiß, dass man im Alter nicht fallen darf. Er wartet auf Karls nächsten Schritt, alle, die sich im Garten des Klosters eingefunden haben, warten auf den nächsten Schritt. Sie wissen, dass sich das Leben ändert. Es ist ein schöner Tag für den Anfang. Der Wahnsinn des Sommers klingt ab. Im gleißenden Licht umschwirrt eine Fliege Karls Gesicht, er hat keine freie Hand, weil er an den Oberarmen festgehalten wird. Heftig bläst er durch die Nase, worauf ein Tropfen in seinen Bart fällt. Dann steht er wieder für einige Momente unbeweglich und versucht, die Fliege nicht zu beachten, er ist gut darin, Dinge nicht zu beach-ten. Die Fliege verschwindet als schwarzer Punkt im Gegen-licht. Gebückt und steifbeinig wie ein Kavallerist nach mehreren Tagen im Sattel setzt Karl einen Fuß vor den anderen. Er ist jetzt bei der Hebevorrichtung, die sein Uhrmacher Juanelo Turriano entworfen hat, um das Unvermögen von Karls Beinen auszugleichen: eine lange Stange, die mittig in einer zweieinhalb Meter hohen, in den Boden eingelassenen Gabel aufliegt. Unter dem hinteren Ende der Stange stehen drei Knechte, die himbeerfarbene Mütze eines der Knechte verleiht der Szene etwas Absonderliches. Karl hätte im Traum nicht an so eine Mütze gedacht. Seltsam, dass immer etwas ganz anders ist als erwartet.“

 


Arno Geiger (Bregenz, 22 juli 1968)

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

SNEEUWWATER

Als nauwgezette theezetter, thee-
Connaisseur alsmede dichter,
Vraag ik bescheiden voor mijn zestigste
Als verjaardagscadeau sneeuwwater.

Theestoom en inktvlekken. Helemaal
Gefocust verhit ik mijn theepot en
Meet ik wat Zilveren Naaldenthee af,
Genoeg voor een tweede trek.

Andere favoriete smaken zijn Clear
Distance en Eyebrows of Longevity
Of, van gevaarlijke bergtoppen,
Cloud Mist Tea (heel verrukkelijk)

Die bekwame apen oogsten
Hun manden vullend met uitgelezen bladeren
En naar beneden brengen waar ik wacht
Met mijn pot sneeuwwater.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)

 

Zie voor de schrijvers van de 22 juli ook mijn blog van 22 juli 2019 en ook mijn blog van 22 juli 2018 deel 2.

Hans van de Waarsenburg, Michael Longley

De Nederlandse dichter en literatuurcriticus Johannes (Hans) Paul Richard Theodorus van de Waarsenburg werd geboren in Helmond op 21 juli 1943. Zie ook alle tags voor Hans van de Waarsenburg op dit blog.

 

Toulon

Geluid dat uit de foto’s stijgt
Kale plekken binnen het hoofdgordijn
Wie er allemaal verdwenen zijn
Tegen de lijmstokken van de dood gevaren

Roekeloos, as, verstrooid verleden
Stomme film zonder gebaren

Naar de dood richt ik elk grijs kanon
In de haven van Toulon.

 

Dodenvaart

Na de dodenvaart, de schepen zwijgen
lauw branden de fakkels
wanneer de bocht wordt gerond

Staande op het hoogste duin
wuift hij naar de zeilen

Niets in dit beeld beweegt
het helmgras ligt

Het lemmet rust.

 

Railing

De railing, niets anders
dan de railing
verdwijnt

Over de voeten
valt het licht

Schaduw verdonkert
de plaats, de plekken

Dood is het meten,
de terugtocht
zichzelf te schrijven.

               


Hans van de Waarsenburg (21 juli 1943 – 15 juni 2015)

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

Vrieskou

De vrieskou annexeert zelfs de zee,
en spreidt zijn platform uit over de golven.
Laat de lucht vallen, de buik van de vos stort in –
Deze catastrofale, kortstondige hervorming
leidt de vogels van de hemel naar onze huizen.
Ze komen met verre winden om ons warm te houden.
Romantisch
Door deze om te kopen met overvloed, zouden we liever
onze hoop op dooi vergeten wanneer de lente de takken reinigt,
het stof veegt van onze vensterbanken, sneeuw en veren,
overlaat aan zijn verval en ware ondergang
de roerdomp die dit andere weer
in ijs had opgeborgen als een specimen

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939) 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e juli ook mijn blog van 21 juli 2022 en ook mijn blog van 21 juli 2020 en eveneens mijn blog van 21 juli 2019 en ook mijn blog van 21 juli 2018 deel 2.

Arie Storm, Paul Violi

De Nederlandse schrijver en literatuurcriticus Arie Storm werd geboren in Den Haag op 20 juli 1963. Zie ook alle tags voor Arie Storm op dit blog.

Uit: Satirië

“Ik stop met schrijven. Niet op dit moment, zoals je ziet, maar dit is wel mijn laatste roman. Kan ik dit een roman noemen als ik er zelf zo duidelijk in optreed? Ik lees momenteel de dikke studie The Rhetoric of Fiction. Wayne C. Booth, de schrijver ervan, maakt een behoorlijk groot nummer van de vraag of een schrijver wel of niet in de roman die hij schrijft aanwezig is. Ik moet erbij zeggen dat het boek van Booth uit 1961 komt. Dat is meer dan zestig jaar geleden; ik was nog niet geboren, nog net niet. Het is een vreemd idee dat er al van alles aan de hand was voordat ik mijn eerste schreden op deze planeet zette. Maar als ik weg ben – dood -, gebeurt er vanzelfsprekend ook nog het een en ander. Het gaat allemaal door, vermoed ik, maar dan zonder mij. Dit roept de vraag op waar een schrijver is als hij niet aanwezig is in zijn eigen roman. Als hij dáár al niet is, in zijn door hem bedachte woorden, dan is hij nergens. Dat is natuurlijk niet waar, want als ik stop met schrijven, ben ik er nog steeds. Misschien ben ik er dan wel juist méér, bevind ik me in het echte leven, in de werkelijkheid buiten de roman. Een werkelijkheid die voor mij juist bestaat omdat ik schrijf, meende ik tot voor kort, maar dat zou op een vergissing kunnen berusten. Je zou net zo goed kunnen beweren dat de werkelijkheid juist door dat schrijven verdwijnt, of uit beeld verdwijnt, dat die werkelijkheid door al dat geschrijf niet goed zichtbaar meer is. Romanschrijver Martin Amis schrijft in zijn memoir Experience dat hij van het schrijversbestaan houdt – dag in, dag uit -, of dat hij dat in elk geval deed toen hij bijna dertig was, en dat hij er veel meer van houdt of hield dan zijn vader Kingsley destijds deed, of dat hij die indruk had, dat zijn vader dus niet van het schrijversbestaan hield en dat misschien wel nooit had gedaan, Kingsley, de aanvankelijke angry young man, of een van de angry young men, hoewel Kingsley zich niet zo wilde noemen. Zijn eerste roman was Lucky Jim geweest, een roman waaruit wel degelijk woede sprak, zij het op komische wijze, en die in 1954 was gepubliceerd, en die, toen zijn zoon Martin dit vermoeden uitsprak, of liever gezegd opschreef, tegen de zestig liep. Zestig, zestig, zestig dus, waarop het keerpunt van de ouderdom nadert, voegt, of voegde, moet ik inmiddels schrijven, Martin eraan toe, zestig, een leeftijd die ik nu zelf heb bereikt, terwijl ik heb besloten op te houden met schrijven, en waarvan ik vind dat ik moet uitleggen, of er getuigenis van moet geven, of afleggen, waarom ik er de brui aan geef, al schrijf ik die uitleg, die getuigenis, alleen maar voor mezelf op, en zijn de meeste lezers al juichend gestopt na het lezen in de boekwinkel van de eerste vier woorden van deze roman.”

 


Arie Storm (Den Haag, 20 juli 1963)

 

De Amerikaanse dichter Paul Randolph Violi werd geboren op 20 juli 1944 in Brooklyn, New York. Zie ook alle tags voor Paul Violi op dit blog.

 

Lof der Luiheid

Voor de tweede keer deze week
heb ik sneeuw zien vallen bij zonsopgang,
de dageraad zien aankomen op een briesje
(zoals ik denk dat het altijd gebeurt).
Ik weet niet wat, de tijd of het weer,
me wakker maakte, me uit een droom toverde
waarin een paar van ons ronddreven,
grappenmakers van de zwaartekracht,
met het gezicht omhoog in het kalme water
en het wrakhout van een langzaam leven.
Ik had één zin die ik had bewaard
en liet die los alsof het de mijne was,
roepend om “Donkerder dagen en stralender goden!”
Toen had ik slechts een moment van ontwaken,
maar dat opende zich met datzelfde schaduwloze licht,
een gevoel van verandering, van iets dat zowel dichtbij
als ver weg was, eerst en laatst,
dat met de wind en de sneeuw
door mijn weerspiegeling in het raam waaide.
En toen verloor ik het.

Dus hier ben ik dan, met sigaretten en koude koffie,
een onvoltooide ode aan de luiheid,
spinnenwebben op hoge plaatsen,
een spin die van de boekenplanken afdaalt,
en een in alle rust herinnerde commotie;
zonlicht dat doorstroomt,
en weer een heldere pagina
met een eigenaardige duisternis eroverheen
—schaduwen van hittegolven van de radiator,
of mijn gedachten die in rook opgaan.

Het glas, als het beslagen is,
doet me denken aan winkelruiten,
hoe ze met zeep zijn ingesmeerd,
gehuld in geheimzinnigheid
vóór een grote opening
of na een schandelijke sluiting.
Hoe dan ook, niet erg interessant,
behalve misschien wanneer de graffiti,
de anonieme berichten verschijnen,
erop gekrabbeld
door een kind van de lucht,
woorden waar je doorheen kunt kijken
of een duidelijke veeg.

En in de schemering ben ik er nog steeds,
op dezelfde plek, in hetzelfde licht.
Niets anders te doen dan me te verplaatsen met het uitzicht:
sneeuw, wind over zachte ruïnes,
onafgemaakte gebouwen die opdoemen
als monumenten voor een uitgebluste nieuwsgierigheid
Ik sta in het hoogste, hierboven met de Nee’s
die op drassige leuningen rusten.
Zin in een sigaret? Nee.
Heb je een lucifer? Nee.
Zie je een alternatief voor solipsisme? Nee.
Hedonisme? Nee. Slordig stoïcisme? Nee.
Wist je dat Maryland
geen natuurlijke, maar alleen kunstmatige meren heeft? Nee.

De wezens van de luiheid
zijn pure speculatie.
Ze volgen het weer,
schaduwen de wind, vullen de gaten in.
Sommigen zijn groot, onhandig en sluw
en likken graag aan mijn horloge;
anderen, zoals gerundia,
hebben zichzelf al
in een staat van zijn gedronken.
Een ander, met tijd over
en het besef hoe ramen
zowel binnen als buiten een plek zijn,
staat daar te kijken hoe zijn silhouet
verandert in een weerspiegeling,
terwijl het licht verandert,
en hij vooruit of achteruit beweegt,
speelt als een god
die in en uit zichzelf stapt,
en hoort de wind als de adem van verandering
wanneer de laatste vlaag in het licht weg dwarrelt.

De laatste vlok wordt groter
terwijl hij neerdaalt en presenteert,
wanneer hij in een uitbarsting van schittering landt,
de plattegrond van een nieuw gebouw,
waar elk nat, gepareld raam
een beeld is van plezier en verwachting.
De druppels rijpen, momenten in het licht,
vragen die, beantwoord door een gevoel,
zo helder als mijn wezen wegglijden,
druppel voor druppel langs het glas.
Als de wind zo hard waait,
staat hij op het punt om eindelijk iets te zeggen.
De aarde tot waar zij pure magie is,
wind en glas, water en licht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Paul Violi (20 juli 1944 – 2 april 2011)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e juli ook mijn blog van 20 juli 2024 en ook mijn blog van 20 juli 2020 en eveneens mijn blog van 20 juli 2019 en ook mijn blog van 20 juli 2013 deel 2 en eveneens deel 3.

Anna Enquist, Ghayath Almadhoun

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anna Enquist werd geboren op 19 juli 1945 in Amsterdam als Christa Boer. Zie ook alle tags voor Anna Enquist op dit blog.

Uit: De verdovers

“Drik de Jong wacht. Hij wacht in zijn eigen wachtkamer die eigenlijk geen kamer is maar een hoekje onder de trap, waar één stoel in past. Tegen de vlakke muur hangt een foto van een rij bomen in een polderlandschap. Drik de Jong wacht op een nieuwe patiënt. Wil hij voelen hoe het voor zo iemand is om hier te zitten wachten? Onwaarschijnlijk. Hier heeft vrijwel nooit iemand gezeten want Drik neemt ruim tijd tussen zijn afspraken en zorgt ervoor dat zijn patiënten elkaar niet tegen het lijf lopen. De dubbele deur naar de spreekkamer staat open; de lampen boven het bureau en schuin achter de therapeutenstoel heeft hij aangeknipt, al is het elf uur ’s morgens. Hij is even in die stoel gaan zitten en zag de smoezelige vitrage, de bewolkte hemel daarachter —het is oktober en het licht gaat verdwijnen. Maar niet hier, dacht hij, in deze kamer hoort een warm, gelig licht te hangen. Een voorraad gloeilampen aanleggen nu het nog kan, die verplichte nieuwe spaarlampen zijn afschuwelijk. Gevangenisverlichting. Hij kijkt op zijn horloge. Over drie minuten. Even pissen nog? Beter van niet. Sta je net je handen te wassen met zo’n gorgelende watertank achter je als de bel gaat. Niet alleen de patiënt is gespannen voor zo’n eerste contact. Voor de therapeut is het ook een vrij cruciaal moment. Er moet zoveel tegelijk. Kijken, luisteren, contact leggen, beslissen, wegwijs maken, oordelen, onthouden. Terwijl je je optimaal concentreert moet je je zodanig ontspannen voelen dat je echt een indruk van iemand krijgen kan. Drik haalt diep adem. Hij heeft meer dan een halfjaar niet gewerkt. Toen zijn vrouw ernstig ziek werd sloot hij zijn praktijk. Hij kon twee analyses afsluiten, te abrupt en iets voorbarig, maar het ging. Een derde analysand verwees hij naar een collega, net als een aantal therapiepatiënten. Hij nam geen nieuwe mensen meer aan. Ineens waren de dagen leeg en kwam hij nauwelijks meer in zijn spreekkamer.
De tuinkamer werd het zwaartepunt van het huis. Daar lag Hanna in zo’n veel te hoog ziekenhuisbed op haar dood te wachten. Daar verschenen zuurstofcilinders, een morfinepomp, een infuusstandaard. Daar dromden mensen samen — de huisarts, vrienden, verpleegsters, een anesthesiemedewerker uit het ziekenhuis. Hijzelf stond met zijn rug tegen de muur en kwam er niet tussen. Zijn zuster was er, Suzan. Hij zag haar altijd als het kleine zusje, vier jaar jonger dan hij. Nu nam ze de regie over.Tot zijn verbazing bewerkstelligde ze een verlof voor onbepaalde tijd. Het kwam goed uit, zei ze, er was een tijdelijk overschot aan anesthesiologen omdat de helft van de operatiekamers werd verbouwd.”

 


Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)

 

De Zweeds – Palestijnse dichter, toneelschrijver, journalist en literair criticus Ghayath Almadhoun werd geboren op 19 juli 1979 in Damascus. Zie ook alle tags voor Ghayath Almadhoun op dit blog.

 

De berg Qasyoun

Gedicht voor Anish Kapoor

Het was een kleine berg die leek op een wolk, en uitkeek op niets. Hij was hoog als een vogel, groot als een boom, en erg eenzaam, want voor de uitvinding van de mobiele telefoon communiceerden de bergen via vogels, zodat de herinneringen niet zouden uitsterven.
Het was een kleine berg die droomde van de stad, en de voorkeur gaf aan de drukte, maar hij bleef erg eenzaam, want dertig aardbevingen geleden bezochten de bergen elkaar niet, vanwege familieonenigheden.
Een kleine berg, en dichters dachten dat hij een rots was die van de hoorn van een stier was gevallen, maar een toevalligheid die plaatshad tijdens het jachtseizoen deed hen ontdekken dat de berg vrouwelijk was. Tijdens het jachtseizoen, in het jaar dat de archeologen haar nog niet hadden ontdekt, waren de dichters op een gedicht aan het jagen toen zij hen om de tuin leidde en haar toevlucht zocht in een grot aan de voet van de berg. Ze gingen achter haar aan, en wisten niet dat ze de vagina van de berg in waren gegaan, het was de eerste geslachtsgemeenschap tussen de mensen en de berg. Ze gaf geboorte aan een stad die de taalkundigen ‘het begin’ noemden en de dichters ‘Damascus’, de dochter van halal overspel, de eerste der steden.
Op het moment dat een berg zakt voor een natuurkunde examen, geeuwt een andere berg, en de stad slaapt, alsof er niets was, alsof alles was, wie zei dat twee bergen elkaar nooit ontmoeten, ik zal voor jullie de uitspraak corrigeren: als Mohammed niet naar de berg kan gaan, zal de berg tot hem komen. Nee, ik zal hem nog eens corrigeren: als Kapoor niet naar de berg kan gaan, zal de berg tot hem komen.
 

 

Vertaald door Ferida Jawad

 


Ghayath Almadhoun (Damascus, 19 juli 1979)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e juli ook mijn blog van 19 juli 2023 en ook mijn blog van 19 juli 2020 en eveneens mijn blog van 19 juli 2019 en mijn blog van 19 juli 2017 en ook mijn blog van 19 juli 2015 deel 1 en eveneens deel 2.