Bas Heijne, Benjamin Lebert, Simone de Beauvoir, Theodor Holman, Danny Morrison, Kurt Tucholsky, Anne Rivers Siddons

De Nederlandse schrijver, essayist, columnist en vertaler Bas Heijne werd geboren op 9 januari 1960 in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Bas Heijne op dit blog.

Uit: Hollandse Mandela’s (Hollandse toestanden)

“Botte macho’s leren door het wufte gedrag van hun voetbalidool Beckham hun vrouwelijke kant ontdekken. Door het optreden van Ayaan rukken islamitische meisjes eindelijk die vervloekte sluier af.
Voor de pleitbezorgers van de sterrencultuur was Fortuyn geen hopeloze ontsporing maar een nieuwe dageraad. Dit nieuwe soort politicus moet het niet langer van een verouderde partijpolitiek hebben, hij opereert per definitie buiten de enge marges van de traditionele Haagse cultuur. IJdel en narcistisch? Doet er niet toe – dat zijn we immers allemaal. Wie niets te vertellen heeft, valt vanzelf wel door de mand.
Het klinkt goed, maar het is onzin. Keer op keer wordt nu vastgesteld dat de media en de rest van Nederland zich de afgelopen jaren steeds weer druk hebben gemaakt over niets. Talloos zijn de affaires die op het moment zelf vol betekenis leken – en toen ineens helemaal niet meer. De affaire-Margarita, de affaire-Lubbers, de affaire-Oudkerk, de ontelbare affaires van de lpf; het ging nergens over en gaat nergens over, maar op het moment zelf loopt iedereen te hoop. Waarom? Omdat het om persoonlijke affaires gaat met de schijn van een publiek belang, en dat zijn de enige affaires waar men zich in Nederland nog druk over kan maken. Daarom zijn we zo gek op parlementaire enquêtes; de enige manier waarop van abstract wanbestuur op televisie nog wat persoonlijk drama gemaakt kan worden.
Het effect van die verslaving aan het persoonlijke is dat over de zaak zelf nooit meer wordt gesproken. Die dient alleen als excuus voor roddelzucht. Wat is eigenlijk het verschil tussen de gestolen tas van Margarita, waaraan nova een halve uitzending besteedde, het filmpje van Ayaan en het tienpuntenplan van Wilders? Volgens de overtuiging van de sociologen zou onze belangstelling voor deze fenomenen vanzelf naar de achterliggende kwesties moeten leiden; via het persoonlijke naar het publieke.”

 

 
Bas Heijne (Nijmegen, 9 januari 1960)

Lees verder “Bas Heijne, Benjamin Lebert, Simone de Beauvoir, Theodor Holman, Danny Morrison, Kurt Tucholsky, Anne Rivers Siddons”

Wessel te Gussinklo

De Nederlandse schrijver Wessel te Gussinklo werd geboren in Utrecht op 9 januari 1941. Hij studeerde psychologie in Utrecht. Te Gussinklo werkte eerst psychotherapeut. In 1986 verscheen zijn eerste roman “De verboden tuin”, die bekroond werd met de Anton Wachterprijs. Zijn tweede roman, “De opdracht” (1995), ontving de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, de ECI-prijs en de F. Bordewijkprijs, en werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en De Gouden Uil. Kenmerkend voor zijn romans zijn de sociaal geïsoleerde personages, die zich proberen te handhaven in de wereld door onopvallendheid en ondergeschiktheid, maar tegelijkertijd zichzelf superieur achten in hun eigen belevingswereld vanwege hun unieke inzicht in de werkelijkheid. Zijn voorliefde voor bepaalde auteurs (met name Harry Mulisch met wie hij zich vereenzelvigt) komt naar voren in zijn essaybundel” Aangeraakt door goden” (2003), waarin hij ook getuigt van zijn voorliefde voor muziek (met name Mahler).

Uit: De opdracht

“Boomgordels en de onverhoeds uitwaaierende diepten van door bos omsloten weiland wisselden elkaar met eentonige regelmaat af, voortschuivend in zijn ooghoeken en in hun hypnotiserende herhaling, detailloos, gereduceerd tot weinig meer dan geometrische vormen. Niet het bos, het laaggroeiende eikenonderhout en daar bovenuit dennen, maar de gewaarwording van verzadiging – volheid, een rond en mollig opdringen – of juist van droge warme stoffigheid, ijl en doorschoten met banen zonlicht, als de weg langs laag struikgewas voerde.
En dichterbij, vlak naast hem het langsschieten van bomen en takken, een streepachtig bewegen van vele kleine dingen. En dan, haast schokkend abrupt, de plotselinge vertraging die zijn voortgang leek te ondergaan als wei- en akkerland zich uit de nauwte van de bosweg voor zijn ogen ontvouwden. Een muur van ruimte die hij beklom, traag als een insect op een groot vel glanzend wit papier.
Het gevoel bijna stil te staan door de tegenwind van licht die hem uit de blinkende velden tegemoet woei. Of later die middag, toen nevels de zon bedekten, de stroeve hindering die hij ondervond van het glasachtig bleke iets, dat – niet echt zichtbaar, maar toch aanwezig – onbeweeglijk de open ruimte vulde tot waar de weg met een kleine zwenking weer in het bos verdween.
Het was dan of hij haast sprongsgewijs, van stilstand tot stilstand, de ruimte overwon, en toch steeds ergens in het midden bleef, daar vastgehouden werd, hoezeer hij zich ook voortspoedde over het streperige grijs van het wegdek. Een wegdek met af en toe een boomwortel die daar gedeeltelijk in vergroeid was, of een plaats waar het asfalt opgedrukt was, gebarsten en brokkelig, en hij dacht dan: oppassen, zonder zijn snelheid te verminderen. En hij zag de zwarte, inktachtige afgeronde vlekken van recente reparaties aan het asfalt, en hier en daar stukjes onregelmatige bestrating. Fijn met stof gemengd grind markeerde de zijkant van de tunnelachtig smalle bosweg, soms opgehoopt in de bochten, alsof het daar naar toe geveegd was, of half weggezonken in gras en berm als de weg door wei en akkerland voerde.”

 
Wessel te Gussinklo (Utrecht, 9 januari 1941)

Juan Marsé, Waldtraut Lewin, Gaston Miron, Ko Un, Leonardo Sciascia

De Catalaanse schrijver Juan Marsé werd geboren op 8 januari 1933 in Barcelona. Zie ook alle tags voor Juan Marsé op mijn blog.

Uit: L’amant bilingue (Vertaald door Jean-Marie Saint-Lu)

“Le châssis rouillé de la Lincoln Continental 1941, sans roues ni moteur, gît au milieu du terrain vague, entouré d’herbes hautes que peigne le vent. C’est le squelette calciné d’un rêve. Personne dans le quartier ne se rappelle comment ni quand la fantastique automobile est arrivée jusque sur ces hauteurs, qui l’a abandonnée sur cette petite colline au nord-ouest de la ville, la condamnant ainsi à mourir à l’état de ferraille. Elle est toujours échouée dans ma mémoire au milieu d’une mer d’herbe et de boue noire, et entourée de tout un tas de choses mortes : des morceaux de poêles en fer, un fauteuil défoncé, des enfants au crâne tondu qui fument à croupetons, des piles de vieux pneus, ma mère, ivre, qui marche contre le vent, des sommiers oxydés et des petits matelas crasseux et tout déchirés.
J’écris ici ces souvenirs pour qu’ils soient sauvés de l’oubli. Ma vie a été une vraie merde, mais je n’en ai pas d’autre.
J’habite avec ma mère en haut de la rue Verdi, dans un vieux pavillon délabré avec un jardin, sur un versant contigu au parc Güell. Je vois la rue en pente, estompée par la bruine, comme un merveilleux toboggan au-dessus de la ville. Au coin; on peut voir la figure d’un jeune garçon, masquée d’un loup noir. C’est moi, douze ans, crâne tondu, brassard de deuil. L’enfant masqué regarde d’un côté et de l’autre, furtivement, puis traverse la rue. Je revois le quartier gris et apeuré, les chats faméliques, les petites terrasses, les draps blancs que fouette le vent. Au coin de l’autre rue, je rejoins trois garçons, Faneca, David et Jaime. Faneca mange une patate cuite, il a été faire une course pour madame Lola et il est passé par la cuisine de la pension Ynès, il y récupère toujours quelque chose à manger. Les rues sont si raides qu’elles ont des marches.
Mon quartier est si haut, si près des nuages, que la pluies’y arrête avant de tomber.”

 

 
Juan Marsé (Barcelona, 8 januari 1933)

Lees verder “Juan Marsé, Waldtraut Lewin, Gaston Miron, Ko Un, Leonardo Sciascia”

Frans Kellendonk, Dionne Brand, Sofi Oksanen, Henk van Zuiden, Shobhaa Dé, Marie Desplechin

De Nederlandse schrijver en vertaler Frans Kellendonk werd geboren in Nijmegen op 7 januari 1951. Zie ook alle tags voor Frans Kellendonk op dit blog.

Uit: De Nietsnut

“Ik vulde de schrale contouren van mijn herinnering met stukjes en beetjes van mezelf. […] Het werd, al met al, volstrekt onduidelijk waar hij ophield en ikzelf begon. Het probleem was niet zozeer dat hij mijn creatuur werd – dat zou bovendien een heel goede manier zijn geweest om me van hem te ontdoen -, maar dat hij in dezelfde mate waarin ik bezit nam van hem, bezit van mij nam.
(…)

‘Alles wat ik van mijn vader weet is even belangrijk of onbelangrijk. Ik moet een vorm vinden voor zijn leven, ik moet er een verhaal van maken. Zoals het nu is verdwijnt het tussen de omstandigheden.’
(…)

“Mijn speurtocht had geen enkel nieuw gezichtspunt opgeleverd. Weliswaar bungelde dat charivari van voor- en toevallen nu aan een deugdelijke causale ketting, maar een bewijsstuk of redenering om in te brengen tegen de visies van Willem Kieft en mijn oom Richard had ik niet kunnen ontdekken. Over wat mijn vader had bezield had ik alleen wat kunnen fantaseren, of liever projecteren. Ik had wat rondgestruind in zijn schoenen, met als enig gevolg dat hij, wat mij betrof, nu even onwerkelijk was als het monster van Loch Ness of de Verschrikkelijke Sneeuwman. Alsof ik hem zelf had uitgevonden. En heus niet bij gebrek aan feiten. Feiten te over! Stille en kletsgrage getuigen, sporen, een vuilnisbelt vol sporen. […] Een beetje detective zou daaruit allang een meedogenloos sluitende reconstructie hebben gewrocht, die geen enkele vraag onbeantwoord liet. Zo niet Frits Goudvis. Die zag alleen maar rommel en chaos, het gat in de hand van de werkelijkheid.”

 

 
Frans Kellendonk (7 januari 1951 – 15 februari 1990)

Lees verder “Frans Kellendonk, Dionne Brand, Sofi Oksanen, Henk van Zuiden, Shobhaa Dé, Marie Desplechin”

The Three Kings (Henry Longfellow)

 

Bij het feest van Driekoningen

 

 
De aanbidding van de Drie Koningen door Corregio, rond 1518

 

The Three Kings

Three Kings came riding from far away,
Melchior and Gaspar and Baltasar;
Three Wise Men out of the East were they,
And they travelled by night and they slept by day,
For their guide was a beautiful, wonderful star.

The star was so beautiful, large and clear,
That all the other stars of the sky
Became a white mist in the atmosphere,
And by this they knew that the coming was near
Of the Prince foretold in the prophecy.

Three caskets they bore on their saddle-bows,
Three caskets of gold with golden keys;
Their robes were of crimson silk with rows
Of bells and pomegranates and furbelows,
Their turbans like blossoming almond-trees.

And so the Three Kings rode into the West,
Through the dusk of the night, over hill and dell,
And sometimes they nodded with beard on breast,
And sometimes talked, as they paused to rest,
With the people they met at some wayside well.

“Of the child that is born,” said Baltasar,
“Good people, I pray you, tell us the news;
For we in the East have seen his star,
And have ridden fast, and have ridden far,
To find and worship the King of the Jews.”

And the people answered, “You ask in vain;
We know of no King but Herod the Great!”
They thought the Wise Men were men insane,
As they spurred their horses across the plain,
Like riders in haste, who cannot wait.

And when they came to Jerusalem,
Herod the Great, who had heard this thing,
Sent for the Wise Men and questioned them;
And said, “Go down unto Bethlehem,
And bring me tidings of this new king.”

So they rode away; and the star stood still,
The only one in the grey of morn;
Yes, it stopped –it stood still of its own free will,
Right over Bethlehem on the hill,
The city of David, where Christ was born.

And the Three Kings rode through the gate and the guard,
Through the silent street, till their horses turned
And neighed as they entered the great inn-yard;
But the windows were closed, and the doors were barred,
And only a light in the stable burned.

And cradled there in the scented hay,
In the air made sweet by the breath of kine,
The little child in the manger lay,
The child, that would be king one day
Of a kingdom not human, but divine.

His mother Mary of Nazareth
Sat watching beside his place of rest,
Watching the even flow of his breath,
For the joy of life and the terror of death
Were mingled together in her breast.

They laid their offerings at his feet:
The gold was their tribute to a King,
The frankincense, with its odor sweet,
Was for the Priest, the Paraclete,
The myrrh for the body’s burying.

And the mother wondered and bowed her head,
And sat as still as a statue of stone,
Her heart was troubled yet comforted,
Remembering what the Angel had said
Of an endless reign and of David’s throne.

Then the Kings rode out of the city gate,
With a clatter of hoofs in proud array;
But they went not back to Herod the Great,
For they knew his malice and feared his hate,
And returned to their homes by another way.

 

 
Henry Longfellow (27 februari 1807 – 24 maart 1882)
Portland in Kersttijd. Henry Longfellow werd geboren in Portland.

 

Zie voor de schrijvers van de 6e januari ook mijn vorige blog van vandaag.

Khalil Gibran, Hester Knibbe, Romain Sardou, Carl Sandburg, Jens Johler, E. L. Doctorow

De Libanese dichter en romanschrijver Khalil Gibran werd geboren op 6 januari 1883 in Bischarri. Zie ook alle tags voor Khalil Gibran op dit blog.

 

Over Vriendschap

En een jongeling zei: Spreek tot ons over vriendschap.
En hij antwoordde, zeggende:
Je vriend is een antwoord op je verlangen.
Hij is je akker die je met liefde bezaait en vol dankzegging oogst.
En hij is je tafel en haardvuur.
Want je komt tot hem met je honger en bij hem zoekt ge rust.

Wanneer je vriend je zijn eigen geest ontsluit, ben je niet bang voor het ‘neen’ in je eigen geest, noch onthou je hem het ‘ja’.
En wanneer hij zwijgt, blijft je hart luisteren naar zijn hart;
want zonder woorden worden in vriendschap alle gedachten, alle verlangens, alle verwachtigen geboren en gedeeld, vol ongevraagde vreugde.
Wanneer je afscheid neemt van je vriend, treur je niet;
want wat je het diepst in hem bemint, kan klaarder voor je zjin bij zijn afwezigheid, zoals een bergbeklimmer de berg duidelijker ziet vanuit de vlakte.
En laat je vriendschap geen andere bedoeling hebben dan een verdieping van de geest.
Want de liefde die iets anders zoekt dan de openbaring van haar eigen mysterie is geen liefde, maar een net dat uitgeworpen wordt; en alleen het waardeloze wordt gevangen.

En laat het beste voor je vriend zijn.
Zo hij de eb van je getij moet ervaren, doe hem ook de vloed kennen.
Want wat is je vriend dat je hem enkel zoeken zou om de tijd te doden.
Zoek hem steeds om de tijd te leven.
Want hij moet je tekort vullen, maar niet je ledigheid.
En laat er een lach zijn in de zoetheid der vriendschap en een samen beleven van genoegens.
Want in de dauw der kleine dingen vindt het hart zijn morgen en wordt verfrist.

 

 
Khalil Gibran (6 januari 1883– 10 april 1931)

Lees verder “Khalil Gibran, Hester Knibbe, Romain Sardou, Carl Sandburg, Jens Johler, E. L. Doctorow”

Umberto Eco, Paul Ingendaay, Ngũgĩ wa Thiong’o, László Krasznahorkai, Friedrich Dürrenmatt

 De Italiaanse schrijver Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook alle tags voor Umberto Eco op dit blog.

Uit: The Prague Cemetery (Vertaald door Richard Dixon)

“A passerby on that gray morning in March 1897, crossing, at his own risk and peril, Place Maubert, or the Maub, as it was known in criminal circles (formerly a center of university life in the Middle Ages, when students flocked there from the Faculty of Arts in Vicus Stramineus, or Rue du Fouarre, and later a place of execution for apostles of free thought such as Étienne Dolet), would have found himself in one of the few spots in Paris spared from Baron Haussmann’s devastations, amid a tangle of malodorous alleys, sliced in two by the course of the Bièvre, which still emerged here, flowing out from the bowels of the metropolis, where it had long been confined, before emptying feverish, gasping, and verminous into the nearby Seine. From Place Maubert, already scarred by Boulevard Saint-Germain, a web of narrow lanes still branched off, such as Rue Maître-Albert, Rue Saint-Séverin, Rue Galande, Rue de la Bûcherie, Rue Saint-Julien-le-Pauvre, as far as Rue de la Huchette, littered with filthy hotels generally run by Auvergnat hoteliers of legendary cupidity, who demanded one franc for the first night and 40 centimes thereafter (plus 20 sous if you wanted a sheet).
If he were to turn into what was later to become Rue Sauton but was then still Rue d’Amboise, about halfway along the street, between a brothel masquerading as a brasserie and a tavern that served dinner with foul wine for two sous (cheap even then, but all that was affordable to students from the nearby Sorbonne), he would have found an impasse, or blind alley, which by that time was called Impasse Maubert, but up to 1865 had been called Cul-de-sac d’Amboise, and years earlier had housed a tapis-franc (in underworld slang, a tavern, a hostelry of ill fame, usually run by an ex-convict, and the haunt of felons just released from jail), and was also notorious because in the 18th century there had stood here the laboratory of three celebrated women poisoners, found one day asphyxiated by the deadly substances they were distilling on their stoves.”

 

 
Umberto Eco (Allasandria, 5 januari 1932)

Lees verder “Umberto Eco, Paul Ingendaay, Ngũgĩ wa Thiong’o, László Krasznahorkai, Friedrich Dürrenmatt”

Luisa Futoransky, Forough Farokhzad, Yevgeni Popov, William Snodgrass

De Argentijnse dichteres en schrijfster Luisa Futoransky werd geboren op 5 januari 1939 in Buenos Aires. Zie ook alle tags voor Luisa Futoransky op dit blog.

 

Tatoong

Golden buddhas of Tatoong with their centers of balance in flames
buddhas with guardians strumming wise mandolins to help them sleep

meanwhile the interpreter strives before a shining trinity
explaining that the figures on the sides are the secretaries
but without specifying as to what faction, which cosmic party
what paperwork they have to fill out to pass from the blue
to the orange of illumination

how many incarnations at the mercy of the elements in the shacks of Yunnan
how much silk and manure and horse sweat
and yak’s milk so that the gust of silence and wind
causes me to doubt my light and shadow

but the Japanese are filming murmured sequences
of martial arts at the feet of the Contemplator
and after we go off in our buses to empty ourselves
of more dinners, more temples, more purchases

what do these tens of thousands of buddhas do at night
to be so happy and composed the next morning?

 

Circery

I changed
these men into little poems
and confined them to books and journals
because, nowadays,
it’s not worth
going about finding them acorns
or daisies for holy days.

As for Ulysses, the guy from Ithaca,
tell him my oven’s already full
of asps, toads
and mastodons like him.
Besides, the (circus) game
of resurrections
is no longer my specialty.
Now I weave.
Believe me.

 

Vertaald door Jason Weiss

 

 
Luisa Futoransky (Buenos Aires, 5 januari 1939)

Lees verder “Luisa Futoransky, Forough Farokhzad, Yevgeni Popov, William Snodgrass”

Pierre Seghers, Fred Wander, Humbert Wolfe, Stella Gibbons, Terenci Moix

De Franse dichter en uitgever Pierre Seghers werd geboren op 5 januari 1906 in Parijs. Zie ook alle tags voor Pierre Seghers op dit blog.

 

La vie

Ainsi passe la vie, de l’un à l’autre va
Se fait et se défait, s’invente, se prolonge
S’endort dans des maisons que bâtissent les songes
Se rêve et s’éveillant ne se reconnaît pas

Ainsi passe la vie. Quand le soleil va naître
Il partage déjà ses hautes graminées
Ses nuages, ses fleurs, ses défuntes années
Son devenir de feux passant dans nos fenêtres

Ainsi passe la vie. On entend des bourdons
Tracer dans la lumière un sillage illusoire
Pour lui seul le poète écoute ses histoires
Et plonge au cœur des fleurs pour apprendre leur nom

Ainsi passe la vie à surprendre un langage
Inaudible et pourtant comme l’herbe vivant
De l’éternel azur qui n’est fait que de vents
De silence, d’attente, et d’autres paysages

 

 
Pierre Seghers (5 januari 1906 – 4 november 1987)
Hier met de acteur Gerard Philipe die zijn gedichten leest, 1955

Lees verder “Pierre Seghers, Fred Wander, Humbert Wolfe, Stella Gibbons, Terenci Moix”

Emil Zopfi, David Berman, Gao Xingjian, Fernand Handtpoorter, Doris Kearns Goodwin

De Zwitserse schrijver Emil Zopfi werd geboren op 4 januari 1943 in Wald. Zie ook alle tags voor Emil Zopfi op dit blog.

Uit: Spitzeltango

„Robert stand neben dem Gepäckband an der Kurve, wo die Koffer und Taschen der Flugpassagiere aus der Tiefe heraufbefördert wurden und auf die schwarzen Gummischuppen fielen. Er sah zu, wie die halbmondförmigen Schuppen ineinandergriffen, sich verdrehten und dann wieder ausrichteten. Das Band lief schon eine Weile leer, dann stoppte es, die Anzeige am Bildschirm erlosch. Sein Koffer war nicht angekommen.
Die letzten Passagiere seines Flugs schoben ihre Trolleys zum Ausgang. Durch die Glasfront sah er Menschen in der Ankunftshalle, die sich umarmten und küssten. Zwei Kinder schwenkten Fähnchen. Weisses Kreuz auf rotem Grund. «Welcome to Switzerland», stand in schwarzer Schrift auf einer Wand aus Chromstahl.
Der Flug aus Chicago hatte in Frankfurt den Anschluss verpasst, Sturm über dem Atlantik. Man hatte ihm versichert, sein Koffer werde nach Zürich umgeleitet. Er schritt durch die Halle, wo die Passagiere anderer Flüge ihr Gepäck von den Bändern hoben und auf Trolleys türmten. Skiausrüstungen, Rucksäcke, ein Cello, ein Teddybär, der auf einer mit Bindfaden umschnürten Schachtel sass.
Im Fundbüro «Lost and Found» sass eine Afrikanerin hinter einem der Bildschirme, das schwarzglänzende Haar in dicht am Kopf anliegende Zöpfchen geflochten. «May I help you, Sir?»
Ihr Englisch klang kantig, so wie Schweizer sprechen. Im Midwestern-Slang, den er sich seit langem angewöhnt hatte, erklärte Robert, dass sein Koffer nach der verspäteten Ankunft in Frankfurt umgeleitet worden sei. Zuverlässig auf den Anschlussflug, habe man versichert. Er schob der Frau das Flugticket mit dem angeklebten Gepäckschein hin. Sie warf einen Blick darauf, tippte einige Daten in ihre Tastatur, legte ihre Stirn in Falten. Dann telefonierte sie, ihre rauchige Stimme und die Zürcher Mundart befremdeten ihn
.“

 

 
Emil Zopfi (Wald, 4 januari 1943)

Lees verder “Emil Zopfi, David Berman, Gao Xingjian, Fernand Handtpoorter, Doris Kearns Goodwin”